ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Eenige dagen vóór het verhaalde in het vorige hoofdstuk, had de

beruchte Gouverneur van Noord-Holland, jonker Diderik Sonoij, den

prins voorgeslagen, om den Hoogendijk door te steken en bij het Huis

ter Hart en de daarbij gelegene sluizen tusschen het IJ en de Meer

schansen op te werpen. Hierdoor nu zou de Spanjaard als het ware op

een eiland zijn verbannen geworden; maar dewijl het noch uitvoerbaar

was, noch vrucht dragen zou, zoolang de belegerden niet volkomen

meester op de Meer waren, werd de voorslag door den prins van de

hand gewezen. Daarentegen werd Sonoij gelast om den Diemerdijk bij

Jaaphannes tusschen Amsterdam en Muiden te bemachtigen, ten einde den

vijand te water en te land daardoor den toevoer van levensmiddelen

als anderszins af te snijden; want gelukte het, dan zou men aan de

eene zijde meester zijn van het IJ en aan de andere van de Diemermeer,

welke zich tot in den Amstel en aan den Utrechtschen weg uitstrekte.

Dit voornemen was even welberekend als stout. Den twaalfden Maart

vertrok Sonoij van Hoorn met drie oorlogsbooten, vijf galeien

en zestien krapschuiten, te zamen eene bemanning uitmakende van

achthonderd soldaten, delvers en pionniers. Het gelukte hem, den

dijk te bemachtigen, en na eene der sluizen vernield en een weinig

verder een opening te hebben gegraven, maakte hij een aanvang met de

verschansingen waaraan de gravers zoo ijverig werkzaam waren, dat

men binnen twee dagen reeds aanmerkelijke vorderingen gemaakt had,

zonder dat de Amsterdammers er de lucht van kregen. Dan, Sonoij beging

den misslag, zich te vroeg met eenige schepen naar Edam te begeven,

ten einde zich van levensmiddelen te voorzien. De vijanden vernemen

het eene en andere bijna te gelijker tijd, en beseffende, hoeveel hun

aan het behoud van den dijk was gelegen, zonden zij drie en twintig

met bassen en gotelingen gewapende waterschepen derwaarts, overvielen

het volk van Sonoij even plotseling als krachtdadig en--deze deinsden

terug. De vijanden drongen nu op de schepen, welke voor de schans op

de reede lagen, zoo onstuimig aan, dat Sonoij's benden weldra de drie

oorlogsbooten, met twee galeien en eene krapschuit moesten ruimen,

terwijl het aan de overige vaartuigen slechts met moeite gelukte,

zich onder het geschut der nieuwe schans gedeeltelijk in veiligheid te

stellen. Vermetel over dit aanvankelijk voordeel, poogden zij nu ook de

schans in te nemen, alvorens Sonoij met meerder volk kwam opdagen. Er

had, nadat de schepelingen eerst geland waren, een onverpoosde storm

plaats. Op den dijk, zoo wel naar Amsterdam als naar Muiden, wierpen

de vijanden insgelijks schansen op, en hadden daar de meeste macht van

volk en geschut. Aan de binnenzijde brachten zij verscheidene galeien

en jachten op de Diemermeer, zoodat daardoor een slagboom gesteld

werd voor hen, welke naar dien kant heen of terug wilden,--terwijl

hunne eigenlijke vloot op het IJ lag.

De soldaten van Sonoij verweerden zich nochtans dapper en menig

Spaanschgezind Amsterdammer bezweek onder den storm. Sonoij intusschen

onderricht van den benarden toestand der zijnen, verzamelde in

West-Friesland zóó snel een veertigtal schepen, dat hij er reeds

den zestienden Maart mee onder onder zeil ging om de Diemerschans te

ontzetten. In den aanvang gelukte hem dit weder in zooverre, dat de

vijand op het gezicht der vloot, vol vrees, terugweek. Maar spoedig

bijgestaan door eenige afgezondene schepen, sloeg de schrik op eens,

op de Noordhollanders over. Zij vloden en lieten Sonoij, die zich

op dat oogenblik met een boeier voor het front en in het midden der

vijanden bevond, aan duizenden gevaren prijs, hoezeer het hem ten

laatste nochtans gelukte, er zich dapper door te slaan.

Dat was een onheilspellend gezicht voor de ingeslotenen in de

schans. Moedig en onder een algemeen krijgsgeschreeuw hadden zij

hunne schepen vaardig gemaakt en de zeilen in top geheschen, toen zij

het gewenscht ontzet zagen naderen, ten einde Sonoij het teeken te

geven, dat ook zij, bij den algemeenen aanval niet werkeloos zouden

zijn. En op eens zagen zij nu de helpers, als door een panischen schrik

aangegrepen, in verwarring de vlucht nemen, terwijl de vijanden luide

den triomf aanhieven en de bezettelingen, die voor- noch achterwaarts

konden, met een wissen dood bedreigden.

Terwijl Sonoij's benden, aldus ingesloten, door moedeloosheid werden

aangegrepen, was binnen Haarlem Kenau Hasselaar plotseling door eene

hevige koorts aangetast geworden, en genoodzaakt zich binnen hare

woning te houden. De deelneming harer talrijke vrienden en vriendinnen

getuigde toen van de geestdriftvolle bewondering voor hare persoon,

en geen uur, waarin niet deze of gene door een bezoek ten harent

daarvan de sprekendste blijken gaf.

Zoo was het Zaterdag voor Paschen, dat op de verheugende tijding

harer beterschap, onderscheidene dier vrienden in hare woning bijeen

waren. Men verbeelde zich in die woning in de Spaarnwouderstraat--het

tweede huis van de tegenwoordige Sleutelstraat, thans gedeeltelijk

verbouwd als winkel der coöperatieve winkelvereeniging--een ruim en

volkomen vierkant vertrek, met houten wanden. Deze glinsterden echter

als ivoor en waren met eenige schilderijen behangen. Ook zag men er

de kaart en teekening van hare hofstede aan de Beek met de huizing

en landen, grenzende aan de duinen, onder Overveen gelegen, benevens

een aantal landschapjes, waaronder vooral uitmuntte een gezicht op

de Witte Blink en andere, die den stempel drukten op den goeden smaak

der eigenares. Men zag in dat vertrek van Kenau Hasselaar den eenvoud

des burgers van die dagen op de ongezochtste wijze vereenigd met

eenige geriefelijkheden van den deftigen stand. Wel was de blinkende

steenen vloer met geen kostbaar tapijt belegd, doch de reusachtige

spinde of spijskas was reeds fraaier en kunstiger uitgesneden, dan

men die in het algemeen aantrof, en behalve de bijna onzichtbare

kastjes in de wanden, zag men aan weerszijde van de spinde nog eene

keurig gewerkte citroenkleurige armkast, in vorm niet ongelijk aan

de prachtige hoekbuffetjes in de woningen van den adel. Op den

hoogen mantel van den kolossalen schoorsteen, op de uitstekende

net geschilderde lijsten van den wand, prijkten in smaakvolle

rangschikking die Delftsche porseleinen, welker veelvuldig gebruik

zoozeer den bloei bevorderde der plateelbakkerijen, en die slechts op

de buffetten der hoogaanzienlijken door sieraden van zilver vervangen

werden. De vierkante tafel in het midden van het vertrek was omgroept

door eenige dier stoelen met hooge leuningen en met zachte kussens

bedekt, terwijl Kenau zelve in een breeden, gemakkelijken armstoel,

dicht bij den haard was gezeten, waarin nog een vriendelijk turfvuur

flikkerde, ofschoon de twintigste van lentemaand een ware lentedag was.

Kenau, of zoo als men haar aansprak, juffrouw Borst, had een bruin

lakensch keursje aan, waarover een groote witte halsdoek met de twee

punten nederhing. Haar hoofdhulsel bestond in eene eenvoudige muts met

insgelijks nederhangende slippen, en verried dus het gewaad van eene

zieke, maar van eene zieke, reeds genoeg hersteld om een deelnemend

bezoek te kunnen afwachten, zonder dat zij aan hare kleeding eene

angstvallige zorg scheen besteed te hebben. Eene harer dochters was

niet in het vertrek; huiselijke op haar rustende plichten wettigden

dit volkomen, vooral daar Guurtje den bezoekers al de kleine diensten

bewees, welke gewoonte en beleefdheid vorderden. Aan de stokbeurs en

het sleuteltuigje, op haren bruin lakenschen rok hangende, zag men,

dat op Guurtje, althans gedeeltelijk, de taak van de moeder rustte; en

zij kweet zich daarvan zoo innemend en rap, dat de mindere bevalligheid

van hare houding en haar gelaat er vrij wat behagelijks door verkreeg.

Rondom den haard zaten of stonden reeds Ripperda, die gedurende Kenau's

ongesteldheid haar elken dag met zijn bezoek vereerd had, alsmede

burgemeester Van der Laan en Van Vliet, terwijl het gezelschap nog door

Van Duivenvoorde en Lancelot van Brederode vermeerderd werd. Ook zag

men er Hendrika van Vliet en Geertruide van Brederode! welke laatste

reeds eenige oogenblikken voor haren vader gekomen was.

--»Wat het mij vreugde doet, juffer Borst, dat gij beter vaart,«

sprak Van Brederode, als de laatst binnengetredene, onder het doen

van den gebruikelijken handkus; »op zulk eene goede mare repte ik de

voeten herwaarts, om zelf te zien en te hooren; maar ik kan verdere

vraag sparen; want uwe trekken zijn vrij wat opgeluisterd sedert

verleden Woensdag.«

--»Voorzeker, mijne heeren!« antwoordde Kenau, met eene kleine buiging

van het hoofd. »Ontvang mijn dank voor uwe deelneming, die mij tevens

tot geene geringe eer is. Als doctor Elsen het mij niet had verboden,

ik zou met zoo zoeten lentedag mij niet in dit vertrek sluiten; ik

hunker naar de frissche lucht. Daarbij verlang ik een troostwoord

te brengen in het huis van mijn heere Van Schooten, wiens deerlijk

ongeval mij zeer aan het harte gaat.«

--»Speen u van dat verlangen,« hernam Brederode, »zoolang gij niet

gansch welvaart. 't Mocht u tot nadeel wezen, en mogelijk dat gij er

langer last door leedt dan nu. Ik moet nochtans instemmen, dat het

uw gemoed hard valt, bij mijnheer Van Schooten geen enkel troostwoord

te spreken. Maar voorwaar, daar is geen troosten aan.«

--»Ja, voor elke wonde is geen heelmiddel,« sprak Kenau; »wat zij een

meisken van moedigen, kloeken geest was; wat zij met vuur naar den

wal streefde, om den Spanjaard te keeren! Al droevig zou het geweest

zijn, zoo zij omgekomen ware in de verdediging; maar zoo jammerlijk

uit het leven te gaan, terwijl zij daar den voet uit het huis zette,

dat was een ramp, die mij bitter grieft.«

--»'k Heb den dood in velerhande gestalten aanschouwd,« zeide Van

Brederode, »maar schrikwekkender nooit.«

--»Haarlem's beleg kost bloed en tranen,« sprak Ripperda, »maar op

Haarlem is het, dat heel Nederland den blik slaat; Haarlem moet de

grondslag der vrijheid zijn, of het gebouw wordt nooit in top gehaald.«

--»Het is daar een huis van rouwe en weedom,« zeide Van der Laan, »en

ook mij pijnt het fel; want ik liefde Maria, niet enkel uit gevoel

van maagschap, maar omdat zij edel van gemoed, wakker en kloek van

geest was. De ramp is groot; zal daar wel één dag aanbreken, zonder

dat wij gewapend moeten wezen op allen kommer en ongeval? God weet,

wat ons boven 't hoofd hangt; maar in plaats dat eenig onheil onzen

moed verzwakke, verhooge het dien veeleer. Dat wij zijn mogen als de

steen en het staal; hoe meer slagen, hoe meer vonken.«

--»Zoo zijn wij, en zoo zal het blijven,« sprak Brederode. »Mijne

dochter--ik schroom niet dat zij het hoore--mijne Geertrui is mijns

levens zoet; maar schoon zij een gelijken dood mocht vinden als Maria

van Schooten--ik zou nog moediger wezen, om iederen druppel van haar

bloed op den Spaanschen kop te wreken; geen zoo zwarte nacht mag er

komen, of er moet licht uit te scheppen zijn.«

--»Ja,« hernam Kenau. »Nooit versaagd, wat ons ook treffe!--Toen ik,

drie dagen geleden, door eene felle koorts aangetast lag, werd ik

zwaarmoedig bij de maar, dat de vijand ons eene mijn afhandig gemaakt

had en aan het blokhuis dreigde te komen. Ik duchtte ongeval; maar op

eens werd ik weer moediger bij de gedachte aan 's vijands neerlagen

sedert de laatste drie maanden. Schot op schot hoorende, wilde ik voort

naar den wal;--maar mijn wil sterker wezende dan mijne kracht, moest ik

aflaten; ook ging Guurtje mij wakker te keer en sloot mij den uitgang;

maar nu ik weer in beterschap ben, zal de vijand geen aanslag doen,

waarbij ik hem niet mede te keer ga. Wees gerust, Geertruida, dat gij

zonder mij het vendel niet zult zwaaien op den wal, en dat Juffer Kies,

in plaats van Kenau Simonsz, de aanvoerster niet zal zijn.«

Deze laatste woorden, met een kleinen glimlach vergezeld, getuigden

op het levendigst, hoe Kenau's geestkracht nooit insluimerde en hoe

zij rusteloos bezig was met het denkbeeld eener kloeke verdediging.

--»'t Zou u nochtans weinig geraden wezen, te ras uit uw huis te gaan,«

zeide burgemeester Van Vliet.

--»Gewis,« voegde Van Duivenvoorde er bij, »wij moeten u bidden,

dat gij u niet bloot geeft, zoolang uwe kracht niet gansch zal

teruggekeerd zijn.«

--»Bekommer u niet, mijn heere!« antwoordde Kenau. »Als ik al mijne

kracht nog niet terug heb, geloof ik, dat het gezicht van het bolwerk

wel de rest doen zou.«

--»Wel mogelijk,« zeide Van der Laan, »vooral de plek waar Cuningham

en Margottin, drie dagen geleden, zoo kloek vochten en niet rustten,

voordat zij de mijn hadden herwonnen, waar de Duitschers het niet

konden harden. Maar hoe is het met den vaandrig Scot, heer Van

Duivenvoorde? Is zijne wonde nog van groot gevaar?«

--»Ik ben zoo flus uit het gasthuis gekomen,« was het antwoord,

»en vernam met vreugde, dat hij vrij wat aan de beterhand is.«

Ieder der aanwezigen gaf daarover insgelijks zijne blijdschap te

kennen; want de vaandrig Scot had zich aan de zijde van Margottin

weder even dapper gedragen als in den storm van den laatsten Januari,

en men had aanvankelijk gedacht, dat zijne sedert drie dagen bekomen

wonde doodelijk was.

--»Meester Elsen komt niet meer in 't gasthuis?« vroeg Hendrika van

Vliet, minder om deze vraag bevestigd te zien, dan wel om een woord

over den doctor te hooren spreken, daar het pasgebeurde met Anna en

Boreel aan de meesten niet onbekend was.

--»Al sedert weken niet meer,« antwoordde Guurtje.

--»O, daar is hij gansch de man niet toe,« sprak Kenau, »als hij

eene zware kwetsuur ziet, dan wordt hij zoo door schrik aangetast,

dat hij niet meer spreken kan....«

--»Het verwondert mij, dat hij de praktijk laat slippen,« zeide

Geertruida van Brederode, »vooral nadat....«

En nu zoude zij meer gezegd hebben, toen op hetzelfde oogenblik de deur

van het vertrek werd geopend, en doctor Elsen in persoon binnentrad.

Wist zich in gansch Haarlem niemand te herinneren, dat men ooit

eenige kleur op des doctors aangezicht gezien had, thans droeg

dat gelaat volkomen den tint van een lijk; wanneer men hem in eene

onbeweeglijke houding gezien had, zou men er op gezworen hebben, dat

hij dood was; maar dat aschverwig gelaat was geen oogenblik zonder

beweging; iedere spier, elke zenuw scheen er in werking, scheen nu

eens te zwellen dan weder uitgerekt of plotseling saamgekrompen

te worden, evenals bij iemand, wiens smart tot bitter leedgevoel

overslaat. En dat alles was beklemming, angst, vrees, schrik, die

hem onophoudelijk in verschillende gedaante bestreden; want doctor

Elsen was een rondslingerend wrak gelijk, waartegen nu eene kleine,

dan weder eene grootere golf, met mindere of meerdere hevigheid bijna

onverpoosd aanbeukt--een wrak, dat iedere minuut dreigt te zinken en

echter blijft ronddrijven, zonder dat het verbrijzeld wordt.

--»Meester Elsen!« zeiden eenige der heeren tegelijk, terwijl

Guurtje hem te gemoet trad, en zij, die gezeten waren van hunne

stoelen opstonden.

--»Ik--ik kom eens zien....« zeide de doctor stamelend en zichtbaar

verlegen, zooveel bezoekers aan te treffen, die hij allen tegelijk

wilde groeten, doch het eigenlijk niemand deed, omdat hij er òf den

moed òf de kracht niet toe had.

--»Het is vrij wat beter met mij gesteld, meester Elsen!« zeide Kenau,

die zijne verlegenheid zooveel mogelijk te gemoet wilde komen, »geen

zweem zelfs van de koorts, en ik ben u dank schuldig voor de artsenij,

die mij zooveel baat gaf.«

--»Ik had het gegist en het doet mij vreugd,« zeide de doctor,

terwijl hij zichtbaar beefde en het zweet op zijn voorhoofd kwam,

toen hij bespeurde, dat aller oogen op hem gericht waren, »maar

eilaas! met mij is het kwalijk gesteld; geen lid van mijn lichaam,

dat zonder pijn is....«

--»Wat gij rept, meester!....« hernam Kenau, »wat euvels is u

weervaren?«

--»Ach! ik schep geene lucht meer,« sprak de doctor met een hijgende

stem; »mijne knieën knikken; mijne beenen zijn weigerachtig mij te

dragen. Ik, oude zwakke man, dra zal ik mijn huisdorpel niet meer

kunnen aftreden; en had ik niet zoo langen tijd omgang gehad in

dit huis, toen Nanning Borst nog niet van de wereld was, voorzeker,

ik zou den voet niet meer in de deur zetten.«

--»Zulke woorden zou u menigeen kwalijk afnemen, meester!« zeide

Kenau vriendelijk; »ik meende, dat gij mij beter gezind waart; maar

ik hoor het nu: 't is dus om den wille van mijn overleden man, dat

ik de gunst van uwe praktijk heb?....«

--»Bewaar mij de heilige maagd!« stamelde de doctor, »duidt niet in

zulken zin, wat ik gezegd heb. Ik heb evenzeer groote achting voor u;

maar ik meen enkel, de lange jaren, die ik hier in- en uitging, binden

mij aan de huizing, en zoo heb ik nog andere vrienden, die ik niet kan

verlaten; maar al de rest, die mijne hulp tot genezing zoeken, moet

ik afstaan. Ik, oude zwakke man! ik kan niet meer... Wat zal ik tot

hulpe zijn voor anderen, ik, die ieder uur zelf hulp van doen heb....«

--»Wat gij droevig klaagt, meester!« hernam Kenau, »zijn uwe jaren dan

al zoo hoog, dat het leven u schier een ondraaglijk pak is? Geloof

mij, gij beangst u al te zeer; 't zou beter met u gesteld wezen,

zoo gij moediger waart.«

De doctor wilde weer het woord opnemen, toen Lancelot van Brederode,

een paar schreden dichter naderende, hem op eens wat forsch te

gemoet voerde:

--»Maar, meester! hoe kon 't u van 't hart, om mijn heere Boreel

uit uw huis te laten gaan? Wat hadt gij in uwe zwakheid niet al hulp

te wachten van een zoo wakker en kloek man! Mij dunkt, dat gij daar

deerlijk berouw van zult hebben.«

Nauwelijks was deze vraag gedaan, of de doctor sloeg een angstigen

blik op den ruwen watergeus, en zijne armen begonnen zoo koortsachtig

te beven, dat de vrouwen reeds medelijden gevoelden. Zij vestigden

het oog op Brederode, als baden zij hem, den grijsaard niet hard te

vallen; doch Brederode veinsde dit niet te zien en hield ernstig en

strak het oog op den doctor gericht.

--»Ik--ik hem uit mijn huis laten gaan, mijn heer!« zeide de

doctor. »Laas! de heilige moeder Gods weet, dat de jonkman zich met

geweld van mij afgescheurd heeft, en--ik had hem zoo lief. Mijne

Anna, al mijn levensschat, wilde hij van mij afrukken.... mij, ouden

man! wilde hij den eenigen steun ontnemen; hij wilde mij den dood

aandoen; hij is het, die zich losgerukt heeft van Anna--van mij:

denk eens, hoe bitter mijn kind er onder lijdt.«

--»Daar zijt gij de schuld van, meester!« sprak Brederode, »hij heeft

gedaan, zooals passend was voor een rustig en wakker man; en dat zeg

ik met rondheid, de dwaze vrees van uw gemoed zal de oorzaak wezen,

zoo gij in eenig leed komt.«

--»Lieve Heer!.... zoo moet mij nog zwaar verwijt toegedreven

worden....« klaagde de doctor, »zoo moet de schuld geladen worden

op mijn hoofd... Laas! ik had het gedacht; 't is nog niet genoeg,

dat ik mijne Anna gedrukt zie door wee;--ik, oud en zwak man moet

met nog harder kwaad worden bedreigd. Maar God, die mij kent, zal

mij tot schut wezen; want er kleeft niets euvels op mij.«

--»Mijn heere Van Brederode meent het zoo heftig niet, als gij denkt,

meester Elsen!« sprak Kenau. »Kom, laat ons over die dingen niet verder

reppen, en zeg mij liever eens, doctor, of ik van uwe artsenijen nog

vlijtig gebruik maken moet.«

Die woorden vielen als balsemdruppels in het gewonde hart van den

doctor, en wanneer hij door geene getuigen omringd ware geweest,

zou hij zijne dankbaarheid hebben uitgedrukt. Dat was eene zedelijke

weldaad, eene uitredding uit den folterendsten toestand der ziel; en

die toestand was zichtbaar; want de doctor was door die plotselijke

opheffing zijner gemoedsbeklemming niet in staat om op het laatste

gedeelte van Kenau's toespraak te antwoorden, en stamelend sprak

hij eenige onzamenhangende woorden, die men op alles en op niets had

kunnen toepassen.

Maar Kenau wilde hare weldaad volmeten; en den schijn aannemende

alsof zij hem volkomen begrepen had, liet zij onverwijld er op volgen:

--»En is het mij ook vandaag niet toegestaan, doctor! om met zoo

schoonen lentedag den voet uit mijn huis te zetten?«

--»Gansch niet, juffer Borst!« zeide de doctor in verwarring, en het

op zijn voorhoofd parelend zweet wegwisschende, »gij moet de artsenij

gebruiken--gij zult er baat bij vinden--en het weder is zacht;

de frischheid van de lucht zou vandaag goed voor u zijn.... Houd

u warm. Tot morgen;--och! of ik al in de Schachelstraat ware!--de

weg valt mij zoo moeilijk, en 't is alom vol gevaar, waar men

ook gaat.... Mijn heere!.... gegroet, mijn heere Ripperda!....«

En de doctor maakte eene verlegene buiging, zonder te zien wien hij

groette. »Mijn heere Van der Laan!....« en het was Van Vliet; en hij

boog andermaal, terwijl hij zuchtte, met gekommerden tred naar de

deur ging en al zuchtend en hijgend het huis verliet.

Doctor Elsen was vertrokken.

--»Och! ik beklaag hem van ganscher hart,« zeide Hendrika Van Vliet.

--»Lieve vader! wat gij hard tegen hem waart,« zeide Geertruida van

Brederode, »ik geloof, dat het spoedig met hem gedaan wezen zal.«

--»Zijne vrees groeit met den dag,« sprak Van Duivenvoorde. »Jammer

van een man, die zoo vroed is in zijne professie. Meester Duvius

heeft grooten naam, maar hij behoeft voor dezen niet te wijken.«

--»Bij mijne ziel! als ik ooit een banger wezel aanschouwd heb,«

zeide Lancelot van Brederode. »Meester Maarten--en hij bedoelde den

beroemden schilder Heemskerk--is ook bang, en toch wint deze het hem

nog honderdvoud af. Voor een wakker man zou een penseelstuk van 'tgeen

wij daar voor oogen hadden, geld waard zijn. Maar« ging hij op scherpen

toon voort, »er schuilt boeverij onder zijne kap; 'k heb het gezegd

en zou het durven bezweren; hij rekent half verdoemd, wie geuzen zijn;

dat drijft boven zijne vrees; dat is op zijne tronie te lezen: meester

Elsen is geweekt en gewenteld in 't zog van de pauselijke doctrijne.«

--»'t Kan zijn,« sprak Ripperda, »dat er trekken schuilen onder

zijne bangheid; maar laat ons niet hard wezen in 't oordeel jegens

anderen. Bovendien is er weinig kwaads van hem te schromen, en, voor

zooveel de mensch wikken mag, is het met zijne levensdagen aan het

naaste eind.«

--»Ja, de vrees knaagt met scherpen tand aan zijn lichaam,« zeide

Van Duivenvoorde, »hij schijnt tachtig jaren, ofschoon hij er nog

geen zestig telt.«

--»'k Heb medelijden met hem,« zeide Hendrika van Vliet, »hoe moet

de arme Anna droef te moede zijn, na den forschen stap van mijnheer

Boreel. Ik hoor, dat hare trekken de sporen dragen van bittere smart.«

Nu sprak men weder over de gebeurtenis, zooals men er reeds sedert vier

dagen over gesproken had. De gevoelens der vrouwen te dien opzichte

liepen niet uiteen. Ieder noemde de handelwijze van Boreel forsch,

hard; elks gevoel deelde in Anna's felle grieve; ieder beklaagde haar

als het onschuldig offer van de zwakke denkbeelden eens vaders. En in

die gesprekken mengde zich dan Anna's vroegere liefde voor Stompwijk,

met het raadselachtige, dat er over diens scheiding van haar verspreid

lag; en in weerwil van Anna's kiesch en edel stilzwijgen te dien

opzichte, rustte er op Stompwijk eene zware verdenking. Maar de mannen

verdedigden Boreel; hun gevoelen was, dat men aan geene zwakheid moest

toegeven in een tijd, dat Haarlem en heel het vaderland van moed en

geestkracht afhingen. Boreel had getoond, hoe zwaar dit bij hem gold;

en in allen gevalle zou de argwaan tegen den doctor niet vermeerderd

worden, daar Boreel zich zelfs bereid had verklaard, te bezweren, dat

Elsen geenszins naar den Spaanschen kant overhelde. Maar men sprak

over dit een en ander niet lang; de zaak van de Diemerschans toch

was sedert de laatste dagen te zeer het hoofdpunt der gesprekken. De

Diemerschans was het, waarover ieder Haarlemmer thans dagelijks

den mond vol had. Geen wonder!--Sonoij's tocht was eene zaak van de

hoogste aangelegenheid, eene zaak, die met Haarlem's belegering in

het nauwst verband stond. Gelukte deze, dan zou het Spaanschgezinde

Amsterdam zeer geprangd en Haarlem hoogstwaarschijnlijk ontzet worden,

te meer, wijl de Spanjaard zich nog geen meester had gemaakt van de

Fuik of Haarlemmermeer.

Maar wij zagen reeds, dat voor het gelukken der onderneming zeer veel

vrees, weinig hoop bestond.

--»Er zijn anders genoeg wakkere kerels onder hen,« zeide Brederode,

wiens ruwheid zich vooral dan openbaarde, wanneer het gesprek op de

Watergeuzen kwam, »kerels, die zoo weinig den duivel schromen als

den Spanjaard, en die den roof voor de hel zouden weghalen.«

--»Zou uw neef Erasmus, de vaandrig, ook in de schans wezen?« vroeg

Van Duivenvoorde.

--»'k Weet er niet van,« was het antwoord, »maar ik ben niet bang

voor hem; want in 't water houdt hij altijd den kop boven, en 't vuur

schroeit hem de huid niet.«

--»Willem Lievensz, zijn hopman,« zeide Van Vliet, »is ook de rechte

leeuw om er courage in te brengen, en Schaft, die de groote galei

van Hoorn voert, is niet minder een rustig man in 't gevaar; ik heb

hem ontmoet te Sardam; zijn barsch uitzicht zou een lafaard op de

vlucht jagen....«

--»Hij heeft zoo forsch eene vuist,« hernam Brederode, »dat hij er

een os mee zou doodslaan, grooter dan die in 1568 hier doortrok tot

eene schenkaadje voor duc D'Alf.

--»Groote kracht geeft soms luttel baat,« sprak Ripperda, »en beleid

wint het veelal. Wees gedachtig, dat Sonoij's volk ingesloten is,

dat zij gebrek hebben aan alles, en ik twijfel, of zij het in de

schans zullen harden, totdat Sonoij hen opnieuw te hulp komt.«

--»Mij dunkt,« sprak Kenau, »dat er weinig hoop is voor goeden

uitslag. Velen zien den gouverneur van Noord-Holland al met een

scheef oog aan en hij zal niet zoo ras een vereischt getal booten

machtig worden om den Spanjaard de gewenschte afbreuk te doen. Maar

het staat in Gods hand.«

--»Voor zooverre ons oog reikt en wij als menschen gissen,« zeide

Van der Laan, »zal de uitslag tot nadeel van den prins wezen.«

--»En waarom?« vroeg Brederode, »wat Sonoij niet met zachtheid

kan krijgen, dat weet hij wel te klaren door 't rapier. Geef acht;

zonder veel woorden den hals te breken, krijgt hij eene vloot gereed,

en misschien brandt hij er vandaag al op los.«

--»De tijd zal het leeren,« hervatte Van der Laan, »ik wensch, dat

gij de waarheid hebt gezegd.«

Maar die tijd was niet zoo ver af als men dacht. Geen kwartieruurs

toch was verloopen, toen zich aan Kenau's woning luitenant Horenmaker

aanmeldde met verzoek om onverwijld Ripperda te spreken.

--»Wat hebt gij, luitenant?« vroeg Ripperda.

--»Dezen brief, mijn heere! zoo-even aan uw huis gebracht.«

--»Een brief van den prins!« zeide Ripperda, dien ijlings aannemende.

Hij las, de tijdingen waren allerongunstigst. Toch kwam geene

donkere, geene lichte wolk zelfs op dat gelaat, altijd den stempel

dragende eener ziel, die niet nedergeslagen kon worden, eener ziel,

wel gevoelig voor vreugd en leed, maar altijd even groot: nooit geen

spook van verschrikking in het leed ziende, nooit bouwende op het

stuifzand der vreugd.

--»Ik heb schrift van Zijne Excellentie,« sprak hij weder in het

vertrek teruggekeerd zijnde, nadat Horenmaker hem verlaten had.

--»Goeds, mijn heere?« vroeg Kenau.

--»Kwaads?« vroeg Brederode; want Ripperda's gelaat liet noch het

eerste, noch het laatste lezen. En nu deelde hij datgene mede,

waardoor Kenau's en Van der Laan's voorgevoel bevestigd werd.

De ingeslotenen in de Diemerschans door honger overmand en geene

uitkomst ziende, besloten, de schans bij verdrag over te geven. Daar

de vijanden evenwel naar geene voorwaarde hoegenaamd wilde luisteren,

waagden zij het, gedurende den nacht, dwars door hen heen te

breken. Zij, aan wie dit gelukte, bezeilden den Waterlandschen wal,

doch de wakkere hopman Jan Taamszoon Schaft boorde alvorens zijne

groote galei in den grond, opdat zij niet in handen van den vijand

zou vallen. Velen echter vonden den dood, zoowel onder het vluchten

als op het land, dat zij reeds bereikt hadden; want afgemat en

uitgemergeld door den honger, weigerden de beenen het lichaam te

dragen, en wellicht ware niemand ontkomen, wanneer zekere Jan Harink

van Hoorn zich niet als een tweede Horatius Cocles had gedragen. Aan

eene engte van den dijk, die van buiten door het IJ en van binnen door

een meer bespoeld werd, hield hij onverschrokken stand en bestreed de

eerste vijandelijke vervolgers zoo krachtdadig en dapper, dat vele der

schepelingen zich inmiddels door de vlucht konden redden. Daar de als

een stroom aanpersende vijand ten laatste echter zoo talrijk werd, dat

Jan Harink op het punt was van te bezwijken, sprong hij op eens in 't

water, en nu eens onderduikende, dan weder met het hoofd boven, gelukte

het hem, onder een kogelregen, al zwemmende, de overzijde te bereiken,

vanwaar hij, dwars door de eilanden, behouden te Monnikkendam aankwam.

Ook was het gedurende deze vlucht, dat de adelborst Erasmus van

Brederode min of meer het zegel drukte op hetgeen Lancelot van

hem gezegd had. Onder het vluchten, door een kogel, even boven den

linkervoet getroffen, tuimelde hij op den grond, doch met inspanning

van krachten weder opgestaan zijnde, sleepte hij zich voort naar

het IJ, met het doel om zich desnoods liever te verdrinken, dan zijn

leven aan de galg te eindigen. Maar beneden aan den dijk heeft hij

het ongeluk over zijn slagzwaard te struikelen, en met het hoofd naar

beneden in een sloot te vallen, zonder zich te kunnen redden. Reeds

breekt het doodszweet hem uit, doch op het oogenblik, dat hij dreigt te

stikken, nadert een rotmeester met twee soldaten van zijn eigen vendel.

--»Een Spanjaard! sla dood!« roept de rotmeester en te gelijker

tijd op Brederode, dien hij voor een vijand hield, aansnellende,

tracht hij dezen met zijne spies te doorrijgen. Het wapen treft

echter--volgens het verhaal--slechts de wrong van Brederode's wambuis,

dat met paardenhaar gevuld was: de punt wordt door het haar omkronkeld,

brengt slechts eene kleine wonde in het vleesch toe, en--de rotmeester

zijne spies terughalende, trekt nu tevens den drenkeling uit het water.

--»Wat zijt gij voor een martelaar, die een braaf borst niet opeens

om hals brengt?« roept Brederode, weder tot adem gekomen. Maar

oogenblikkelijk aan stem en houding herkend wordende, komt men hem

te hulp, men onderzoekt zijne wonde, en gezamenlijk brengt men hem

tot Uitdam, waar men in eene boot van vluchtende landlieden valt en

weldra behouden binnen Monnikkendam komt.

--»Ziedaar den uitslag,« sprak Ripperda; »de Spanjaard is meester

van de schans en wij behoeven ons niet met de hoop te streelen,

dat Haarlem langs dien weg zal ontzet worden.«

Het verhaal der mislukking bracht op sommige der aanwezigen een

verschillenden indruk te weeg, en toen Ripperda zweeg, was Lancelot

van Brederode de eerste, die het woord opnam:

--»Bij mijne ziel!« sprak hij, »dat is een distelig werk. 'k Heb mij

bedrogen in Sonoij: ik dacht, hij zou den Maraan beter op de huid

hebben gespeeld.«

--»Het is tegenspoed,« zeide Kenau, wier gelaat eene hoogere kleur

aangenomen had, »maar tegenspoed treft zoo hard niet, wanneer men

dien vooruit heeft gezien. Gewis! Jonker Sonoij heeft zich te veel

korselheid op den hals geladen om de Noord-Hollanders spoedig te

winnen. En waar de dingen enkel met dreigen en geweld moeten doorgezet

worden, daar volgt meestal de gehoorzaamheid met tragen tred.«

--»En toch durf ik zweren,« hernam Brederode, »dat Sonoij het op den

Spanjaard zal verhalen. Ik ken hem.«

--»Heb geen twijfel,« zeide Ripperda, »of Sonoij zal wel met tal

van schepen zoeken te herwinnen, wat hij verloren heeft. Maar ik

zie geen gunstig verschiet voor hem. Juffer Borst heeft het wèl, dat

hij in bijsteren haat is. Het geval van den achtsten Maart, toen al

de nonnen binnen Hoorn van de peluw gelicht en met ruwheid naar de

schepen zijn gevoerd, heeft de vlam van den haat feller tegen hem

aangeblazen, en hoezeer van het meerendeel der balddadigheden zijn

volk de schuld draagt! wordt nochtans alles op zijn hoofd gebracht.«

--»Maar zoo hij zelf geen fel en wreed man ware! zou hij toch wel

middelen ter hand nemen om zijne benden te beteugelen,« zeide de

schoone Hendrika van Vliet, die gehuiverd had, toen de tijding van het

gebeurde met de kloosterjuffers te Hoorn binnen Haarlem gekomen was.

--»Gij zegt het, jonkvrouw! maar zie op den tijd, waarin wij zijn. Toen

het korts geleden uit de kerf ging met den balddadigheid van hopman

Krok, heeft Sonoij hem toen niet doen grijpen en hem in Schagen's

huis het hoofd voor de voeten gelegd? Maar niet zoo spoedig is het

volk gestemd, dat meestal uit vrijbuiters bestaat, gewoon, binnen

scheepsboord geen hooger gezag te erkennen dan het hunne, en eere

zoekende in ongebondenheid.«

--»En men weet niet, met wat bezwaar en moeite een aanvoerder te

kampen heeft,« zeide Van Duivenvoorde.

--»Men weet het wel,« hernam Ripperda, »maar men erkent het niet; men

is onrechtvaardig, vooral zoo de fortuin ons den rug keert. Elk wil

zijn deel hebben aan de glorie, maar bij neerlaag kleeft al de schuld

op den aanvoerder. Geef acht op Sonoij. Zijn volk zal hem aantijgen,

dat hij hen in de schans op de slachtbank heeft gevoerd; en hoezeer

hij niet vrij is van dolle drift, zal zijne onvoorzichtigheid al de

schuld dragen. Grooter dunkt mij nochtans zijne fout, dat hij, hoog en

trotsch van gemoed, alles naar zijn zin wil doorzetten en in dingen

van groot gewicht diegenen niet kent, welke hem met raad en middelen

kunnen bijstaan. Vandaar gewis, dat hij niet ras genoeg met tal van

schepen naar de Diemerschans heeft kunnen zeilen; vandaar voorzeker,

dat het voortreffelijk doelwit zoo deerlijk is mislukt.«

--»Waarachtig!« zeide Lancelot van Brederode, »een dwaas is de man,

die aanspraak maakt op lof; maar nog grooter dwaas, die niet rekent

op minachting en smaad, trots den besten wil en plicht. Zie op mijn

heer Tseraarts. Waar men zelfs een Tseraarts alle schuld gaf, hoe zal

het dan met Sonoij zijn, dien men een tweeden Lumeij noemt. Maar bij

mijne ziel! Is het Sonoij gemist, ons te ontzetten, daarom heeft ons

duc D'Alf nog niet in zijne macht: tegenspoed doe ons sterker zijn!«

--»Maar vooral vertrouwen op God!« voegde Van der Laan er bij.

Er werd nu niet lang meer gesproken; want Ripperda verliet weldra

Kenau's woning. Na hem volgden de anderen; want er moest nog dezen

dag eene vergadering van den magistraat als ook een krijgsraad

worden belegd.

Wel wist men nu in de stad, dat de aanval op den Diemerdijk mislukt

was--nog niet, dat Sonoij, schoon met veel moeite, een aantal razeilen,

karveelen, krapschuiten en andere, te zamen tachtig schepen, te Edam

bijeenverzameld had. Deze vloot, op het punt zijnde om onder bevel

van den admiraal Pieter Franken onder zeil te gaan, ontving men in

de stad de tijding, dat de Diemerschans reeds verlaten was. Toch

werd de tocht naar het IJ gedaan en wel met het gevolg, dat men de

Amsterdamsche schepen dapper aanviel en ze verjoeg en achtervolgde

tot aan de palen voor de stad.

De tijding van den noodlottigen uitslag om Haarlem op die wijze

te ontzetten, bracht verschillende oordeelvellingen te weeg. De een

vreesde, dat de stad nu spoedig geene levensmiddelen meer zou krijgen;

de andere zag het als een voorbode van verdere mislukkingen aan. Deze

voelde zijn moed verflauwen, gene dien aangroeien: sommigen waren van

oordeel, dat men een vereenigden uitval moest ondernemen; en dewijl

er den achtsten Maart twee vendels Franschen en Engelschen binnen de

stad waren gekomen, die men weder had doen vertrekken, omdat men reeds

bijna vier duizend soldaten in de vest had, zoo meende men, dat hen

te houden wijzer ware geweest. Anderen waren van een tegenovergesteld

gevoelen; want werd het inkomen van levensmiddelen belet, te spoediger

zou men er gebrek aan krijgen, naarmate men meer monden te spijzigen

had. Ook meenden enkelen, dat men den vijand zooveel mogelijk door

tegenmijnen moest teisteren. Zes dagen geleden toch had men door

middel van zulk eene mijn weder dertig Spanjaarden doen omkomen,

terwijl eene vijandelijke mijn op l.l. Donderdag aan de belegerden

geene de minste schade had toegebracht. Wat had daarentegen de uitval

van kapitein Enkhuizen zoowel op den negenden Maart als twee dagen

later uitgewerkt? Door den mijnen-oorlog moest men den Spanjaard

vernielen. Maar zij, die wisten, dat moedige uitvallen het best

in staat zijn om den vijand te verzwakken en schrik in te boezemen,

verhieven hunne stem het luidst en hadden verre de overhand: zij waren

het vooral, wier vertrouwen op Ripperda zeer groot was, wel wetende

dat ook hij, als bekwaam bevelhebber, in een uitval de meeste kans

zag tot voordeel.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 18 / 21 题