Intusschen was van Magdalena's lot binnen Haarlem niets bekend.
Slechts twee dagen had zij in de nog akeliger gevangenis gesleten:
vervolgens had men haar weder naar de bidcel teruggebracht. Deze gunst
had zij te danken aan de voorspraak van 's konings betaalmeester,
Eduard van Bournonville, heer van Capres, die in Frederik's gunst
stond, hoezeer hij met eene dochter van den ongelukkigen grave Van
Egmond gehuwd was. Meer had Capres verzoek niet vermocht, en zelfs
dit zou het niet bewerkt hebben, wanneer geene andere drijfveeren
don Frederik bewogen hadden. Hij oordeelde het staatkundiger, haar,
onder een eenigzins dragelijker lot, in zijne macht te houden. Wel had
hij reeds ondervonden, dat de moed der Haarlemmers niet te buigen was;
maar de kansen des oorlogs zijn wisselvallig; Boissu, don Ferdinand,
Romero of een ander kon den belegerden in handen vallen; hun leven kon
op het spel komen; maar nu had hij de vrouw van Van Duivenvoorde in
zijne macht; hun dood kon de hare wezen, hun leven en hunne vrijheid
het leven en de vrijheid van haar.
Dit gold meer bij hem dan de voorspraak van Capres. Frederik was echter
voornemens, haar naar een klooster in Amsterdam te laten overbrengen
en den prior tot borg te stellen voor hare verzekerde bewaring; dat
voornemen had hij nochtans telkens uitgesteld, daar hij nog altijd
hoopte, Haarlem spoedig te doen overgaan.
Geene hoop intusschen voor Magdalena, dat er andermaal eene poging
tot hare redding zou worden gedaan. Dit scheen haar onmogelijk,
en toch werd tot dit schijnbaar onmogelijke het voornemen opgevat.
Dag aan dag was voorbijgesneld, maar voor Magdalena waren zij
omgekropen. Scherpe koude had zich in haar verblijf doen gevoelen,
en echter had zij die wederstaan, en zich velerlei ontberingen
getroost. Wat beteekenden die toch in vergelijking van haren
gemoedstoestand? Want hoe gelaten ook, zij was afgerukt van hare
kinderen, en eene moeder alleen is in staat om al het smartelijke
daarvan te gevoelen. Zij hoort den donder van het geschut,--wie zegt
haar of de kogel niet een harer lievelingen treft? Zij hoort eene
losbarsting, alsof gansch Haarlem vaneen splijt, en zij huivert; want
wie zegt haar, of niet de woning instort, waar hare kinderen tevreden,
hun gevaar onbewust zijn? Zij siddert--zij wil toesnellen om hen te
redden; maar--dikke muren zien haar spookachtig aan; de deur wordt
niet bewogen in weerwil van haar wanhopig gebons; zij valt uitgeput
op den grond, en als haar beul komt, en zij hem vraagt, wat schok
zij daar gehoord heeft, dan grijnst hij haar aan en--de geesel der
onzekerheid blijft haar folteren dag en nacht.
Maar nu was de strenge vorst door eene mildere lucht vervangen
geworden. Het was de dag vóór Paschen--een lieve lentedag, en
de zon wierp een schuinschen straal door de hooge opening in de
bidcel. Evenals altijd gaf Magdalena zich aan den stroom harer
gewaarwordingen over, niet vermoedende, dat haar gevoel op dien
dag weer hevig zou worden geschokt. Daags te voren was Francisco de
Toledo, kapitein van Alva's lijfwacht, met een last van den hertog
in het leger gekomen. Juist had don Frederik het besluit genomen,
Magdalena naar Amsterdam te laten brengen; doch deze last veranderde
zijn plan. Hij besloot, daarvan partij te trekken, en nog eenmaal eene
listige poging in het werk te stellen, om door hare tusschenkomst,
de stad tot overgaaf te bewegen.
Het was omtrent twee ure in den middag, toen Magdalena opeens uit hare
overdenkingen gerukt werd door eene beweging aan de deur en door de
haar bekende stem van Frederik. Eerst wilde zij opstaan, doch kwam
even ras tot andere gedachten, toen te gelijker tijd Frederik haar
verblijf binnentrad, en--zij bleef zitten.
Al ware zij de vrouw niet geweest, die zoo weinig de vrees kende,
dan toch waren de vroegere tooneelen, die zij had bijgewoond, wel in
staat geweest om haar over de komst van den man, althans zichtbaar,
niet meer te doen ontstellen. Zij had zich niet alleen op zijne
nadere komst gewapend, maar ook vast besloten, om, zoo mogelijk,
nog meer verachting en onbuigzaamheid aan den dag te leggen. Zij
bleef zitten en zag den Spanjaard, zonder een woord te spreken,
fier in het aangezicht. Op het donker en krachtig blozend gelaat
van Frederik vertoonde zich thans die genadige glimlach, welke zijn
forschen oogopslag temperde, en meer dan ooit paarde hij aan zijne
rijke, prachtige kleedij het deftige en trotsche van den Spanjaard,
in voorkomen en houding.
Gedurende een oogenblik had er eene wederzijdsche spanning
plaats. Juist echter toen Magdalena de oogen voor zich sloeg,
zeide Frederik:
--»Zoo het u goed dunkt, signora, wil ik met u spreken.«
--»Met mij, heer? wat verlangt gij van mij?«
--»Mijne komst heeft een voorstel ten doel; twee gebeurtenissen gaven
mij de aanleiding daartoe,« zeide hij op trotschen en toch beleefden,
deftigen toon. »Zoudt gij wenschen, in dit huis een gesprek te voeren
met den heer Van Duivenvoorde!«
--»Met hem?« vroeg zij bijna te hartstochtelijk, doch zich spoedig
herstellende, voegde zij er bij, »maar wat vraag ik? ik moest immers
weten, dat uwe woorden bittere spot zijn.«
--»Dat zijn ze niet!« hernam Frederik. »Ik verklaar u, dat de heer Van
Duivenvoorde bij een uitval door mijne soldaten is gevangen genomen:
hij is op het huis Berkenrode, en het hangt van u af, of gij hem zien
en spreken wilt.«
--»Van Duivenvoorde gevangen? o God! zou dat waarheid zijn?«--riep
Magdalena; en haar oog, dat op Frederik gevestigd was geweest,
richtte zich naar den hemel, als wilde zij vandaar de bevestiging
der waarheid hooren.
--»Het is, zooals ik u gezegd heb,« hernam Frederik; »mijne soldaten
zouden hem doorstoken hebben; want zij weten, dat de oproerige
onderdanen van den koning allen den dood verdienen, maar als
bevelhebber gaf ik sinds eenigen tijd den last, dat zij de aanvoerders
van de burgers levend in handen moesten zien te krijgen, en de heer
Van Duivenvoorde is de eerste niet, met wien hun dit gelukt is.«
--«Gevangen, hij?« vroeg Magdalena nog eens, op den toon van iemand,
die twijfelt en tegelijk beangst is voor de mogelijkheid.
--»Ja,« sprak Frederik met gehuichelde fierheid. »Of is het,« ging
hij op een voor haar pijnigenden toon voort, »uw echtgenoot niet,
wien het nu misschien berouwt, dat in Haarlem zijne drie kinderen
ook zonder vader zijn; en gij, signora! zijt gij van die kinderen
de moeder niet? Maar ik zie het--gij twijfelt nog aan mijne woorden,
en gij weigert dus, mijn voorstel aan te hooren?«
--»Neen, neen! dat heb ik niet gezegd,« antwoordde Magdalena in eene
hevige gemoedsbeweging, daar de looze toespeling op hare kinderen haar
diep geschokt had, »maar wat wilt gij van mij? Wat stelt gij mij voor?«
--»Hoor mij!« zeide don Frederik op minzaam fieren en inderdaad
vertrouwen inboezemenden toon. »Ik heb geschrift ontvangen van den
hertog. Nog is hij geneigd om de stad Haarlem genade te verleenen. Zoo
de vest zich binnen twee dagen onderwerpt aan het wettig gezag van
onzen machtigen koning, en de burgers beloven, zich als gehoorzame
onderdanen te zullen gedragen, dan zal al het vroegere vergeten
zijn. Niemand hunner zal in goed of leven verkort worden, maar al
de rechten van onderdanen des konings genieten. Weigert men echter
aan dezen voorslag van genade gehoor te geven, dan zal het leger,
waarover ik bevel voer, met tien duizend Spanjaarden vermeerderd
worden; dan zal de stad met verdubbelde kracht bestormd worden;
dan zal men haar met geweld bemachtigen; maar ook dan zal geen der
burgers het leven behouden; dan zullen mannen, vrouwen en kinderen,
dan zullen allen, als muitelingen, met den dood worden gestraft. Dat
zijn de woorden van den landvoogd hertog Ferdinand Alvarez de Toledo.«
Magdalena luisterde, maar toen hij ophield, sprak zij geen enkel
woord. Zij wierp vervolgens een bedaarden blik op don Frederik, als
wilde zij op zijn gelaat lezen, wat daar de logen en de valschheid
geschreven hadden. Oogenblikkelijk kwamen Mechelen en Zutfen, maar
vooral Naarden weer levendiger voor haren geest, en die gedachten
deden haar de vraag uiten:
--»Haarlem zou dus het lot van Naarden ontgaan, heer? Maar waartoe
moet deze last van den hertog in mijn bijzijn worden herhaald?«
--»Zóó groot is de verbittering uwer stadgenooten,« antwoordde
Frederik »dat zij mijne afgevaardigden zouden dooden, in plaats van
hun te woord te staan. Ik heb dus mijn besluit genomen. Ik zal den
heer Van Duivenvoorde onder vrijgeleide doen terugkeeren en hij zal
de brenger zijn van uw geschrift aan den magistraat.«
--»En wat zou mijn geschrift moeten behelzen, heer?« vroeg Magdalena,
die nu inderdaad begon te gelooven, dat Van Duivenvoorde den Spanjaard
in handen was gevallen.
--»Versta mij wel,« hernam Frederik. »Reeds wordt mijn voorstel aan
den magistraat in geschrift gebracht; en de heer Van Duivenvoorde
zal het hem ter hand stellen. Gij kent nu den voorslag van genade,
en Haarlem heeft niets meer te vreezen: gij herhaalt mijne woorden en
voegt er alleen bij, dat uw leven en uwe vrijheid tegelijk afhangen
van het besluit van den magistraat.«
--»En wat anders is dit dan eene hernieuwing van 'tgeen ik geweigerd
heb en weigeren zal, zoolang God mij niet verlaat?« vroeg Magdalena
op vastberaden toon.
--»Gij begrijpt dus niet,« hernam Frederik, »dat ik thans ook het leven
van den heer Van Duivenvoorde in mijne macht heb? En gij twijfelt dus
nog aan het woord van een Toledo? Welnu--ik ben niet hier gekomen om
u te bidden--en wijst gij mijn voorstel van de hand, zoo behoeft hier
geen enkel woord meer.«
Met gehuichelde onverschilligheid, en eene nog trotscher houding
aannemende, maakte hij de beweging om de bidcel te verlaten. Het was
of de duivel over Frederik's list juichte. Magdalena huiverde; zij
werd geslingerd, zij wankelde: het moest wel waar wezen, dat haar
man den vijand in handen was gevallen. Don Frederik had thans den
toon zoo geheel anders aangeslagen. Zoo hij waarachtig eens het beste
wilde;--zoo Alva werkelijk eens eene algemeene kwijtschelding wilde
verleenen; zoo zij het leven van haren man eens konde redden, hem zien,
spreken--hem spreken over hare kinderen Arthur, Emma en Adolf!--hoe
rampzalig toch was haar lot; hoe gelukkig zou zij misschien weldra
zijn. Zij wankelde sterker. Don Frederik keerde haar reeds den rug
toe om heen te gaan; maar zij riep hem toe; eene plotselijke gedachte
kwam bij haar op.
--»Heer!« zeide zij, »ik wil schrijven, en bij den God van Nederland
en Spanje, zoo het besluit van den hertog waarachtig is, dan zult
gij ook niet aarzelen, ééne enkele voorwaarde toe te staan.«
--»Voorwaarde!« zeide Frederik, op den toon van gekrenkte
trotschheid. »Geen Toledo laat zich voorwaarden voorschrijven: maar
gij zijt eene vrouw: laat mij hooren.«
--»Ik zal schrijven aan den magistraat, maar kan ik er dan ook
bijvoegen, dat gij, als bevelhebber van 's konings leger, voor Haarlem,
die kwijtschelding en genade met eenen heiligen eed zult bezweren?«
En het antwoord, dat hem in zijn eigen strik zou verwarren, gleed
hem van de tong.
--»Dat moogt--dat kunt gij,« sprak hij kortaf; »de genade zal bezworen
worden.«
--»Welnu dan,« hernam Magdalena, »ik zal nederschrijven wat gij
verlangt, wanneer door den heer Van Capres en Venavides in mijne
tegenwoordigheid verklaard wordt, dat werkelijk een zoodanig voorstel
door den hertog aan u afgezonden is.«
Magdalena had zijn wrevel, zijn toorn voorzien. Don Frederik
stond rechtstandig voor haar, en nauwelijks had zij den naam van
Venavides uitgesproken, of zijn donker oog nam eenen brandenden
gloed aan; als moest er een bliksemstraal uit schieten. Hij was niet,
evenals de hertog, zijn vader, altijd meester om zijn hartstocht te
beteugelen. Eerst bracht hij de linkerhand op de plek, waar in den
laatsten storm Brechta Proosten hem door een kogel had getroffen,
als ondervond hij daar nog een pijnlijk gevoel; vervolgens die hand
opheffende, kneep hij de vingers tot eene vuist samen met al het
bitter gevoel van gekwetste fierheid en machtelooze gramschap.
--»Ha!« zeide hij onder een vloek, »een capitan, een Venavides
zou het woord moeten bevestigen van mij, den zoon des hertogs--den
bevelhebber over een geheel leger!....« En wanneer Magdalena een
man--schoon dan ook zijn gevangene--ware geweest, hij zou dien zijn
dolk in de borst hebben gestooten. Maar nu was ook Magdalena weder
geheel en al de fiere, onbezwekene vrouw, die zij zich vroeger getoond
had. In één oogenblik had zij nu als het ware de vaste overtuiging,
dat alles logen, alles bedrog was,--en bedaard afwachtende, totdat
Frederik zijne woede een weinig gelucht had, zeide zij op vasten en
onverschrokken toon:
--»Heer! zoo slechts een der ongelukkigen van Naarden zegt, dat
mijne voorwaarde zonder grond en onrechtvaardig is, dan zal ik die
terugnemen en nederschrijven, wat gij verlangt.«
Dat was te veel. In die woorden lag zooveel waarheid, dat Frederik
zelf die had moeten erkennen, wanneer zijn toorn er hem niet onvatbaar
voor had gemaakt. Andermaal wilde hij voortgaan, zijne verbittering op
haar uit te storten; doch het nuttelooze daarvan inziende tegen zulk
eene vrouw, bedwong hij zich. Opeens dus zag hij zijne list vernietigd
door de fijnere list van eene moedige vrouw; want Venavides--de echte
ridder en edelman--was er juist de man naar om een last te bevestigen,
die door den hertog geenszins schriftelijk gegeven was.
--»Een uur kunt gij nog u beraden,« zeide hij, zich geweld aandoende om
zijne verbittering te onderdrukken, »maar weg met alle voorwaarde! Gij
kent mijn voorstel, en wijst gij het van de hand--wij weten, wat ons
te doen staat.«
Onder deze laatste woorden keerde hij haar met de hoogstmogelijke
uitdrukking van Spaansche trotschheid en vastberadenheid den rug
toe;--hij wilde zich niet eens meer verwaardigen, Magdalena's antwoord
te hooren, maar toch kon hij niet beletten, dat hem dat antwoord
in de ooren klonk: »Mijn besluit is genomen, en ik zal God bidden,
dat Hij mij niet verlate!«
Nauwelijks was de zoon van den hertog vertrokken, of Magdalena gaf
zich aan den stroom harer gewaarwordingen over. Het was een benarrend
oogenblik voor haar geweest; doch zij had dat moedig doorstaan. De
Hemel had haar hulp verleend--dat gevoelde zij, en zoo kalm was het in
hare ziel, dat zij zich volkomen in staat bevond om een hartelijk en
vurig gebed op te zenden,--nadat zij zich de woorden van den psalmist
had herinnerd: »de boozen spannen den boog, maar de pijl wordt tegen
hen zelven gekeerd.«
Na dit gebed gevoelde zij haren moed verdubbeld, en hoe langer en
hoe dieper zij nadacht, hoe meer zij geloofde, dat Van Duivenvoorde
volstrekt niet in handen van den Spanjaard was gevallen. De avond
kwam--en zij twijfelde er niet meer aan, of alles was eene duivelsche
list geweest; maar over die list had zij zich dan ook grootsch
gewroken? zij was de schaakspeelster gelijk, die met edelen trots
het oorlogsperk had verlaten, terwijl zij hare tegenpartij door een
doodelijken zet schaakmat had gemaakt.
De ochtend van den volgenden dag kwam. Magdalena was door een
weldadigen slaap verkwikt geworden. Het was de eerste Paaschdag, en
het weder was even aangenaam en helder als daags te voren. »Eere zij
God!« sprak zij, en nu dacht zij aan de woorden: »Ik ben verrezen
en ben steeds met u!«--Zij bad langer en vuriger dan ooit; want
die heugelijke dag van 's Heeren opstanding was ook altijd met
godsdienstigen eerbied in hare woning gevierd geworden:--maar toen
was er vrede in Haarlem, terwijl thans jong en oud het zwaard van den
oorlog had aangegrepen. Zich langen tijd in deze overdenking en de
vergelijking van vroeger met thans verdiepende, wordt zij er opeens
door een zonderling geluid aan onttrokken.
--»Wat is dat?« roept zij en staat ijlings op. Eerst zijn het zachte,
uit de verte klinkende tonen, als door de echo's van bergen en
rotsen in eene vallei teruggekaatst. De klanken herhalen zich echter
scheller. Zou men daar, in het klooster der regulieren, het Gloria
in excelsis met welluidende tonen doen gepaard gaan? Maar het geluid
wordt zwaarder, brommend. Het is binnen Haarlem. Dof en wild galmen
weldra de klokken, en dat geluid doet zich in velerhande richtingen
hooren, terwijl het eene oorverdoovene, schrikverwekkende muziek
vormt. Die klanken zijn Magdalena niet vreemd: zij hoorde die reeds
meer dan eens gedurende hare gevangenis op het Huis Ter Kleef; en dan
werd Haarlem bestormd; dan waren het alarmtonen om de burgers naar de
bedreigde wallen te doen snellen; ook thans is het een alarmgeklep,
maar doffer, onverpoosder dan ooit. Nu eens vereenigt zich de groote
kerkklok Bavo met de doodklok Salvator: dan weder paart de kleine
kerkklok Martinus zich met de poort- of de heilige Willebrordus-klok,
of opeens wordt door alle tegelijk het brommend geraas aangeheven: dat
duurt een kwartier, een halfuur, reeds langer, en met iedere minuut
schijnt het rumoer toe te nemen, maar met dat geraas vermengen zich
ook de Spaansche trompetten en het geroffel der trommen.
--»Hemel! al de macht van den Spanjaard stormt aan!« roept zij, »dat
geldt Haarlem! Voorzeker: de benden moeten in getal zijn verdubbeld;
het is geene logen geweest; o Heer, behoed de stad!«
Bijna een uur heeft het gelui geduurd; doch nu schijnt het zwakker te
worden: eenige oogenblikken later, en het heeft geheel opgehouden;
nu hoort zij echter ook zooveel te duidelijker de losbarsting der
slangstukken, dat echter niet lang meer aanhoudt; nog vallen er wel
onderscheidene musketschoten, in de nabijheid van het Huis Ter Kleef,
maar ook dit houdt weldra op, en--van rondom heerscht weer dezelfde
stilte als een paar uren vroeger.
--»Dat is onbegrijpelijk voor mij,« zegt Magdalena, »dat kan toch
geen loos alarm geweest zijn. Zou de vijand zoo spoedig afgeslagen
wezen? Voorzeker heeft dan de Heer zijn volk krachtig bijgestaan; dan
dank ik u, o God! die op dezen dag Uw Zoon uit het graf deed verrijzen:
ook toen heerschte er vrede van rondom; want heel de natuur juichte
met stille aanbidding. Laat het ook vrede onder de menschen zijn,
van nu af.«
Weder begon de avond te vallen. De rust was verder door niets
afgebroken geworden, en Magdalena verwierp ook de laatste twijfeling,
dat haar echtgenoot in 's vijands hand zou gevallen wezen, toen zij
opeens eene zachte beweging aan de deur hoorde en er evenals vroeger
eene kleine strook perkament van onder door de reet werd geschoven.
--»Wat mag dat zijn?« riep zij, en stond ijlings op.
--»Wie is er?« vroeg zij; doch evenmin als er een antwoord volgde,
hoorde zij ook de geringste beweging niet meer. Zij raapte de strook
op, sloeg er gretig den blik in en--las nu de volgende woorden:
»Houd moed; ik zal nog eenmaal beproeven,
u te redden: wellicht morgen--houd moed.«
--»Dat is hetzelfde geschrift,« sprak zij, »'t staat mij nog helder
voor oogen: het is van Venavides.«
Zij las andermaal.
--»Hoe! hij heeft dan nog den moed--nog den wil,« zeide zij, »maar
hoe zal hij doenlijk maken, wat ondoenlijk is?«
Zij zette zich weer neder en sloeg andermaal de blikken op de weinige
woorden, waarin echter zooveel voor haar opgesloten lag. Zij giste
en peinsde, doch kwam altijd weder tot de slotgedachte terug, dat
eene verdere hulp voor Venavides ondoenlijk was.
--»En toch moet hij er de kans toe zien,« sprak zij, »hij is te edel
om mij met gansch onzekere hoop te vleien. »Houd moed!« lees ik. »O,
hij weet niet, dat mijn moed grooter is dan mijne kracht. Maar gij,
mijn Vader! gij kunt die zwakke kracht versterken, en dat bid ik
van Uwe goedheid en genade. O! mocht ik maar dien schat hebben, dat
bijbelboek, waarin zoo rijk eene bron van troost opwelt, en waarvoor
zoovelen het rapier hebben aangegrepen, opdat zij er onverlet in
zouden lezen. Mocht ook ik dit kunnen, ik zou sterker wezen; maar ik
kan toch bidden, en ik bid U, mijn Vader, om de kracht, die ik zoo
noodig heb. Gij hebt mij weer hoop gegeven--o, vervul haar!«
Zoo bad de ootmoedige Christen in die dagen van angst en
benauwdheid. Zoo bad ook Magdalena, en--kan er voor het hart van de
ongelukkigen wel grooter troost wezen dan het gebed?