V.

De zomer kwam. Rougon leidde een zeer rustig leven. Mevrouw Rougon had

in drie maanden tijds het huis in de rue Marbeuf, dat vroeger aan een

avonturiersleven deed denken, in een deftige woning herschapen. Nu

getuigden de wel wat ongezellige, maar zindelijk onderhouden kamers

van een fatsoenlijk bestaan; de ordelijk gerangschikte meubels,

de gordijnen die slechts een streepje van het daglicht doorlieten,

de tapijten die het geluid der voetstappen smoorden, zij brachten

daar een bijna kloosterachtige stijfheid; het scheen zelfs alsof al

die zaken daar antiek waren, alsof men in een woning kwam, geheel

doordrongen van een aartsvaderlijken geur. Die groote leelijke

vrouw, die een onafgebroken toezicht hield, voegde bij die plechtige

stilte het zachte geluid van haar stillen tred, en zij bestierde de

huishouding met een zoo gemakkelijke hand, dat het scheen alsof zij

in dat huis oud geworden was in een twintig jarig huwelijksleven.

Rougon glimlachte, wanneer men hem gelukwenschte. Hij bleef bij zijn

bewering dat hij getrouwd was op den raad en volgens de keuze van

zijn vrienden. Zijn vrouw bracht hem in verrukking. Reeds lang had hij

naar een kalm huiselijk leven verlangd, dat als een materieel bewijs

van zijn deugdzaamheid kon gelden. Dat onttrok hem geheel aan zijn

verdacht verleden, verzekerde hem een plaats onder de achtenswaardige

lieden. Zijn kleinsteedsche begrippen van netheid waren hem nog altijd

bijgebleven; als zijn ideaal golden zekere salons van de welgestelde

burgers uit Plassans, waar de fauteuils het geheele jaar door met wit

linnen hoezen overtrokken bleven. Wanneer hij bij Delestang kwam, waar

Clorinde bij vlagen een buitensporige weelde ten toon spreidde, gaf

hij daarover door een licht schouderophalen zijn minachting te kennen.

Niets vond hij belachelijker dan zijn geld noodeloos te verspillen;

niet dat hij gierig was, maar hij placht te zeggen dat hij genietingen

kende, die verkieselijk waren boven alles wat men voor geld koopen

kon. Hij had zijn vrouw dan ook met de zorg voor hun fortuin

belast. Tot dusver had hij nooit rekening gehouden. Van toen af

beheerde zij hun fortuin met dezelfde nauwlettende zorg, waarmee zij

haar huishouden bestierde.

In de eerste maanden zonderde Rougon zich af, als om zich voor te

bereiden voor den strijd, dien hij hoopte te voeren. Hij had de macht

uitsluitend lief om de macht zelve, afgescheiden van begeerten naar

rijkdom en ijdele eerbewijzen. Zeer onwetend, zeer middelmatig in alle

zaken die vreemd waren aan den omgang met menschen, werd hij alleen

groot door zijn heerschzucht. Daartoe spande hij gaarne alle krachten

in. Zich boven de menigte te verheffen, die volgens hem slechts uit

domooren en schurken bestond, de lieden met den knuppel regeeren,

dat ontwikkelde in zijn lichaam een behendigen, energieken geest. Hij

had alleen vertrouwen in zichzelf, zijn overtuiging gold bij hem voor

een argument, hij maakte alles dienstbaar aan de uitbreiding van zijn

persoonlijken invloed. Het eenige onmatige genot, waarin hij zwelgde,

was zijn almacht. Terwijl hij van zijn vader de breede, vierkante

schouders, het deegachtige van het gezicht bezat, had hij van zijn

moeder, die verschrikkelijke Félicité die Plassans beheerschte, een

wilskracht, een zucht naar macht, die de kleine middelen en de kleine

genoegens versmaadde; hij was voorzeker de grootste onder de Rougons.

Toen hij na een veeljarig werkzaam leven zich eensklaps alleen

en zonder bezigheden bevond, kreeg hij eerst een heerlijk gevoel

van slaap. Sedert de inspannende dagen van 1851 kwam het hem voor

alsof hij niet meer geslapen had. Hij aanvaardde zijn ongenade als

een verlof, na langdurigen dienst verdiend. Hij nam zich voor een

half jaar in afzondering door te brengen, lang genoeg om een beter

terrein te kiezen, en dan weer naar verkiezing aan den strijd deel

te nemen. Maar na enkele weken was hij zijn rust al moede. Nooit

was hij zich zoo duidelijk bewust geweest van zijn kracht; nu hij

ze niet meer gebruikte, hinderden zijn hoofd en zijn ledematen hem;

en hij bracht zijn dagen door in zijn tuintje, geeuwend op en neer

wandelend, als een van die gevangen leeuwen, die hun verstijfde leden

krachtig uitstrekken. Toen begon voor hem een hatelijk bestaan,

waarvan hij de doodelijke verveling zorgvuldig verborgen hield:

hij beweerde goedmoedig dat hij blij was "dien rommel" uit te zijn,

maar somtijds openden zijn zware oogleden zich halverwege, ten einde

de gebeurtenissen te bespieden, om dadelijk weer over zijn schitterend

oog neer te vallen, zoodra men hem aankeek. Wat hem nog staande hield,

was de impopulariteit waarin hij zich bewoog. Zijn val had een aantal

lieden met vreugde vervuld. Er ging geen dag voorbij, of hij werd

in een der bladen aangevallen; hij was de verpersoonlijking van

den Staatsgreep, van de verbanningen, van al die gewelddadigheden,

waarover men zich bedektelijk uitliet; men ging zelfs zoo ver dat men

den Keizer gelukwenschte, dat hij zich ontdaan had van een dienaar

die hem compromitteerde. Aan het hof was de vijandige gezindheid

nog grooter. Marsy gebruikte hem als mikpunt voor zijn kwinkslagen,

die de dames in de salons rond vertelden. Die haat verkwikte hem,

versterkte hem in zijn verachting voor het menschelijke gedierte. Men

vergat hem niet, men verfoeide hem, en dat deed hem goed. Hij alleen

tegen allen, dat was zijn geliefkoosde droom; hij alleen, met een

zweep, de monden snoerend. Hij geraakte in opgewondenheid door de

beleedigingen, hij werd grooter, in den hoogmoed van zijn eenzaamheid.

Intusschen drukte de ledigheid verschrikkelijk op zijn

worstelaarsspieren. Als hij gedurfd had, zou hij een spade ter

hand genomen hebben om een hoekje van zijn tuin om te spitten. Hij

ondernam een groot werk, een vergelijkende studie over de Engelsche

constitutie en de keizerlijke van 1852; terwijl hij rekening hield met

de geschiedenis en de politieke zeden der beide volkeren, trachtte

hij te bewijzen dat de vrijheid in Frankrijk even groot was als in

Engeland. Toen hij alle documenten bijeen had en het dossier compleet

was, kostte het hem een groote inspanning om de pen op te nemen; hij

zou met genoegen een rede over die zaak in de Kamer gehouden hebben;

maar het opstellen en het schrijven van een geheel werk, met al de

moeielijkheden aan de juiste zinskeuze verbonden, scheen hem een

verbazend lastig werk, zonder onmiddellijk nut. De stijl was altijd

een groot bezwaar bij hem geweest; hij koesterde er dan ook een diepe

minachting voor. Hij kwam niet verder dan de tiende bladzijde. Het

aangevangen handschrift was iederen dag op zijn schrijftafel te vinden,

ofschoon hij er geen twintig regels in een week bij schreef. Iederen

keer als men hem naar zijn bezigheden vroeg, antwoordde hij met een

breedvoerige omschrijving van zijn denkbeeld, terwijl hij hoog opgaf

van het omvangrijke van zijn arbeid. Dat was de verontschuldiging

waarachter hij de afschuwelijke ledigheid van zijn bestaan verborg.

De maanden verliepen, hij glimlachte nog goediger en

onbekommerder. Geen enkele maal verried zich de wanhoop, die hij

onderdrukte, op zijn gelaat. Hij beantwoordde de klaagredenen van

zijn vrienden met redeneeringen, die aan zijn volmaakt geluk deden

gelooven. Was hij niet gelukkig? Hij dweepte met de studie, hij werkte

naar zijn eigen zin, dat was vrij wat aangenamer dan de koortsachtige

opwinding van de openbare zaken. Als de keizer hem toch niet noodig

had, deed hij er wel aan hem stil in zijn hoekje te laten; en hij

noemde den naam van den keizer met de grootste toewijding. Dikwijls

echter verklaarde hij dat hij gereed was, eenvoudig op een teeken

van zijn meester wachtte om de "lasten van het gezag" weer op zich

te nemen; maar hij voegde er bij dat hij geen stap tot toenadering

zou doen. Inderdaad scheen hij zich met opzettelijke zorg op den

achtergrond te houden. In de stilte van de eerste jaren van het

keizerrijk, te midden van die zonderlinge verdooving door ontzetting

en vermoeidheid ontstaan, hoorde hij een zacht ontwaken. En zijn

uiterste hoop was op de een of andere katastrophe gevestigd, die

hem plotseling onmisbaar zou maken. Hij was de man van de ernstige

tijdsomstandigheden, "de man met de grove handen", zooals mijnheer

de Marsy hem noemde.

Des Zondags en des Donderdags stond het huis in de rue Marbeuf voor

de intieme kennissen open. Men kwam tot half elf in het groote roode

salon praten, daarna wees Rougon hen onverbiddelijk de deur; hij

zei dat het late opblijven de hersenen afstompte. Precies om tien

uur kwam mevrouw Rougon zelf de thee ronddienen, als een zorgzame

huisvrouw die op de geringste bezigheden acht geeft. Er waren slechts

twee schalen met gebakjes, die door niemand gebruikt werden.

Op den Donderdag in de maand Juli, die dat jaar op de groote

verkiezingen volgde, was het geheele gezelschap om acht uur in

het groote salon voltallig. De dames, mevrouw Bouchard, mevrouw

Charbonnel, mevrouw Correur, aan het open venster gezeten om het

beetje frissche lucht in te ademen dat uit het tuintje tot hen kwam,

vormden een kring, waarbinnen mijnheer d'Escorailles vertelde,

welke streken hij tijdens zijn verblijf in Plassans uithaalde, als

hij twaalf uren in Monaco ging doorbrengen, onder voorwendsel van

een jachtpartij bij een vriend. Mevrouw Rougon, in een zwarte japon,

half verborgen achter een gordijn, luisterde niet, stond zachtjes op,

verdween soms kwartieren achtereen.

Bij de dames zat ook de heer Charbonnel, die zich niet kon begrijpen

hoe een net jongmensch zich niet schaamde voor dergelijke avonturen uit

te komen. Achter in de kamer stond Clorinde, verstrooid luisterend

naar een gesprek over den oogst, tusschen haar man en mijnheer

Béjuin. Zij droeg een japon met stroogele strikken gegarneerd, en

tikte met haar waaier op de palm van haar linkerhand, terwijl zij

naar den schitterenden ballon keek van de eenige lamp die het salon

verlichtte. Aan een speeltafeltje zaten de kolonel en mijnheer Bouchard

kaart te spelen; terwijl Rougon, op een hoekje van het groene laken,

kaartlegde, ernstig en stelselmatig de kaarten opnemende, zonder

einde. Dat was zijn geliefkoosde bezigheid, 's Zondags en Donderdags,

waarbij zijn vingers en zijn geest afleiding vonden.

--Wel, komt het goed uit? vroeg Clorinde, die glimlachend naderbij

trad.

--Wel, het komt altijd goed uit, antwoordde hij kalm.

Zij stond voor hem, aan de andere zijde van het tafeltje, terwijl

hij het spel in acht hoopjes legde.

Toen hij alle kaarten, twee aan twee, had afgenomen, hernam zij:

--Ge hebt gelijk, het komt goed uit.... Waaraan hadt je gedacht?

Maar hij hief langzaam de oogen op, als verwonderd over die vraag.

--Aan het weer dat we morgen zullen hebben, zei hij eindelijk.

En hij begon de kaarten weer uit te leggen. Delestang en mijnheer

Béjuin spraken niet meer. De heldere lach van de mooie mevrouw Bouchard

klonk alleen door het salon. Clorinde begaf zich naar een venster en

bleef daar een oogenblik kijken naar de invallende duisternis. Toen,

zonder zich om te keeren, vroeg zij:

--Is er nieuws van dien armen mijnheer Kahn?

--Ik heb een brief gekregen, antwoordde Rougon. Ik verwacht hem

vanavond.

Toen kwam het ongeval van mijnheer Kahn ter sprake. Hij had in de

laatste zitting de onvoorzichtigheid begaan, een tamelijk scherpe

kritiek uit te spreken over een wetsvoorstel van de regeering;

door dat wetsvoorstel, dat in een naburig departement een geduchte

concurrentie in het leven zou roepen, werden de hoogovens van Bressuire

met den ondergang bedreigd. Terwijl hij bij zichzelf overtuigd was,

dat hij de grenzen der wettige zelfverdediging niet overschreden

had, had hij bij zijn terugkeer naar Deux-Sèvres, waar hij voor zijn

verkiezing ging zorgen, uit den mond van den prefect zelven vernomen,

dat hij de officiëele kandidaat niet meer was; hij was niet langer

gewild, de minister had een procureur uit Niort aangewezen, een zeer

middelmatig man. Dat was een donderslag.

Rougon vertelde juist de bijzonderheden toen mijnheer Kahn binnentrad,

gevolgd door mijnheer Du Poizat. Beiden waren met den trein van zeven

uur gekomen en hadden zich juist den tijd gegund om te eten.

--Nu, wat zegt gij er van? zei mijnheer Kahn, terwijl men zich om

hem heen verdrong. Nu ben ik een revolutionnair.

Du Poizat had zich met een afgemat gezicht in een fauteuil laten

vallen.

--Een mooie boel, riep hij. 't Is om alle fatsoenlijke lui te doen

walgen.

Maar mijnheer Kahn moest de zaak uitvoerig vertellen. Toen hij

daarginds was aangekomen, zei hij, had hij al bij zijn eerste

bezoeken een zekere verlegenheid bij zijn vrienden ontdekt. Wat

den prefect, mijnheer de Langlade aangaat, dat was een losbandig

mensch, dien hij beschuldigde op zeer intiemen voet met de vrouw

van den nieuwen afgevaardigde uit Niort te staan. Maar toch moest

hij zeggen dat die Langlade hem op een alleraardigste manier zijn

ongenade had meegedeeld; 't was onder het rooken van een sigaar na een

ontbijt op de prefectuur. En hij vertelde het heele gesprek haarfijn

over. Het ergste van het geval was dat zijn aanplakbiljetten en zijn

aanbevelingen al gedrukt werden. In het eerst was hij zoo woedend

geweest, dat hij zich toch candidaat had willen stellen.

--O, als je ons niet geschreven had, zei Du Poizat tot Rougon, zouden

we de regeering een aardig lesje gegeven hebben!

Rougon haalde de schouders op. Achteloos klonk het, terwijl hij zijn

kaarten schudde:

--Ge zoudt toch niet geslaagd zijn, en bovendien zoudt ge u voor

altijd gecompromitteerd hebben. Daar zoudt ge mee opschieten!

--Ik begrijp niet wat voor mensch je bent! riep Du Poizat met woedende

gebaren opspringende. Ik verklaar dat die Marsy mijn bloed aan het

koken begint te brengen. Natuurlijk heeft hij jou willen treffen

in onzen vriend Kahn.... Heb je de circulaires van dat heerschap

gelezen? Nu, 't zijn mooie verkiezingen van hem! Hij heeft ze door

phrases bewerkt.... Lach maar niet! Wanneer jij aan Binnenlandsche

Zaken geweest was, zou je de zaken anders behandeld hebben.

En daar Rougon bleef glimlachen, ging hij met grooter heftigheid voort:

--We zijn daar geweest, we hebben alles gezien.... Een gewezen

kameraad van me heeft het gewaagd zich als republikein candidaat te

stellen. Je kunt je niet begrijpen hoe ze hem vervolgd hebben. De

prefect, de burgemeesters, de gendarmen, de heele kliek is op hem

aangevallen; men verscheurde zijn aanplakbiljetten, men wierp zijn

aanbevelingen in de slooten, men arresteerde de arme drommels die zijn

circulaires moesten rondbrengen, tot zelfs zijn tante, overigens een

achtenswaardige vrouw, heeft hem doen verzoeken niet meer bij haar

over den vloer te komen daar hij haar compromitteerde. En de kranten

dan! Die maakten hem uit voor roover. De vrouwtjes slaan tegenwoordig

een kruis, als hij door het een of ander dorp komt.

Hij haalde diep adem en hernam, weer in zijn leuningstoel terugvallend:

--Hoe het zij, al heeft Marsy de meerderheid in alle departementen,

Parijs heeft toch vijf candidaten van de oppositie er door

gehaald.... Men begint wakker te worden. Als de keizer het gezag in

handen laat van dien fatterigen minister en die alkoofprefecten, die de

mannen naar de Kamer sturen om vrijer met de vrouwen naar bed te kunnen

gaan, dan is het keizerrijk binnen vijf jaar ten onder gegaan.... Ik

vind die verkiezingen van Parijs prachtig. Dat wreekt ons een beetje.

--Dus als je prefect was geworden....? vroeg Rougon bedaard, met zoo'n

fijne ironie, dat zich ternauwernood een fijn plooitje om zijn dikke

lippen vertoonde.

Du Poizat liet zijn onregelmatige, witte tanden zien. Zijn nietige

kindervuistjes omklemden de armen van den fauteuil, alsof hij ze had

willen breken.

--O, mompelde hij, als ik prefect was geweest....

Maar hij sprak niet verder, hij zakte achterover en zei:

--Neen, 't is in één woord walgelijk!.... Trouwens, ik ben altijd

republikein geweest.

Intusschen hadden de dames aan het venster haar gesprek gestaakt en

keken nu naar binnen om te luisteren, terwijl mijnheer d'Escorailles,

met een grooten waaier in de hand, de mooie mevrouw Bouchard koelte

toewuifde. De kolonel en mijnheer Bouchard, die een partijtje begonnen

waren, hielden nu en dan met spelen op, om door een hoofdknikken hun

goed- of afkeuring te kennen te geven. Een breede kring van fauteuils

had zich om Rougon gevormd; Clorinde, oplettend, met de kin in de

hand, waagde geen enkele beweging; Delestang lachte zijn vrouw toe,

in den geest bij de een of andere zoete herinnering verwijlende;

mijnheer Béjuin zat met ineengeslagen handen op de knieën, en keek

met een verschrikt gezicht het heele gezelschap rond. Het plotselinge

binnentreden van Du Poizat en mijnheer Kahn had een storm verwekt in

de kalme stilte van het salon; ze schenen een geur van oppositie in

hun kleeren te hebben meegebracht.

--Ik heb uw raad maar gevolgd en ik heb me teruggetrokken, hernam

mijnheer Kahn. Men had me gewaarschuwd dat ik nog leelijker behandeld

zou worden dan de republikeinsche candidaat. Ik had het keizerrijk

nog al met zooveel toewijding gediend! U zult moeten toestemmen dat

zoo'n ondankbaarheid geschikt is om de sterkste geesten te ontmoedigen.

En hij beklaagde zich bitter over een menigte kwellingen. Hij had een

dagblad willen oprichten om zijn plan van een spoorweg van Niort naar

Angers te steunen; later zou dat blad een krachtig wapen op finantiëel

gebied kunnen worden; maar men had hem de toestemming geweigerd,

omdat mijnheer de Marsy zich inbeeldde dat Rougon zich achter zijn

naam verschool en er sprake zou zijn van een strijdlustig blad,

bestemd om oppositie tegen hem als minister te voeren.

--Dank je de drommel, zei Du Poizat, ze zijn bang dat men eindelijk

eens de waarheid zal schrijven. O, ik had je mooie artikeltjes kunnen

leveren!.... 't Is een schande zoo'n pers als wij hebben, die men

den mond snoert en die bij den eersten kreet met den dood bedreigd

wordt. Een vriend van me, die een roman uitgaf, werd op het ministerie

ontboden waar een chef de bureau hem verzocht een andere kleur aan

het vest van zijn held te geven, omdat die kleur den minister niet

beviel. Historisch, hoor!

Hij haalde nog andere feiten aan, hij sprak van vreeselijke verhalen

die onder het volk de ronde deden, over den zelfmoord van een jonge

actrice en van een bloedverwant des keizers, over het voorgewende

tweegevecht van twee generaals, van wie de een den ander in een

gang van de Tuileriën zou gedood hebben, na een kwestie over een

diefstal. Zouden dergelijke verhalen nog geloof gevonden hebben,

als de pers vrijheid van spreken had gehad? En hij herhaalde als

zijn conclusie:

--Ik ben een republikein, niets meer en niets minder.

--Je bent wel gelukkig, mompelde mijnheer Kahn, ik weet niet meer

wat ik ben.

Rougon zat intusschen met de grootste aandacht zijn kaarten te

leggen. Hij wou nu eens het kunstje probeeren om, na de kaarten

driemaal te hebben rondgedeeld, eerst in hoopjes van zeven, toen van

vijf en daarna van drie, te maken dat de acht klavers bij elkander

waren. Hij was daar zoo in verdiept dat hij niets hoorde, ofschoon

zijn ooren bij sommige woorden als het ware rilden.

--Het parlementaire régime bood ernstige waarborgen, zei de

kolonel. Kwamen de prinsen maar terug!

Kolonel Jobelin was orleanist, in zijn buien van oppositie. Hij

vertelde graag het gevecht van de bergengte van Mouzaïa, waar hij naast

den hertog van Aumale, destijds kapitein van het 4e linie-regiment,

gestreden had.

--Men was zeer gelukkig onder Louis-Philippe, ging hij voort, het

stilzwijgen opmerkende waarmee zijn betuigingen van spijt ontvangen

werden. Gelooft ge niet dat als wij een verantwoordelijk kabinet

hadden, onze vriend aan het hoofd van het bewind zou zijn, voordat

er een halfjaar verstreken was? We zouden spoedig een groot redenaar

meer bezitten.

Maar mijnheer Bouchard gaf teekenen van ongeduld. Hij noemde zich

legitimist, zijn grootvader had vroeger aan het hof verkeerd. Iederen

avond ontstonden er dan ook hevige twisten tusschen hem en zijn neef

over de politiek.

--Zwijg stil, mompelde hij, je Juli-monarchie heeft altijd kunst- en

vliegwerk noodig gehad. Er is maar één grondbeginsel, dat weet je wel.

Toen haalden zij elkander duchtig door. Ze deden alsof het keizerrijk

er niet meer was, en richtten elk een regeering van hun eigen

keuze in. Hadden de prinsen van Orléans ooit een decoratie aan een

ouden soldaat beknibbeld? Zouden de legitimistische koningen zulke

onbillijkheden plegen als men dagelijks in de bureaux gebeuren

zag? Toen zij elkaar eindelijk voor ezels begonnen uit te maken,

riep de kolonel, terwijl hij woedend zijn kaarten opnam:

--Zanik toch niet langer, hoor je, Bouchard!.... Ik heb een derde

van tien en een vierde van den boer. Is dat goed?

Delestang, door den woordenstrijd uit zijn mijmering gewekt, meende

het keizerrijk te moeten verdedigen. Niet dat het keizerrijk hem in

alle opzichten voldeed, goede hemel, neen! Hij had liever een humaner

regeering. En hij trachtte zijn aspiraties te verklaren, een zeer

ingewikkeld socialistisch plan, het wegnemen van het pauperisme,

de associatie van alle arbeiders, iets als zijn modelhoeve in het

groot. Du Poizat zei gewoonlijk dat hij te veel met dieren had

omgegaan.

Terwijl haar man sprak, en daarbij zijn trotsch hoofd van officiëel

persoon schudde, keek Clorinde hem met een ietwat ontevreden gezicht

aan.

--Ja, ik ben bonapartist, zei hij herhaalde malen; ik ben, zoo ge wilt,

liberaal bonapartist.

--En gij, Béjuin? vroeg mijnheer Kahn op eens.

--Wel, ik ook, antwoordde mijnheer Béjuin, dat is te zeggen, er zijn

natuurlijk nuances.... Enfin, ik ben bonapartist.

Du Poizat lachte schamper.

--'k Wil het graag gelooven! Men heeft jelui niet geloosd. Delestang

is nog altijd in den Raad van State. Béjuin is pas herkozen.

--Dat is heel natuurlijk in zijn werk gegaan, viel deze in. De prefect

van le Cher....

--O, daar zal ik je geen verwijt van maken. We weten hoe het daarmee

gaat.... Combelot is ook herkozen, La Rouquette ook.... Het keizerrijk

is een prachtig ding!

Mijnheer d'Escorailles, die voortging de mooie mevrouw Bouchard af te

koelen, wou tusschenbeide komen. Hij verdedigde het keizerrijk uit

een ander oogpunt, hij had zich de partij van den keizer gekozen,

omdat deze naar zijn meening een zending te vervullen had: het heil

van Frankrijk bovenal.

--U hebt uw auditeursbaantje gehouden, nietwaar? hernam Du Poizat,

de stem verheffend; nu, uw opinies zijn bekend.... Wat drommel, wat

ik daar zei schijnt jelui ergernis op te wekken. 't Is toch heel

eenvoudig.... Kahn en ik worden niet meer betaald om de oogen te

sluiten, dat is alles!

Men werd boos. Dat was een afschuwelijke manier om de politiek te

beschouwen. De politiek bestond toch niet enkel uit persoonlijke

belangen. De kolonels zelfs en mijnheer Bouchard, ofschoon niet

keizersgezind, erkenden dat men toch te goeder trouw bonapartist

kon zijn, en zij spraken van hun eigen overtuigingen, met een

verdubbelden gloed, alsof men ze hun met geweld wou ontrukken. Wat

Delestang betreft, hij was zeer ontstemd; men had hem niet begrepen,

en hij toonde aan in welke belangrijke punten hij van de blinde

aanhangers van het keizerrijk afweek: dat bracht hem weer tot nieuwe

uitleggingen over de manier, waarop de keizerlijke regeering zich in

democratischen geest kon ontwikkelen. Mijnheer Béjuin nam er evenmin

als mijnheer d'Escorailles genoegen mee dat men hem kortaf bonapartist

noemde; beiden maakten een ontzettend groot onderscheid tusschen

de verschillende schakeeringen en verschansten zich in bijzondere,

moeielijk te definiëeren opinies, zoodat na verloop van tien minuten

het geheele gezelschap tot de oppositie was overgegaan. De stemmen

werden luider, er ontsponnen zich discussies tusschen enkele gasten,

de woorden legitimisten, orleanisten, republikeinen vlogen tusschen de

twintigmaal herhaalde geloofsbelijdenissen. Mevrouw Rougon vertoonde

zich even met een ongerust gelaat op den drempel van een deur, daarop

verdween ze weer zachtjes.

Rougon had eindelijk het kunststukje van de acht klavers

volbracht. Clorinde boog zich tot hem over en vroeg te midden van

het gedruis:

--Is het gelukt?

--Natuurlijk, antwoordde hij met zijn kalmen glimlach.

En alsof hij toen eerst opmerkzaam werd op het druk gepraat, stak

hij de hand op en zei:

--Wat een leven maak jelui!

Ze zwegen, denkende dat hij wou spreken. Er ontstond een diepe

stilte. Allen wachtten, vermoeid van het gebabbel. Rougon had met

een streek van zijn duim dertien kaarten waaiervormig op de tafel

uitgespreid. Hij telde en zei te midden van die plechtige stilte:

--Drie vrouwen, dat beteekent twist.... Een nieuwstijding in den

avond.... Een bruine vrouw waarvoor men zich in acht moet nemen....

Maar Du Poizat viel hem ongeduldig in de rede:

--En gij, Rougon, hoe denkt gij er over?

De groote man wentelde zich om in zijn fauteuil, strekte zich lang

uit en geeuwde even achter zijn hand. Hij hief de kin omhoog, alsof

zijn hals hem pijn deed.

--O, ik, mompelde hij, de oogen naar het plafond gericht, ik ben

een voorstander van het gezag, dat weet ge wel. Men wordt daarmee

geboren; 't is geen opinie, 't is een behoefte. Jelui doet dwaas zoo

te twisten. Zoodra er in Frankrijk vijf heeren in een salon bijeen

zijn, zijn er vijf regeeringsvormen aanwezig. Dat verhindert niemand

het erkende gezag te dienen. Is het zoo niet? 't Is om het gesprek

levendig te houden.

Hij liet zijn kin weer zakken en wierp langzaam een blik in het rond.

--Marsy heeft de verkiezingen uitstekend geleid. Ge doet verkeerd

om aanmerkingen op zijn circulaires te maken. De laatste vooral was

handig.... Wat de pers betreft, die geniet al te veel vrijheid. Waar

zou het heen moeten als de eerste de beste kon schrijven wat hij

denkt? Ik zou trouwens evengoed als Marsy aan Kahn de machtiging

om een krant op te richten geweigerd hebben. Het is altijd dwaas

zijn tegenstanders een wapen in de hand te geven.... Regeeringen,

die medelijden toonen, zijn verloren. Frankrijk heeft een krachtige

hand noodig. Drukt men het de keel wat dicht, dan gaat het er niet

slechter om.

Delestang wou protesteeren. Hij begon te zeggen:

--Toch is er zekere mate van vrijheid noodig.

Maar Clorinde legde hem het zwijgen op. Zij beaamde alles wat Rougon

zei, met overdreven teekenen van instemming. Zij boog zich voorover

opdat hij haar beter zien zou, onderworpen, overtuigd. Zijn blik was

dan ook op haar gericht, toen hij uitriep:

--Ja, een zekere mate van vrijheid, ik dacht wel dat er zoo iets

komen zou!.... Hoor eens, als de keizer mijn zin deed, zou hij nooit

een enkele vrijheid toestaan.

En toen Delestang zich weer onrustig bewoog, werd hij op eens kalm,

toen hij zag hoe zijn vrouw haar mooie wenkbrauwen boos samentrok.

--Nooit! herhaalde Rougon krachtig.

Hij was half opgerezen uit zijn fauteuil, met zoo'n geducht voorkomen,

dat niemand een woord durfde spreken. Maar hij liet zich weer

neervallen, slap als ontspannen, terwijl hij mompelde:

--Nu zou ik zelf ook gaan schreeuwen!.... Ik ben nu een vergeten

burger. Ik hoef me over al die dingen niet meer druk te maken, en

daar ben ik blij om. God geve dat de keizer me niet meer noodig heeft!

Op dit oogenblik werd de deur van het salon geopend. Rougon lei een

vinger op den mond en zei heel zachtjes:

--Sst!

Mijnheer La Rouquette trad binnen. Rougon verdacht hem, dat hij

uitgezonden was door zijn zuster, mevrouw de Lorentz, om af te

luisteren wat er in zijn huis gezegd werd. Mijnheer de Marsy, ofschoon

nauwelijks een halfjaar getrouwd, had zijn oude betrekkingen met die

dame weer aangeknoopt, die hij bijna twee jaar lang als zijn maîtresse

gehad had. Zoodra de jonge afgevaardigde het salon was binnengetreden,

hielden de gesprekken over politiek dan ook op. Rougon ging zelf een

groote kap halen, die hij op de lamp zette; en in den nauwen kring

van geel licht zag men slechts de magere handen van den kolonel en

van mijnheer Bouchard, die de kaarten regelmatig neerwierpen. Voor

het venster verhaalde mevrouw Charbonnel halfluid haar zorgen aan

mevrouw Correur, terwijl mijnheer Charbonnel iedere bijzonderheid

met een diepen zucht bekrachtigde; ze waren nu al bijna twee jaar in

Parijs, en hun verwenscht proces was nog niet geëindigd; den vorigen

avond hadden zij zich nog pas genoodzaakt gezien ieder een half dozijn

hemden te koopen, daar zij gehoord hadden dat de zaak weer uitgesteld

was. Een beetje achteraf, bij een gordijn, scheen mevrouw Bouchard

door de warmte ingedommeld te zijn. Mijnheer d'Escorailles was haar op

komen zoeken. En op een oogenblik dat hij niet gezien werd, was hij

zoo vrij haar een langen, innigen kus op haar half geopende lippen

te drukken. Zij deed haar oogen wijd open, maar bewoog zich niet,

zeer ernstig kijkend.

--Mijn hemel, zei mijnheer La Rouquette juist op dit oogenblik, ik

ben niet naar de Variétés gegaan. Ik heb de generale repetitie van

het stuk gezien. O, een uitbundig succes, een vroolijke muziek! Dat

zal trekken.... Ik had werk dat af moest. Ik ben aan iets bezig.

Hij had den heeren de hand gedrukt en heel galant een kus op Clorinde's

pols, boven den handschoen gedrukt. Hij stond tegen den rug van

een fauteuil geleund, glimlachend en onberispelijk gekleed. Uit de

manier waarop zijn jas was dichtgeknoopt, bleek echter een pretentie

op hoogen ernst.

--A propos, hernam hij, zich tot den gastheer wendend, ik kan u een

document voor uw groot werk aanbevelen, een studie over de Engelsche

constitutie, heel merkwaardig op mijn woord, onlangs in de Revue de

Vienne verschenen.... En vordert het werk nog al?

--O, heel langzaam, antwoordde Rougon. Ik ben juist aan een heel

lastig hoofdstuk.

Gewoonlijk vond hij het pikant den jongen afgevaardigde te laten

praten. Door hem kwam hij op de hoogte van alles wat er op de

Tuileriën gebeurde. Overtuigd dat men hem uitgestuurd had om zijn

opinie omtrent den triomf van de officiëele candidaten te vernemen,

wist hij, zonder zelf iets noemenswaards los te laten, een menigte

inlichtingen van hem te krijgen. Hij begon met hem geluk te wenschen

met zijn herkiezing. Daarop onderhield hij het gesprek met enkele

hoofdknikjes. De ander, die erg in zijn schik was dat hij aan het woord

was, hield zoo gauw niet op. Men was heel blij aan het hof. De keizer

had den uitslag van de verkiezingen in Plombières gehoord; men vertelde

dat hij bij de ontvangst van het telegram van aandoening niet meer op

zijn beenen kon staan, zoodat hij moest gaan zitten.... Toch werd de

vreugde over die overwinning door een groote ongerustheid verstoord:

Parijs had met een monsterachtige ondankbaarheid gestemd.

--Bah, dan snoert men Parijs den mond, mompelde Rougon, die een

hernieuwd gegeeuw onderdrukte, alsof het hem verveelde niets

belangwekkends in den woordenvloed van mijnheer La Rouquette te vinden.

Daar sloeg het tien uur. Mevrouw Rougon, een tafeltje naar het midden

van het vertrek schuivende, schonk thee in. Dat was het oogenblik

waarop de groepjes zich in verschillende hoeken afzonderden. Mijnheer

Kahn stond met een kopje in de hand voor Delestang, die nooit thee

gebruikte omdat hij er zenuwachtig door werd, vertelde weer nieuwe

bijzonderheden over zijn reis naar de Vendée; zijn groote zaak,

de concessie van een spoorweg van Niort naar Angers verkeerde nog

in hetzelfde stadium; die schurk van een Langlade, de prefect van

Deux-Sèvres, had van zijn plan als verkiezingsmanoeuvre weten gebruik

te maken ten gunste van den nieuwen officiëelen candidaat. Mijnheer

La Rouquette, achter de dames omgaande, fluisterde haar woordjes

in het oor, die haar deden glimlachen. Achter een verschansing

van fauteuils zat mevrouw Correur druk met Du Poizat te praten;

zij vroeg hem naar haar broer Martineau, den notaris uit Coulonges,

en Du Poizat zei dat hij hem een oogenblik vóór de kerk gezien had,

hij was nog altijd dezelfde, met zijn koel, deftig voorkomen. En toen

zij al haar oude grieven weer ophaalde, ried hij haar nooit weer een

voet daar te zetten, want mevrouw Martineau had gezworen haar de deur

te wijzen. Mevrouw Correur dronk haar thee uit, rood van kwaadheid.

--Kom, kinderen, het is bedtijd, zei Rougon op vaderlijken toon.

Het was vijf minuten voor half elf, en hij stond nog vijf minuten

toe. Enkele gasten gingen heen. Hij vergezelde de heeren Kahn en

Béjuin, die van mevrouw Rougon de complimenten voor hun vrouwen

meekregen, ofschoon zij die dames op zijn hoogst twee maal per jaar

zag. Hij drong de Charbonnels, die altijd wat verlegen waren om

heen te gaan, zachtjes naar de deur. Toen de mooie mevrouw Bouchard

tusschen mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette heengegaan

was, keerde hij zich naar de speeltafel en riep:

--Zeg eens, mijnheer Bouchard, daar nemen zij uw vrouw mee!

Maar de chef de bureau hoorde niets, hij was juist aan het roemen.

--Een vijfde van klaveren, die is goed, hè? Drie heeren, die zijn

ook goed....

Rougon nam hem de kaarten uit de handen.

--'t Is nu genoeg, zei hij. Schaamt ge u niet, zoo hartstochtelijk

te spelen!... Komaan, kolonel, wees verstandig.

Zoo ging het iederen Donderdag en Zondag. Hij moest midden in een

partijtje tusschenbeide komen, of soms wel de lamp uitdraaien, om ze

te noodzaken met spelen op te houden. En zij gingen woedend heen, nog

twistend met elkander. Delestang en Clorinde bleven het laatst. Terwijl

haar man overal naar haar waaier zocht, zei zij zachtjes tot Rougon:

--U zou er goed aan doen een beetje beweging te nemen, u zult nog

ziek worden.

Hij maakte een gebaar van onverschilligheid en tevens van

berusting. Mevrouw Rougon ruimde de kopjes en de lepeltjes al op. En

toen de Delestangs hem de hand drukten, geeuwde hij ongedwongen. En

uit beleefdheid zei hij:

--Sapperloot, ik geloof dat ik van nacht heerlijk slapen zal!

Zoo gingen de bezoekavonden altijd voorbij. Het was erg saai in

Rougon's salon, beweerde Du Poizat, die zelfs vond dat er nu een

"devoot luchtje" was. Clorinde toonde zich aanhankelijk. Dikwijls kwam

zij heel alleen in den namiddag in de rue Marbeuf, met de een of andere

boodschap. Zij zei schertsend tot mevrouw Rougon, dat zij haar man

het hof kwam maken, en deze, glimlachend met haar bleeke lippen, liet

hen uren achtereen tezamen. Zij praatten heel vriendschappelijk, alsof

zij niet meer dachten aan hetgeen er gebeurd was; ze gaven elkander de

hand als goede kameraden, in dezelfde kamer waar hij het vorige jaar

van begeerte voor haar stond te trappelen. Ze gingen nu heel bedaard

en vertrouwelijk met elkander om. Hij streek de verwaaide haartjes

glad over haar voorhoofd, of hielp haar om den overdreven langen sleep

van haar japon tusschen de fauteuils terug te vinden. Eens, toen zij

den tuin doorgingen, dreef de nieuwsgierigheid haar aan de staldeur

te openen. Zij trad binnen, hem met een zacht lachje aanziende. Hij

stond er met de handen in de zakken bij, en zelf ook glimlachend,

mompelde hij:

--Wat doet men soms dwaas, hè?

Bij ieder bezoek gaf hij haar goeden raad. Hij kwam voornamelijk op

voor Delestang, die toch alles wel beschouwd, zoo'n goed echtgenoot

was. Zij antwoordde dat zij hem hoogachtte; volgens haar had hij

nog geen enkele reden tot klagen. Ze zei dat ze heelemaal niet

koket was, en dat was waar. Uit al haar woorden straalde een groote

onverschilligheid, bijna een minachting voor de mannen door. Wanneer

er sprake was van een vrouw, die er verscheidene minnaars op nahield,

zette zij groote, onschuldige oogen op en vroeg zij: "Vindt ze dat dan

prettig?" Zij vergat haar schoonheid weken achtereen, dacht er slechts

aan als de nood haar drong, en dan maakte zij er een verschrikkelijk

wapen van. Toen Rougon dan ook met een zonderling aanhouden op dat

onderwerp terugkwam, en haar aanried Delestang getrouw te blijven,

werd ze eindelijk boos en riep:

--Laat me toch met rust! Ik denk daar wel aan.... Ge wordt beleedigend!

Eens antwoordde zij hem vierkantweg:

--Nu, als het er eens van kwam, wat zou u dat kunnen schelen?... U

verliest er immers niets bij!

Hij kreeg een kleur en liet geruimen tijd na haar over haar plichten,

de wereld, de betamelijkheid te onderhouden. Die voortdurende prikkel

van jaloerschheid was al wat er van zijn ouden hartstocht in hem

overbleef. Hij ging zelfs zoo ver, haar in de salons waarheen zij

zich begaf, te laten nagaan. Indien hij de minste intrige bespeurd

had, zou hij misschien in staat geweest zijn den echtgenoot te

waarschuwen. Trouwens, wanneer hij hem alleen sprak, waarschuwde

hij hem op zijn hoede te zijn, sprak hij hem over de buitengewone

schoonheid van zijn vrouw. Maar Delestang lachte met een gezicht

vol vertrouwen en eigenwaan; zoodat in dat huishouden Rougon degeen

was, die alle kwellingen van een bedrogen echtgenoot had. Zijn andere

raadgevingen, die zeer praktisch waren, toonden zijn groote vriendschap

voor Clorinde. Hij bracht haar zachtjes aan op het denkbeeld om haar

moeder naar Italië te zenden. De gravin Balbi, alleen achtergebleven

in het kleine hôtel van de Champs-Elysées, leidde er een vreemd,

zorgeloos leven, waarover veel gepraat werd. Hij belastte zich

met de kiesche aangelegenheid om met haar voor de regeling van eene

jaarlijksche toelage te zorgen. Het hôtel werd verkocht, het verleden

van de jonge vrouw was als het ware weggewischt. Toen nam hij op zich

haar van haar excentrieke gewoonten te genezen; maar daarbij stuitte

hij op de stijfhoofdigheid van een stompzinnige vrouw. Clorinde, rijk

getrouwd, leefde in een ongeloofelijke geldverspilling, met plotselinge

buien van schandelijke gierigheid. Zij had haar kleine donkere meid

Antonia, die van den ochtend tot den avond sinaasappelen uitzoog,

bij zich gehouden. Met haar beiden maakten zij mevrouws vertrekken,

een heelen hoek van het groote hôtel in de rue du Colisé, afschuwelijk

vuil. Wanneer Rougon haar ging bezoeken, vond hij vuile borden op

de fauteuils, stroopkannen op den grond, langs de muren. Hij raadde

onder de meubelen een opeenhooping van onzindelijke dingen, die daar

haastig ondergestopt waren, als zijn bezoek aangekondigd werd. En te

midden dier vettige behangsels en der lambrizeeringen grijs van stof,

had zij soms de allerzonderlingste invallen. Dikwijls ontving zij hem

half ontkleed, in een deken gewikkeld, op een sofa liggend, terwijl

zij klaagde over onbekende kwalen, over een hond die aan haar voeten

knaagde, of een speld die zij bij ongeluk had ingeslikt en waarvan

de punt uit haar linkerdij te voorschijn moest komen. Dan weer sloot

zij de zonneblinden om drie uur, stak alle kaarsen aan en ging dan met

haar meid staan dansen, tegenover elkander, zoo hard lachende, dat de

meid als hij binnen kwam, vijf minuten tegen de deur stond te hijgen,

voordat zij de kamer verlaten kon. Eens wou zij zich niet vertoonen;

ze had haar bedgordijnen van onder tot boven aan elkander vastgenaaid,

en zat op het peluw langer dan een uur in die kooi met hem te praten,

alsof zij ieder aan een hoekje van den haard zaten. Dat alles vond

zij heel natuurlijk. Wanneer hij haar beknorde, was zij verbaasd,

zei ze dat ze geen kwaad deed. En als hij haar op de gebruikelijke

vormen wees, haar in een maand de verleidelijkste vrouw van Parijs

beloofde te maken, werd zij driftig en herhaalde:

--Ik ben nu eenmaal zoo, dat is mijn manier van leven.... Wat gaat

dat in 's hemelsnaam een ander aan?

Soms begon zij te glimlachen.

--Men houdt toch van me, hoor! mompelde zij.

En inderdaad, Delestang aanbad haar. Zij bleef zijn meesteres, te

machtiger naarmate zij minder zijn vrouw was. Hij sloot de oogen

voor haar grillen, uit angst dat zij hem alleen zou laten zitten,

zooals zij hem eens gedreigd had. Misschien voelde hij ook in zijn

onderworpenheid dat zij zijn meerdere was, sterk genoeg om met hem

te doen wat zij wilde. In gezelschappen behandelde hij haar als een

kind, sprak hij van haar met de toegevende liefde van een ernstig

man. Maar thuis huilde die groote, knappe man met zijn fraaien kop,

als zij 's nachts weigerde de deur van haar kamer voor hem open te

doen. Hij nam alleen de sleutels van de kamers der eerste verdieping

weg, om zijn groot salon voor vetvlekken te vrijwaren. Rougon wist toch

van Clorinde te verkrijgen dat zij zich ongeveer begon te kleeden als

iedereen. Ze was overigens heel slim, de slimheid van sommige gekken,

die zich tegenover vreemden verstandig voordoen. Hij ontmoette haar

in sommige gezelschappen, waar zij zich op den achtergrond hield,

terwijl zij haar man op den voorgrond liet treden, zich heel passend

gedragende te midden van de bewondering, door haar groote schoonheid

opgewekt. In haar huis ontmoette hij dikwijls mijnheer de Plouguern;

en zij zat schertsend tusschen hen in, onder den stortvloed van hun

zedepreeken, terwijl de oude senator haar tot groote ergernis van

Rougon vertrouwelijk op de wangen tikte, maar hij durfde nooit voor

die ergernis openlijk uitkomen. Minder beschroomd was hij ten opzichte

van Luigi Pozzo, den secretaris van ridder Rusconi. Hij had hem meer

dan eens op vreemde tijden uit haar vertrekken zien komen. Toen hij

de jonge vrouw voor oogen hield hoe haar goede naam daaronder lijden

kon, hief ze haar mooie oogen verbaasd naar hem op; daarop schaterde

ze het uit van lachen. Zij gaf wat om de publieke opinie! In Italië

ontvingen de vrouwen de mannen, die haar aanstonden, niemand dacht

aan iets leelijks. Overigens telde Luigi niet; hij was haar neef; hij

bracht haar Milaneesche gebakjes, die hij in de passage Colbert kocht.

Maar de politiek bleef Clorinde's belangstelling het meest

wekken. Sedert zij met Delestang getrouwd was, gebruikte zij al haar

vernuft voor geheimzinnige ingewikkelde zaken, waarvan niemand de

belangrijkheid goed inzag. Zij bevredigde daarmee haar behoefte aan

intrige, die zij zoolang voldaan had in haar verleidings-campagnes

tegen de mannen, die een groote toekomst hadden; door het spannen

van die huwelijksstrikken scheen zij zich tot een ruimen werkkring

voorbereid te hebben. In den laatsten tijd hield zij geregeld

briefwisseling met haar moeder te Turijn. Zij ging bijna iederen

dag naar de Italiaansche legatie, waar ridder Rusconi fluisterende

gesprekken met haar voerde. Dan waren het weer onbegrijpelijke

tochten naar de vier hoeken van Parijs, bezoeken in alle stilte

afgelegd bij hooggeplaatste personen, bijeenkomsten in afgelegen

stadsgedeelten. Alle Venetiaansche uitgewekenen, een Brambillo,

een Staderino, een Viscardi zagen haar in het geheim, overhandigden

haar stukjes papier vol aanteekeningen. Ze had een rood marokijnen

portefeuille met stalen slot gekocht, een minister waardig, waarin

zij een menigte dossiers borg. In het rijtuig hield zij die op haar

schoot, als een mof; overal waar zij heen ging, droeg ze die mee onder

haar arm; in de vroege morgenuren ontmoette men haar zelfs te voet, de

portefeuille met haar verstijfde handen tegen haar borst drukkend. Zij

begon er weldra versleten uit te zien, gebarsten aan de naden. Toen

bond zij er een riempje over. En in haar opzichtige sleepjaponnen,

steeds beladen met dien onoogelijken leeren zak waaruit de bundels

papieren uitpuilden, geleek zij op een advokaat van kwade zaken,

die de rechtbanken afliep om een rijksdaalder te verdienen.

Verscheidene malen had Rougon getracht achter de groote zaken van

Clorinde te komen. Eens, toen hij een oogenblik met de bewuste

portefeuille alleen was, had hij niet geschroomd de brieven, die

er met een tipje uit staken, naar zich toe te trekken. Maar wat hij

daaruit wijs kon worden leek hem zoo onsamenhangend, zoo vol leemten

toe, dat hij onwillekeurig glimlachte om de politieke pretenties van

de jonge vrouw. Op een namiddag legde zij hem met een kalm uiterlijk

een uitgebreid plan uit: ze hield zich bezig met het tot stand komen

van een verbond tusschen Italië en Frankrijk, met het oog op een

aanstaande campagne tegen Oostenrijk. Rougon, een oogenblik verbaasd,

haalde ten slotte de schouders op voor al die dwaze dingen, waarmee

haar plan gepaard ging. In zijn oog beteekende dat alles niets dan

een nieuwe originaliteit, ditmaal van beteren smaak. Hij bleef liever

bij zijn gevestigde opinie over de vrouwen. Clorinde speelde trouwens

gaarne de rol van leerling. Wanneer zij hem in de rue Marbeuf kwam

opzoeken, deed zij zich heel onderdanig en gedwee voor, deed hem

allerlei vragen, en hoorde hem aan met den ijver van een bekeerling,

die zich gaarne laat onderrichten. En hij vergat dikwijls tot wie hij

sprak, hij legde haar zijn regeeringssysteem bloot, en deed dikwijls

de openlijkste bekentenissen. Gaandeweg werden die gesprekken een

gewoonte, hij beschouwde haar als zijn vertrouweling, stelde zich bij

haar schadeloos voor het stilzwijgen dat hij tegenover zijn beste

vrienden in acht nam, behandelde haar als een bescheiden leerling,

wier eerbiedige bewondering hem streelde.

Gedurende de maanden Augustus en September werden Clorinde's bezoeken

talrijker. Zij kwam nu zelfs drie of vier keeren per week. Nooit

had zij zich zoo'n lieve leerling getoond. Zij vleide Rougon, stond

verrukt over zijn genie, vond het jammer dat hij zijn licht onder een

korenmaat geplaatst had. Eens, in een oogenblik van helderziendheid

vroeg hij haar lachend:

--Ge hebt me dus erg noodig?

--Ja, antwoordde zij vrijmoedig.

Maar zij haastte zich haar voorkomen van opgetogen bewondering aan te

nemen. De politiek gaf haar meer genoegen dan een roman, zei ze. En

als hij zich even omkeerde, schitterde er iets als een oude wrok in

haar oogen. Dikwijls liet zij haar handen in de zijne, alsof zij zich

nog te zwak voelde; en met trillende polsen scheen zij te wachten,

totdat zij hem kracht genoeg ontnomen had om hem te verwurgen.

Wat Clorinde vooral ongerust maakte, was Rougon's toenemende

lusteloosheid. Zij zag hem van verveling inslapen. Eerst had zij

heel goed opgemerkt, dat er veel komediespel bij was. Maar nu,

ondanks al haar slimheid, begon zij te gelooven dat hij werkelijk

den moed verloren had. Zijn gebaren werden trager, zijn stem werd

weeker; en op sommige dagen toonde hij zich zoo onverschillig, zoo

goedaardig, dat de jonge vrouw zich verschrikt afvroeg of hij zich

niet kalm zijn verwijzing naar den senaat als gevallen politiek man

zou laten aanleunen.

Tegen het einde van September scheen Rougon zeer afgetrokken. Toen

vertelde hij haar in een van hun gewone gesprekken, dat hij een

grootsch plan koesterde. Hij verveelde zich in Parijs, hij had

behoefte aan lucht. En opeens kwam alles er uit: hij wou een geheel

nieuw leven beginnen, een vrijwillige verbanning naar de Landes, om

daar verscheidene vierkante mijlen terrein te ontginnen en er midden

op den ontwoekerden grond een stad te stichten. Clorinde verbleekte,

toen zij dat hoorde.

--Maar uw positie hier, uw verwachtingen! riep zij.

Hij maakte een minachtend gebaar en mompelde:

--Bah, luchtkasteelen.... Ik deug bepaald niet voor de politiek,

ziet u!

En hij sprak weer over zijn liefsten wensen, een groot grondeigenaar

te zijn, met kudden beesten waarover hij kon heerschen. Maar in de

Landes werd zijn eerzucht reeds grooter, daar zou hij koning zijn

over een nieuw land; daar zou hij een volk hebben. Twee weken lang

las hij speciale werken. Hij droogde moerassen uit, bestreed met

krachtige werktuigen de steenlaag van den grond, hield den voortgang

der duinvorming tegen door aanplantingen en pijnboomen, verrijkte

Frankrijk met een verbazend vruchtbaar hoekje. Al zijn ingesluimerde

bedrijvigheid, al zijn kracht van nietsdoenden reus ontwaakte in deze

schepping; zijn opeengeklemde vuisten schenen reeds de weerbarstige

keisteenen te doen splijten; zijn armen woelden met een enkelen stoot

den grond om; zijn schouders droegen geheele huizen, kant en klaar,

die hij naar willekeur neerzette aan den oever eener rivier, wier

bedding hij met een enkelen schop van zijn voet groef. Niets was

gemakkelijker. Hij vond daar zooveel werk als hij wilde. De keizer

mocht hem toch zeker nog genoeg om hem een departement in orde te

laten brengen. Met een kleur op de wangen stond hij op, grooter door

de plotselinge uitrekking van zijn zware ledematen, en hij barstte

in een schaterlach uit.

--Dat is een idee, hè! riep hij. Ik geef de stad mijn naam, ik sticht

ook een klein rijk!

Clorinde geloofde aan een gril, aan een denkbeeld dat bij hem

opgekomen was in de diepe verveling waarin hij zich bewoog. Maar de

volgende dagen sprak hij haar weer over zijn plan, met nog grooter

geestdrift. Bij ieder bezoek vond zij hem gebogen over kaarten,

die overal uitgespreid lagen, op zijn schrijftafel, op de stoelen,

op het kleed. Op zekeren middag kon zij hem niet te spreken krijgen,

hij was in gesprek met twee ingenieurs. Toen begon ze zich werkelijk

bevreesd te maken. Zou hij haar nu laten zitten, om zijn stad ergens

in een woeste streek te gaan bouwen? Was het soms een nieuwe list? Ze

moest er voor het oogenblik van afzien achter de waarheid te komen,

maar toch vond zij het noodig de vrienden te waarschuwen.

Dat was een ontsteltenis. Du Poizat werd boos; al langer dan een jaar

liep hij leeg; bij zijn laatste reis naar de Vendée had zijn vader

een pistool uit een lade gehaald, toen hij zich verstout had hem

tienduizend francs te vragen om een prachtige zaak op touw te zetten;

en nu kon hij weer aan het hongerlijden gaan, zooals in 48. Mijnheer

Kahn toonde zich even woedend, zijn hoogovens in Bressuire werden met

een faillietverklaring bedreigd; hij voelde zich verloren, als hij

niet binnen een half jaar de concessie van zijn spoorweg kreeg. De

anderen, mijnheer Béjuin, de kolonel, de Bouchards, de Charbonnels,

hieven ook jammerklachten aan. Dat kon zoo niet afloopen. Rougon was

werkelijk onredelijk. Men zou met hem spreken.

Intusschen verliepen er twee weken. Clorinde, die een groot gezag over

hen uitoefende, had beslist dat het kwalijk gaan zou den grooten man

rechtstreeks aan te vallen. Men wachtte dus een gelegenheid af. Op een

Zondagavond, omstreeks het midden van October, toen de vrienden allen

bijeen waren in het salon van de rue Marbeuf, zei Rougon glimlachend:

--Raadt eens wat ik vandaag gekregen heb?

En hij haalde van achter de pendule een rose kaart te voorschijn.

--Een uitnoodiging naar Compiègne.

Op dit oogenblik opende de kamerdienaar bescheiden de deur. De man,

dien mijnheer verwachtte, was er. Rougon verontschuldigde zich en

ging de kamer uit. Clorinde was luisterend opgestaan. Toen zei ze

vastberaden:

--Hij moet naar Compiègne gaan!

De vrienden keken voorzichtig om zich heen; maar mevrouw Rougon was

sinds een paar minuten verdwenen. Toen overlegden zij fluisterend. De

dames vormden een kring voor den haard, waarop een groot houtblok lag

te smeulen; mijnheer Bouchard en de kolonel speelden hun eeuwigdurend

partijtje; terwijl de andere heeren hun fauteuils in een hoek geschoven

hadden om zich af te zonderen. Clorinde stond in het midden der kamer,

met gebogen hoofd, in diep nadenken verzonken.

--Hij verwachtte dus iemand? vroeg Du Poizat. Wie kan dat zijn?

De anderen haalden de schouders op, om te kennen te geven dat zij

het niet wisten.

--Misschien ook al voor zijn dwaze onderneming, ging hij voort. Mijn

geduld raakt nu uitgeput. Een dezer dagen zeg ik hem eens geducht de

waarheid, dat zult ge zien.

--Sst! zei mijnheer Kahn, terwijl hij een vinger op de lippen lei.

De gewezen onder-prefect had onrustbarend hard gesproken. Allen

spitsten een oogenblik de ooren. Toen begon mijnheer Kahn zelf heel

zachtjes:

--Zeker, hij heeft verplichtingen tegenover ons op zich ge- nomen.

--Zeg dat hij een schuld heeft aangegaan, voegde de kolonel er bij,

zijn kaarten neerleggend.

--Ja, ja, een schuld, dat is het goede woord, verklaarde mijnheer

Bouchard. We hebben het hem ronduit gezegd, laatst in het raadsgebouw.

En de anderen bevestigden dit met een levendig hoofdknikken. Er

ontstond een algemeen geweeklaag. Rougon had ze allen

geruïneerd. Mijnheer Bouchard voegde er bij dat hij al lang chef de

bureau geweest zou zijn, als hij hem niet zoo trouw in het ongeluk

geweest was. De kolonel beweerde dat men uit naam van den graaf de

Marsy het kommandeurskruis en een betrekking voor zijn zoon Auguste had

aangeboden, maar hij had geweigerd, uit vriendschap voor Rougon. De

ouders van mijnheer d'Escorailles, zei de mooie mevrouw Bouchard,

waren zeer gekrenkt omdat hun zoon nog altijd auditeur was, terwijl

zij al een halfjaar op zijn benoeming tot referent aan den staatsraad

wachtten. Zelfs zij die zwegen, Delestang, mijnheer Béjuin, mevrouw

Correur en de Charbonnels knepen hun lippen samen, hieven de oogen

ten hemel, met het voorkomen van martelaren die eindelijk hun geduld

beginnen te verliezen.

--In éen woord, we zijn bestolen, hernam Du Poizat. Maar hij zal niet

vertrekken, daar sta ik u voor in. Is het niet de grootste dwaasheid

om in een afgelegen hoekje tegen de keisteenen te gaan vechten,

als men zulke ernstige belangen te Parijs heeft?.... Wil ik eens met

hem spreken?

Clorinde ontwaakte uit haar gepeins. Zij gaf hem een wenk om te

zwijgen, deed de deur half open om te zien of daar niemand was,

en herhaalde toen:

--Hoort ge, hij moet naar Compiègne!

En terwijl allen haar vragend aankeken, maakte zij weer een gebaar

om hun vragen te voorkomen.

--Sst! Niet hier!

Ze vertelde intusschen nog dat haar man en zij ook naar Compiègne

uitgenoodigd waren; en ze liet zich de namen van mijnheer de

Marsy en mevrouw de Lorentz ontvallen, zonder zich nader te willen

verklaren. Men zou den grooten man desnoods met geweld willen dwingen

zich weer te doen gelden. Mijnheer Beulin-d'Orchère en de geheele

rechterlijke macht steunden hem heimelijk. De keizer, bekende mijnheer

La Rouquette, liet zich, ondanks de haat van zijn omgeving tegen

Rougon, volstrekt niet over dezen uit; zoodra men zijn naam noemde,

werd hij ernstig.

--Het is niet om onszelven, verklaarde mijnheer Kahn ten slotte. Als

wij slagen, zal het heele land ons dankbaar zijn.

Toen ging men hardop voort, den lof van den gastheer te bezingen. In

de kamer daarnaast hoorde men het geluid van stemmen. Du Poizat,

door nieuwsgierigheid gekweld, duwde de deur open alsof hij weg wou

gaan en deed ze weer langzaam genoeg dicht om den man op te merken

die zich bij Rougon bevond. Het was Gilquin, in een dikke overjas,

bijna netjes, een stevigen wandelstok met koperen knop in de hand. Met

een overdreven vertrouwelijkheid en zonder zijn stem wat minder luid

te doen klinken, zei hij:

--Zeg, stuur nu niets meer naar de rue Virginie, te Grenelle. Ik heb

daar kwestie gehad; ik blijf in Batignolles, passage Guttin.... Enfin,

je kan op me rekenen. Tot ziens.

En hij drukte Rougon de hand. Toen deze in het salon terugkeerde,

maakte hij zijn verontschuldiging, terwijl hij Du Poizat strak aankeek.

--Een beste jongen, die je wel bekend zal zijn, nietwaar

Poizat?.... Hij gaat kolonisten voor me werven voor mijn nieuw rijk,

daar ginds in de Landes.... A propos, ik neem je allen mee; pak je

zaken maar vast in. Kahn wordt mijn eerste minister, Delestang en

zijn vrouw krijgen de portefeuille van Buitenlandsche Zaken. Béjuin

wordt postmeester. En ik vergeet de dames ook niet: mevrouw Bouchard

zal den scepter der schoonheid voeren en mevrouw Charbonnel belast

zich met de zorg voor de graanzolders.

Hij schertste, terwijl zijn vrienden, alles behalve op hun gemak,

zich afvroegen of hij ze niet door een spleet van de deur had hooren

spreken. Toen hij den kolonel met al zijn ordeteekenen decoreerde, werd

deze bijna boos. Intusschen keek Clorinde naar de uitnoodigingskaart,

die zij van den schoorsteen had genomen.

--Gaat u? vroeg ze achteloos.

--Wel, natuurlijk, antwoordde Rougon verwonderd. Ik hoop van de

gelegenheid gebruik te maken om me mijn departement door den keizer

te laten geven.

Het sloeg tien uur. Mevrouw Rougon verscheen weer om thee te schenken.

Zijn Excellentie Eugène Rougon · 第 7 / 17 题