De stoet voor de doopplechtigheid zou om vijf uur van het paviljoen
de l'Horloge vertrekken. De vastgestelde weg was door de groote laan
van den tuin der Tuileriën, place de la Concorde, rue de Rivoli, place
de l'Hôtel-de-Ville, pont d'Arcole, rue d'Arcole en place du Parvis.
Om vier uur was er reeds een ontzaglijke menigte op de pont
d'Arcole. Daar, in die opening die de rivier in de stad maakte,
kon een geheel volk post vatten. 't Was een plotselinge verruiming
van den horizon, met de spits van het eiland Saint-Louis in de
verte, waarover de pont Louis-Philippe een zwarte streep trok;
ter linkerzijde ging de kleine arm in een opeenhooping van lage
gebouwtjes verloren; rechts opende de groote arm een verschiet, in een
paarsachtig waas gehuld, waarin men de groene vlek der boomen van de
Port-aux-Vins ontwaarde. Verder vormden aan weerszijden, van de quai
Saint-Paul tot de quai de la Messagerie en van de quai Napoléon tot
de quai de l'Horloge, de trottoirs lange wegen; terwijl de place de
l'Hôtel-de-Ville, tegenover de brug, een groote vlakte aanbood. En
boven die uitgestrekte ruimten spande de hemel, een warme, zuivere
Juni-hemel, zijn oneindig blauw.
Toen het halfvijf sloeg, was het overal vol. Langs de trottoirs
stonden onafzienbare rijen nieuwsgierigen tegen de borstweringen
aangedrukt. Een zee van menschenhoofden, die steeds meer kwam
aangolven, vulde het plein voor het stadhuis. Voor de wijdgeopende
vensters van de oude huizen op de quai Napoléon stapelden de
gezichten zich op; en zelfs achter uit de donkere steegjes, die op
de rivier uitkwamen, zag men vrouwenmutsen, waarvan de linten in den
wind fladderden. De pont Notre-Dame vertoonde een rij toeschouwers,
die met de ellebogen op de steenen ballustrade leunden, als op
het fluweel van een kolossale tribune. Aan het andere einde, heel
in de verte, was het op de pont Louis-Philippe een gewriemel van
zwarte stippen; terwijl nu en dan een licht kleedje verscheen in de
meest verwijderde vensteropeningen der gele en grijze gevels van de
huizen, op de spits van het eiland. Er stonden menschen op de daken,
tusschen de schoorsteenen. Op de quai de la Tournelle stond men,
met verrekijkers gewapend, boven op de terrassen.
Maar wat men overal zien kon, van af de kaden, de bruggen, van uit
de vensters, dat was aan den horizon, op den kalen muur van een
huis van zes verdiepingen, op het eiland Saint-Louis, het profiel
van een reusachtige grijze overjas, in fresco geschilderd, met haar
linkermouw aan den elleboog omgevouwen, alsof het kleedingstuk de
houding en de ronding van een verdwenen lichaam behouden had. Die
monumentale reclame kreeg in de zon, boven dat gewemel der wandelaars,
een buitengewone belangrijkheid.
Intusschen had een dubbel gelid den weg voor den stoet afgezet. Rechts
stonden de nationale gardes; links de liniesoldaten. Het einde van
dat dubbele gelid kwam uit in de rue d'Arcole, waarvan bijna alle
woningen met vlaggen versierd waren. De brug vormde de eenige leege
ruimte tusschen die dicht bezette straten en pleinen, en zij maakte
een zonderling effect, met haar éenen, ijzeren boog. Maar beneden
op de rivieroevers begon het gedrang weer; burgermannetjes in hun
zondagsche kleeren hadden hun zakdoeken uitgespreid en zaten daar
naast hun vrouwen van het lange rondslenteren uit te rusten. Midden op
het blauwe water, dat bij de samenkomst der beide armen groen getint
leek, werd een boot voortgeroeid door eenige roeiers in roode kielen,
met de bedoeling om ter hoogte van de Port aux-Fruits te blijven
liggen. Tegen de quai de Gèvres stond een groote waschinrichting,
waarin men het lachen en het stampen der waschvrouwen hoorde. En die
opeengedrongen menigte, die drie à vier honderdduizend menschen keken
nu en dan op naar de torens van de Notre-Dame, die hun vierkante massa
boven de huizen van de quai Napoléon uitstaken. Door de ondergaande
zon verguld, roestkleurig tegen den helderen hemel, trilden zij in
de lucht, door een welluidend, krachtig klokkenspel.
Een paar malen had een valsch alarm een groote opschudding onder de
menigte veroorzaakt.
--Ik verzeker u, dat ze niet voor halfzes voorbijkomen, zei een lange
snuiter, die in gezelschap van mijnheer en mevrouw Charbonnel voor
een koffiehuis van de quai de Gèvres zat.
Het was Gilquin, Théodore Gilquin, de vroegere huurder van mevrouw
Mélanie Correur, Rougon's lastige vriend. Dien dag droeg hij een
geel linnen kostuum van negen en twintig francs, versleten en
vol vlekken, en aan de naden opengescheurd; hij had schoenen met
gaten, havanakleurige handschoenen, een breeden strooien hoed zonder
lint. Wanneer Gilquin handschoenen aantrok, was hij gekleed. Sedert
twaalf uur diende hij den Charbonnels tot gids, met wie hij op een
avond bij Rougon in de keuken kennis had gemaakt.
--Ge zult alles zien, kinderen, herhaalde hij, met zijn hand over de
lange knevels strijkende, die als twee zwarte sabelhouwen over zijn
dronkemansgezicht liepen. Ge hebt je aan mijn zorgen toevertrouwd,
niet waar? Nu, laat de regeling van het feestje dan ook aan mij over.
Gilquin had drie glaasjes cognac en vijf glazen bier gedronken. Hij
hield de Charbonnels daar al een paar uren onder voorwendsel,
dat zij er op die manier het eerste bij zouden zijn. Het was een
klein koffiehuis, waar men heel netjes zat, zei hij, en hij was heel
gemeenzaam met den kellner. De Charbonnels hoorden hem geduldig aan
en verbaasden zich over zijn woordenrijkdom en de afwisseling in zijn
onderwerpen; mevrouw Charbonnel had niets dan een glas suikerwater
verlangd, mijnheer Charbonnel nam een glas anisette, zooals hij
meermalen deed, in de club te Plassans. Intusschen sprak Gilquin over
de doopplechtigheid, alsof hij dien morgen op de Tuileriën geweest
was om inlichtingen in te winnen.
--De keizerin is erg in haar schik, zei hij. Ze heeft een prachtige
bevalling gehad. O, 't is zoo'n flinke vrouw! Je zult eens zien
hoe statig ze er uitziet.... De keizer is eergisteren uit Nantes
teruggekomen, waar hij heengegaan was voor de overstroomingen.... Wat
een ramp hè, die overstroomingen!
Mevrouw Charbonnel schoof haar stoel terug. Ze was eenigszins angstig
voor de dichte menigte, die langs haar heen stroomde.
--Wat een menschen! mompelde zij.
--Te deksel, riep Gilquin, er zijn meer dan driehonderdduizend
vreemdelingen in Parijs. Sedert acht dagen komen er dagelijks
pleiziertreinen aan. Kijk daar heb je Normandiërs, en daar Gasconjers
en die zijn uit Franche-Comté. O, ik haal ze er dadelijk uit! Ik heb
zoowat overal rondgezworven.
Toen vertelde hij dat de gerechtshoven vakantie hielden, dat de
Beurs gesloten was, dat alle kantoren hun bedienden vrijaf hadden
gegeven. De heele stad vierde het doopfeest mee. En hij noemde cijfers,
hij berekende wat de plechtigheid en de feesten wel zouden kosten. Het
Wetgevende lichaam had vierhonderdduizend francs toegestaan; maar dat
beteekende niets, want een palfrenier van de Tuileriën had hem den
vorigen avond verzekerd dat de stoet alleen bijna tweehonderdduizend
francs zou kosten. Als de keizer er maar een millioen van zijn civiele
lijst bij hoefde te leggen, mocht hij van geluk spreken. De luiermand
alleen kostte honderdduizend francs.
--Honderdduizend francs! herhaalde mevrouw Charbonnel verbluft. Maar
waaruit bestaat ze dan? Wat heeft men er dan in gedaan?
Gilquin lachte toegevend. Er waren zulke dure kanten bij! Hij was
vroeger reiziger in kanten geweest. En hij zette zijn berekening
voort: vijftigduizend francs waren uitgeloofd ten behoeve der ouders
van de wettige kinderen, die op denzelfden dag als de jonge prins
geboren waren, en waarover de keizer en de keizerin peter en meter
hadden willen zijn; vijf en tachtigduizend francs moesten besteed
worden voor den aankoop van medailles voor de auteurs der cantates,
die in de schouwburgen gezongen werden. Eindelijk vertelde hij nog
breedvoerig hoe er nog honderdtwintigduizend herinneringsmedailles
uitgedeeld werden aan de leerlingen van de lagere en de bewaarscholen,
aan de onder-officieren en minderen van het Parijsche garnizoen. Hij
had er een bij zich die hij liet zien. 't Was een medaille ter grootte
van een halven franc, aan de eene zijde de beeltenissen van den keizer
en de keizerin dragend, op de andere die van den keizerlijken prins,
met den datum van de doopplechtigheid: 14 Juni 1856.
--Mag ik het van u hebben? vroeg mijnheer Charbonnel.
Gilquin stemde toe. Maar toen de goede man hem er een franc voor gaf,
weigerde hij hooghartig, zeggende dat het hoogstens een halven franc
waard was.
Intusschen beschouwde mevrouw Charbonnel de beeltenissen van het
keizerlijk echtpaar. Ze werd verteederd.
--Ze zien er goedhartig uit, zei ze. Ze staan daar zoo naast elkaar,
als brave menschen.... Zie eens, mijnheer Charbonnel, net twee hoofden
op hetzelfde kussen, als men er zoo naar kijkt.
Toen kwam Gilquin weer op de keizerin terug, wier liefdadigheid hij
uitbundig prees. In de negende maand van haar zwangerschap had zij
heele namiddagen besteed met de oprichting van een opvoedingsgesticht
voor arme jonge meisjes in de faubourg Saint-Antoine. Zij had
tachtigduizend francs geweigerd, die bij vijf sous tegelijk onder het
volk waren ingezameld, om den jongen prins een geschenk aan te bieden;
die som gelds moest volgens haar wensch dienen voor den leertijd
van een honderdtal weezen. Gilquin, die al licht aangeschoten was,
zette vervaarlijk groote oogen, terwijl hij naar zachte stembuigingen
en teedere woorden zocht, die den eerbied van den onderdaan met de
hartstochtelijke bewondering van den man vereenigden. Hij verklaarde
dat hij gaarne zijn leven zou opofferen voor die edele vrouw. Maar
niemand sprak hem tegen. Het gedruis van de menigte in de verte
scheen de echo van zijn loftuitingen. En de klokken van de Notre-Dame
verkondigden hoog boven de huizen haar uitbundige vreugde.
--Het zal nu wel tijd worden om een plaatsje te zoeken, zei mijnheer
Charbonnel beschroomd.
Mevrouw Charbonnel was reeds opgestaan en trok haar gele sjaal wat
dichter om haar schouders.
--Zeker, mompelde zij. U wou een van de eersten zijn en nu blijven
we hier zitten, zoodat al die menschen ons voor zijn.
Maar Gilquin werd boos. Hij sloeg met zijn vuist op het zinken blad
van het tafeltje. Zou hij zijn Parijs soms niet kennen? En terwijl
mevrouw Charbonnel zich verschrikt op haar stoel liet neervallen,
riep hij den kellner toe:
--Jules, een absinth en sigaren!
Toen hij zijn groote knevels in zijn absinth gedoopt had, riep hij
hem woedend terug.
--Hou je me voor den gek? Wil je dat bocht eens dadelijk meenemen
en me die andere flesch geven, van Vrijdag!.... Ik ben reiziger in
likeuren geweest, oude jongen. Je kan Théodore niet beetnemen!
Hij kwam weer tot kalmte, toen de kellner, die bang voor hem scheen
te zijn, hem de verlangde flesch gebracht had. Toen klopte hij het
echtpaar Charbonnel vriendschappelijk op den schouder en noemde ze
papa en mama.
--Zoo, zoo, mamaatje, beginnen de voetjes u te jeuken? Nu, ze zullen
nog genoeg te doen krijgen tot van avond! Nu, hoe is het, vadertje,
zitten we hier niet opperbest, voor dit café? We zitten, we zien
de menschen voorbijtrekken. Ik zeg u dat we den tijd hebben. Bestel
intusschen wat.
--Dank u, we hebben genoeg gehad, verklaarde mijnheer Charbonnel.
Gilquin had een sigaar aangestoken. Hij leunde achterover, met
de duimen in de armsgaten van zijn vest, zijn borst opzettende
en wiegelend op zijn stoel. Een zalige uitdrukking kwam in zijn
oogen. Plotseling kreeg hij een inval.
--Weet u wat? riep hij, morgen ochtend om zeven uur kom ik u afhalen,
dan laat ik u alle feestelijkheden zien. Vindt u dat niet aardig?
De Charbonnels keken elkander ongerust aan. Maar hij zette zijn
programma uitvoerig uiteen, met een stem als een dierentemmer. 's
Morgens ontbijten in het Palais Royal en wandeling door de stad. 's
Middags naar de esplanade des Invalides, militaire vertooningen,
mastklimmen, driehonderd opgelaten ballons met peperhuisjes suikergoed,
een groote ballon met een regen van bruidsuikers. 's Avonds,
dineeren bij een wijnkoopman aan de quai de Billy dien hij kende,
vuurwerk waarvan het hoofdnummer een doopkapel zou voorstellen,
wandeling door de geïllumineerde straten. En hij vertelde hun van
het vurige kruis dat men op het gebouw van het Legioen van eer
zou ophijschen, van het tooverpaleis op de place de la Concorde,
waarvoor negenhonderd vijftigduizend gekleurde glazen noodig waren,
van den toren Saint-Jacques, waarvan het standbeeld hoog in de lucht
een brandende fakkel zou schijnen. Daar de Charbonnels nog weifelden,
boog hij zich naar hen over en ging hij op zachten toon voort:
--En bij het naar huis gaan loopen we even een melksalon in de rue
de Seine binnen, waar men heerlijke kaassoep kan krijgen.
Toen durfden de Charbonnels niet langer weigeren. Hun ronde oogen
drukten te gelijk nieuwsgierigheid en kinderlijke vreesachtigheid
uit. Zij voelden zich aan de willekeur van dien verschrikkelijken
man overgeleverd. Mevrouw Charbonnel mompelde:
--Ach, dat Parijs, dat Parijs!... Enfin, nu we er toch eenmaal zijn,
moeten we alles zien. Maar als u eens wist, mijnheer Gilquin, hoe
rustig we het in Plassans hadden! Ik heb daar ingemaakte groenten
die staan te bederven, confituren, kersen op brandewijn, augurkjes...
--Wees maar niet bang, mamaatje, zei Gilquin, die hoe langer hoe
vroolijker en gemeenzamer werd. Je wint je proces en dan vraag je
mij te logeeren, hè? We zullen met ons allen dat ingemaakte goed
wel opkrijgen.
Hij schonk zich weer een glas absinth in. Hij was nu geheel
dronken. Een oogenblik lang keek hij de Charbonnels met een teederen
blik aan. Hij ging graag openhartig met iemand om. Opeens rees hij
overeind en met zijn armen zwaaiende, riep hij pst! pst! 't Was
mevrouw Mélanie Correur, die in een zijden japon aan de overzijde op
het trottoir liep. Zij keerde zich om en scheen het zeer onaangenaam
te vinden, toen zij Gilquin zag. Maar zij stak toch de straat over,
trotsch voortstappende als een prinses. En toen zij voor het tafeltje
stond, liet zij zich lang bidden eer zij iets aannam.
--Kom, een glaasje likeur, zei Gilquin. Daar houdt u wel van... Weet
u nog, in de rue Vanneau? Wat een schik hebben we toen gehad! O,
die dikzak van een Correur!
Ze ging eindelijk zitten, toen er een luid gejuich door de menigte
liep. Als door een stormwind opgeheven, vlogen de wandelaars
vooruit, trappelend, als een losgebroken kudde. De Charbonnels waren
werktuigelijk opgestaan om den stroom te volgen. Maar de zware hand
van Gilquin drukte hen weer op hun stoelen neer. Hij was rood van
kwaadheid.
--Stilzitten, voor den drommel! Wacht tot ik het zeg... Je ziet wel
dat ze zich druk maken voor niets. Het is pas vijf uur, niet waar? 't
Is de kardinaal-legaat, daar geven we niets om, hè? Ik vind het een
beleediging dat de paus niet zelf gekomen is. Men is peetvader of
men is het niet, zou ik denken!... Ik zweer je dat het kereltje het
eerste halfuur nog niet voorbijkomt.
De dronkenschap maakte hem oneerbiedig. Hij had zijn stoel omgekeerd,
blies den voorbijgangers den rook van zijn sigaar in het gezicht,
lonkte de vrouwen toe en keek de mannen uitdagend aan. Op de
pont Notre-Dame was er een verstopping van rijtuigen ontstaan; de
paarden trappelden van ongeduld, uniformen van hooge ambtenaren en
hoofdofficieren, met goud geborduurd en met ridderorden bezaaid,
vertoonden zich aan de portieren.
--Allemaal klatergoud! mompelde Gilquin, met een minachtend lachje.
Maar toen een coupé de quai de la Mégisserie afkwam, sprong hij het
tafeltje bijna omver, terwijl hij riep:
--Kijk, Rougon!
En staande wuifde hij met zijn gehandschoende hand. Toen, vreezende
dat hij niet opgemerkt was, begon hij met zijn strooien hoed te
wuiven. Rougon, wiens senatorskostuum veel bekijks had, dook snel in
een hoekje van de coupé. Toen riep Gilquin hem door zijn halfgesloten
vuist, bij wijze van roeper.
Op het trottoir bleven de menschen stil staan om te zien tegen wien
die lange kerel in zijn geel linnen pakje het had. Eindelijk kon de
koetsier de zweep over zijn paard leggen en de coupé reed de pont
Notre-Dame op.
--Houd je toch stil! zei mevrouw Correur met gesmoorde stem, terwijl
ze Gilquin bij een arm greep.
Hij wou niet dadelijk gaan zitten. Hij rekte zijn hals uit om de coupé
te midden der andere rijtuigen te volgen. En hij gaf zijn hart lucht,
achter de voortrollende wielen.
--Ha, omdat hij goud op zijn jas draagt, kent hij niemand, hè? Dat
neemt toch niet weg, dikkerd, dat je meer dan eens de laarzen van
Théodore hebt te leen gehad.
De menschen aan de tafeltjes om hem heen zetten groote oogen op; vooral
aan het naaste tafeltje werd hij met groote belangstelling aangehoord
door een familie, uit vader, moeder en drie kinderen bestaande. Hij
was er trotsch op dat hij een aandachtig publiek had. Langzaam liet
hij zijn blik over de bezoekers gaan en zeer luid zei hij, terwijl
hij weer ging zitten:
--Rougon, dien heb ik gemaakt wat hij is!
Hij riep mevrouw Correur tot getuige. Zij wist er alles van. Het was
in haar hôtel, in de rue Vanneau, gebeurd. Ze kon niet tegenspreken
dat hij hem wel twintigmaal zijn laarzen geleend had, om zich naar
deftige lui te begeven met wie hij zaken behandelde, waarvan niemand
iets begrijpen kon. Rougon bezat toen ter tijd slechts een paar oude,
versleten schoenen, waarvoor een uitdrager niets gegeven zou hebben. En
met een zegevierend gezicht naar het naaste tafeltje, de familie in
het gesprek halende, riep hij uit:
--Dat kan ze zeker niet tegenspreken. Ze heeft zelf zijn eerste paar
nieuwe laarzen in Parijs betaald.
Mevrouw Correur draaide haar stoel wat om, ten einde den schijn
te geven, alsof ze niet tot het gezelschap van Gilquin behoorde. De
Charbonnels waren er bleek van geworden, toen zij op zoo'n manier over
een man hoorden spreken, die hun vijfhonderd duizend francs bezorgen
moest. Maar Gilquin was eenmaal op dreef; hij vertelde van a tot z hoe
Rougon begonnen was. Hij zei, dat hij het heel wijsgeerig opvatte;
hij lachte om de ondankbaarheid der menschen, hij was blij dat hij
zichzelf kon achten. En nogmaals verzekerde hij dat Rougon zijn
opkomst aan hem te danken had. Beiden leden zij honger op dezelfde
verdieping. Toen was hij op den inval gekomen Rougon aan te sporen
olijfolie te laten komen van een eigenaar in Plassans; en ze waren
er beiden op uit gegaan, ieder een anderen kant, tot 's avonds tien
uur toe, met proefjes olie in hun zakken. Rougon was geen handige
verkooper; toch bracht hij soms mooie bestellingen thuis, die hij
opdeed bij de deftige lui waar hij 's avonds kwam. O, die weergasche
Rougon, zoo dom als een eend in allerlei zaken, en toch zoo slim! Wat
had hij Théodore laten sloven, voor zijn politiek! Hier sprak Gilquin
een toontje zachter en knipte daarbij met de oogen; hij had immers
ook tot dat troepje behoord. Hij liep de kroegen van de barrière af,
waar hij uit alle macht riep: Leve de republiek! Men moest ook wel
republikein zijn, om menschen te werven. Het keizerrijk was hem een
mooie kaars schuldig. Maar jawel, het keizerrijk bedankte hem niet
eens. Terwijl Rougon en zijn kliek de taart deelden, gooide men hem
de deur uit, als een schurftigen hond. Maar eigenlijk had hij dat
ook liever, op die manier bleef hij onafhankelijk. Toch speet het hem
nog altijd dat hij niet tot het laatste toe met de republikeinen was
meegegaan, om al dat gespuis neer te schieten.
--Daar heb je den kleinen Du Poizat, die net doet of hij me niet meer
kent! zei hij ten slotte. Een nieteling, wiens pijp ik meer dan eens
gestopt heb!.... Du Poizat! Onder-prefect! Ik heb hem in zijn hemd
gezien met de groote Amélie, die hem met éen klap de deur uitgooide,
als hij lastig was.
Hij zweeg een oogenblik, plotseling verteederd, met de waterige
oogen van een dronkaard. Toen hernam hij, zich tot de bezoekers om
hem heen wendend:
-- Enfin, u hebt Rougon gezien. Ik ben even groot als hij en even
oud. Ik vlei me dat mijn hoofd er een beetje minder gemeen uit ziet
dan het zijne. Nu, zou ik niet beter passen in een rijtuig, dan dat
groote zwijn, met al dat verguld op zijn lijf?
Maar op dit oogenblik verhief zich zoo'n gejuich op het plein voor het
Stadhuis, dat de bezoekers er niet aan dachten hem te antwoorden. De
menschen gingen weer aan het draven; men zag niets dan menschenbeenen
in de lucht, terwijl de vrouwen haar rokken tot boven de knieën opnamen
om harder te kunnen loopen. En toen het gejuich naderbij kwam, tot
een gillend geschreeuw aangroeide, riep Gilquin:
--Hoep, daar is de dreumes! Betaal gauw, papa Charbonnel, en volgt
me allen.
Mevrouw Correur hield een slip van zijn geel katoenen jas vast om
hem niet kwijt te raken. Achter haar kwam mevrouw Charbonnel hijgend
aan. Het scheelde weinig of men had mijnheer Charbonnel in den steek
gelaten. Gilquin had zich vastberaden in de menigte geworpen, zich
met zijn ellebogen een weg banende; en hij manoeuvreerde met zoo'n
gezag dat de dichtste rijen zich voor hem openden. Toen hij aan de
borstwering van de kade gekomen was, wees hij zijn gezelschap hun
plaatsen aan. Hij tilde de dames op en zette ze op de borstwering neer,
met de beenen naar de rivierzijde, ondanks de angstige gilletjes die
zij uitstieten. Hij en mijnheer Charbonnel bleven achter ze staan.
--Zie zoo, poesjes, nu zit je op den eersten rang, zei hij om ze te
kalmeeren. Weest maar niet bang! We zullen je vasthouden.
Hij sloeg beide armen om de gevulde gestalte van mevrouw Correur,
die hem toelachte. Men kon niet boos worden op dien snaak. Intusschen
zag men niets. In de richting van het plein voor het stadhuis was het
een deining van hoofden, een onstuimig hoera-geroep; hoeden werden
wuivend op en neer bewogen door onzichtbare handen; zij vormden
boven de menigte een groote zwarte golf, die langzamerhand naderbij
kwam rollen. Toen kwam er leven in de huizen op de quai Napoléon,
tegenover het plein, aan de vensters verdrongen zich de toeschouwers
met verrukte gezichten, met uitgestrekte armen wees men naar iets dat
links bij de rue de Rivoli in aantocht was. Drie eindelooze minuten
bleef de brug nog ledig. De klokken aan de Notre-Dame, als door een
razende vreugde aangegrepen, luidden harder. Plotseling verschenen er
trompetters op de ledige brug. Een zucht van voldoening ging door de
opeengepakte menigte. Achter de trompetters en het muziekkorps dat
op hen volgde, reed een generaal, vergezeld van zijn staf. Daarop
volgden escadrons karabiniers, dragonders en guides; toen eerst
kwamen de galarijtuigen. Er waren er eerst acht, ieder met zes paarden
bespannen. In de eerste zaten hofdames, kamerheeren, officieren van het
huis hunner keizerlijke majesteiten, eeredames van de groothertogin
van Baden, die de peetmoeder vertegenwoordigde. En Gilquin, zonder
mevrouw Correur los te laten, verklaarde haar dat de peetmoeder, de
koningin van Zweden, zich al evenmin als de peetvader verwaardigd had
zelf te komen. Toen het zevende en het achtste rijtuig voorbijkwamen,
noemde hij de personen die er in zaten, met een gemeenzaamheid die
aantoonde hoezeer hij met het hof bekend was. Die twee dames waren
prinses Mathilda en prinses Marie. Die drie heeren waren koning Jérôme,
prins Napoléon en de prins van Zweden, zij hadden de groothertogin
van Baden bij zich. De stoet ging langzaam vooruit. Naast de portieren
gingen lakeien, adjudanten, eereridders, die de teugels kort hielden
om de paarden stapvoets te laten gaan.
--Waar is de kleine nu? vroeg mevrouw Charbonnel ongeduldig.
--Wel, ze hebben hem niet onder een bankje verstopt, zei Gilquin
lachend. Hij komt zoo dadelijk.
Hij drukte mevrouw Correur nog wat vaster tegen zich aan, en zij
liet hem begaan, omdat zij bang was dat zij vallen zou, zei ze. En
de bewondering werkte aanstekelijk op hem; met schitterende oogen
mompelde hij:
--Ik moet toch zeggen, 't is mooi! Wat zitten ze daar op hun gemak, in
hun satijnen doozen!.... Als je nagaat dat ik daaraan meegewerkt heb!
Hij blies zich op; de stoet, de menigte, de heele horizon behoorde
hem toe. Maar na de korte stilte die door de verschijning der eerste
rijtuigen teweeggebracht was, brak weer een joelend geluid los; nu
wuifden de hoeden op de kade zelf boven de golvende hoofden. Midden op
de brug verschenen zes pikeurs van den keizer, met hun groene livrei,
hun ronde mutsjes waaromheen de gouden franje van een grooten eikel
afhingen. Eindelijk verscheen het rijtuig der keizerin, door acht
paarden getrokken; het had vier lantaarns, op de vier hoeken; geheel
van glas, groot, afgerond, geleek het op een grooten kristallen
koffer, die op gouden wielen rustte. Binnenin onderscheidde men
duidelijk in een wolk van witte kant, den keizerlijken prins op den
schoot van de gouvernante der Kinderen van Frankrijk; naast haar
zat de min, een mooie, zwaar gebouwde Bourgondische. Op eenigen
afstand, na een groep stalknechten te voet en stalmeesters te paard,
kwam het rijtuig des keizers, eveneens getrokken door acht paarden,
even rijk als het vorige, waarin de keizer en de keizerin zaten te
groeten. Naast de portieren van beide rijtuigen kregen de maarschalken,
met onverstoorbare kalmte, het stof der wielen op hun rijkgeborduurde
uniformen.
--Als de brug nu eens inzakte! zei Gilquin grinnikend, die pleizier
vond in vreeselijke veronderstellingen.
Mevrouw Correur legde hem verschrikt het zwijgen op. Maar hij hield
vol dat die ijzeren bruggen nooit erg stevig zijn; en toen de beide
rijtuigen midden op de brug waren, beweerde hij dat hij haar zag
doorbuigen. Wat een duikeling, potstausend! papa, mama en het kind
zouden daar een aardig slokje water naar binnen krijgen! De rijtuigen
rolden langzaam en zachtjes voort, de brug was zoo licht, met haar
zachte buiging, dat het scheen alsof zij boven de rivier zweefden,
in het blauwe water spiegelde zij zich af, als vreemdsoortige
goudvisschen. De keizer en de keizerin leunden ietwat vermoeid tegen
het gecapitonneerde satijn, blij dat ze een oogenblik uit de drukte
waren en niet behoefden te groeten. De gouvernante der Kinderen van
Frankrijk maakte ook gebruik van de gelegenheid om den kleinen prins,
die van haar schoot gegleden was, wat op te richten, terwijl de min,
voorovergebogen, hem door haar glimlach vroolijk hield. En de geheele
stoet baadde in het zonlicht, de uniformen, de toiletten, de tuigen
schitterden; de rijtuigen wierpen een dansenden weerschijn op de
donkere huizen van de quai Napoléon. Heel in de verte, boven de brug
verhief zich als de achtergrond van dit schilderij, de monumentale
reclame, op den muur van het hooge huis op het eiland Saint-Louis,
de groote grijze overjas, waaruit het lichaam verdwenen was, waarvan
de zon een schitterende apotheose maakte.
Gilquin merkte de jas op, juist toen zij boven de beide rijtuigen
uitstak. Hij riep:
--Kijk, daar heb je den oom ook!
De omstanders lachten. Mijnheer de Charbonnel, die het niet begrepen
had, vroeg wat die uitroep beteekende, maar zijn stem ging verloren
in het oorverdoovend gejuich en het handgeklap van de driehonderd
duizend menschen, die daar dicht opeengepakt stonden. Toen de kleine
prins op het midden van de brug gekomen was, en men den keizer en
de keizerin achter hem had zien verschijnen, in die open ruimte waar
niets het uitzicht belemmerde, maakte een buitengewone ontroering zich
van de nieuwsgierigen meester. De mannen gingen op de teenen staan en
heschen beteuterde kleuters op hun schouders; de vrouwen schreiden en
stamelden teedere woordjes voor "dien lieven kleine." Een stormachtig
gejuich bleef aanhouden op het plein voor het stadhuis; op de kaden,
aan weerszijden van de rivier, zoover het oog kon reiken, ontwaarde
men een woud van zwaaiende, groetende armen. Aan de vensters zag
men met zakdoeken wuiven, geestdriftige gezichten met wijdgeopende
monden zich voorover buigen. En heel aan het einde werden de smalle
vensters van het eiland St. Louis levendig door een geschitter van
witte plekken, die men niet duidelijk onderscheiden kon. De roeiers
in hun roode kielen, staande in hun boot, die op de Seine voortdreef,
schreeuwden uit alle macht; terwijl de waschvrouwen, met bloote armen
en verward haar uit de ramen van het waschhuis hingen en zoo hard
met haar stampers sloegen, dat zij dreigden te breken.
--'t Is gedaan, we kunnen wel heengaan, zei Gilquin.
Maar de Charbonnels wilden tot het laatste zien blijven. De achterhoede
van den stoet, de escadrons van de gardes, de kurassiers en de
karabiniers, trokken de rue d'Arcole in. Daarop ontstond er een
vreeselijk gedrang; het dubbele gelid van de nationale gardes en de
liniesoldaten werd op verscheidene plaatsen verbroken; vrouwen gilden.
--Laten we heengaan, herhaalde Gilquin. Men dringt elkander dood.
En toen hij de dames op het trottoir gezet had, liet hij ze den
straatweg oversteken, ondanks de drukte. Mevrouw Correur en de
Charbonnels vonden het beter langs de borstwering te loopen om
zoodoende op de pont Notre-Dame te komen en te gaan zien, wat er op
de place du Parvis gebeurde. Maar hij luisterde niet naar ze, hij
trok ze mee. Toen ze zich weer voor het kleine koffiehuis bevonden,
duwde hij ze plotseling neer op de stoelen rondom het tafeltje,
dat zij zoo pas verlaten hadden.
--Jelui denkt zeker dat ik lust heb mijn voeten af te laten trappen
door dien hoop leegloopers?.... We gaan wat drinken, wat drommel? We
zijn daar beter dan in het gedrang. We hebben nu genoeg van het feest,
hè? 't Begint eindelijk te vervelen.... Komaan, wat zult u gebruiken,
mama?
De Charbonnels, op wie hij zijn verschrikkelijke oogen richtte, maakten
eenige verlegen bedenkingen. Ze hadden den stoet graag uit de kerk zien
komen. Toen bracht hij hun aan het verstand dat zij moesten wachten
tot het wat minder druk werd; over een kwartiertje zou hij ze er heen
brengen, als het dan niet al te druk was. Mevrouw Correur maakte stil
dat zij wegkwam, terwijl hij aan Jules sigaren en bier ging bestellen.
--Wel ja, rust een beetje uit, zei ze tot de Charbonnels. U vindt me
daar wel.
Zij ging de pont Notre-Dame over en de rue de la Cité in. Maar
de opstopping was daar zoo groot, dat zij een vol kwartier noodig
had om de rue de Constantine te bereiken. Ze besloot haar weg te
bekorten door de rue de la Licorne en de rue des Trois-Canettes in
te slaan. Eindelijk kwam zij op de place du Parvis, nadat zij aan
een kelderraam van een verdacht huis een heelen volant van haar
zijden japon had laten zitten. Het plein, met zand en met bloemen
bestrooid, was beplant met palen die banieren met het koninklijke
wapen droegen. Voor de kerk bevond zich een kolossaal voorportaal,
in den vorm van een tent, dat de kale muursteenen aan het oog onttrok
door roodfluweelen gordijnen met gouden franjes in eikels.
Daar stuitte mevrouw Correur op een rij soldaten, die de menigte in
bedwang hielden. Te midden van de opengelaten ruimte liepen lakeien
langzaam op en neer, naast de rijtuigen die in vijf rijen geschaard
stonden; terwijl de koetsiers deftig op hun bok zaten, met de leidsels
in de hand. En toen zij den hals uitrekte om een opening te zoeken,
waardoor zij heen kon dringen, bemerkte zij Du Poizat die kalm een
sigaar rookte, in een hoek van het plein, te midden der lakeien.
--Kunt u me daar niet binnen laten komen? vroeg zij hem, nadat zij
door roepen en wuiven zijn aandacht had getrokken.
Hij sprak met een officier en bracht haar vóor de kerk.
--Ik zou u raden hier te blijven, zei hij. 't Is daarbinnen niet uit te
houden. Ik kreeg het zoo benauwd, dat ik er uit ben gegaan.... Kijk,
daar zijn de kolonel en mijnheer Bouchard, die ook al tevergeefs een
plaats gezocht hebben.
De heeren stonden daar inderdaad, links, aan den kant van de rue du
Cloître Notre-Dame. Mijnheer Bouchard vertelde dat hij zijn vrouw
had toevertrouwd aan de hoede van mijnheer d'Escorailles, die een
uitmuntenden fauteuil voor een dame had. Wat den kolonel aangaat,
het speet hem zeer, dat hij de plechtigheid niet aan zijn zoon Auguste
kon verklaren.
--Ik had hem de beroemde vaas willen toonen, zei hij. 't Is zooals
u weet, de vaas die Lodewijk den Vromen heeft toebehoord, een vaas
van vernikkeld, ingelegd koper, in den mooisten Perzischen stijl,
een gedenkstuk uit den tijd der kruistochten, die bij den doop van
al onze koningen dienst heeft gedaan.
--Hebt u de honneurs gezien? vroeg mijnheer Bouchard aan Du Poizat.
--Ja, antwoordde deze. Mevrouw de Lorentz droeg de chrémeau.
Hij moest een nadere uitlegging geven. De chrémeau was de
doopmuts. Geen van beide heeren wist dat; daar keken zij vreemd van
op. Du Poizat somde toen al de honneurs van den keizerlijken prins
op, de doopmuts, de gewijde kaars, het zoutvat, en de honneurs van
den peter en de meter, het bekken, de waterkan, de handdoek; al die
voorwerpen werden door hofdames gedragen. Dan was er nog de mantel
van den kleinen prins, een buitengewoon prachtige mantel, op een
fauteuil bij het doopvont uitgespreid.
--Is er heusch geen plaatsje over? riep mevrouw Correur, wier
nieuwsgierigheid door al die bijzonderheden opgewekt werd.
Toen vertelden zij haar van al de groote staatslichamen, alle
autoriteiten, alle delegaties die zij hadden zien voorbijtrekken. Het
was een eindelooze optocht; het Corps diplomatique, de Senaat,
het Wetgevend lichaam, de Staatsraad, de Hooge Raad, de hofhouding,
de rechters, zonder nog te spreken van de ministers, de prefecten,
de burgemeesters en hun adjuncten, de leden van de Academie, de
hoofdofficieren, tot zelfs de afgevaardigden van het Israëlitische
en het Protestantsche consistorie. En er kwam nog geen einde aan.
--Goede hemel, wat moet dat mooi zijn! zuchtte mevrouw Correur.
Du Poizat haalde de schouders op. Hij was vreeselijk uit zijn
humeur. Al die drukte "verveelde hem". En hij scheen ontstemd door den
langen duur der plechtigheid. Was het nu nog haast niet gedaan? Ze
hadden het Veni Creator gezongen; zij hadden elkander bewierookt en
gegroet. De kleine zou nu toch wel gedoopt zijn. Mijnheer Bouchard
en de kolonel, die geduldiger waren, keken naar de met vlaggen
versierde vensters van het plein; daarop keken zij eensklaps op,
bij een plotselinge losbarsting van het klokkenspel, dat de torens
deed schudden, en een lichte huivering beving hen bij de gedachte
aan de nabijheid van die ontzaglijke kerk, waarvan zij het einde
niet konden bespeuren, hoog in de lucht. Intusschen was Auguste naar
het voorportaal geslopen, Mevrouw Correur volgde hem. Maar toen zij
tegenover de hoofddeur kwam, waarvan de beide vleugels open stonden,
deed een buitengewoon schouwspel haar plotseling stilstaan.
Tusschen de twee groote gordijnen vertoonde zich de kerk als een
ontzaglijke, kostbaar versierde tabernakel. De zachtblauwe gewelven
waren met sterren bezaaid. De vensters vormden rondom dit uitspansel
mystieke gesternten, die de kleine, levendige vlammetjes van een
gloed van edelgesteenten levendig hielden. Overal daalde van de
hooge pilaren een rood fluweelen draperie, die het weinige daglicht
dat onder het schip bleef hangen, nog meer wegnam; en in dien rooden
nacht brandde enkel, in het midden, een gloeiende haard van kaarsen,
duizenden kaarsen, zoo dicht bij elkander geplaatst, dat het een
enkele zon geleek, schitterende in een regen van vonken. Het was in
het midden van het kruisraam, op een verhevenheid, het altaar dat in
gloed stond. Links en rechts verhieven zich kronen. Een breede hemel
van met hermelijn gevoerd fluweel, vormde boven den hoogsten troon een
reusachtigen vogel met sneeuwwitten buik en purperen vleugels. Een
van goud en edelgesteenten schitterende menigte vulde de kerk; bij
het altaar vormden de bisschoppen met staf en myter, een glorie,
een van die schitterende voorstellingen die aan een geopenden
hemel doen denken; rondom de estrade zaten prinsen, prinsessen,
grootwaardigheidsbekleeders in luisterrijke praal; aan weerszijden
zaten in oploopende banken het diplomatieke Corps en de Senaat ter
rechter-, het Wetgevend lichaam en de Raad van State ter linkerzijde;
terwijl allerhande delegaties de overige ruimte van het schip vulden
en de dames, boven op de tribunes, de bonte kleurenmengeling van haar
lichte toiletjes ten toon spreidden. Een bloedroode nevel hing in de
kerk. De hoofden, die rechts en links achter in de kerk opeengehoopt
waren, hadden den rose tint van beschilderd porselein. De kostuums,
het satijn, de zijde, het fluweel, werden met een dieprooden gloed
overtogen, alsof zij op het punt waren te ontvlammen. Geheele rijen
werden opeens in een vurigheid gehuld. De diepe kerk geleek een
ontzaglijke smeltoven.
Toen zag mevrouw Correur een ceremoniemeester op het koor voorwaarts
treden, die driemaal met een forsche stem riep:
--Leve de kroonprins! leve de kroonprins! leve de kroonprins!
En te midden der daverende toejuichingen bemerkte mevrouw Correur
aan den rand van de verhevenheid den keizer, over de menigte
heenziende. Zijn zwarte jas stak scherp af tegen de flonkerende gewaden
der bisschoppen achter hem. Hij hield het volk den kroonprins voor,
een pakje witte kant, dat hij met opgeheven armen omhoog hield.
Maar plotseling gaf een suisse mevrouw Correur een wenk, dat zij
terzijde moest gaan. Zij ging twee passen achteruit en zag nog slechts
een der gordijnen voor zich. Het vizioen was verdwenen. Ze stond daar
opeens in het volle daglicht en onthutst bleef zij staan, meenende
dat zij een oud schilderij gezien had, zooals er in het Louvre waren,
met ouderwetsch gekleede personen, die men nooit op straat ontmoet.
--Blijf daar niet staan, zei mijnheer Du Poizat, terwijl hij haar
weer bij den kolonel mijnheer Bouchard bracht.
De heeren spraken nu over de overstroomingen. Er waren verschrikkelijke
verwoestingen in de dalen der Rhône en Loire aangericht. Duizenden
gezinnen waren zonder onderkomen. De inschrijvingen, die overal geopend
werden, waren niet bij machte om zooveel ellende te verlichten. Maar
de keizer toonde een bewonderenswaardige mildheid en moed: te Lyon
had men hem de overstroomde wijken der stad zien doorwaden; te Tours
had hij bijna drie uur lang in een bootje rondgevaren en overal met
milde hand aalmoezen uitgedeeld.
--Hoor eens! viel de kolonel hier in.
Het orgel bromde in de kerk. Een plechtig gezang klonk door de opening
van het voorportaal, waarvan de gordijnen zich heen en weer bewogen
onder dien ontzaglijken adem.
--'t Is het Te Deum, zei mijnheer Bouchard.
Du Poizat slaakte een zucht van verlichting. Eindelijk zou het dan
gedaan zijn! Maar mijnheer Bouchard legde hem uit, dat de acten
nog niet geteekend waren. Daarop moest de kardinaal-legaat den
priesterlijken zegen uitspreken. Toch begonnen er al menschen uit
de kerk te komen. Een van de eersten was Rougon, met een magere
allereenvoudigst gekleede vrouw, met een tanig gezicht, aan den
arm. Een magistraat, in het kostuum van president van het hof van
appèl, vergezelde hem.
--Wie is dat? vroeg mevrouw Correur.
Du Poizat noemde hem de twee personen. Mijnheer Beulin d'Orchère was
met Rougon in kennis gekomen een poosje vóór den Staatsgreep, en hij
betoonde hem sinds dien tijd een bijzondere achting, zonder echter
vriendschapsbetrekkingen met hem aan te knoopen. Mejuffrouw Véronique,
zijn zuster, bewoonde met hem een hôtel in de rue Garancière, dat
zij bijna alleen verliet om de missen in Saint-Sulpice bij te wonen.
--Kijk, zei de kolonel zachtjes, dat is nu juist een vrouw voor Rougon.
--Uitstekend, bevestigde mijnheer Bouchard. Een tamelijk fortuin,
goede familie, een vrouw van orde en ondervinding. Hij zou geen betere
kunnen vinden.
Maar Du Poizat sprak dit tegen. De juffrouw was zoo rijp als een
mispel, die men op het stroo heeft laten liggen. Ze was minstens zes
en dertig jaar en ze leek wel veertig. Een mooie bezemsteel om mee in
bed te liggen! Een vrome zus die platgestreken haar droeg! Een hoofd
met zulke flauwe trekken, dat het wel scheen alsof het een half jaar
lang in wijwater te weeken had gelegen!
--U is nog jong, verklaarde de chef de bureau ernstig. Rougon moet
bij het sluiten van een huwelijk met zijn verstand te rade gaan.... Ik
ben uit liefde getrouwd, maar dat is niet voor iedereen weggelegd.
--Och, wat kan mij dat meisje ook schelen, bekende Du Poizat
eindelijk. Maar dat gezicht van Beulin-d'Orchère bevalt me niet. Hij
heeft een kop als een bulhond. Zie maar eens naar zijn breeden
snoet en dien gekrulden haarbos, waarin zich geen enkel grijs haartje
vertoont, ofschoon hij al vijftig jaar is! Wie kan achter zijn plannen
komen? Vertel me eens waarom hij voort blijft gaan zijn zuster in
Rougon's armen te voeren, nu Rougon toch gevallen is?
Mijnheer Bouchard en de kolonel zwegen en wisselden een angstigen
blik. Zou de "bulhond," zooals de gewezen onder-prefect hem noemde,
Rougon geheel alleen opslokken? Maar mevrouw Correur zei langzaam:
--'t Is altijd goed magistraatspersonen op zijn hand te hebben.
Rougon had intusschen juffrouw Véronique naar haar rijtuig geleid;
voordat zij instapte, groette hij haar. Juist op dat oogenblik kwam de
mooie Clorinde aan den arm van Delestang uit de kerk. Zij keek ernstig
en wierp een vlammenden blik op dat gele meisje, tegenover wie Rougon
zich zoo galant toonde, dat hij ondanks zijn senatorsrok het portier
eigenhandig achter haar dichtsloot. Terwijl het rijtuig wegreed, trad
zij regelrecht op hem toe, den arm van Delestang loslatend en haar
kinderlijk lachje terugvindend. Het geheele gezelschap volgde haar.
--Ik ben ma kwijt geraakt! riep ze vroolijk uit. Men heeft mama in
de drukte ontvoerd.... U hebt zeker wel een hoekje in uw coupé voor
me over, nietwaar?
Delestang, die haar thuis had willen brengen, scheen zeer ontstemd. Zij
droeg een oranjekleurige zijden japon, met zulke opzichtige bloemen
geborduurd, dat de lakeien naar haar keken. Rougon maakte een buiging,
maar het duurde wel tien minuten eer de coupé verscheen. Allen bleven
daar staan, ook Delestang, ofschoon zijn rijtuig in de onmiddellijke
nabijheid op hem wachtte. De kerk liep langzamerhand ledig. Mijnheer
Kahn en mijnheer Béjuin voegden zich bij het gezelschap. En daar
de groote man met een gemelijk gezicht zijn handdruk flauwtjes
beantwoordde, vroeg hij ongerust:
--Voelt ge u niet goed?
--Neen, antwoordde hij. Al dat licht daarbinnen heeft me vermoeid.
Hij zweeg, en hernam daarna zachter:
--Het was een grootsch gezicht. Ik heb nog nooit een man zoo gelukkig
zien kijken.
Hij sprak van den keizer. Hij had de armen uiteengestrekt, met een
breed gebaar, langzaam en plechtig alsof hij hen aan het tooneel en
de kerk wilde herinneren; overigens zei hij niets meer. Zijn vrienden
zwegen insgelijks. Zij vormden in een hoek van het plein een klein
groepje. Voor hen trok een dichte drom van magistraatspersonen in toga,
officieren in groot tenue, ambtenaren in uniform, een gegalonneerde,
opgeschikte, gedecoreerde menigte, die de bloemen, waarmee het plein
bestrooid was, vertrad, te midden van het geroep der lakeien en het
geratel der wegrijdende rijtuigen. De roem van het keizerrijk, op
zijn toppunt gekomen, zweefde in het purper van de ondergaande zon,
terwijl de torens van de Notre-Dame, zachtrood en welluidend, de
toekomstige regeering van het kind, dat onder haar gewelven gedoopt
was, zeer hoog naar een toppunt van vrede en grootheid, schenen te
dragen. Maar zij voelden in hun ontevredenheid slechts een onmatige
begeerigheid in zich opkomen bij al de pracht van de plechtigheid,
het klokkengelui, de ontplooide banieren, de geestdrift in de stad,
de verrukking van die officiëele wereld. Rougon die voor de eerste
maal het onaangename van zijn ongenade gevoelde, was zeer bleek,
en in gedachte benijdde hij den keizer.
--Bonsoir, ik ga heen, 't is doodelijk vervelend, zei Du Poizat en
nam met een handdruk van de anderen afscheid.
--Wat scheelt u toch vandaag? vroeg de kolonel. U is zoo boos.
En de onder-prefect antwoordde bedaard, terwijl hij heenging:
--Wel, waarom zou ik vroolijk zijn?.... Van morgen las ik in den
Moniteur dat die ezel van een Champenon de prefectuur gekregen heeft,
die mij beloofd was.
De anderen keken elkander aan. Du Poizat had gelijk, zij kregen niet
van de taart. Rougon had hun bij de geboorte van den kroonprins een
regen van geschenken beloofd op den doopdag: mijnheer Kahn zou zijn
concessie krijgen, de kolonel het kommandeurskruis, mevrouw Correur de
vijf of zes tabaksdépots waarom zij zoo dikwijls gevraagd had. En daar
stonden zij nu met hun allen, op een hoopje, in een hoek van het plein,
met leege handen. Toen keken zij Rougon aan met zoo'n troosteloozen,
verwijtenden blik, dat deze woedend de schouders ophaalde. Toen
zijn coupé eindelijk voorreed, duwde hij Clorinde snel naar binnen,
en zonder een woord te spreken sloeg hij het portier met een harden
klap achter zich dicht.
--Daar staat Marsy in het portaal, mompelde mijnheer Kahn, terwijl hij
mijnheer Béjuin meetrok. Wat ziet die ploert er trotsch uit!.... Draai
je om. 't Ontbrak er nog maar aan dat hij ons niet terug groette!
Delestang had zich gehaast in zijn rijtuig te stappen, ten einde de
coupé te volgen. Mijnheer Bouchard wachtte op zijn vrouw; toen hij
zag dat de kerk leeg was, keek hij heel verbaasd en ging hij eindelijk
heen met den kolonel, die ook genoeg had van het rondkijken naar zijn
zoon Auguste.
Mevrouw Correur had intusschen het geleide aanvaard van een
dragonder-luitenant, een landgenoot van haar, die zijn epauletten
eenigszins aan haar te danken had.
In de coupé praatte Clorinde opgetogen over de plechtigheid, terwijl
Rougon, achterover geleund, met een slaperig gezicht naar haar
luisterde. Zij had de Paaschfeesten te Rome bijgewoond, maar die waren
niets indrukwekkender. En zij legde hem uit dat de godsdienst voor haar
als het ware een hoekje van den hemel opende, met God den Vader als
een zon op zijn troon gezeten, te midden van de schitterende pracht
der engelen om hem heen geschaard, als een breede kring van schoone,
in goud gekleede jongelieden. Toen liet zij plotseling haar onderwerp
varen en vroeg:
--Komt u van avond op het feest, dat de stad aan Hunne Majesteiten
aanbiedt? Dat zal prachtig zijn.
Zij was uitgenoodigd. Ze zou een rose kleedje dragen, dicht bezaaid met
vergeetmijnietjes. Mijnheer de Plouguern zou haar geleider zijn, omdat
haar moeder 's avonds niet meer uitging wegens haar hoofdpijnen. Daarop
weer tot een ander onderwerp overgaande, vroeg zij op nieuw:
--Wie is toch die magistraat, die u zooeven bij u hadt?
Rougon hief het hoofd op en zei in éen adem door:
--Mijnheer Beulin-d'Orchère, vijftig jaar, uit een familie van
rechtsgeleerden, is substituut geweest te Montbrison, procureur des
konings te Orléans, advokaat-generaal te Rouen, heeft deel uitgemaakt
van een gemengde commissie in 52, is vervolgens te Parijs gekomen als
raadsheer van den Hoogen Raad, en is er nu president van.... O ja,
hij heeft het decreet van den 22en Januari 1852 goedgekeurd, waarbij
de goederen van de familie Orléans verbeurd verklaard werden.... Is
u daarmee tevreden?
Clorinde lachte. Hij hield haar voor den gek, omdat zij
weetgierig was; men mocht de menschen toch wel kennen, aan wie men
allicht kon voorgesteld worden. En zij repte niet van mejuffrouw
Beulin-d'Orchère. Zij sprak weer over het feest op het Stadhuis: de
feestgalerij zou met ongekenden luister versierd worden; gedurende
het diner zou een orkest zonder tusschenpoozen spelen. Ja, Frankrijk
was een groot land! Nergens, noch in Engeland, noch in Duitschland,
noch in Spanje, noch in Italië, had zij schitterender bals gezien. Haar
keus was dan ook al gemaakt, zei ze met een gezicht dat straalde van
bewondering, zij wou een Française zijn.
--O, soldaten, riep ze, zie eens, soldaten!
De coupé, die de rue de la Cité doorgereden was, moest aan het
einde van de pont Notre-Dame stilhouden voor een regiment, dat op
de kade voorbijtrok. Het waren liniesoldaten, soldaatjes die als
schapen voortliepen, een beetje uit den pas door de boomen van de
trottoirs. Zij kwamen terug van het afzetten. De volle namiddagzon
schitterde hun juist in het gelaat, hun laarzen waren wit bestoft,
hun rug gebogen onder het gewicht van ransel en geweer. En zij hadden
zich zoo verveeld, onder al dat gedrang van de menigte, dat zij er
nog versuft uitzagen.
--Ik dweep met het Fransche leger, zei Clorinde verrukt, zich voorover
buigend om beter te kunnen zien.
Rougon scheen wakker te worden en keek nu ook. Het was de kracht
van het keizerrijk, die daar voorbijtrok, in het stof van den
weg. Langzamerhand was er een opstopping van rijtuigen op de brug
ontstaan; maar de koetsiers wachtten eerbiedig; terwijl personages
in galakostuum uit de portieren lagen en met een flauwen glimlach
op het gelaat naar die soldaatjes keken, die door het lange staan
versuft waren.
--En die laatsten daar, ziet u die? hernam Clorinde. Daar is een
heele rij, die nog geen baard hebben. Zien ze er niet aardig uit?
En in een onstuimige opwelling van teederheid wierp zij den soldaten
kushandjes toe. Ze hield zich een beetje verborgen, om niet gezien
te worden. Het was een genot, die liefde voor de gewapende macht,
waarop zij zichzelve onthaalde.
Rougon glimlachte toegevend; hij had dien dag ook pas zijn eerste
genoegen gesmaakt.
--Wat is er nu weer aan de hand? vroeg hij, toen de coupé de kade op
kon rijden.
Een menigte menschen verdrong zich op de trottoirs en de straat. Het
rijtuig moest alweer stilhouden. Een stem uit de menigte zei:
--'t Is een dronkaard, die de soldaten uitgescholden heeft. De politie
heeft hem al bij den kraag gepakt.
Toen de menigte uiteenging, bemerkte Rougon Gilquin die stomdronken
door twee politieagenten vastgehouden werd. Hier en daar kwam zijn
bloote huid door zijn gescheurde linnen pakje te voorschijn. Maar
hij was niet lastig, met zijn afhangenden knevel op zijn rood
gezicht. Hij sprak heel vertrouwelijk met de politieagenten, hij
noemde ze "kindertjes". En hij vertelde hun dat hij den heelen middag
heel rustig in een koffiehuis had gezeten, vlak bij, in gezelschap
van heel voorname lui. Men kon informeeren aan het theater du
Palais-Royal, waar mijnheer en mevrouw Charbonnels heengegaan waren
om de opvoering van les Dragées du Captême te zien; ze zouden het
stellig niet tegenspreken.
--Laat me toch los, grappenmakers! riep hij, zich plotseling schrap
zettende. Het koffiehuis is hier vlak bij, wat donder! Kom maar mee,
als je me niet gelooft!.... De soldaten waren onbeleefd, begrijp
je, er was een klein ventje bij dat lachte. Toen heb ik hem op zijn
voorman gezet. Maar het Fransche leger beleedigen, dat nooit! Noem
den naam Théodore eens bij den keizer, dan zal je eens zien wat hij
zegt.... Sakkerloot, je zou er leelijk inloopen!
Het volk lachte het uit van de pret. De twee agenten hielden hem stevig
vast en duwden hem langzaam naar de rue Saint-Martin, waar men in de
verte de roode lantaarn van een politiepost zag. Rougon was snel in
zijn rijtuig weggedoken. Maar plotseling kreeg Gilquin hem in het
oog. Toen, werd hij spotachtig en voorzichtig. Hij keek naar hem,
knipoogde en zei als tot zichzelf:
--Genoeg, kindertjes, ik zou schandaal kunnen maken, maar ik doe het
niet, omdat ik te veel eergevoel heb.... Zeg, jelui zou de hand niet
op Théodore leggen, als hij met prinsessen uit rijden ging, zooals
een zeker iemand van mijn kennis. Ik heb toch ook met de groote
lui gewerkt, en netjes ook, daar durf ik me op beroemen, zonder
duizenden en honderden te vragen. Men kent zijn waarde. Dat is een
troost bij al die kleingeestigheden.--Alle donders! zijn vrienden
dan geen vrienden meer?
Hij werd aandoenlijk, en begon te hikken. Rougon wenkte stilletjes een
man in een groote overjas, dien hij toevallig herkende; en na hem iets
in het oor gefluisterd te hebben, gaf hij hem het adres van Gilquin,
rue Virginie no. 17, te Grenelle. De man naderde de politieagenten,
als om ze een handje te helpen. De menigte keek heel verbaasd toen
zij zag, dat de agenten links afsloegen en Gilquin in een vigelante
wierpen, waarna de koetsier op hun bevel de quai de la Mégisserie
opreed. Maar Gilquin's groot, verward hoofd verscheen nog eens met
een zegevierenden lach buiten het portier en hij brulde:
--Leve de republiek!
Toen de menigte uiteengegaan was, keerden de kaden tot haar gewone
rust weer. Parijs, moe van geestdrift, zat aan tafel, de drie
honderdduizend nieuwsgierigen, die zich daar verdrongen hadden, hadden
de restauraties aan de Seineoevers bestormd. Op de ledige trottoirs
slenterden langzaam enkele buitenlui rond, doodmoe, niet wetende waar
zij zouden eten. Beneden, aan beide zijden van de waschinrichting,
stonden de vrouwen haar wasch te stampen. Een zonnestraal verguldde
nog de torens van de Notre-Dame, die nu zwegen, boven de huizen in de
duisternis gehuld. En in den nevel die uit de Seine opsteeg, ginds,
op de spits van het eiland Saint-Louis, onderscheidde men nog slechts,
op het doffe grijs van de gevels, de reusachtige jas, de monumentale
reclame, als ware er aan een spijker in den horizon de plunje van een
Titan vastgehaakt, wiens ledematen door den bliksem verpletterd waren.