IV.

Op een morgen kwam Clorinde tegen elf uur bij Rougon in de rue

Marbeuf. Ze keerde uit het Bosch terug; een knecht hield haar paard

bij den teugel vast. Zij ging regelrecht naar den tuin, sloeg linksaf

en bleef voor het wijdgeopende venster van de kamer staan, waarin de

groote man zat te werken.

--Daar verras ik u eens! zei ze eensklaps.

Rougon hief snel het hoofd op. Zij lachte in de warme Juni-zon. Haar

amazone van grof blauw laken, waarvan zij den langen sleep over haar

linkerarm had geslagen, deed haar grooter schijnen; terwijl haar

keurslijf, een vest met kleine ronde basques, haar nauw omsloot. Ze

droeg linnen manchetten en een linnen boordje, waaronder een dasje

van blauwe zijde geknoopt zat. Op haar opgestoken haar droeg zij heel

kranig een heerenhoed, waarom een blauw gazen sluier, gepoederd door

het gouden stof der zon.

--Wat, is u dat? riep Rougon, toeloopend. Kom toch binnen!

--Neen, neen, antwoordde zij. Laat ik u niet storen, ik heb u maar

een woordje te zeggen.... Mama zal me wel wachten met het ontbijt.

Het was de derde maal dat zij zoo by Rougon kwam, tegen alle gebruiken

in. Maar zij hield zich alsof zij in den tuin wou blijven. Trouwens,

de beide eerste keeren was zij ook in amazone-kostuum gekomen, wat

haar de vrije bewegingen van een jongen veroorloofde, en waarvan de

lange rok haar toch een voldoende bescherming toescheen.

--U moet weten dat ik bij u kom bedelen, hernam zij. 't Is voor

die loterijbriefjes. We hebben een loterij op touw gezet voor de

arme meisjes.

--Goed, kom binnen, herhaalde Rougon, dan kunt u het me uitleggen.

Zij had haar karwats in de hand gehouden, een zeer fijne karwats,

met zilveren handvat. Zij begon te lachen, terwijl ze er mee op haar

rok tikte.

--'t Heeft geen uitlegging noodig! U neemt lootjes van me. Daar ben

ik voor gekomen.... Ik heb al drie dagen naar u uitgekeken, zonder

u aan te treffen, en morgen is de trekking.

Daarop een zakboekje voor den dag halend, vroeg zij:

--Hoeveel loten wilt u?

--Geen een, als u niet binnenkomt! riep hij.

En op gekscherenden toon ging hij voort:

--Wat drommel, men doet toch geen zaken door de ramen! Ik kan u toch

geen geld toereiken als aan een bedelaarster!

--Dat kan me niet schelen, geef maar hier.

Maar hij bleef op zijn stuk. Zij keek hem een oogenblik zwijgend

aan. Daarop hernam zij:

--Als ik binnenkom, neemt u er dan tien?.... Ze kosten tien francs

het stuk.

Toch draalde zij nog. Zij wierp een snellen blik door den tuin. Een

tuinman lag geknield in een der lanen en plantte geraniums in een

bed. Ze glimlachte even en trad op het bordes van drie treden toe,

waarop de openslaande deur van Rougon's kamer uitkwam. Rougon reikte

haar de hand toe, en toen hij haar midden in de kamer gevoerd had,

zei hij:

--U is toch niet bang dat ik u op zal eten? Ge weet wel dat ik de

onderdanigste van uw slaven ben. Wat hebt ge hier te vreezen?

Zij tikte nog steeds met haar karwats tegen haar rok.

--Ik ben nergens bang voor, antwoordde zij met de vrijmoedigheid van

een geëmancipeerd meisje.

Nadat zij toen haar karwats op de sofa neergelegd had, zocht ze

opnieuw in haar zakboekje.

--U neemt er tien, niet waar?

--Ik zal er twintig nemen, als je dat graag hebt, zei hij; maar ga

alsjeblieft zitten, laten we een oogenblikje praten.... Ge gaat toch

niet dadelijk heen, wel?

--Nu dan, een lot per minuut, hè?.... Als ik een kwartier blijf,

is dat vijftien loten, blijf ik twintig minuten, dan twintig, en zoo

voort tot van avond toe, ik vind het best. Afgesproken?

Ze lachten beiden om die afspraak. Clorinde nam eindelijk plaats in

een fauteuil, voor het openstaande venster. Rougon ging weer voor

zijn schrijftafel zitten, om haar gerust te stellen. En zij begonnen

te praten, eerst over het huis. Zij vond den tuin een beetje klein,

maar allerliefst, met zijn grasperk in het midden en zijn dichte

boomen daarom heen. Hij vertelde haar hoe het huis was ingericht;

beneden, gelijkvloers, was zijn werkkamer, een groot salon, een

klein salon en een heel mooie eetzaal; op de eerste zoowel als op

de tweede verdieping, waren er zeven kamers. Ofschoon heel beknopt,

was dat alles toch veel te groot voor hem alleen. Toen de keizer hem

dat hôtel gegeven had, moest hij met een weduwe trouwen, die zijn

Majesteit zelf voor hem gekozen had. Maar de dame was gestorven en

nu bleef hij vrijgezel.

--Waarom? vroeg zij, hem vlak in het gelaat ziende.

--Bah, antwoordde hij, ik heb wel wat anders te doen. Op mijn leeftijd

heeft men geen vrouw meer noodig.

Maar zij haalde haar schouders op en zei eenvoudig:

--Houd u maar zoo niet!

Ze waren langzamerhand heel vrij in hun gesprekken geworden. Zij

beweerde dat hij een wellustig temperament had. Hij verdedigde

zich, hij vertelde haar van zijn jeugd, van al die jaren die hij in

ongezellige, kale kamers had doorgebracht, waar zelfs geen waschvrouw

binnenkwam, zei hij. Toen vroeg zij hem naar zijn maîtresses, met

een kinderlijke nieuwsgierigheid; hij had er toch enkelen gehad;

hij kon toch bijvoorbeeld een welbekende dame niet verloochenen,

die zich, nadat hij haar verlaten had, in de provincie gevestigd

had. Maar hij haalde de schouders op. De vrouwen lieten hem koud. Ja,

als het bloed hem naar het hoofd steeg, dan was hij als alle mannen,

dan zou hij met een druk van zijn schouder in staat geweest zijn den

wand van een alkoof in te drukken, om binnen te komen. Maar als dat

voorbij was, werd hij weer heel kalm.

--Neen, neen, geen vrouw! herhaalde hij, terwijl zijn oogen al begonnen

te glinsteren bij de achtelooze houding, die Clorinde aannam. Dat

maakt te veel inbreuk op mijn vrijheid.

Het meisje, dat achterover in haar fauteuil lag, glimlachte

zonderling. Haar boezem ging langzaam op en neer, terwijl haar gelaat

er kwijnend uitzag, ze liet haar Italiaansch accent nog sterker

uitkomen en sprak op zangerigen toon:

--Kom, zwijg daarvan, mijn waarde, ge aanbidt ons. Wilt ge wedden

dat ge binnen het jaar getrouwd zijt?

Zij was werkelijk uitdagend, zoo zeker was zij van haar

overwinning. Sedert eenigen tijd bood zij zich bedaard aan Rougon

aan. Zij deed de moeite niet meer om haar langzame verleiding te

verbergen, dat weloverlegde werk waarmee zij hem had omringd, voordat

zij aan de belegering van zijn begeerten begon. Nu achtte zij hem al

genoeg in haar macht om met open vizier op te treden. Er ontstond ieder

oogenblik een waar tweegevecht tusschen hen. Zoo zij de voorwaarden

van den strijd al niet hardop zeiden, hun oogen spraken duidelijk

genoeg. Wanneer zij elkander aankeken, konden zij een glimlach niet

weerhouden; en zij daagden elkander uit. Clorinde stelde haar prijs,

zij ging op haar doel af met een trotsche stoutmoedigheid, overtuigd

dat zij toch niet meer zou toestaan dan zij zelf verkoos. Rougon,

die zich door dat spel liet meesleepen, zette alle gemoedsbezwaren

terzijde en dacht er alleen aan dat mooie meisje tot zijn maîtresse te

maken en haar daarna in den steek te laten, om haar zijn meerderheid

te bewijzen. De strijd tusschen hun hoogmoed was nog grooter dan die

tusschen hun zinnen.

--Bij ons te lande, ging zij bijna zachtjes voort, is de liefde de

hoofdzaak. Meisjes van twaalf jaar hebben er al minnaars.... Ik

ben een jongen geworden, doordat ik veel gereisd heb. Maar als u

mama gekend had toen zij jong was! Ze kwam haar kamer bijna niet

uit. Ze was zoo mooi dat men van verre kwam om haar te zien. Een

zekere graaf is een half jaar in Milaan gebleven alleen om haar te

zien, en hij kon heengaan zonder een tipje van haar vlechten gezien

te hebben. De Italiaansche vrouwen zijn niet zooals de Fransche,

die babbelen en overal heen gaan; ze blijven den man aanhangen,

dien ze eenmaal gekozen hebben.... Ik ben altijd op reis geweest,

ik weet niet of het met mij ook zoo wezen zal. Toch geloof ik dat ik

vurig lief zou hebben, o ja, heel vurig, tot stervens toe....

Haar oogleden waren langzamerhand dichtgevallen, haar gelaat straalde

van een wellustige verrukking. Terwijl zij nog sprak had Rougon zijn

schrijftafel verlaten, met bevende handen, als door een onweerstaanbare

macht aangetrokken. Maar toen hij naderbij gekomen was, keek ze hem met

groote oogen aan. En glimlachend naar de pendule wijzend, hernam zij:

--Dat zijn tien loten.

--Wat, tien loten? stamelde hij, niet begrijpende waarop zij doelde.

Toen hij weer tot zichzelf kwam, gierde zij het uit van lachen. Ze

vond er vermaak in hem het hoofd op hol te brengen, en juist als hij

de armen wou openen, ontsnapte zij hem. Rougon, plotseling zeer bleek

geworden, keek haar woedend aan, wat haar vroolijkheid nog verhoogde.

--Kom, ik ga heen, zei ze. Ge zijt niet galant genoeg voor de

dames.... Neen, in ernst, ma wacht me met het ontbijt.

Maar hij had zijn vaderlijke manieren weer hernomen. Alleen in zijn

grijze oogen, half bedekt door zijn dikke oogleden, flikkerde het

soms als ze het hoofd afwendde; zijn blik gleed dan over haar gansche

gestalte, met de woede van een man, die tot het uiterste gedreven is

en er nu een eind aan wil maken. Hij merkte op dat ze hem nog wel

vijf minuten schenken kon. Hij was juist aan zoo'n vervelend werk,

een rapport voor den Senaat, over verzoekschriften. En hij sprak met

haar over de keizerin, voor wie zij een diepe vereering koesterde. De

keizerin was sedert acht dagen in Biarritz. Toen nam het meisje weer

een gemakkelijke houding aan en begon een eindeloos gebabbel. Ze

kende Biarritz; vroeger had ze er een seizoen doorgebracht, toen die

badplaats nog niet in de mode was. Ze vond het vreeselijk jammer

dat ze er niet heen kon gaan terwijl het hof daar was. Toen begon

ze te vertellen van een zitting van de Académie, waarheen mijnheer

de Plouguern haar den vorigen avond had meegenomen. Men ontving er

een schrijver, dien ze uitlachte, omdat hij een kaal hoofd had. Ze

had trouwens een afschuw van boeken. Zoodra ze zich dwong om iets

te lezen, moest ze met zenuwhoofdpijnen naar bed. Ze begreep niet

wat ze las. Toen Rougon haar zei dat die schrijver een vijand van

den keizer was en dat zijn rede wemelde van hatelijke toespelingen,

was zij geheel verslagen.

--Hij zag er toch zoo goedig uit, verklaarde zij.

Rougon voer nu op zijn beurt tegen de boeken uit. Er was zoo pas een

roman verschenen, die zijn verontwaardiging gaande maakte; een werk

van een zeer verdorven verbeelding, dat den schijn aannam zich enkel

om de strikte waarheid te bekommeren, en den lezer in de uitspattingen

van een hysterische vrouw inwijdde. Dat woord "hysterische" scheen

hem te bevallen, want hij herhaalde het driemaal. Toen Clorinde hem

vroeg wat het beteekende, weigerde hij haar, uit overgroote schaamte,

een verklaring te geven.

--Alle gezegden zijn wel hoorbaar, ging hij voort, maar niet

oorbaar. Toch hangt er veel van af, hoe men iets zegt.... Zoo is men

bij de administratie wel eens genoodzaakt heel kiesche onderwerpen

aan te roeren. Ik heb rapporten gelezen over zekere vrouwen, ge

begrijpt me wel? Nu, daar waren zeer nauwkeurige bijzonderheden in

aangegeven, in een helderen, eenvoudigen, fatsoenlijken stijl. Dat

bleef kuisch!.... De romanschrijvers van onzen tijd daarentegen

hebben een wellustigen stijl aangenomen, een manier van de dingen te

zeggen alsof ze voor uw oogen leven. Dat noemen zij kunst. Ik noem

het kortweg onbetamelijkheid.

Hij noemde nog het woord "pornographie", en sprak zelfs over den

markies de Sade, van wien hij echter nooit iets gelezen had. Zoo

sprekende wist hij behendig te manoeuvreeren, om achter Clorinde's

fauteuil om te komen, zonder dat zij het bemerkte. Clorinde zei,

met doelloozen blik:

--O, ik heb nog nooit een roman ter hand genomen. Al die leugens

vind ik vervelend.... Kent u, "Léonora de Zigeunerin"? Dat is een

mooi boek. Ik heb het in het Italiaansch gelezen, toen ik nog klein

was. Het handelt over een arm meisje dat eindelijk met een rijken

heer trouwt. Eerst wordt ze door roovers ontvoerd....

Maar een licht geknars achter haar deed haar snel het hoofd omwenden.

--Wat doet u daar? vroeg zij.

--Ik laat de store neer, antwoordde Rougon. U zult wel hinder van de

zon hebben.

Ze zat inderdaad in het volle zonlicht; de dansende stofjes verguldden

het strak gespannen laken van haar amazone met een lichtend dons.

--Laat die store alsjeblieft op! riep ze. Ik houd wel van een

zonnetje! Ik zit hier als in een warm bad.

En ongerust rees ze half op en wierp zij een blik in den tuin, om

te zien of de tuinman daar nog was. Toen zij hem in het oog kreeg,

neergehurkt, niets anders toonende dan den ronden rug van zijn blauw

boezeroen, ging ze weer gerustgesteld zitten. Rougon, die haar blik

gevolgd had, liet de store los, terwijl zij zich vroolijk over hem

maakte. Hij was dus als de uilen, hij zocht de schaduw op. Maar hij

werd niet boos en liep naar het midden der kamer, zonder eenige spijt

te laten merken. Zijn groot lichaam had de langzame bewegingen van

een beer, die op een verraderlijken streek zint.

Toen hij zich aan andere einde der kamer bevond, bij een breede sofa,

waarboven een groote photographie hing, riep hij haar:

--Kijk eens even hier, zei hij. Hebt u mijn laatste portret al

eens gezien?

Zij strekte zich nog gemakkelijker in haar fauteuil uit, en antwoordde

glimlachend:

--Ik zie het van hier wel.... U hebt het me trouwens al meer laten

zien.

Hij liet zich niet uit het veld slaan. Hij was de store van het tweede

venster gaan neerlaten, en hij verzon nog een paar andere voorwendsels,

om haar in dat halfdonkere hoekje te lokken, waar het zoo aangenaam

was, zei hij. Zij antwoordde niet, vol minachting voor dien groven

strik, ze schudde met het hoofd van neen. Daarop, ziende dat zij

hem begrepen had, kwam hij met saamgevouwen handen voor haar staan;

hij liet zijn listen varen en daagde haar openlijk uit.

--Dat is waar ook!... Ik wou u Monarque laten zien, mijn nieuw paard. U

weet dat ik geruild heb.... U houdt veel van paarden, u moet me uw

opinie eens zeggen.

Ze weigerde weer. Maar hij bleef aandringen, de stal was vlak bij,

het zou hoogstens vijf minuten duren. En toen zij neen bleef zeggen,

liet hij zich op bijna minachtenden toon ontvallen:

--O, u is niet moedig!

Dat had de uitwerking van een zweepslag. Ze stond op, ernstig en

wat bleek.

--Laten we Monarque gaan zien, zei zij eenvoudig.

Ze wierp den sleep van haar amazone reeds over haar linkerarm. Ze keek

hem diep in de oogen. En zoo keken zij elkander een oogenblik aan,

alsof zij elkanders gedachten konden lezen. 't Was een uitdaging,

die gedaan en aangenomen werd, zonder eenige omzichtigheid. En zij

ging vooruit de drie treden van het stoepje af, terwijl hij met een

werktuigelijke beweging zijn kamerjasje dichtknoopte. Maar ze had

nog geen drie schreden in de laan gedaan of zij bleef stilstaan.

--Wacht, zei ze.

Ze ging de kamer weer in. Toen zij terugkwam, hield zij spelend de

karwats in haar hand, die zij achter een kussen van de sofa had laten

liggen. Rougon keek schuins naar de karwats en toen naar Clorinde. Nu

glimlachte zij. Zij ging weer voor hem uit.

De stal stond achter in den tuin. Toen zij voorbij den tuinman kwamen,

raapte deze juist zijn gereedschappen bij elkaar; hij was op het

punt van heen te gaan. Rougon keek op zijn horloge; het was vijf

minuten over elven, de staljongen zou wel aan zijn ontbijt zijn. En

blootshoofds liep hij in de brandende zon achter Clorinde aan, die

langzaam voortwandelde, links en rechts met haar karwats tegen de

groene boomen slaande. Ze spraken geen woord. Zij keerde zich zelfs

niet om. Toen zij aan den stal gekomen was, liet zij Rougon de deur

openen en trad ze voor hem binnen. De deur, die te hard teruggestooten

werd, viel met een dreunend geluid dicht, zonder dat zij ophield te

glimlachen. Een kinderlijk vertrouwen stond op haar gelaat te lezen.

't Was een doodgewone, kleine stal, met vier eikenhouten

beschotten. Ofschoon men den vloer 's morgens pas geschrobd had, en

het houtwerk, de ruiven en de kribben zeer zindelijk gehouden werden,

rook het er toch sterk. Er heerschte een vochtige warmte, als in een

bad. Het daglicht drong door twee ronde dakramen naar binnen; twee

lichte strepen waren zichtbaar tegen de donkere zoldering, maar in

de hoeken langs den grond bleef het donker. Clorinde, uit het volle

daglicht komende, onderscheidde aanvankelijk niets; maar ze wachtte,

ze deed de deur niet weer open, om niet bang te schijnen. Twee

afdeelingen waren alleen bezet. De paarden wendden snuivend den kop om.

--Die is het, niet waar? vroeg zij, toen haar oogen aan de duisternis

gewend waren. Hij ziet er heel goed uit.

Ze klopte het zachtjes op het kruis. Toen streelde ze hem op den rug,

zonder de minste vrees te doen blijken. Ze wou zijn kop eens zien,

zei ze.

En toen ze vlak bij de ruif stond, hoorde Rougon haar een paar

stevige zoenen op den neus van het paard drukken. Die zoenen maakten

hem wanhopig.

--Kom toch hier, riep hij. Als hij uitsloeg, zou hij u verpletteren.

Maar zij lachte, zoende het dier nog harder, sprak hem vriendelijk

toe, terwijl er een trilling over zijn zijdeachtige huid ging,

alsof die onverwachte liefkoozingen hem goed deden. Eindelijk kwam

zij weer te voorschijn. Zij zei dat ze dolveel van paarden hield,

dat zij haar wel kenden, dat zij haar nooit kwaad deden, zelfs al

plaagde zij ze. Ze wist hoe ze er mee moest omgaan. Ze waren heel

gevoelig voor liefkoozingen. Dit paard zag er al heel goedig uit. En

zij hurkte achter hem neder en lichtte met beide handen een van zijn

pooten op om den hoef te onderzoeken. Het paard liet het gewillig toe.

Rougon keek naar haar, terwijl ze zoo neergehurkt zat. Wanneer zij

zich voorover boog, spanden haar heupen het laken van haar amazone. Hij

zei niets meer; het bloed steeg hem naar de keel; een beschroomdheid,

aan zinnelijke lieden eigen, kwam over hem. Toch ging hij er toe

over zich te bukken. Toen voelde zij een zachte aanraking onder

haar oksels, zoo zacht, dat zij voortging met haar onderzoek van den

paardenhoef. Rougon haalde diep adem en stak plotseling zijn handen

verder uit. En zij bleef heel kalm, alsof ze dat verwacht had. Ze

liet den hoef los, en zonder zich om te keeren zei ze:

--Wat scheelt u? wat gaat ge nu beginnen?

Hij wou haar om het middel vatten, maar zij tikte hem op de vingers,

terwijl ze er bijvoegde:

--Handjes thuis, alsjeblieft! Ik ben evenals de paarden erg

kittelachtig....

Ze lachte, alsof ze het niet begreep. Toen zij Rougon's warmen adem

in haar hals voelde, stond zij op, met de veerkracht van een stalen

springveer; ze ontsnapte en ging met den rug tegen den muur staan,

tegenover de paarden.

Hij volgde haar met uitgestrekte handen, en trachtte van haar te

grijpen wat hij maar kon. Maar zij maakte zich een schild van haar

sleep, dien zij over haar linkerarm sloeg, terwijl haar opgeheven

rechterhand de karwats hield. Hij stond met trillende lippen voor haar,

en sprak geen woord. Zij praatte steeds voort, volkomen op haar gemak.

--U kunt me toch niet aanraken! zei ze. Ik heb les in het schermen

gehad, toen ik jong was. Het spijt me zelfs dat ik er niet mee

voortgegaan ben.... Pas op uw vingers. Daar, wat heb ik u gezegd?

Zij scheen te spelen. Ze sloeg niet hard, maar telkens als hij zijn

handen waagde uit te steken, gaf ze hem een striem. En ze was zoo vlug

en behendig dat hij niet eens meer haar kleeren kon aanraken. Eerst had

hij haar bij de schouders willen grijpen; maar na een paar tikken met

de karwats, had hij het op haar middel voorzien, en toen hij daar ook

slecht ontvangen werd, had hij zich verraderlijk tot aan haar knieën

gebukt, echter niet vlug genoeg om een regen van lichte zweepslagen

te vermijden, zoodat hij genoodzaakt was zich weer op te richten. 't

Was een hagelbui van slagen, links en rechts, waarbij men de karwats

duidelijk hoorde klappen.

Rougon, die zijn huid voelde gloeien, week een oogenblik terug. Hij

was nu vuurrood, zweetdroppels parelden hem op het voorhoofd. De sterke

stallucht bedwelmde hem; de halve duisternis, waarin de warme damp van

de paarden opsteeg, prikkelde hem tot het uiterste. Toen veranderde

het spel. Hij wierp zich nu onstuimiger op Clorinde. En zij, zonder

dat zij ophield te glimlachen en te praten, deelde haar zweepslagen

niet meer als vriendschappelijke tikjes uit, maar ze sloeg raak,

met korte, krachtige slagen. Ze was mooi zoo, met haar rok strak om

haar beenen gespannen, met haar lenige gestalte om haar nauwsluitend

keurslijf, gelijk een vlugge, donkerblauwe slang. Wanneer zij met haar

arm de lucht doorkliefde, vormde haar hals, ietwat achterovergebogen,

een bekoorlijke lijn.

--Hoe is het, houdt u nog niet op? vroeg zij lachend. U zult het

eerste moe worden, waarde vriend.

Maar dat waren de laatste woorden die zij sprak. Rougon, halfdol,

verschrikkelijk, met een vuurrood gelaat, wierp zich op haar, snuivend

als een losgebroken stier. Zij zelve scheen er een genot in te vinden

dien man af te ranselen, er blonk een glans van wreedheid in haar

oogen. Op haar beurt zwijgend, verliet zij den muur en begaf zich

onvervaard naar het midden van den stal, en zij keerde en wendde zich,

vermenigvuldigde haar slagen, hield hem op een afstand, sloeg hem op

zijn beenen, zijn armen, zijn buik, zijn schouders; terwijl hij met

zijn groot lichaam danste als een wild dier onder de zweep van een

dierentemmer. Zij sloeg uit de hoogte, trotsch opgericht, met bleeke

wangen, een zenuwachtig lachje om de lippen. Maar zonder dat zij het

opmerkte dreef hij haar naar achteren, naar een openstaande deur die

toegang gaf tot een tweede ruimte, waar de voorraad hooi en stroo

bewaard werd. En toen zij haar karwats verdedigde, die hij veinsde

haar te willen ontwringen, greep hij haar bij de heupen, ondanks

de slagen, en deed haar neerploffen op het stroo, met zoo'n vaart,

dat hij zelf naast haar neerviel. Zij uitte geen kreet, maar met al

haar macht striemde zij hem met de zweep over het gezicht.

--Slet! riep hij.

En hij braakte gemeene scheldwoorden uit, hij vloekte, hoestte,

hijgde naar adem. Hij zei dat zij met iedereen in bed gelegen had,

met den koetsier, met den bankier, met Pozzo. Toen vroeg hij:

--Waarom wil je niet met mij?

Zij verwaardigde hem geen antwoord. Ze stond roerloos, doodsbleek,

in de trotsche houding van een beeld.

--Waarom wil je niet? herhaalde hij. Je hebt me wel aan je bloote

armen laten komen. Zeg me alleen waarom je niet wil?

Zij bleef ernstig, boven de beleediging verheven, de oogen van hem

afgewend.

--Daarom, zei zij eindelijk.

En hem aanziende, hernam zij na een kort stilzwijgen:

--Trouw me.... Daarna, alles wat je wil.

Hij liet een gedwongen lachje hooren, een onnoozel en beleedigend

lachje, dat hij vergezeld liet gaan van een weigerend hoofdschudden.

--Dan, nooit! riep ze uit, hoort ge, nooit, nooit!

Zij voegden er geen woord meer bij en keerden naar den stal terug. De

paarden wendden den kop om, en snoven harder, verontrust door het

gedruis van de worsteling, dat zij achter zich gehoord hadden. De

zon had de twee zolderramen bereikt, twee gele stralen bespatten de

duisternis met een schitterend stof; en de vloersteenen dampten,

op de plek waar de stralen neervielen, zoodat de sterke geur nog

doordringerder werd. Intusschen was Clorinde, met de karwats onder

den arm, opnieuw op Monarque toegetreden. Zij zoende hem tweemaal op

den neus en zei:

--Vaarwel, dikkerd. Jij bent ten minste verstandig!

Rougon, doodmoe, beschaamd, gevoelde een groote kalmte. De laatste

zweepslag had zijn vleeschelijke lusten als het ware voldaan. Met zijn

nog bevende handen knoopte hij zijn das weer vast, voelde hij of zijn

jasje nog toegeknoopt was. Toen nam hij zorgvuldig de strootjes weg,

die aan het rijkleed van het meisje waren blijven zitten. Nu deed de

vrees om daar met haar gevonden te worden, hem de ooren spitsen. En

zij, alsof er niets bijzonders tusschen hen was voorgevallen, liet

hem zonder de minste vrees om haar rijkleed ronddraaien. Toen zij

hem verzocht de deur voor haar te openen, gehoorzaamde hij.

In den tuin liepen ze langzaam voort. Rougon, die een brandende plek

op zijn linkerwang voelde, hield er zijn zakdoek voor. Zoodra zij

den drempel der kamer overschreden had, was Clorinde's eerste blik

naar de pendule.

--Dat zijn twee en dertig loten, zei ze glimlachend.

Toen hij haar verrast aankeek, lachte zij luid en vervolgde:

--Zend me gauw heen, de klok staat niet stil. Nu is de drie en

dertigste minuut weer begonnen.... Ik zal de loten maar op uw

schrijftafel leggen.

Hij gaf driehonderd twintig francs, zonder een enkele aarzeling. Alleen

beefden zijn vingers een beetje, toen hij de goudstukken neertelde,

het was een straf die hij zichzelven oplegde. Verrukt over de manier

waarop hij zoo'n som afstond, kwam zij met een allerliefst gebaar

op hem toe en reikte hem haar wang toe. En toen hij er op vaderlijke

wijze een kus op gedrukt had, ging zij opgetogen heen en zei:

--Dank u voor die arme meisjes.... Nu hoef ik nog maar zeven loten

te plaatsen. Oompje zal ze wel nemen.

Toen Rougon alleen was, ging hij werktuigelijk voor zijn schrijftafel

zitten. Hij hervatte zijn afgebroken arbeid, schreef een paar minuten

lang, terwijl hij met groote oplettendheid de voor hem liggende

documenten raadpleegde. Toen bleef hij met de pen in de hand en een

ernstig gezicht zitten kijken naar den tuin, zonder te zien. Wat hij

in zijn geest aan dat venster terugzag, was de slanke gestalte van

Clorinde, die op en neer wiegde, zich kronkelde, zich ontrolde met de

zachte, wellustige beweging van een blauwachtige slang. Zij gleed naar

binnen, en midden in de kamer bleef zij overeind staan op den levenden

staart van haar kleed, met trillende heupen, terwijl haar armen zich

naar hem uitrekten, met een eindelooze over elkander schuiving van

buigzame ringen. Langzamerhand vermeesterden stukjes van haar lichaam

het geheele vertrek, zij strekten zich overal op uit, op het tapijt,

de fauteuils, de behangsels, zwijgend, hartstochtelijk. Een scherpe

geur steeg uit haar op.

Toen wierp Rougon heftig zijn pen neer, verliet toornig zijn

schrijftafel en kneep zijn vingers, dat zij kraakten. Zou zij hem nu

ook al beletten te werken? Werd hij krankzinnig, dat hij dingen zag

die niet bestonden, hij die zoo'n sterk hoofd had? Hij herinnerde

zich een vrouw, vroeger toen hij student was, bij wie hij heele

nachten op haar kamer zat te schrijven, zonder dat hij zelfs haar

ademhaling hoorde. Hij haalde de store op, opende het tweede venster,

duwde de deur open aan het andere einde van het vertrek, en ging in den

tocht staan, alsof hij gevaar liep door gasdamp te stikken. En met het

toornige gebaar waarmee hij een hinderlijke wesp zou verjaagd hebben,

begon hij den geur, dien Clorinde had achtergelaten, met zijn zakdoek

te verdrijven. En toen hij haar niet meer rook, haalde hij diep adem

en wischte zich het gelaat af met den zakdoek, om er de warmte van

weg te nemen, die dat meisje daar gebracht had.

Toch kon hij de aangevangen bladzijde niet afmaken. Met langzame

schreden liep hij in zijn kamer op en neer. Toen hij in den spiegel

keek, zag hij een roode plek op zijn linkerwang. Hij ging vlak voor

den spiegel staan en keek wat het was. De karwats had er slechts een

lichte striem achtergelaten. Hij kon dat door een of ander ongeluk

verklaren. Maar al vertoonde de huid slechts een lichtroode streep,

in zijn binnenste voelde hij de brandende pijn van den zweepslag over

zijn gelaat. Hij liep naar een waschtafel achter een portière en

dompelde zijn hoofd in een kom water, dat gaf hem verlichting. Hij

vreesde dat die zweepslag de begeerte naar Clorinde nog meer zou

opwekken. Hij durfde niet aan haar denken, zoolang die striem op

zijn gelaat niet weggetrokken was. De warmte, die hij daar gevoelde,

drong hem door al zijn leden.

--Neen, ik wil niet, zei hij hardop, terwijl hij weer in de kamer

ging. 't Is al te gek!

Hij was met gebalde vuisten op de sofa gaan zitten. Een bediende

kwam hem waarschuwen dat het ontbijt koud werd, maar dat vermocht

niet hem aan dien strijd met zijn eigen vleesch te onttrekken. Zijn

hardvochtig gelaat zwol op onder een innerlijke krachtsinspanning;

zijn stierennek zette zich uit, zijn spieren spanden zich, alsof

hij bezig was het een of ander dier, dat hem de ingewanden verslond,

dood te drukken. Die strijd duurde tien lange minuten. Hij kon zich

niet herinneren ooit zooveel kracht ontwikkeld te hebben. Doodsbleek

kwam hij uit den strijd te voorschijn, met zweetdruppels in den nek.

Twee dagen lang ontving Rougon niemand. Hij had zich in een

omvangrijken arbeid verdiept. Hij bracht een heelen nacht wakend

door. Zijn bediende vond hem nog driemaal, met een versuft gezicht

op de sofa liggen. Op den avond van den tweeden dag kleedde hij zich

aan om naar Delestang te gaan, die hem ten eten gevraagd had. Maar

in plaats van de Champs-Elysées door te gaan, ging hij de avenue op

en het hôtel Balbi binnen. Het was eerst zes uur.

--De juffrouw is niet thuis, zei Antonia, hem op de trap ontmoetende.

Hij verhief zijn stem om gehoord te worden, en draalde met heengaan,

toen Clorinde boven aan de trap verscheen, over de leuning gebogen.

--Kom maar boven! riep zij. Wat een dwaze meid. Ze begrijpt nooit

wat haar gezegd wordt.

Op de eerste verdieping liet zij hem in een kamertje naast de

hare gaan. Het was een kleedkamer, met een zachtblauw gebloemd

behangsel. Zij had het gemeubileerd met een groote schrijftafel van

dof mahoniehout, die tegen den muur stond, een leeren fauteuil en een

cartonnier. Papieren slingerden overal onder een dikke laag stof. Men

zou gemeend hebben zich bij een praktizijn te bevinden. Ze moest een

stoel uit haar kamer gaan halen.

--Ik verwachtte u, riep zij van daar uit.

Toen zij den stoel gebracht had, vertelde zij dat ze juist aan

haar correspondentie bezig was. Ze wees naar eenige groote vellen

geelachtig papier, met groote ronde letters beschreven. En toen Rougon

ging zitten, merkte zij op dat hij een zwarten rok droeg.

--Komt ge mijn hand vragen? zei ze vroolijk.

--Precies geraden! antwoordde hij.

Toen hernam hij glimlachend:

--Niet voor mij, voor een mijner vrienden.

Ze keek hem weifelend aan, niet wetende of hij schertste of in ernst

sprak. Zij was slordig gekapt, haar roode huisjapon was maar half

vastgeknoopt, maar toch was zij mooi, als de machtige schoonheid van

een antiek marmeren beeld, dat in den winkel van een uitdraagster

beland is. En terwijl zij op haar met inkt bemorsten wijsvinger zoog,

keek ze met alle aandacht naar de striem, die nog op Rougons wang te

zien was. Eindelijk antwoordde zij halfluid en verstrooid:

--Ik was er zeker van dat ge komen zoudt. Alleen had ik u eerder

verwacht.

En hardop voegde ze er aan toe, alsof ze zich nu eerst zijn gezegde

herinnerde:

--Dus is het voor een van uw vrienden, uw dierbaarsten vriend zeker.

Ze lachte hartelijk. Ze was overtuigd dat Rougon zichzelf bedoelde. De

lust kwam bij haar op die striem te betasten, om zich te verzekeren

dat zij hem gemerkt had, dat hij haar voortaan toebehoorde. Maar

Rougon greep haar bij de polsen en duwde haar zachtjes op de leeren

fauteuil neer.

--Laten we eens samen praten, zei hij. We zijn goede kameraden,

niet waar?... Welnu, ik heb nog eens rijpelijk nagedacht, sinds

eergisteren. Ik heb al dien tijd aan je gedacht.... Ik verbeeldde me

dat wij getrouwd waren, en dat we al drie maanden samen leefden. En

wil je weten waarmee we in mijn verbeelding samen bezig waren?

Zij antwoordde niet, een beetje verlegen, ondanks haar vrijmoedigheid.

--Ik verbeeldde me dan dat we aan het hoekje van den haard zaten. Jij

had de pook genomen en ik de tang, en daarmee ranselden wij elkander

af.

Dat vond zij zoo'n komisch idee, dat zij zich half in haar stoel

omwendde en het uitschaterde van lachen.

--Neen, lach niet, het is volle ernst, ging hij voort. Om elkander

dood te slaan behoeven wij onze levens niet aan elkander te

verbinden. Ik zweer u dat het zoo zou afloopen. Klappen, en dan een

scheiding.... Onthoud dit: men moet nooit twee sterke wilskrachten

met elkander vereenigen.

--Dus? vroeg zij, zeer ernstig geworden.

--Dus, denk ik dat we zeer verstandig zouden handelen, als we elkander

de hand drukten en steeds goede vrienden bleven.

Zij bleef zwijgen, haar donkeren blik vast op den zijnen gericht. Een

verschrikkelijke rimpel plooide haar voorhoofd van beleedigde

godin. Haar lippen trilden even, als wilde zij een woord van verachting

uiten.

--Permitteert u? zei ze.

En haar fauteuil voor de schrijftafel schuivend, begon ze haar

brieven dicht te vouwen. Ze gebruikte groote grijze enveloppen,

die zij dichtlakte. Ze had een kaars aangestoken en keek naar het

vlammende lak. Rougon wachtte bedaard totdat zij gereed zou zijn.

--En zijt ge daarvoor gekomen? hernam zij eindelijk, met haar

bezigheden voortgaande.

Nu antwoordde hij niet. Hij wou haar in het gelaat zien. Toen zij

haar fauteuil eindelijk terugschoof, lachte hij haar toe en zocht

haar blik, toen kuste hij haar de hand, als om haar te ontwapenen. Zij

behield haar trotsche koelheid.

--Ge weet immers, zei hij, dat ik je ten huwelijk kom vragen voor

een mijner vrienden.

Hij sprak lang achtereen. Hij hield veel meer van haar dan zij denken

kon; hij had haar vooral lief omdat zij schrander en kloek was. Het

kostte hem ontzaglijk veel, van haar af te moeten zien, maar hij

offerde zijn liefde aan hun beider geluk op. Hij wilde haar koningin

in haar huis zien. Hij zag haar in gedachten getrouwd met een schatrijk

man, dien zij naar willekeur kon leiden; zij zou de teugels voeren, zij

behoefde haar persoonlijkheid niet te verzaken. Was dat niet veel beter

dan een verlammenden invloed op elkander uit te oefenen? Zij waren

flink genoeg om de waarheid onder de oogen te zien. Hij noemde haar ten

slotte zijn kind. Zij was zijn verdorven dochtertje, een schepseltje

wier geslepenheid hem verheugde, en het zou hem innig spijten,

wanneer zij niet aan zijn grootsche verwachtingen beantwoordde.

--Is dat alles? vroeg zij toen hij zweeg.

Ze had hem met de grootste aandacht aangehoord. En hem aanziende,

hernam zij:

--Als ge me uithuwelijkt om me te bezitten, waarschuw ik u, dat ge

mis rekent.... Ik heb gezegd nooit!

--Wat een denkbeeld! riep hij, licht kleurende.

Hij kuchte, en een vouwbeen van de tafel nemende, begon hij dit

oplettend te beschouwen, om zijn verwarring te verbergen. Maar zij

lette niet meer op hem, ze dacht na.

--En wie is de echtgenoot? mompelde zij.

--Raad eens?

Zij lachte flauwtjes, trommelde met haar vingers op de tafel en haalde

de schouders op. Ze wist wel wie.

--Hij is zoo dom! zei ze halfluid.

Rougon verdedigde Delestang. 't Was een heel net mensch, dien ze

om haar vinger zou kunnen winden. Hij lichtte haar in omtrent zijn

gezondheid, zijn fortuin, zijn gewoonten. Trouwens, hij verbond zich,

als hij ooit weer aan het roer van het bewind kwam, hen beiden met

al zijn invloed te steunen. Delestang was wel geen hoogvlieger,

maar hij zou in geen enkele betrekking misplaatst zijn.

--O, hij beantwoordt wel aan de verwachtingen, die hij opwekt, dat

stem ik u toe, zei ze met een ongedwongen lach.

Toen, na een nieuwe stilte:

--Mijn hemel, ik beweer het tegendeel niet, ge hebt misschien

gelijk.... Mijnheer Delestang vind ik zoo onaardig niet.

Zij keek hem aan, terwijl ze die woorden sprak. Ze meende meer dan

eens opgemerkt te hebben, dat hij jaloersch op Delestang was. Maar ze

zag geen spier van zijn gelaat bewegen. Zijn vuisten waren werkelijk

stevig genoeg geweest om de begeerte in die twee dagen te dooden. Hij

scheen zelfs ingenomen met den goeden uitslag van zijn poging; en

hij begon haar weer de voordeelen van een dergelijk huwelijk op te

sommen, alsof hij, als een sluwe procureur, een zaak behandelde, die

bijzonder voordeelig voor haar was. Hij had haar beide handen genomen,

klopte er heel vriendschappelijk op, als een tevreden medeplichtige.

--'t Is van nacht bij me opgekomen, zei hij. Ik dacht dadelijk:

Nu zijn we gered!.... Ik wil niet dat ge ongetrouwd blijft! Je bent

in mijn oog de eenige vrouw, die een man verdient. Delestang brengt

alles in het reine. Met Delestang houden we de handen vrij.

En vroolijk ging hij voort:

--Ik heb een idee dat je me beloonen zult, door me buitengewone dingen

te laten beleven.

--Kent mijnheer Delestang uw plannen? vroeg zij.

Hij was een oogenblik verrast, alsof zij zich daar woorden had laten

ontvallen, die hij niet van haar verwacht had. Toen antwoordde hij

bedaard:

--Neen, dat is niet noodig. Dat kunnen we hem later wel vertellen.

Zij was intusschen weer aan het dicht lakken van haar brieven

gegaan. Nadat zij op het lak een groot cachet zonder naamletters

gedrukt had, keerde zij de enveloppe om en schreef er langzaam, met

haar groot schrift, het adres op. Telkens als zij een brief naast zich

neerlei, trachtte Rougon het adres te lezen. Ze waren bijna alle aan

zeer bekende Italiaansche staatslieden geadresseerd. Toen zij zijn

onbescheidenheid opmerkte, stond zij op en nam haar brieven mee om

ze op de post te laten brengen.

--Als ma hoofdpijn heeft, zei ze, schrijf ik altijd naar daarginds.

Alleen gebleven, drentelde Rougon het kamertje op en neer. Op de

cartonnier las hij, evenals bij mannen van zaken: Kwitanties, Brieven,

Dossiers A. Hij glimlachte onwillekeurig toen hij tusschen de papieren

op de schrijftafel een versleten corset met gebroken veeren zag

liggen. Er lag een stuk zeep in het bakje van het inktstel, reepjes

blauw satijn slingerden op den grond, afknipsels van een versleten

rok, die men vergeten had op te ruimen. Daar de deur der slaapkamer

aan stond, keek hij nieuwsgierig naar binnen; maar de jalouziën waren

dicht, het was er zoo duister, dat hij alleen de donkere omtrekken

van de bedgordijnen onderscheidde. Clorinde kwam weer binnen.

--Ik ga heen, zei hij. Ik dineer vanavond bij onzen man. Laat ge mij

vrij om naar goeddunken te handelen?

Ze antwoordde niet. Zij kwam somber gestemd terug, alsof ze op de trap

nog eens nagedacht had. Hij had de leuning al gegrepen. Maar zij voerde

hem terug en duwde de deur weer open. Haar liefste droom vervloog, de

hoop op het welslagen van een plan, dat zij zoo handig had voorbereid,

dat zij het een uur geleden nog als een zekerheid beschouwde. Het bloed

stroomde haar naar de wangen, als na een doodelijke beleediging. Zij

gevoelde zich te moede alsof men haar geslagen had.

--Dus is het ernst? vroeg zij, zich van het licht afwendende, opdat

hij den blos op haar wangen niet zou zien.

En toen hij voor de derde maal met zijn argumenten te berde kwam,

bleef zij zwijgen. Ze was bang, als zij begon te spreken, dat zij zou

toegeven aan de woedende drift, die ze in zich voelde opkomen. Ze was

bang dat ze hem zou slaan. En toen zij dat luchtkasteel van een leven,

dat ze al geheel naar haar smaak had ingericht, zag instorten, verloor

zij het juiste besef van de zaken, zij trad achteruit tot aan de deur

van haar slaapkamer, op het punt daar binnen te treden, Rougon mee

te lokken, hem toe te roepen: "Ziedaar, neem mij, ik vertrouw je,

ik zal daarna je vrouw zijn als je dat verkiest." Rougon, die nog

steeds sprak, begreep haar opeens, hij zweeg, doodsbleek. En zij

keken elkander aan. Eén oogenblik bracht een aarzeling een lichte

trilling in hem teweeg. Hij zag weer dat bed, daar naast, met de

donkere schaduw der gordijnen. Zij berekende reeds de uitvloeisels

van haar edelmoedigheid. Van weerszijden duurde die besluiteloosheid

slechts een minuut.

--Ge wilt dit huwelijk? zei ze langzaam.

Hij weifelde niet, hij antwoordde flinkweg:

--Ja.

--Nu, ga dan uw gang.

En langzaam keerden zij weer naar het portaal terug, uiterlijk heel

kalm. Rougon alleen had nog enkele zweetdruppels op het voorhoofd,

die zijn laatste overwinning hem gekost had. Clorinde richtte het

hoofd trotsch op, in het bewustzijn van haar kracht. Zij bleven een

oogenblik zwijgend tegenover elkander staan; zij hadden elkander niets

meer te zeggen, toch konden zij zoo niet scheiden. Toen hij eindelijk

met een handdruk afscheid nam, hield ze zijn hand even vast en zei

zonder toorn:

--Ge denkt dat ge sterker zijt dan ik.... Ge hebt het mis.... Eens

zal het u misschien berouwen.

Dat was haar eenige bedreiging. Zij boog zich over de leuning om hem

na te oogen. Toen hij beneden was, keek hij op en ze lachten elkander

toe. Zij dacht niet aan een kinderachtige wraak, zij hoopte hem te

verpletteren door een schitterende zegepraal. Terwijl zij haar kamer

binnenging, zei ze binnensmonds:

--Enfin, 't is niet anders, zoo kan ik ook mijn doel bereiken.

Dien eigen avond begon Rougon al een aanval op Delestang's hart. Hij

bracht heel vleiende woorden over, die juffrouw Balbi bij het feestmaal

over hem gezegd zou hebben. En van dat oogenblik af hield hij niet

op de buitengewone schoonheid van het meisje te prijzen. Hij, die hem

vroeger zoo dikwijls voor de vrouwen gewaarschuwd had, trachtte hem nu,

aan handen en voeten gebonden, aan haar over te leveren. Den eenen dag

waren het haar handen, die zoo prachtig gevormd waren, op een anderen

dag roemde hij haar taille, in prikkelende bewoordingen. Delestang,

wiens ontvlambaar hart reeds vol van Clorinde was, geraakte weldra

hartstochtelijk verliefd. Toen Rougon hem verzekerd had dat hij nooit

aan haar had gedacht, bekende hij dat hij haar al een half jaar

beminde, maar gezwegen had, omdat hij bang was geweest onder zijn

duiven te schieten. Nu ging hij iederen avond naar de rue Marbeuf,

om over haar te praten. Het was alsof er een samenzwering om hem

heen bestond; hij kon niemand meer aanspreken of hij hoorde den

uitbundigen lof van haar die hij beminde; tot zelfs de Charbonnels

hielden hem op een morgen midden op de place de la Concorde staande

om hun opgewondenheid lucht te geven over "dat mooie dametje met wie

men hem overal zag."

Van haar kant, wendde Clorinde lieve glimlachjes aan. Ze had zich

weer in gedachten een nieuwe levenswijs gevormd, in enkele dagen

had zij zich aan haar nieuwe rol gewend. Door een geniale taktiek

verleidde zij Delestang niet met de ruiterlijke houding die zij bij

Rougon beproefd had. Zij veranderde van gedaante, werd smachtend,

veinsde de schichtigheid van een onnoozel kind, beweerde dat zij

uiterst zenuwachtig was, zoodat een te teedere handdruk haar reeds

een zenuwtoeval bezorgde. Toen Delestang aan Rougon vertelde dat zij

in zijn armen was flauw gevallen omdat hij haar de pols had durven

zoenen, beschouwde deze dit als een bewijs van groote reinheid

van geest. En toen de zaken te langzaam gingen, gaf Clorinde zich

op een Juli-avond, in een van haar kostschoolmeisjesbuien aan hem

over. Delestang bleef verlegen over deze overwinning, te meer daar

hij in de meening verkeerde dat hij laaghartig gebruik gemaakt had

van een onmacht van het meisje; ze was als een doode geweest en scheen

nergens besef van te hebben. Wanneer hij een verontschuldiging waagde

of zich een vertrouwelijkheid veroorloofde, keek zij hem zoo kinderlijk

onschuldig aan, dat hij van wroeging en begeerte begon te stamelen. Na

dat avontuur dacht hij er dan ook ernstig over haar te huwen. Hij zag

daarin een middel om zijn lage handelwijze goed te maken; en meer nog

een manier om het gestolen geluk op een wettige wijze te bezitten,

dat geluk van een minuut waaraan de herinnering hem brandde, en dat

hij wanhoopte op een andere wijze ooit weer terug te vinden.

Toch aarzelde Delestang nog een heele week lang. Hij kwam Rougon

raadplegen. Toen deze begreep wat er gebeurd was, bleef hij een

oogenblik met gebogen hoofd peinzen over de boosheid van die vrouw,

den langdurigen tegenstand dien Clorinde hem geboden had, en dan

haar plotselinge overgave in de armen van dien domkop. Hij zag de

beweegredenen van dat dubbelhartige gedrag niet in. Een oogenblik

dacht hij er, in zijn gekwetste gevoel van eigenwaarde, aan om

alles te vertellen. Maar Delestang ontkende, als een galant man,

op de onkiesche vragen die hij hem deed, alle gemeenschap. En dat

was voldoende om Rougon tot zichzelf te doen komen. Hij wist met

groote behendigheid zijn vriend tot een besluit te brengen. Hij ried

hem dat huwelijk niet aan, maar hij dreef hem er toe door allerlei

opmerkingen, die met de zaak bijna niets uit te staan hadden. Wat die

leelijke geruchten betrof, die over juffrouw Balbi de ronde deden,

daar stond hij over verbaasd; hij geloofde er niets van, hij was

zelf op inlichtingen uit geweest, en had niets dan goeds van haar

gehoord. Overigens moest men zoolang niet praten over een vrouw,

die men liefhad. Dat was zijn laatste woord.

Zes weken later, bij het uitgaan van de Madeleine, waar het huwelijk

met buitengewonen luister was ingezegend, antwoordde Rougon aan een

afgevaardigde die zich over de keus van Delestang verwonderde:

--Wat zal ik u zeggen, ik heb hem wel honderd maal gewaarschuwd.... Hij

moest er den een of anderen dag inloopen.

Tegen het einde van den winter, toen Delestang en zijn vrouw van een

reis naar Italië terugkeerden, vernamen zij dat Rougon op het punt

stond juffrouw Beulin-d'Orchère te huwen. Toen zij hem kwamen opzoeken,

feliciteerde Clorinde hem met een ongeveinsde hartelijkheid. Hij zette

een goedig gezicht en zei dat hij het voor zijn vrienden deed. Al

drie maanden lang hadden zij hem niet met rust gelaten; zij beweerden

dat een man in zijn positie getrouwd moest zijn. En lachend voegde

hij er bij dat er 's avonds, als hij zijn intieme kennissen ontving,

niet eens een vrouw was om thee te schenken.

--Dus is dat zoo plotseling opgekomen, zei Clorinde glimlachend. U

had gelijk met ons moeten trouwen, dan waren wij gezamenlijk naar

Italië gegaan.

En op schertsenden toon begon ze hem te ondervragen. 't Was

zeker zijn vriend Du Poizat die op dat mooie idee gekomen was? Hij

verzekerde van neen, hij vertelde zelfs dat Du Poizat erg tegen dat

huwelijk was; de vroegere onder-prefect had een hekel aan mijnheer

Beulin-d'Orchère. Maar alle anderen, mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin,

mevrouw Correur, zelfs de Charbonnels, waren niet uitgepraat over

de verdiensten van juffrouw Véronique; als men hen gelooven mocht,

zou zij in zijn huis allerlei deugden en behoorlijkheden brengen. Hij

maakte er zich met een grapje af.

--Enfin, 't is iemand die voor mij als geknipt is. Ik kon haar niet

weigeren.

En met een listig lachje voegde hij er bij:

--Wanneer wij tegen den herfst oorlog krijgen, moeten we wel voor

bondgenooten gaan zorgen.

Clorinde vond dat hij groot gelijk had. Ze hield ook een lofrede

op juffrouw Beulin-d'Orchère, ofschoon zij haar maar eens gezien

had. Delestang, die tot dusver zwijgend had meegeknikt, zonder de

oogen van zijn vrouw af te wenden, weidde nu ook vol geestdrift over

het huwelijksleven uit. Hij zou juist een schildering van zijn geluk

geven toen zij opstond, en hem herinnerde aan een bezoek dat zij nog

moesten afleggen. En terwijl zij haar man vooruit liet gaan, zei ze

fluisterend tot Rougon, die hen uitgeleide deed:

--Zei ik u niet dat ge binnen het jaar getrouwd zou zijn?

Zijn Excellentie Eugène Rougon · 第 6 / 17 题