ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Intusschen was van Magdalena's lot binnen Haarlem niets bekend.

Slechts twee dagen had zij in de nog akeliger gevangenis gesleten:

vervolgens had men haar weder naar de bidcel teruggebracht. Deze gunst

had zij te danken aan de voorspraak van 's konings betaalmeester,

Eduard van Bournonville, heer van Capres, die in Frederik's gunst

stond, hoezeer hij met eene dochter van den ongelukkigen grave Van

Egmond gehuwd was. Meer had Capres verzoek niet vermocht, en zelfs

dit zou het niet bewerkt hebben, wanneer geene andere drijfveeren

don Frederik bewogen hadden. Hij oordeelde het staatkundiger, haar,

onder een eenigzins dragelijker lot, in zijne macht te houden. Wel had

hij reeds ondervonden, dat de moed der Haarlemmers niet te buigen was;

maar de kansen des oorlogs zijn wisselvallig; Boissu, don Ferdinand,

Romero of een ander kon den belegerden in handen vallen; hun leven kon

op het spel komen; maar nu had hij de vrouw van Van Duivenvoorde in

zijne macht; hun dood kon de hare wezen, hun leven en hunne vrijheid

het leven en de vrijheid van haar.

Dit gold meer bij hem dan de voorspraak van Capres. Frederik was echter

voornemens, haar naar een klooster in Amsterdam te laten overbrengen

en den prior tot borg te stellen voor hare verzekerde bewaring; dat

voornemen had hij nochtans telkens uitgesteld, daar hij nog altijd

hoopte, Haarlem spoedig te doen overgaan.

Geene hoop intusschen voor Magdalena, dat er andermaal eene poging

tot hare redding zou worden gedaan. Dit scheen haar onmogelijk,

en toch werd tot dit schijnbaar onmogelijke het voornemen opgevat.

Dag aan dag was voorbijgesneld, maar voor Magdalena waren zij

omgekropen. Scherpe koude had zich in haar verblijf doen gevoelen,

en echter had zij die wederstaan, en zich velerlei ontberingen

getroost. Wat beteekenden die toch in vergelijking van haren

gemoedstoestand? Want hoe gelaten ook, zij was afgerukt van hare

kinderen, en eene moeder alleen is in staat om al het smartelijke

daarvan te gevoelen. Zij hoort den donder van het geschut,--wie zegt

haar of de kogel niet een harer lievelingen treft? Zij hoort eene

losbarsting, alsof gansch Haarlem vaneen splijt, en zij huivert; want

wie zegt haar, of niet de woning instort, waar hare kinderen tevreden,

hun gevaar onbewust zijn? Zij siddert--zij wil toesnellen om hen te

redden; maar--dikke muren zien haar spookachtig aan; de deur wordt

niet bewogen in weerwil van haar wanhopig gebons; zij valt uitgeput

op den grond, en als haar beul komt, en zij hem vraagt, wat schok

zij daar gehoord heeft, dan grijnst hij haar aan en--de geesel der

onzekerheid blijft haar folteren dag en nacht.

Maar nu was de strenge vorst door eene mildere lucht vervangen

geworden. Het was de dag vóór Paschen--een lieve lentedag, en

de zon wierp een schuinschen straal door de hooge opening in de

bidcel. Evenals altijd gaf Magdalena zich aan den stroom harer

gewaarwordingen over, niet vermoedende, dat haar gevoel op dien

dag weer hevig zou worden geschokt. Daags te voren was Francisco de

Toledo, kapitein van Alva's lijfwacht, met een last van den hertog

in het leger gekomen. Juist had don Frederik het besluit genomen,

Magdalena naar Amsterdam te laten brengen; doch deze last veranderde

zijn plan. Hij besloot, daarvan partij te trekken, en nog eenmaal eene

listige poging in het werk te stellen, om door hare tusschenkomst,

de stad tot overgaaf te bewegen.

Het was omtrent twee ure in den middag, toen Magdalena opeens uit hare

overdenkingen gerukt werd door eene beweging aan de deur en door de

haar bekende stem van Frederik. Eerst wilde zij opstaan, doch kwam

even ras tot andere gedachten, toen te gelijker tijd Frederik haar

verblijf binnentrad, en--zij bleef zitten.

Al ware zij de vrouw niet geweest, die zoo weinig de vrees kende,

dan toch waren de vroegere tooneelen, die zij had bijgewoond, wel in

staat geweest om haar over de komst van den man, althans zichtbaar,

niet meer te doen ontstellen. Zij had zich niet alleen op zijne

nadere komst gewapend, maar ook vast besloten, om, zoo mogelijk,

nog meer verachting en onbuigzaamheid aan den dag te leggen. Zij

bleef zitten en zag den Spanjaard, zonder een woord te spreken,

fier in het aangezicht. Op het donker en krachtig blozend gelaat

van Frederik vertoonde zich thans die genadige glimlach, welke zijn

forschen oogopslag temperde, en meer dan ooit paarde hij aan zijne

rijke, prachtige kleedij het deftige en trotsche van den Spanjaard,

in voorkomen en houding.

Gedurende een oogenblik had er eene wederzijdsche spanning

plaats. Juist echter toen Magdalena de oogen voor zich sloeg,

zeide Frederik:

--»Zoo het u goed dunkt, signora, wil ik met u spreken.«

--»Met mij, heer? wat verlangt gij van mij?«

--»Mijne komst heeft een voorstel ten doel; twee gebeurtenissen gaven

mij de aanleiding daartoe,« zeide hij op trotschen en toch beleefden,

deftigen toon. »Zoudt gij wenschen, in dit huis een gesprek te voeren

met den heer Van Duivenvoorde!«

--»Met hem?« vroeg zij bijna te hartstochtelijk, doch zich spoedig

herstellende, voegde zij er bij, »maar wat vraag ik? ik moest immers

weten, dat uwe woorden bittere spot zijn.«

--»Dat zijn ze niet!« hernam Frederik. »Ik verklaar u, dat de heer Van

Duivenvoorde bij een uitval door mijne soldaten is gevangen genomen:

hij is op het huis Berkenrode, en het hangt van u af, of gij hem zien

en spreken wilt.«

--»Van Duivenvoorde gevangen? o God! zou dat waarheid zijn?«--riep

Magdalena; en haar oog, dat op Frederik gevestigd was geweest,

richtte zich naar den hemel, als wilde zij vandaar de bevestiging

der waarheid hooren.

--»Het is, zooals ik u gezegd heb,« hernam Frederik; »mijne soldaten

zouden hem doorstoken hebben; want zij weten, dat de oproerige

onderdanen van den koning allen den dood verdienen, maar als

bevelhebber gaf ik sinds eenigen tijd den last, dat zij de aanvoerders

van de burgers levend in handen moesten zien te krijgen, en de heer

Van Duivenvoorde is de eerste niet, met wien hun dit gelukt is.«

--«Gevangen, hij?« vroeg Magdalena nog eens, op den toon van iemand,

die twijfelt en tegelijk beangst is voor de mogelijkheid.

--»Ja,« sprak Frederik met gehuichelde fierheid. »Of is het,« ging

hij op een voor haar pijnigenden toon voort, »uw echtgenoot niet,

wien het nu misschien berouwt, dat in Haarlem zijne drie kinderen

ook zonder vader zijn; en gij, signora! zijt gij van die kinderen

de moeder niet? Maar ik zie het--gij twijfelt nog aan mijne woorden,

en gij weigert dus, mijn voorstel aan te hooren?«

--»Neen, neen! dat heb ik niet gezegd,« antwoordde Magdalena in eene

hevige gemoedsbeweging, daar de looze toespeling op hare kinderen haar

diep geschokt had, »maar wat wilt gij van mij? Wat stelt gij mij voor?«

--»Hoor mij!« zeide don Frederik op minzaam fieren en inderdaad

vertrouwen inboezemenden toon. »Ik heb geschrift ontvangen van den

hertog. Nog is hij geneigd om de stad Haarlem genade te verleenen. Zoo

de vest zich binnen twee dagen onderwerpt aan het wettig gezag van

onzen machtigen koning, en de burgers beloven, zich als gehoorzame

onderdanen te zullen gedragen, dan zal al het vroegere vergeten

zijn. Niemand hunner zal in goed of leven verkort worden, maar al

de rechten van onderdanen des konings genieten. Weigert men echter

aan dezen voorslag van genade gehoor te geven, dan zal het leger,

waarover ik bevel voer, met tien duizend Spanjaarden vermeerderd

worden; dan zal de stad met verdubbelde kracht bestormd worden;

dan zal men haar met geweld bemachtigen; maar ook dan zal geen der

burgers het leven behouden; dan zullen mannen, vrouwen en kinderen,

dan zullen allen, als muitelingen, met den dood worden gestraft. Dat

zijn de woorden van den landvoogd hertog Ferdinand Alvarez de Toledo.«

Magdalena luisterde, maar toen hij ophield, sprak zij geen enkel

woord. Zij wierp vervolgens een bedaarden blik op don Frederik, als

wilde zij op zijn gelaat lezen, wat daar de logen en de valschheid

geschreven hadden. Oogenblikkelijk kwamen Mechelen en Zutfen, maar

vooral Naarden weer levendiger voor haren geest, en die gedachten

deden haar de vraag uiten:

--»Haarlem zou dus het lot van Naarden ontgaan, heer? Maar waartoe

moet deze last van den hertog in mijn bijzijn worden herhaald?«

--»Zóó groot is de verbittering uwer stadgenooten,« antwoordde

Frederik »dat zij mijne afgevaardigden zouden dooden, in plaats van

hun te woord te staan. Ik heb dus mijn besluit genomen. Ik zal den

heer Van Duivenvoorde onder vrijgeleide doen terugkeeren en hij zal

de brenger zijn van uw geschrift aan den magistraat.«

--»En wat zou mijn geschrift moeten behelzen, heer?« vroeg Magdalena,

die nu inderdaad begon te gelooven, dat Van Duivenvoorde den Spanjaard

in handen was gevallen.

--»Versta mij wel,« hernam Frederik. »Reeds wordt mijn voorstel aan

den magistraat in geschrift gebracht; en de heer Van Duivenvoorde

zal het hem ter hand stellen. Gij kent nu den voorslag van genade,

en Haarlem heeft niets meer te vreezen: gij herhaalt mijne woorden en

voegt er alleen bij, dat uw leven en uwe vrijheid tegelijk afhangen

van het besluit van den magistraat.«

--»En wat anders is dit dan eene hernieuwing van 'tgeen ik geweigerd

heb en weigeren zal, zoolang God mij niet verlaat?« vroeg Magdalena

op vastberaden toon.

--»Gij begrijpt dus niet,« hernam Frederik, »dat ik thans ook het leven

van den heer Van Duivenvoorde in mijne macht heb? En gij twijfelt dus

nog aan het woord van een Toledo? Welnu--ik ben niet hier gekomen om

u te bidden--en wijst gij mijn voorstel van de hand, zoo behoeft hier

geen enkel woord meer.«

Met gehuichelde onverschilligheid, en eene nog trotscher houding

aannemende, maakte hij de beweging om de bidcel te verlaten. Het was

of de duivel over Frederik's list juichte. Magdalena huiverde; zij

werd geslingerd, zij wankelde: het moest wel waar wezen, dat haar

man den vijand in handen was gevallen. Don Frederik had thans den

toon zoo geheel anders aangeslagen. Zoo hij waarachtig eens het beste

wilde;--zoo Alva werkelijk eens eene algemeene kwijtschelding wilde

verleenen; zoo zij het leven van haren man eens konde redden, hem zien,

spreken--hem spreken over hare kinderen Arthur, Emma en Adolf!--hoe

rampzalig toch was haar lot; hoe gelukkig zou zij misschien weldra

zijn. Zij wankelde sterker. Don Frederik keerde haar reeds den rug

toe om heen te gaan; maar zij riep hem toe; eene plotselijke gedachte

kwam bij haar op.

--»Heer!« zeide zij, »ik wil schrijven, en bij den God van Nederland

en Spanje, zoo het besluit van den hertog waarachtig is, dan zult

gij ook niet aarzelen, ééne enkele voorwaarde toe te staan.«

--»Voorwaarde!« zeide Frederik, op den toon van gekrenkte

trotschheid. »Geen Toledo laat zich voorwaarden voorschrijven: maar

gij zijt eene vrouw: laat mij hooren.«

--»Ik zal schrijven aan den magistraat, maar kan ik er dan ook

bijvoegen, dat gij, als bevelhebber van 's konings leger, voor Haarlem,

die kwijtschelding en genade met eenen heiligen eed zult bezweren?«

En het antwoord, dat hem in zijn eigen strik zou verwarren, gleed

hem van de tong.

--»Dat moogt--dat kunt gij,« sprak hij kortaf; »de genade zal bezworen

worden.«

--»Welnu dan,« hernam Magdalena, »ik zal nederschrijven wat gij

verlangt, wanneer door den heer Van Capres en Venavides in mijne

tegenwoordigheid verklaard wordt, dat werkelijk een zoodanig voorstel

door den hertog aan u afgezonden is.«

Magdalena had zijn wrevel, zijn toorn voorzien. Don Frederik

stond rechtstandig voor haar, en nauwelijks had zij den naam van

Venavides uitgesproken, of zijn donker oog nam eenen brandenden

gloed aan; als moest er een bliksemstraal uit schieten. Hij was niet,

evenals de hertog, zijn vader, altijd meester om zijn hartstocht te

beteugelen. Eerst bracht hij de linkerhand op de plek, waar in den

laatsten storm Brechta Proosten hem door een kogel had getroffen,

als ondervond hij daar nog een pijnlijk gevoel; vervolgens die hand

opheffende, kneep hij de vingers tot eene vuist samen met al het

bitter gevoel van gekwetste fierheid en machtelooze gramschap.

--»Ha!« zeide hij onder een vloek, »een capitan, een Venavides

zou het woord moeten bevestigen van mij, den zoon des hertogs--den

bevelhebber over een geheel leger!....« En wanneer Magdalena een

man--schoon dan ook zijn gevangene--ware geweest, hij zou dien zijn

dolk in de borst hebben gestooten. Maar nu was ook Magdalena weder

geheel en al de fiere, onbezwekene vrouw, die zij zich vroeger getoond

had. In één oogenblik had zij nu als het ware de vaste overtuiging,

dat alles logen, alles bedrog was,--en bedaard afwachtende, totdat

Frederik zijne woede een weinig gelucht had, zeide zij op vasten en

onverschrokken toon:

--»Heer! zoo slechts een der ongelukkigen van Naarden zegt, dat

mijne voorwaarde zonder grond en onrechtvaardig is, dan zal ik die

terugnemen en nederschrijven, wat gij verlangt.«

Dat was te veel. In die woorden lag zooveel waarheid, dat Frederik

zelf die had moeten erkennen, wanneer zijn toorn er hem niet onvatbaar

voor had gemaakt. Andermaal wilde hij voortgaan, zijne verbittering op

haar uit te storten; doch het nuttelooze daarvan inziende tegen zulk

eene vrouw, bedwong hij zich. Opeens dus zag hij zijne list vernietigd

door de fijnere list van eene moedige vrouw; want Venavides--de echte

ridder en edelman--was er juist de man naar om een last te bevestigen,

die door den hertog geenszins schriftelijk gegeven was.

--»Een uur kunt gij nog u beraden,« zeide hij, zich geweld aandoende om

zijne verbittering te onderdrukken, »maar weg met alle voorwaarde! Gij

kent mijn voorstel, en wijst gij het van de hand--wij weten, wat ons

te doen staat.«

Onder deze laatste woorden keerde hij haar met de hoogstmogelijke

uitdrukking van Spaansche trotschheid en vastberadenheid den rug

toe;--hij wilde zich niet eens meer verwaardigen, Magdalena's antwoord

te hooren, maar toch kon hij niet beletten, dat hem dat antwoord

in de ooren klonk: »Mijn besluit is genomen, en ik zal God bidden,

dat Hij mij niet verlate!«

Nauwelijks was de zoon van den hertog vertrokken, of Magdalena gaf

zich aan den stroom harer gewaarwordingen over. Het was een benarrend

oogenblik voor haar geweest; doch zij had dat moedig doorstaan. De

Hemel had haar hulp verleend--dat gevoelde zij, en zoo kalm was het in

hare ziel, dat zij zich volkomen in staat bevond om een hartelijk en

vurig gebed op te zenden,--nadat zij zich de woorden van den psalmist

had herinnerd: »de boozen spannen den boog, maar de pijl wordt tegen

hen zelven gekeerd.«

Na dit gebed gevoelde zij haren moed verdubbeld, en hoe langer en

hoe dieper zij nadacht, hoe meer zij geloofde, dat Van Duivenvoorde

volstrekt niet in handen van den Spanjaard was gevallen. De avond

kwam--en zij twijfelde er niet meer aan, of alles was eene duivelsche

list geweest; maar over die list had zij zich dan ook grootsch

gewroken? zij was de schaakspeelster gelijk, die met edelen trots

het oorlogsperk had verlaten, terwijl zij hare tegenpartij door een

doodelijken zet schaakmat had gemaakt.

De ochtend van den volgenden dag kwam. Magdalena was door een

weldadigen slaap verkwikt geworden. Het was de eerste Paaschdag, en

het weder was even aangenaam en helder als daags te voren. »Eere zij

God!« sprak zij, en nu dacht zij aan de woorden: »Ik ben verrezen

en ben steeds met u!«--Zij bad langer en vuriger dan ooit; want

die heugelijke dag van 's Heeren opstanding was ook altijd met

godsdienstigen eerbied in hare woning gevierd geworden:--maar toen

was er vrede in Haarlem, terwijl thans jong en oud het zwaard van den

oorlog had aangegrepen. Zich langen tijd in deze overdenking en de

vergelijking van vroeger met thans verdiepende, wordt zij er opeens

door een zonderling geluid aan onttrokken.

--»Wat is dat?« roept zij en staat ijlings op. Eerst zijn het zachte,

uit de verte klinkende tonen, als door de echo's van bergen en

rotsen in eene vallei teruggekaatst. De klanken herhalen zich echter

scheller. Zou men daar, in het klooster der regulieren, het Gloria

in excelsis met welluidende tonen doen gepaard gaan? Maar het geluid

wordt zwaarder, brommend. Het is binnen Haarlem. Dof en wild galmen

weldra de klokken, en dat geluid doet zich in velerhande richtingen

hooren, terwijl het eene oorverdoovene, schrikverwekkende muziek

vormt. Die klanken zijn Magdalena niet vreemd: zij hoorde die reeds

meer dan eens gedurende hare gevangenis op het Huis Ter Kleef; en dan

werd Haarlem bestormd; dan waren het alarmtonen om de burgers naar de

bedreigde wallen te doen snellen; ook thans is het een alarmgeklep,

maar doffer, onverpoosder dan ooit. Nu eens vereenigt zich de groote

kerkklok Bavo met de doodklok Salvator: dan weder paart de kleine

kerkklok Martinus zich met de poort- of de heilige Willebrordus-klok,

of opeens wordt door alle tegelijk het brommend geraas aangeheven: dat

duurt een kwartier, een halfuur, reeds langer, en met iedere minuut

schijnt het rumoer toe te nemen, maar met dat geraas vermengen zich

ook de Spaansche trompetten en het geroffel der trommen.

--»Hemel! al de macht van den Spanjaard stormt aan!« roept zij, »dat

geldt Haarlem! Voorzeker: de benden moeten in getal zijn verdubbeld;

het is geene logen geweest; o Heer, behoed de stad!«

Bijna een uur heeft het gelui geduurd; doch nu schijnt het zwakker te

worden: eenige oogenblikken later, en het heeft geheel opgehouden;

nu hoort zij echter ook zooveel te duidelijker de losbarsting der

slangstukken, dat echter niet lang meer aanhoudt; nog vallen er wel

onderscheidene musketschoten, in de nabijheid van het Huis Ter Kleef,

maar ook dit houdt weldra op, en--van rondom heerscht weer dezelfde

stilte als een paar uren vroeger.

--»Dat is onbegrijpelijk voor mij,« zegt Magdalena, »dat kan toch

geen loos alarm geweest zijn. Zou de vijand zoo spoedig afgeslagen

wezen? Voorzeker heeft dan de Heer zijn volk krachtig bijgestaan; dan

dank ik u, o God! die op dezen dag Uw Zoon uit het graf deed verrijzen:

ook toen heerschte er vrede van rondom; want heel de natuur juichte

met stille aanbidding. Laat het ook vrede onder de menschen zijn,

van nu af.«

Weder begon de avond te vallen. De rust was verder door niets

afgebroken geworden, en Magdalena verwierp ook de laatste twijfeling,

dat haar echtgenoot in 's vijands hand zou gevallen wezen, toen zij

opeens eene zachte beweging aan de deur hoorde en er evenals vroeger

eene kleine strook perkament van onder door de reet werd geschoven.

--»Wat mag dat zijn?« riep zij, en stond ijlings op.

--»Wie is er?« vroeg zij; doch evenmin als er een antwoord volgde,

hoorde zij ook de geringste beweging niet meer. Zij raapte de strook

op, sloeg er gretig den blik in en--las nu de volgende woorden:

»Houd moed; ik zal nog eenmaal beproeven,

u te redden: wellicht morgen--houd moed.«

--»Dat is hetzelfde geschrift,« sprak zij, »'t staat mij nog helder

voor oogen: het is van Venavides.«

Zij las andermaal.

--»Hoe! hij heeft dan nog den moed--nog den wil,« zeide zij, »maar

hoe zal hij doenlijk maken, wat ondoenlijk is?«

Zij zette zich weer neder en sloeg andermaal de blikken op de weinige

woorden, waarin echter zooveel voor haar opgesloten lag. Zij giste

en peinsde, doch kwam altijd weder tot de slotgedachte terug, dat

eene verdere hulp voor Venavides ondoenlijk was.

--»En toch moet hij er de kans toe zien,« sprak zij, »hij is te edel

om mij met gansch onzekere hoop te vleien. »Houd moed!« lees ik. »O,

hij weet niet, dat mijn moed grooter is dan mijne kracht. Maar gij,

mijn Vader! gij kunt die zwakke kracht versterken, en dat bid ik

van Uwe goedheid en genade. O! mocht ik maar dien schat hebben, dat

bijbelboek, waarin zoo rijk eene bron van troost opwelt, en waarvoor

zoovelen het rapier hebben aangegrepen, opdat zij er onverlet in

zouden lezen. Mocht ook ik dit kunnen, ik zou sterker wezen; maar ik

kan toch bidden, en ik bid U, mijn Vader, om de kracht, die ik zoo

noodig heb. Gij hebt mij weer hoop gegeven--o, vervul haar!«

Zoo bad de ootmoedige Christen in die dagen van angst en

benauwdheid. Zoo bad ook Magdalena, en--kan er voor het hart van de

ongelukkigen wel grooter troost wezen dan het gebed?

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 19 / 21 题