Gij, die voor Holland's heil nog voelt uw boezem slaan!
Spreekt op, wat voelt uw hart, bij 't zien der Spanjaardslaan?
Rijst niet uw geestkracht? gloeit hier niet uw denkvermogen?
Het tachtigjarig pleit herrijst hier voor mijne oogen.
Hier onder dezen eik, geplant door 't voorgeslacht,
Herrijzen voor mijn oog, in 't uur van middernacht,
De godenschimmen mijner vaadren! 'k hoor ze zweven,
En ritslen door het loof; ik voel de vrijheid leven,
En stroomen door mijn borst; ik meng me in d' achtbren kring
En schop de schandeeuw weg, waarin ik 't licht ontving;
'k Zie Haarlems helden; 'k zie hier Ripperda mij naadren,
Ginds Kenau Hasselaar de vrouwenschaar vergaadren,
En nederschieten op den Spanjaard.....
Helmers, Haarlemmer Hout.
Daags na het alarm in Haarlem, ongetwijfeld met het doel om den vijand
in onzekerheid te brengen en af te leiden, stelden zich de Spanjaarden
bij het Leprozenhuis, rondom het dorp Overveen en in en bij den Hout
in slagorde, en schenen voornemens tot een nieuwen storm. Aanstonds
maakten zich de belegerden gereed, hen af te wachten, doch weldra bleek
het, dat hun doel slechts eene misleiding was geweest. Des namiddags
trokken een zestal ruiters benevens een vendel Waalsche haakschutters
buiten de Zijlpoort, om--links voortgaande--'s vijands sterkte in den
Hout te verkennen. Zij waagden het, de voorste schans te overvallen;
doch weldra werd er aan de Kruispoort door den vijand alarm geslagen,
en een klein gevecht plaats grijpende, zagen de Walen zich gedwongen,
met verlies van twee soldaten terug te trekken, terwijl verscheidene
hunner gekwetst werden. Deze kleine nederlaag werd echter des avonds
vergoed door het binnenkomen van eenige schepen met zeventig lasten
rogge, tarwe, andere levensmiddelen en krijgsbehoeften.
Vele der belegerden van gedachten zijnde, dat de vijand plan had,
Haarlem met vuurkogels te beschieten, beval de regeering daags daarna,
alle middelen tot brandblussching in gereedheid te brengen. Dit
vermoeden scheen echter ongegrond; want toen men den volgenden dag
twee Spanjaarden, welke door den admiraal M. Brand gevangengenomen en
binnen Haarlem waren gevoerd, op de pijnbank legde, gaven deze aan die
veronderstelling niet de minste zekerheid. Dewijl er den twintigsten
Februari een vroeger gevangen Waal weder naar de Duitschers in den
Hout was overgeloopen, besloot men, met de gevangenen een anderen
weg in te slaan, daar men de overloopers veelal naar den prins zond,
hetgeen tien dagen geleden het geval nog was geweest. Twee gevangene
Spanjaarden werden nog dienzelfden dag, bij de Fuik, door den strop
om het leven gebracht.
Voor Magdalena waren reeds drie nachten verloopen zonder dat zij eenige
poging in het werk zag stellen, waardoor hare hoop verwezenlijkt kon
worden. Toch bleef hare hoop levendig, en gelukkig de mensch, die
zich aan haar vasthoudt; want zij is de dochter des hemels: zelfs te
midden van haar bedrog is zij zoet. De hoop vergezelt ons in de smart;
in haar zien wij een liefelijk beeld: dat beeld speelt met kleuren;
verrukt zien wij ze aan; de zenuwen spannen zich; gretig staren wij er
op, en--een traan van vreugd komt in ons oog, een traan, die als een
dauwdruppel flonkert in den kelk van het viooltje bij den opgang der
zon. Maar opeens komt er eene wolk; de kleuren verdwijnen, de zenuwen
verslappen, de dauwdruppel flonkert niet meer; alles ontzweeft--alleen
de traan blijft in ons oog zichtbaar. Wij zijn bedrogen; wij vallen
weder in de duisternis tot er eindelijk op nieuw eene schemering
aanbreekt, weder een licht opgaat en zich andermaal fraaie kleuren
vertoonen. Gelukkig de mensch, op wien de teleurstelling niet losstormt
met wanhoop,--gelukkig, wien de hoop de verijdeling vergoedt.
Zal dit aan Magdalena wedervaren? Wie mijner lezeressen wenscht het
haar niet toe?
De koude had haar intusschen weinig doen lijden; maar in den nacht die
nu volgde, den nacht van Woensdag den vijf en twintigsten Maart, woei
er een scherpe wind, en de vorst scheen weder teruggekeerd. Magdalena
wendde zich zonder te kunnen slapen op hare legerstede heen en
weder. Levendiger dan ooit dacht zij aan de haren, en zij vreesde,
dat Venavides in zijne poging tot hare bevrijding wellicht voor altijd
was verhinderd geworden.
Eindelijk afgemat van denken, streek de slaap op hare bezwaarde
oogleden neder, en--geen halfuur was verloopen of zij genoot eene
zaligheid, om welke zij reeds zoo dikwijls gebeden had.
Zij was gered, teruggekeerd in haar huis. Wat vreugde, wat
heil! geklemd aan de borst van haar echtgenoot: de handen uitstrekkende
naar de lievelingen, die haar afzijn wel bij het eerste gemis betreurd,
doch in hunne onschuldvolle jeugd het beeld der moeder spoedig
uitgewischt hadden. Maar weer plotseling verschijnt dat beeld; hunne
herinnering krijgt leven, kleur, gloed; zij herkennen de moederlijke
lippen, die zoo dikwijls glimlachten,--het moederlijk oog, dat zoo
vaak met liefde op hen gericht was,--de zachte moederlijke stem. Zij
herkennen haar geheel en voelen zich zoo gelukkig: Emma omvat hare
knieën, Adolf slaat de armpjes om haren hals, Arthur schreit van
vreugde, en de zoete naam van moeder wordt honderdmaal door hen
herhaald. En Magdalena! zij heeft geene woorden, zij heeft slechts
afgebrokene klanken en tranen, maar tranen van geluk; gloeiend kleven
hare lippen op de lieve kleinen; hare armen zijn bijna krampachtig om
Van Duivenvoorde geklemd; zij kan ze niet losrukken; want het innig
gevoel der ziel is te zeer getroffen; de eene hemelsche gewaarwording
vervangt de andere; beider harten kloppen, sidderen; aller geluk is zoo
naamloos groot. En zie! de eerste oogenblikken van vreugd zijn voorbij;
reeds zijn zij kalm genoeg geworden, om het heil met al de frischheid
van den eersten indruk te genieten. Daar verschijnt in de gelukkige
woning de eene vriend na den anderen; de heilwenschen van magen en
vriendinnen klinken warm en welgemeend; daar verschijnt Ripperda,
en diens hand drukt de hand van Van Duivenvoorde met de warmste
oprechtheid; ook Kenau snelt binnen; haar oog nog korts zoo stout op
den vijand gericht, heeft voor Magdalena niets dan liefde, vriendschap,
medegevoel. Burgemeester Van der Laan omhelst de beide gelukkigen,
en de vrome predikant Sijmonsz stemt allen tot Christelijk dankgevoel.
Maar wat hoort Magdalena?
Wat davert daar eensklaps? Is dat niet eene losbarsting van het
geschut? Wat rukt haar op eens uit haren hemel! God! die zaligheid
was gedroomd: het was begoocheling; zij ontwaakt, en dat ontwaken is
ijselijk. Zij is weer in de bidcel, op hare armzalige legerstede; haar
hoofd gloeit koortsachtig, terwijl hare leden kil zijn als ijs. Dat
is hartverscheurend! bitterder alsem bevatte wel nooit een beker,
na zoo menige verfrisschende teug. Magdalena is ontwaakt. Weg zijn
al die betooverende beelden, verstomd zijn die lippen, welke niets
dan vriendschap, liefde, medegevoel ademden; wat zij thans ziet,
is sprakeloos, marmer-koud, ruw, somber; alles was een logenachtige
droom. Maar geen droom was het, toen een donderend schot haar op
eens wakker deed worden;--want nu zij wakend luistert, hoort zij het
andermaal: het geschut van vriend en vijand buldert weder; dat is
geen droom; dat is werkelijkheid.
Die gedenkwaardige Woensdag van den vijf en twintigsten van Lentemaand
was aangebroken. Reeds des morgens te negen ure trokken tweehonderd
Walen buiten de stad om de vijanden in den Hout te verkennen. Het
gelukte hun, de voorste schans in te nemen; doch niet sterk genoeg in
getal zijnde, moesten zij, met verlies van twee man, terugtrekken. Maar
hun doel was bereikt, de macht van den vijand verkend, en eenige
oogenblikken daarna werd in den Doele de krijgsraad belegd, waarbij
verscheidene der regeeringsleden tegenwoordig waren.
--»Gij kent mijn doel, mannen broeders!« zoo begon
Ripperda. »Volharding en krachtvolle verdediging is ook de leus en het
wit van u allen. Tijd te winnen is de groote zaak, en den Spanjaard
door onverpoosde uitvallen te benarren, zal hem niet minder afbreuk
doen en in ontzag houden, dan dat het ons tot profijt strekt. Mij
dunkt, dat vandaag een koene uitval ons groote kans tot voordeel
belooft. Hoplieden Vardeur en Vimi! gij zijt het, die de schans reeds
in uwe macht hadt, en de sterkte van den vijand kent. Herhaalt uw
verslag in den vollen krijgsraad, opdat elk wikke en met goeden grond
uitspraak doe.«
Ofschoon Vardeur wel het eerst den aanval op de schans had gedaan,
richtte Ripperda zijne vraag meer rechtstreeks tot Vimi, dewijl deze,
bedaarder van gemoed, meer naar de inspraak zijner overtuiging zou
antwoorden.
--»Ik geloof,« sprak de Waalsche kapitein Vimi, »dat de macht
van graaf Overstijn zeven vendels bedraagt. Bij 't klooster van de
Bernardijten en het Huis Berkenrode zal de sterkte van Fronsberg, naar
mijne rekening, ongeveer vier vendels zijn; bij en achter Heemstede
zullen, de karabiniers medegerekend, nog wel zes of zeven vendels
liggen; maar op het volk van Overstijn komt het wel het meest aan:
deze liggen in de flank en schijnen op een uitval gewapend.«
--»Wat zouden die ossekoppen?« sprak Vardeur. »Zoo wij met vier,
in plaats van één vendel waren uitgerukt, hadden wij hen naar de
hel doen verhuizen. Wat zeg ik? geef mij drie vendels, mijnheer
Ripperda! dan val ik aan de Leidsche Waterpoort uit, en ik zweer,
dat ik het roofnest van graaf Overstijn zal uitroeien.«
--»Bezadig u, hopman!« sprak Ripperda, »het komt in dezen krijgsraad
niet op den wil van één enkelen aan, maar op dien der meerderheid. Wees
gedachtig, dat uw eed ons weinig zou baten, wanneer het lot tegen u
was. Aan soldeniers met goeden wil tot den uitval zal het niet haperen:
maar op mij rust de verantwoording der bezetting, en op den uitval
moet ook veilige terugtocht kunnen volgen. Wat acht gij oorbaar,
heer Van Brederode?«
--»Een krachtdadigen uitval,« was het antwoord, »en hoe spoediger die
plaats hebbe, te grooter is de kans, dat hij van een goeden uitslag
zij. Ik heb het eenmaal gezegd, heer! altijd stem ik voor datgeen,
wat den Spaanschen bloedhond tot verderf kan zijn.«
--»Gewis--een uitval!« sprak nu Boreel, met levendigheid en vuur:
»het is de rust, die tot roest overslaat, en wij hebben het rapier
niet om het in de scheede te laten. Mijn heere Ripperda! gij hebt
wèl gezegd: »de koene uitval moet den vijand in ontzag houden.««
--»Ook ik keur dien voortreffelijk,« liet Van Duivenvoorde op bedaarden
toon hooren, »maar het schijnt mij toe, dat de aanval van meer dan een
kant tegelijk moet plaats hebben. Zou het bovendien niet doelmatig
wezen, dat de uitval door een goed gewapend jacht aan de waterzijde
ondersteund wierd?«
Ripperda antwoordde niet, maar zijn blik gaf duidelijk genoeg
te kennen, dat hij zich met dit voorstel volkomen vereenigde, en
wenschte, dat de overige hoplieden hun antwoord naar die aanmerking
zouden wijzigen.
--»Den uitval,« sprak nu Steenbach met nadruk, »maar zoo zeer als
ik den graaf Van Overstijn veracht, omdat hij zijn rapier voor een
Alva heeft opgenomen, zoo weinig durf ik borg staan, of het gros
der Duitsche huurlingen van hetzelfde gevoelen zal zijn. Mij dunkt,
dat de uitvallers zoo weinig doenlijk Duitschers moesten zijn; dan
twijfel ik niet, of de onderneming zal vrucht dragen: bidden wij dit
ten minste van God, die Haarlem al zoolang heeft bijgestaan.«
Het gevoelen der overige leden van den krijgsraad en dat der regeering
kwam bijna eenparig met het reeds gesprokene overeen; zoozeer waren
de meesten doordrongen van Ripperda's beginsel, om den vijand door
gedurige uitvallen te verzwakken. Dit beginsel verdiende hulde,
vooral in die dagen, toen de krijgskunst eene zoo geheel verschillende
kleur met die van den tegenwoordigen tijd droeg. Ripperda was vol van
het besef, dat het raadzaam of noodzakelijk was, 's vijands geduld
uit te putten, ten einde hem het beleg te doen opbreken; om hem te
bespieden, om hem dag aan dag in zijne verschansingen aan te tasten,
zijn geschut te vernagelen, tot grooter krachtsontwikkeling te dwingen,
maar bovenal om dien vijand eerbied in te boezemen voor eene stoutheid,
die elken dag aangroeide, en daarentegen moedeloosheid, onwil en
vrees in 's vijands gelederen noodwendig moest doen binnensluipen.
Het was omstreeks vier uren in den middag, toen zes vaandels Walen,
onder welke zich ook eenige Engelschen, Schotten en Haarlemmers
bevonden, zoo stil mogelijk buiten de Eendjes- of Leidsche Waterpoort
trokken. Deze poort licht aan den ingang van het Zuiderbuiten-Spaarne,
waar in dien tijd de kagen of schuiten op Leiden afvoeren, de Meer
over en de Venen door. De weg van daar liep, rechts af, naar de
kleine Houtpoort, door welke men regelrecht naar den Hout ging, waar
de Duitsche vijanden gelegerd waren, en die men dus in de flank wilde
aangrijpen. Schier gelijktijdig trokken een paar honderd Franschen
en Walen buiten de Zijlpoort. Dit laatste moge oppervlakkig vreemd
schijnen, daar men door de Zijlpoort zich een gansch ander gedeelte
van Haarlem's omstreken voor oogen stelt; doch men bedenke, dat er
te dier tijde op die hoogte, van de Zijl- tot aan de Eendjespoort,
en verder Houtwaarts, een weg liep, die door gracht, noch sloot,
noch eenig blok huizen, of afgesloten tuinen, zooals tegenwoordig in
en aan het Geldeloozepad, doorsneden of belemmerd werd.
Onder hen, die door de Zijlpoort uitvielen, was de geheimzinnige
Éénoog een der aanvoerders, en evenals altijd was hij ook ditmaal
slechts met zijn ontzachlijk slagzwaard gewapend. Aan het hoofd
echter van deze kleine macht stond de Waalsche kapitein Derdein;
want niet alleen was diens vernuft als bouwkundige, maar ook zijne
beradenheid en voorzichtigheid bij eenigen uitval den Haarlemmers
gebleken. Behalve met de vliegende artillerie--kleine stukjes of
bassen, die vooral tot appui van de ruiterij dienden--waren de meeste
dezer soldaten met musketten, enkelen met haakbussen gewapend, doch
allen droegen tevens het rapier, of de kling.
Het gegeven bevel van stilte werd in den aanvang getrouw opgevolgd;
doch niet zoodra hadden de Fransche soldaten, die de voorhoede
uitmaakten, bemerkt, dat de vijand hunne aannadering bespeurde,
of hunne licht ontvlambare gemoederen konden zich niet langer
verloochenen.
--»Voorwaarts, voorwaarts!« schreeuwden zij, »met een schok, met een
ruk op den vijand aan!«
En niet zoozeer uit minachting voor de krijgstucht, als wel uit eene
opbruising van hun levendig, voortvarend karakter, snelden reeds
eenigen uit hunne gelederen om de aanrukkende Duitschers met de kracht
van een stormwind aan te vallen.
--»Terug!« riep met forsche stem de vreemdeling, en op hen, die vooruit
wilden snellen, toeschietende, beteugelde hij hunne vaart. »Niet
verder, zonder mijn bevel!« riep hij, zijn slagzwaard in de oogen
latende blinken, »sluit u aan; wie zijn gelid verlaat, zal gestraft
worden, hoe dapper hij ook zijn mocht. Sluit u aan!«
Schoon morrend, werd aan dit bevel gehoorzaamd: het gelid was weder
in een oogenblik gesloten en met versnelden marsch rukte men in
schuinslinksche richting voorwaarts.
--»Vuur!« klonk het op eens uit den mond van Derdein, toen een
vendel Duitschers, dat hen wilde te keer gaan, op genoegzamen afstand
genaderd was. Oogenblikkelijk had er eene losbranding uit de vliegende
artillerie plaats, en wel met zulk goed gevolg, dat verscheidene der
Duitschers, zwaar of licht getroffen, neervielen.
--»Haakschutters, vuur!« klonk het nu, terwijl de musketten weder
geladen werden, en eene zelfde losbranding werd door gelijken uitslag
achtervolgd.
--»Voorwaarts met gesloten gelederen!« beveelt Derdein. »Onze makkers
aan de Leidsche Waterpoort rukken uit;--de vijand vlucht!--voort!«
--»De dood aan die groene moffen!« klinkt het onder de Walen en
Franschen, »zij vluchten als hazen! de wol stuift er uit!«
Inderdaad; reeds bij het tweede schot uit de bassen zag men de
Duitschers terugtrekken, als had een algemeene schrik zich opeens
van hen meester gemaakt. Maar deze vlucht had niet zoo zeer plaats
wegens den krachtigen aanval van den Éénoog en Derdein, als wel ten
gevolge van het bericht dat door eene vijfmaal grootere macht aan de
Eendjespoort een uitval gedaan werd. Dat bericht was geene logen. Het
eerste schot der Franschen zou voor het volk aan de Waterpoort het
sein tot den aanval wezen, en gelijktijdig zou dan ook het jacht
met eenige andere booten den boom uitvaren, om aan den kant van het
Spaarne, zich eveneens op den belegeraar te werpen. Men hoopte, en
niet zonder grond, dat de vijand het grootste gedeelte zijner macht
tegen de bespringers uit de Zijlpoort zou keeren; en wanneer zij dan
opeens door een veel sterker getal van een ander punt werden aangetast,
zou de verwarring te grooter wezen.
--»De slangstukken gericht!« beval graaf Overstijn, toen hij zich
reeds aan twee kanten zag bespringen, »den rebellen met grof geschut
te keer!«
--»Vuur uit de serpentijnen!« gebood don Cressonneros, wel ziende, dat
er met klein geweer niets was uit te richten tegen aanvallers, die hun
plan zoo wel belegd hadden. In weinige seconden waren dan ook door de
onderscheidene aanvoerders der vijandelijke Duitschers de slangstukken
gericht, en onmiddellijk daarna had er eene losbranding plaats.
--»Vuur!« klonk het uit de eene schans; doch hoewel de slag alléén
den Haarlemmers reeds aankondigde, dat het op hen gemunt was, zoo
bleek het echter te gelijker tijd, dat de stukken te hoog en gansch
verkeerd gericht waren.
Dit bevel herhaalde zich ook in de overige schansen; doch ook daar
had men in de verwarring zich aan denzelfden misslag schuldig gemaakt,
en--geen enkele kogel trof het doel.
--»Den storm op de schansen!« beval Van Duivenvoorde, wel ziende,
dat men den vijand geen tijd laten moest, om eene betere richting aan
zijn geschut te geven, en oogenblikkelijk sprong de Herkules-gestalte
van Margottin aan de eene, benevens Vardeur aan de andere zijde met
het rapier op de voorste schans aan.
--»Voorwaarts, soldaten! voor Haarlem's roem en den onzen!« roept de
kapitein van 's prinsen lijfwacht, »glorie zij het loon der dapperen!«
En snel rukt hij met eenige manschappen voorwaarts.
--»Valt aan op het Spaansch geboefte!« schreeuwt Vardeur met een hollen
vloek, daar de ruwe kapitein der garde van Lumeij een derzulken was,
welke zich verbeelden, dat de moed van den soldaat door niets zoozeer
aangevuurd wordt dan door schimp- en vloektaal. »Duitscher of Waal,
al wat duc D'Alf dient, is den strop waard; het zijn de moorders van
Naarden, schavuiten en rabauwen, altemaal:--valt aan, slaat dood!«
Onder dergelijke verwenschingen, die als in zijn mond lagen bestorven,
omdat zij opwelden uit eene borst, met den gloeiendsten haat tegen
al wat Spaansch was, vervuld, rukt Vardeur op den vijand aan. Zoo
onstuimig is zijn aanval, dat hij tegen de monding van het geschut
instormt en zijn leven tienmaal in gevaar stelt, waar hij slechts kans
ziet om één vijand te vernielen. Vardeur is geen held, en toch doet
hij wonderen van dapperheid; hij is het wilde everzwijn, dat zich
met geslotene oogen op zijne prooi stort, er de tanden inslaat en
brullend verscheurt. Altijd en onverpoosd vooruit, heeft hij op eens
don Cressonneros besprongen, en onbesuisd met zijn zwaard om zich heen
slaande, brengt hij den Spanjaard een zoo breeden houw toe, dat deze
oogenblikkelijk buiten gevecht is gesteld. Dit is een groot verlies
voor den vijand en voorspelt eene deerlijker nederlaag, te meer daar de
Haarlemmers op eene roemrijke zege rekening schijnen te hebben gemaakt.
--»Al één don naar de hel!« roept Vardeur; »dringt aan, kerels!«
schreeuwt hij onophoudelijk tot de soldaten van het witte vendel. Maar
noodeloos is het, dat hij hen aanspoort om dichter en forscher op
de schans aan te stormen. Nauwelijks hebben de Duitschers gezien,
dat de slangstukken geheel verkeerd zijn gericht en dat geene enkele
losbranding doel treft, of hunne verwarde kreten zijn oorzaak, dat
de bevelen der aanvoerders niet gehoord en derhalve niet opgevolgd
worden. Wel pogen eenige der moedigsten hunne schansen nog te
verdedigen; doch zij verdedigen zich tevergeefs; zij bevinden zich
in den toestand van wanhopige landlieden op een zwakken dijk bij een
ijsgang; want deze kunnen, bij het akelig vooruitzicht, dat de dijk
weldra zal bezwijken, dat de vloed al hunne akkers zal overstroomen,
al hunne bezittingen zal vernielen, nauwelijks eenige hoop op eigene
redding overhouden.
--»Wij zijn verloren!« roepen een paar Duitsche hoplieden tot graaf
Overstijn, »niets kan ons redden dan de vlucht!«
--»Nooit!« antwoordt de graaf, wiens dapperheid algemeen erkend werd,
»de slangstukken beter gericht en wij jagen de rebellen terug.«
--»Vuur, kanonniers!« beveelt hij krachtig, doch zoowel de meeste
officieren als soldaten schijnen zijne bevelen niet te hooren,
of niet te willen opvolgen, en de kreten van: »vlucht!« weergalmen
van den linker tot den rechter vleugel, en dreunen door het gansche
kwartier van den Haarlemmerhout.
--»Vlucht, vlucht!« klinkt het van de eene schans naar de andere,
en als door duizend echo's worden die klanken herhaald. Reeds twee
schansen worden, zonder eene verdere laag van het geschut, geheel
en al verlaten, en de Duitschers vluchten met de snelheid van het
opgejaagd wild.
--»Staat, lafaards!« dondert Overstijn hun tegemoet, terwijl hij met
vlammenden blik en rapier zich voor het front der vluchtenden werpt,
»wat stuift gij terug voor een hoop rebellen? Valt aan of gij loopt
den dood in den muil.«
Maar vergeefs, dat hij de soldaten in hun schandelijken terugtocht
zoekt te beteugelen; vergeefs, dat hij alleen zich als een dam wil
opwerpen om den voortstuwenden hoop te keeren. De aanbruisende baren
werpen den zwakken hinderpaal omver, en het geschreeuw van: »vlucht,
vlucht!« groeit met iedere seconde al meer en meer aan.
Dat is een duldeloos oogenblik voor een aanvoerder, die den wil en
den moed heeft om pal te staan, waar alles om hem heen onwillig en
lafhartig is,--die alleen blaakt en brandt, waar alles rondom hem
koud is. Dat is een verpletterend tijdstip voor een wakker hopman,
die zijn veldheer verantwoording schuldig is van de benden, die
hij aanvoert. Zie! hij wil liever sterven dan vluchten; hij heeft
stalen moed; maar schrik, vrees, grijpen zijn volk aan; zijne
aanmoedigingskreten worden versmoord; alles wijkt om het leven te
behouden, en wanneer nu de aanvoerder zelf het lijf redt, dan zal
hem het verguizend verwijt in de ooren klinken: »Ook gij zijt een
lafaard! ook gij hebt schuld aan de vlucht!«
Zoo snel als zich eene peststof aan anderen mededeelt, zoo snel slaat
de moedeloosheid, de lafhartigheid van de eene schans tot de andere
over, en--binnen weinige minuten is de vlucht bijna algemeen.
--»De dood aan onze vijanden!« klinkt het, en de tonen der trompetten
met het geroffel der trommen, zijn van links en rechts de seinen om den
vijand te achtervolgen. Dit heeft dan ook plaats met eene snelheid en
onstuimigheid, waarbij de spoed der vluchtenden verre te kort schiet,
maar ook met eene verbittering, die reeds vooraf besloten heeft,
niemand te sparen, wanneer zij overwinnen zal.
--»Slaat dood de honden! slaat dood!« schreeuwt Vardeur, terwijl
hij met de sprongen van een tijger zich nu op den eenen, dan op den
anderen werpt, of hen, als een dolle stier achterna rent en wonden
slaat. »Wraak over de moorders van Naarden!« roept hij; »Oog om oog,
tand om tand. Slaat dood, dat gespuis!« en iedere slag, dien hij
toebrengt, is met doffe verwenschingen vergezeld.
Naar de Noordwijker Houtvaart heeft eene algemeene vlucht plaats. Daar,
waar men thans de buitenplaats Oosterduin vindt, was toen het kamp van
den vijandelijken Duitscher Polwijler. Tusschen de Aardenhouten laan of
den Zandvoortschen weg en de Munsterlaan staande, verbeelde men zich
dus eene talrijke schaar wanhopige Duitschers te zien vluchten en van
alle kanten te zien neersabelen,--terwijl het slechts aan weinigen
gelukt, de overzijde der vaart en het beschermend geschut hunner
landgenooten te bereiken. Maar intusschen is er nog één punt, waar de
vijand stand houdt. Het is in de schans Aalbertsberg, in de richting
tegenover de groote Houtpoort--die schans te midden van twee kleinere,
die reeds ten deele verlaten zijn. Maar zij, die daar standhouden, zijn
geene Duitschers; het zijn Spanjaarden: de een is Diego de Carjaval,
en een enkele blik op het zacht-levendig gelaat van den anderen zegt u,
dat deze Pedro de Venavides is. Plotselijk toch en onverwacht had don
Frederik hem en Diego de Carjaval en Cressonneros bevel gegeven om de
legerplaats van het Huis Ter Kleef met die van den Hout te verwisselen,
en hoezeer hem dit bevel onaangenaam was geweest, had zijn plicht als
krijgsman hem echter doen gehoorzamen. Onverwijld had hij dus het Huis
Ter Kleef verlaten en--reeds twee dagen daarna had de uitval plaats.
--»Houdt stand, dappere soldaten van den hertog!« spreekt
Venavides. »Overwinnen of sterven zij onze leus. Wendt uw oog af van
die lafaards; vuur, musketiers, vuur!«
En wanneer allen zich zoo moedig hadden gedragen, zou de uitval
aan de Haarlemmers noodlottig geweest zijn; want het musketvuur was
voortreffelijk gericht.
--»Geeft u over!« roept Derdein den Spanjaarden toe, »of, ik zweer het,
wij geven geen kwartier.«
Te gelijker tijd springt hij met het rapier op Venavides aan; want
een enkele blik zegt hem, dat de Spanjaard die dreigtaal veracht.
--»Sterf dan!« schreeuwt hij hem toe; en de scherpe kling van
den Waal zoekt Venavides' hoofd te treffen; het wapen daalt, maar
schampt af op den stalen ringkraag zijns vijands en--dat oogenblik
is den vernuftigen bouwkundige noodlottig. Juist terwijl hij zijne
kling weer opheft om een zekerder slag toe te brengen, stoot een der
Spanjaarden hem met de halve piek in de borst, en als ware deze wonde
nog niet doodelijk genoeg, giert hem ter zelfder tijd het lood van
eene musket in het hart.
--»Ik sterf!« roept de moedige Derdein, onder zijn val: »wraak op
den Spanjaard! Haarlem triomf!«
--»Voor Haarlem! Voor Haarlem!« klinkt het, en dichter en dichter
dringt de schaar van Walen, Franschen en Haarlemmers op de verdedigers
der schans aan. Verderfelijk treffen hunne halve pieken en van
oogenblik tot oogenblik vermindert het getal vijanden; want velen
kunnen niet eens meer van hunne musketten of haakbussen gebruik maken,
en--het getal aanvallers groeit in dezelfde evenredigheid als dat
der vijanden dunt.
--»Voor God en 't heilig geloof!« roept de onbekende, en zoo brandend
als de geestdrift op zijn gelaat, zoo hevig treft zijn slagzwaard:
iedere arm, waarop zijn tweesnijdend wapen neerkomt, tilt zich niet
meer op tot weerwraak, en elke borst, die er door getroffen wordt,
heeft voor de laatste maal geklopt. Maar de woede, de moordlust van
Vardeur vertoont zich niet op zijn gelaat. Wel maait hij het leven
zijner vijanden; maar wanneer een dier vijanden stervend of zwaar
gewond voor zijne voeten stort, dan leest men de vreugd der hel
niet in zijn oog; dan licht hij niet andermaal den geduchten arm op,
om ook nog diens laatste levensvonk moordend uit te blusschen. Het
is veeleer, alsof bij ieder offer, dat valt, zijn hart bewogen wordt
door de treurige gedachte, hoe de broeder gedoemd is, den broeder te
vernielen; maar opeens ontvlamt dan ook weder het vuur van den held,
die vol is van het besef, dat hij tegen de onderdrukkers, tegen de
beulen van Nederland strijdt.
Onstuimig, maar kort van duur is het gevecht aan die eene schans. Reeds
is Diego de Carjaval zwaar gewond nedergevallen en nog slechts een
twintig Spanjaarden voeren daar eene worsteling op leven en dood,
maar eene worsteling, die ongelijk is.
--»Voor Spanje en de banier!« klinkt het onverpoosd aan de eene zijde:
doch het daverend geroep van »Vivent les Gueux!« aan de andere zijde,
heeft verre den boventoon. Eene korte poos nog en--die strijd zal
beslist wezen.
--»Terug, Señor! want de dood staat vast,« spreekt een anspessado tot
Venavides. »Al de lafaards vluchten, niet een, die ons te hulp snelt.«
--»Ik zie het, en zij mogen 't verantwoorden,« zegt Venavides, »maar
beter een roemvolle dan een eerlooze dood. Houdt moed, soldaten des
konings! De overwinning of de dood!«
Venavides en de zijnen staan pal als rotsen, die alleen de overmacht
kan verwrikken. Maar onder het krijgsgeschreeuw van weerszijden
baant de Éénoog zich al dichter en dichter den weg tot Venavides: twee
schreden--eene nog slechts en--ze staan man tegen man. Venavides had de
aannadering van dien somberen krijgsman der verschrikking bespeurd en
hij houdt zich gereed, hem af te wachten. Hij zal zich met hem meten;
hij zal hem doen vallen of zelf omkomen.
--»Geef u over, Spanjaard!« zegt hij op kouden, waarschuwenden toon,
»nog geen bloed genoeg? Hebt gij geen afschrik van dat moorden? Geef
het op, herhaal ik; een zoo dapper soldenier als gij zal den veldheer
wel een losprijs waard zijn.«
--»Geen Spanjaard geeft zich gevangen, zoolang hij nog een zwaard
heeft,« antwoordt Venavides, terwijl hij een moedigen blik op den
zonderlingen vijand slaat, »Ik vrees u niet, met uw reuzenrapier;
uw leven of het mijne.«
--»Ik strijd met God en voor het heilig recht,« is het antwoord;
»nog eens dus: geef u over; dat zal u, na zooveel moed, niet tot
schande zijn.«
--»Nooit, zoolang ik een rapier heb,« hernam Venavides; »ook ik
herhaal dus: uw leven of het mijne.«
Bij deze woorden heft hij zijne kling op, ten teeken tot den
aanval. Ook de onbekende zwaait zijn bliksemend zwaard boven zijn
hoofd--en het daalt op den Spanjaard. De slag mist echter zijn doel,
hetzij door het toeval, hetzij dat de vreemde het leven van een zoo
moedig vijand niet wil. Venavides echter schijnt het leven van zijn
vijand niet te willen sparen; met kracht dringt hij op hem aan, en
de scherpe punt van zijn rapier ware in de borst zijner tegenpartij
gedrongen, wanneer deze den stoot niet door een lichten zwaai van
zijn geducht wapen had afgeweerd.
--»Vivent les Gueux!« klinkt het intusschen onder de overigen; want
nog slechts weinig vijanden zijn in het gevecht, en deze schijnen
op het punt, terug te deinzen. Heviger en heviger wordt de aanval;
en de weinige schansverdedigers slechts een wissen dood voor oogen
ziende, snellen hunne vluchtende broeders achterna.
--»De dood aan allen! dat niemand ontkome!« klinkt het onder
de Haarlemmers, die ijlings de vluchtenden achtervolgen. Alleen
Venavides houdt stand; hij blijft pal staan tegen den Éénoog, ofschoon
hij beseft, dat zijne uitgeputte krachten tegen dezen niet kunnen
opwegen. De edele Venavides alleen veracht de vlucht; want hij wil
niet, dat don Frederik hem tegemoet voere: »dat gij dan gestorven
waart!« Hij veracht ook de genade, omdat hij die voor gevangenschap
koopen moet; hij wil vechten zoolang hij kan; hij wil een roemrijker
dood. En de onbekende? Heeft hij eerbied voor de stalen dapperheid eens
aanvoerders, van wien al de soldaten hun leven in de vlucht zoeken? En
wil hij dus van zijne meerderheid, van zijne nog onvermoeide kracht
op een uitgeputten vijand geen gebruik maken?
--»Mensch! wat zoekt gij den dood?« spreekt hij, »uwe overgaaf zal
uwe schande niet zijn.«
--»Ik zoek den dood niet, maar ik vrees hem ook niet,« antwoordt
Venavides, terwijl hij zijne tegenpartij het staal in de borst tracht
te stooten. Maar de onbekende is op elke beweging verdacht. Een
oogenblik nog en--het gevecht zal beslist zijn. Opnieuw heeft de
Eenoog den slag afgeweerd; opnieuw heft hij de hand op, die het
tweesnijdend rapier omklemt, en met alle kracht daalt het neder. Maar
die slag geldt het hoofd van Venavides niet. Hij treft diens wapen;
het eene staal doet uit het andere vonken springen, en--de deugdzame
Toledosche kling is ter hoogte van het gevest gebroken; Venavides
staat weerloos, hij heeft geen wapen tot zijne verdediging meer;
hij is in de macht van zijn vijand, en voor een oogenblik komt er
een lichte blos op zijn edel, mannelijk gelaat.
--»Gij zijt krijgsgevangen....« zegt de onbekende, maar eer hij
nog uitgesproken heeft, blikt Venavides om zich rond; het woord
krijgsgevangen heeft in zijne ooren dezelfde beteekenis als de
schandkoord, die, sedert den verbitteringsoorlog met Spanje, reeds
zoo dikwijls aan het leven des krijgsman een einde maakte, en onder
den uitroep:
--»Geen edelman van Castilië zal door den strop sterven!« wil hij zich
van het wapen van een zijner gevallene soldaten meester maken. Maar
snel als het weerlicht springt de lange gestalte, het doel gissende,
op hem aan. Met de eene hand hem bij den ringkraag grijpende, met de
andere het zwaard op zijne borst richtende, en hem somber aanstarende,
zegt hij op doffen toon:
--»Gij zijt krijgsgevangen, Spanjaard! geen nieuwe aanval meer
of het is met uw leven gedaan.« Werkelijk schijnt hij voornemens,
zijne bedreiging te zullen volvoeren, wanneer Venavides andermaal
eene poging tot weerstand mocht aanwenden.
--»Nombre de Dios!« zegt deze, »zoo gij niet meer met mij vechten wilt,
dood mij dan met uw zwaard. Ik ben edelman en ridder, en ik, die het
staal niet vrees, beef bij de gedachte aan den dood der schande.«
--»Dien dood zult gij niet sterven, señor!« is het antwoord op den
vorigen somberen toon. »Gij zult den bevelhebber van 's konings leger
wel een losprijs waard zijn.«
--»Aan het laatste twijfel ik, en wie zal mij borg staan voor het
eerste?« vraagt de Spanjaard, met het fier en ridderlijk gelaat op
dat van den onbekende gericht.
--»Die borg zal ik zijn; want ik wil uw dood niet.«
--»Zweer het mij,« hervat Venavides, »zoo niet, stoot mij dan het
zwaard in de borst: dan sterf ik ten minste door de hand van een
wakker man.«
--»Nog nooit schond ik eene belofte. Ik blijf u borg met mijn leven,
dat dood, geweld noch schande uw lot zijn zal.«
--»Ik vertrouw u; maar ik ken den haat der Nederlanders tegen al wat
Castiliaan is. Zal uwe macht aan uwen wil evenredig zijn, wanneer
het volk, in een oogenblik van woede, mijn dood eischt?«
--»Zoo ik u niet kon beschermen, deed ik de gelofte niet. Gij zijt mijn
krijgsgevangene, señor! en de bevelhebber van Haarlem is... Wigbolt
Ripperda!«
--»Welnu dan--het zij zoo,« herneemt Venavides, »ik verlaat mij op
eens krijgsmans woord.«
Onafgebroken was inmiddels de nederlaag der Duitschers, zoodra zij
hunne schansen verlaten en zich op de vlucht hadden begeven. Aan den
rivierkant door het jacht en de bemanning der booten aangevallen,
door de Walen en Haarlemmers buiten de Waterpoort besprongen, en
ter rechterzijde door de Franschen en Walen, die de Zijlpoort waren
uitgetrokken, in de flank aangetast, grimde hen de dood aan alle
zijden aan.
--»Vlucht! vlucht!« waren de kreten, die van links en rechts door den
Haarlemmerhout klonken; maar evenals klotsende baren en het loeien
van den wind het angstgeroep van schipbreukelingen overstemt, evenzoo
werden deze klanken overtroffen door het geschreeuw der zegevierende
Haarlemmers bij den aanval en de verdediging. De snelheid en de kracht,
waarmede zij de vijanden achterna joegen, was te vergelijken bij een
van het gebergte schietenden stroom.
--»Slaat dood! slaat dood het gespuis van duc D'Alf!« daverde
het in alle richtingen. Het was geen gevecht meer, het was een
Siciliaansche Vesper, eene verdelging, zonder wederstand. Het was
alsof in dat eerbiedwaardig bosch, waar weleer een Hemelsche geest
op Laurens Koster daalde, thans een wraakengel rondging--neen, met
al de bliksems van het verderf gewapend, heen en weder gierde. En
men kan zich een denkbeeld vormen van Frederik's woede bij zulk
eene nederlaag, maar men kan zich ook de trotschheid der Spaansche
ridders en officieren verbeelden bij eene zoo algemeene vlucht der
Duitschers. Inderdaad! zoo ooit, dan bleek het dien dag, hoe oneindig
ver de Spanjaarden in moed, in dapperheid, in oorlogstalenten boven de
Duitschers verheven waren. In de twee geweldige stormen aan de Kruis-
en Janspoorten hadden zich de Spaansche soldaten zoo onverschrokken en
hardnekkig gedragen, dat de Haarlemmer zelf, in weerwil van zijn haat,
hun den lof van helden te zijn, niet kon ontzeggen; en hier, in den
Hout, waren de Duitschers schier bij den eersten aanval schandelijk
gevlucht. Hier moest de vijand, in weinige uren, grooter nederlaag
ondergaan dan in de beide stormen van December en Januari. Hier lieten
zij zich neerslaan als het gras onder den sikkel der maaiers; hier
had geen enkel feit plaats, dat hun moed deed uitblinken; want zij,
welke de verdediging dier eene schans eene geruime poos moedig hadden
volgehouden, waren Spanjaards geweest. Van geen enkel Duitscher zouden
de overgeblevene krijgsmakkers kunnen zeggen, dat hij het leven ten
duurste had verkocht; en die overgeblevenen zelven zouden niet dan met
neergeslagene oogen den dag van den vijfentwintigsten van Lentemaand
kunnen herroepen; want zij hadden dat behouden leven enkel te danken
aan eene onverschoonlijke vlucht.
Hoor het, Frederik! hoe daar in den Haarlemmerhout de wapenen
der belegerden zich kletterend bot scharen op de stormhoeden uwer
benden. Gij moogt van woede op den grond stampen, razen en vloeken;
maar met hetzelfde recht als Augustus uitroepen:
»Geef, Varus, Varus! mij mijne legioenen weer!«.
dat moogt gij van het kleine getal Spanjaarden; want Cressonneros
en Carjaval zijn ten minste met eere gesneuveld; maar dat moogt,
dat kunt gij niet van uwe Duitschers: die zijn niet waardig, onder
uwe dappere Spaansche vendels gerekend te worden.
Nog is de schemering van den avond niet ingevallen, en evenwel
is het voor honderden vijanden reeds nacht geworden. Hier werpen
zich uitvallers op een driemaal grooteren hoop, die zich den
weg naar Heemstede evenzeer ziet afgesneden als dien naar de
Noordwijkerhoutvaart. In hunne wanhoop hebben zij zelfs de wapenen
weggeworpen en bidden zij om lijfsgenade. Maar hij, dien zij smeeken,
is Vardeur; nog nooit heeft Vardeur een Spanjaard genade betoond.
--»Slaat dood, geuzen van 't witte vendel!« schreeuwt hij, »wij hebben
Duitsche koppen noodig om den tienden penning te betalen. Wie een
vijand over de kling jaagt, verdient den Hemel, wie hem pardon geeft,
de Hel. Slaat dood! geen kwartier!«
Terwijl hij zelf een paar hunner het rapier in de borst stoot, vallen
zijne soldaten de overigen te lijf. Onder algemeen getier woeden hunne
halve pieken en klingen onmeedoogend op de vijanden en--binnen weinige
oogenblikken hebben deze de stapels lijken rondom zich verhoogd.
--»Vuur, musketiers!« klinkt het onverpoosd aan de vaart bij den
Noordwijkerhout; want het tooneel dáár is wel het bloedigst van
allen. Hoeveel rechte en kromme lijnen, hoeveel vreemde figuren
stellen die gewapenden niet samen, in hunne onvermoeide pogingen
om de vluchtenden overal te vernielen. Hier vormen eenigen als het
ware een phalanx van halve pieken, die zich nu eens verwijdt, dan
weder samentrekt om een hoop Duitschers den doortocht te beletten en
neer te stooten. Daar jagen ettelijke Franschen met hunne klingen een
andere hoop voorwaarts, verdeelen en verstrooien dien of doen hem op de
gevelde pieken der overigen insgelijks den dood vinden. Ginds zijn het
verspreide Haarlemmers, die elk afzonderlijk een vluchteling najagen,
evenals de hazewinden het opgeschoten wild; en wie het gelukt, den
eenen vervolger te ontkomen, wordt de prooi van den anderen. Sommigen
bereiken uitgeput de vaart, terwijl de kogels der haakbussen en
musketten hen nagieren; zij storten zich in het water en trachten
den overkant te winnen; maar niet minder woedt de dood ook daar.
--»Vuur, vuur!« davert het, »achterwaarts, musketiers! valt aan op
dien hoop! haakschutters, in de flank! slaat dood!« Sommigen, die
met het water worstelen, zinken door bekomene wonden of uitputting,
naar beneden; anderen klemmen zich krampachtig aan een krijgsbroeder
vast, om op die wijze het lijf te behouden; velen, die eene laatste
poging aanwenden om weder boven te komen, worden met kogels begroet,
en op meer dan eene plek is het water door bloed gekleurd. Ofschoon
de Noordwijkerhoutvaart niet overal dezelfde breedte had als bij
de oude Brouwerskolk, verbeelde men zich echter, dat dezelve bij
het hoofdtooneel van de vlucht ongeveer veertien ellen breed en dat
de overtocht allergevaarlijkst was. Waar thans het Rolland ligt, de
tuinderijen in en bij de Rampelaan tot daar waar men tegenwoordig de
hofstede Elswoud aantreft, en dus tot aan de duinen, daar lagen toen
de Spanjaarden van St.-Lijga; en slechts zij, aan wie het gelukt,
de hoogte dier hofstede te bereiken, mogen zich veilig rekenen, maar
hunne broeders te redden, gaat boven hunne krachten, boven hun moed,
en de meesten dezer ondergaan een deerlijk lot.
Alom schallen in den Hout de tonen van den Geuzen- en
overwinnings-marsch, en zij, die het verdelgen van vijanden moede zijn,
werpen zich op de verlatene tenten van aanvoerders en soldaten.
--»Bloed van den Spanjaard! buit voor Haarlem!« klinkt het. »Schande,
keerden wij met leege handen terug!«
--»Roeit uit het nest! kraaie de roode haan!« schreeuwen de soldaten
even trotsch op hun voordeel, als begeerig naar den rijken buit,
dien zij als de zichtbare blijken van 's vijands nederlaag in de stad
willen brengen.
--»Wat rept gij van buit?« roept een tamboer der Walen, »neemt gij de
dubbelbassen op den rug, mijne vracht is lichter, maar toch wil ik er
iederen dag een uitval voor doen.« Dit zeggende, toonde hij aan zijne
krijgsmakkers eene zware, met goud gevulde beurs, en terwijl hij met
den schat op zijne trom sloeg, voegde hij er bij: »dat is beter dan
braspenningen en vierijzers: dat zijn dubbele ducs van Spanje.«
--»Biecht op: waar hebt gij die gestolen?« roepen een paar Walen,
met begeerig vlammende blikken, en een hunner op hem aanspringende,
wil hem het geld ontrukken.
--»Halt, kameraad! ik ben geen Mof,« schreeuwt de tamboer, eene
schrede terugdeinzende, de hand om de beurs klemmende, evenals de
kieuwen der visch zich om het aas sluiten, en te gelijker tijd zijne
kling zwaaiende, »zien moogt ge vrij, maar handen thuis. Ook is er,
bij mijne ziel, nog buit genoeg, en wat gij van den Spanjaard neemt,
is niet gestolen.«
--»Buit voor Haarlem! buit voor de soldeniers!« klinkt het eenige
schreden van daar, en op het gezicht van onderscheidene soldaten, die
binnen de legertenten stormen, volgen vele anderen dit voorbeeld na.
--»Haarlem triomf! blaast, trompetters, blaast!« laat het zich hier en
daar hooren, en de overwinningsmarsch klinkt tot binnen de stad. Daar
zijn honderden mannen, vrouwen en kinderen naar de wallen gestroomd,
en van de Zijlpoort tot over het Spaarne, tot aan de Spaarnwouder-
en Schalkwijkerpoorten, van de Groote Hout- tot aan de Kruis-
en Janspoorten gaat één kreet, één gejuich op: »Haarlem triomf,
de Spanjaard bijt in 't gras!«
--»Mijn heere Ripperda, laat ons de stad uit!« roepen tien, twintig
tegelijk, en in den omtrek van de Groote Houtpoort verdringen zich
de burgers, om Ripperda als het ware te dwingen, hen buiten de poort
te laten, ten einde de uitgevallenen tegemoet te snellen.
--»De Spanjolen zijn al verhuisd,« roept men, »hoort, hoe de
geuzenmarsch wordt geblazen.«
--»Er is buit voorhanden,« laten eenigen hooren, »de soldeniers
schreeuwen ons toe, dat wij komen moeten om te helpen slepen. Uit de
stad, uit de stad!«
--»Dat niet,« zegt Ripperda, »dat zou wanorde baren en twist; betoomt
uw ongeduld, mannen! deze dag is het waard.«
--»Wij zijn ook mannen van 't rapier! gaan wij hen tegemoet met vendel,
trom en trompet.«
--»Als ik hen terugkomen zie,« herneemt Ripperda, »dan, en niet eer.«
Algemeen en luidruchtig is het gewoel en geestdriftvol rumoer op ieder
gedeelte van den wal naar den kant van het Bosch. Sommigen snellen naar
huis om gekwetsten, zieken of ouden van dagen de overwinning mede te
deelen; anderen roepen Geuzenliedjes, vol schimp op de Spanjaarden, in
hun geheugen terug, om ze weldra aan te heffen; weder anderen willen de
poorten uit, en Ripperda en de hoplieden hebben al hun gezag noodig om
de opwellingen der geestdrift in toom te houden. Het ware onvoorzichtig
geweest, hen de stad uit te laten; want de verwarring in ieder gedeelte
van den Hout is reeds groot genoeg. De aanval op de tenten is algemeen
en vooral op die der officieren, van welke er velen gesneuveld zijn; en
daar de uitval even schielijk als onstuimig ondernomen was geworden,
hadden de meeste hoplieden hun geld en kleinooden in de tenten
achtergelaten. Gretig worden deze nu onderzocht; men doorsnuffelt
alle hoeken, en wanneer er eene zilveren schaal of een gouden ring
wordt gevonden, dan zijn aller handen gereed om zich den schat toe
te eigenen of elkander te betwisten; dan fonkelen aller oogen; dan
heeft er een levendig tooneel plaats van hebzucht en rumoer, waarbij
het recht van den sterkste meestal slechts voor een oogenblik geldt,
en waar het gezag evenzeer te kort schiet, als bij een muitzieken hoop.
Wee ook intusschen den ongelukkigen Duitschen hopman, die, in
zijne wanhopige vlucht, in eene der tenten eene schuilplaats
dacht te vinden. Het oogenblik zijner ontdekking is ook het sein
tot zijn dood, onverschillig of men al dan niet eenig voorwerp
van waarde bij hem vindt. De buit is boven veler verwachting;
want schier geen der uitvallers, die ten minste niet iets bekomt,
in weerwil van de opbruising der hartstochten en het gejoel, dat er
bij plaats heeft. Hier ziet men er een den gloeienden blik vestigen
op de bemachtigde zilveren schalen en gouden ringen. Daar werpt een
ander zich den sierlijken mantel van don Cressonneros over den groven
wapenrok, en verbergt er tevens andere kostbare kleedingstukken onder,
om ze binnen Haarlem voor geld in te ruilen. Zij, die geen goud of
zilver in handen kunnen krijgen, torsen eene menigte schitterende
helmen, zwarte Duitsche harnassen, schilden of rapieren met fraaie
gevesten, en zelfs beladen zich enkelen met ijzeren handschoenen om
toch ook getuigen hunner overwinning mede te brengen. Velen slepen
kruitzakken op hunne schouders en maken zich van de schandelijk
verlatene vendels meester. Maar het meerendeel is noch door het bloed,
noch door den buit hunner vijanden bevredigd. Zichtbaarder nog moeten
de sporen wezen, die zij achterlaten.
--»De roode haan!« schreeuwen zij, »het nest uitgeroeid en tot asch
verbrand.«
--»De schansen vernield!« roepen anderen, »het vat is nog niet vol!«
--»Vuur aangestookt, dan kunnen de koude hazen zich komen warmen,«
roept men spottend. En spoedig zijn honderden bezig met het verwoesten
der schansen, en het vernagelen der slangstukken, die zij niet
mede kunnen voeren. In weinige seconden vlammen de toortsen. Het
zoogenaamde hobbelde dobbelde veld, de weg van de Dreef tot aan het
eind der Spanjaardslaan, loopende naar den Wagenweg, waar die toen
eerst begon,--de Achthoek, waar het monument ter eere van Koster
staat, de plaats van de tegenwoordige Hertenkamp, alles vertoont
weldra één vuur. De saamgedrongene burgers op de wallen zien het
tooneel der verwoesting; zij zien de rookwolken en vlammen uit de
legertenten opstijgen. Van de vest er het oog heengewend, scheen het,
alsof de geesten, die weleer het statig woud van hooggetopte beuken
en linden doorzweefden, wraak nemen over de schennis, welke de bijl
aan die eerbiedwaardige stammen en breedgearmde takken bedreef. Maar
terwijl de vlam al hooger en breeder een inkarnaatgloed over den
omtrek werpt, hoort men het overwinningsgejuich al van naderbij;
het trompetgeschal en de dommelende muziek der trommel laat zich
al dichter bij de stad hooren, en weldra ziet men de uitgetrokkene
krijgslieden naar de vest terugkomen.
--»Victorie voor de dappere mannen van Haarlem!« klinkt het nu van
ieder punt van den wal, en nu zijn de burgers niet langer binnen
de poort te houden: nu zijn ze gelijk aan vuurwerken, die, eenmaal
aangestoken, voortbranden en voortschieten.
--»Uit de vest! uit de vest!« weergalmt het van allen kant, en
spoedig snellen mannen, vrouwen, kinderen van alle rangen en jaren de
ontslotene poort uit, de overwinnaars tegemoet. Wanneer voorheen een
schutbroeder, die den papegaai had geschoten, met luidruchtig gestamp
en geklap tot koning verklaard en buiten de Houtpoort naar Heemstede
gevoerd werd,--wanneer dan eene schaar van schutters en burgers den
triomfwagen vergezelde onder trompetgeschal en trommelslag,--wanneer
men hem vervolgens met geestdrift den zilveren kop van twee en dertig
lood aanbood, hem feestelijk onthaalde en de boomen uit het bosch
voor het stadhuis en zijne woning plantte, dan ging er een gejuich en
gedaver op, waarvan de herinnering nog dagen, nog weken in het geheugen
terugbleef. Maar wat was dit alles in vergelijking van thans? Nu gold
het de glorie van gansch Haarlem, van heel het vaderland. Nu waren
er duizend vijanden verslagen--duizend tegen acht:--van zóó roemrijk
een uitval uit eene belegerde stad had men nooit nog gehoord.
--»Leven de Geuzen!« klonk het hier.
--»Buit en bloed, mannen! wij keeren terug!« hoorde men daar:
»De Duitschers stonden in 't Bosch vergaard,
Zij dansten een nieuwen Spaanschen galjaard.
Leven de Geuzen! triomf!«
--»Van nu af moet Haarlem Haalmeer heeten!« zeide een Waal; »hoe meer
duc D'Alf haalt, hoe meer hij verliezen zal.«
--»Hoe kraait er de roode haan!« riep een ander, »'t is een winterbrand
voor de kou.«
--»De hand, kameraad, de hand!« liet zich hier en daar en overal
hooren, »dat is een dag van victorie! dat is de tiende penning
betaald!«
--»Hasselaar! geene kwetsuur? Waar is Duivenvoorde, Boreel,
Margottin?--dat is een dag van glorie! schooner dag is er niet
geweest.«
--»Mijn zoon--waar is hij?«--riep eene vrouw, die zich door allen
een weg zocht te banen, »is hij dood? Nog zie ik hem niet....«
--»Hij moordt nog,« riep Vardeur, »en hij heeft er eer van; hij heeft
er wel tien naar den duivel gejaagd.«
--»Wie zijn er gevallen!« vroeg Ripperda, die nu den een, dan den
anderen hopman met geestdrift de hand bood, »Derdein? ik zoek hem
vergeefs.«
--»Hij viel....« is het antwoord; doch meer hoorde Ripperda niet;
want het gejuich en rumoer groeide met iedere seconde. Telkens
drongen andere bonte scharen naar buiten, terwijl de uitvallers
meer en meer naderden. Hier wapperde het vendel van Kenau, naast
het gele vendel van Ripperda, daar zag men den standaard, met het
nunc aut nunquam tot zinspreuk, naast dat, waarop de tien penningen
waren geschilderd; het witte vendel van Lumeij en het bloedvendel
van De Kijk; ginds werd de Geuzenmarsch aangeheven, of men hoorde
schimpliedjes op de nederlaag van den vijand;--wat verder had een
burger eene groote prent aan een stok gebonden, Alva verbeeldende,
met een grooten bril, dien Lumeij hem op den neus zette, en die
het getal der vaandels moest vermeerderen. Maar opeens heeft er
eene opening in den drom plaats. Verscheidene Walen en Franschen
waren in de stellingen en ammunitie-tenten van den vijand gevallen,
en nu drijven zij de legerrunderen voor zich henen of rijden op de
bemachtigde ruiterspaarden in zegepraal en onder voortdurend gejuich
naar de stad. Het tooneel achter hen is echter nog belangwekkender
en ongewoner. Wie had tot nog toe gehoord, dat het garnizoen eener
belegerde stad, bij een uitval, vijandelijk geschut bemachtigde? En
toch ziet men, hoe een vijftigtal Haarlemmers vijf dubbelbassen of
falkonetten en twee metalen stukken kanon naar de vest slepen. Hoe meer
zij naderen, hoe luider het trompetgeschal. Reeds zijn de voorsten
binnen de Houtpoort en ook daar begroet de vriend den vriend, de
krijgsmakker den krijgsmakker. Hasselaar's moeder sluit den wakkeren
vaandrig in hare armen en Kenau reikt hem met geestdrift de hand
toe. De dochter snelt den vader tegemoet, de vrouw den fieren man,
die als overwinnaar terugkeert. Schoon klinkt de lof van vrouwen en
jonge dochters ter eere van de soldeniers. Hoe schaterend die kreten
van overwinning en welkomst; dat gewapper van de veroverde vaandels,
dat gejoel en gewemel van Schotten, Engelschen, Franschen, Walen,
met zooveel verschillende tongvallen en karakters. Geen triomftocht
van vroegere dagen was zoo roemrijk geweest.
--»Naar burgemeester Van der Laan!« roepen eenige der burgers, welke
de genomene slangstukken binnen de poort voeren, en die, de Groote
Houtstraat door tot aan de Oude Gracht en de Kleine Houtstraat,
reeds een langen breeden trein hebben gevormd.
--»Naar burgemeester Van der Laan!« roepen ook zij, die de veroverde
vendels trotsch boven de hoofden zwaaien; en ofschoon Van der Laan,
met Stuiver, Kies, Ripperda en zooveel anderen de overwinnaars
omringt, houden deze voor zijne woning in de Kleine Houtstraat bij
den Anegang stand.
--»Mannenbroeders!« zegt de burgemeester op geestdriftvollen
toon. »Deze dag is mij jaren levens waard! Dat zal den prins het hart
verheffen! dat zal weerklinken door heel Holland! Dat is een dag van
glorie, die nooit vergeten wordt. Maar, mannenbroeders! denkt er ook
aan--dat is de vinger Gods geweest!«
--»Haarlem triomf!« roepen allen als met eene stem.
--»De pijpers en trommels! Tamboers, slaat de trom!« laat het
zich hooren; en eenige seconden lang zijn nu de kreten, de geuzen-
en overwinnings-marschen zoo luidruchtig en daverend, dat iedere
bijzondere toespraak, iedere persoonlijke lof van Ripperda, Kenau en
anderen versmoord wordt. Hier verheft zich een vaandel, waarop een
pelikaan is geschilderd, hare jongen voedende met haar bloed,--het
zinnebeeld der oude rederijkkamer Trouw moet blijken--en daar wappert
de standaard, waarop met groote letters te lezen staat: »de deugd
kan niet verwonnen worden dan door de deugd.«
--»Wij leven en sterven voor de vrijheid!« roept een schutter, die
een met bebloede handen veroverden standaard zwaait, en tevens naar
den grond buigt om er 's vijands nederlaag door uit te drukken.
--»Buit voor Haarlem! eerlijk nu den penning-tien betaald!« klinkt
het schimpend, en langs heel den langen trein van de poort tot op
het marktveld en de bijgelegene straten laat men nu aan vrouwen,
broeders en vrienden den talrijk bemachtigden buit zien. Velen
dragen dien reeds naar hunne woningen; doch zoo menige Duitscher
ziet het wrevelig aan; in zoo menige borst gloeit de spijt, dat het
grootste getal der verslagenen hunne broeders en landgenooten zijn,
en ofschoon zij het niet met ronde woorden uitdrukken, zijn hunne
toejuichingen het zwakst en flauwst; want zij zien reeds vooruit,
dat hen van nu af menige scherpe zet over de lafhartigheid hunner
landslieden tegemoet zal worden gevoerd.
--»Mijn wakkere Derdein gevallen?« zegt Ripperda tot Van Duivenvoorde,
»dat smart mij diep te midden van dit geluk. Ik hoop toch, dat men
zijn lijk in de stad voert; dat lijk moet eere worden gedaan....«
--»Het smart ook mij,« antwoordt Van Duivenvoorde, »maar doen wij
het niet blijken aan de wakkere mannen. Honderden zijn er gevallen
tegen nog geen tien van ons: dat zou een azijndruppel wezen in den
zoeten wijn.«
--»Gij hebt gelijk,« herneemt Ripperda, »de vreugde moet vandaag
onvermengd wezen. Duivenvoorde! Boreel, mijne vrienden! dat is eene
onvergetelijke dag voor heel het vaderland!«
--»Naar Ripperda, naar zijn huis!« herhaalt intusschen de menigte,
die zich eene wijl voor het St.-Michielsklooster--het tegenwoordige
Oudemannenhuis--opeenpakt; en weldra heeft ook voor het hof van
Holland in de Warmoesstraat een oorverdoovend leven van pijpen en
trommels plaats, terwijl sommigen zich over het marktveld of in
kleinere afdeelingen door al de wijken der stad verspreiden.
Intusschen heeft ook door de Zijlpoort de intocht der overige
overwinnaars plaats. Bijna een eeuw geleden was door die poort het
jachtgezelschap van Nicolaas van Ruiven, eene schaar van edellieden
op prachtige rossen en in rijk gewaad, met het eerstgeschoten hert
teruggekeerd. Het oude verhaal gewaagt van het luid gejubel en
weergalmend hoorngeschal van toen; hoe weinig beteekenend moet dit
evenwel geweest zijn in vergelijking van den zegevierenden intocht
van thans. Ook daar tot aan de Groote Krocht en de Markt hoort men
een geschater en gejuich, dat door gansch Haarlem weerklinkt: en te
midden der dichte kolommen ziet men den langen Eenoog, met Venavides
aan zijne zijde, zich ruim baan maken.
--»Een don gevangen!« roept het volk, »dat is nog grooter buit; en
't is er een met riddertuig om den hals.«
--»Daar zullen we hem een strop voor in plaats geven,« roept een ander,
en nu dringen eenigen zich dichter naar de plek, waar Venavides op
dat oogenblik is, om hem door woorden en gebaren zijne nederlaag en
gevangenschap te doen gevoelen.
--»Neen, dat zou laagheid wezen!« roepen eenigen.
--»Geen schimp op een onweerbaar man!« voegen anderen er bij.
--»En de Eenoog schijnt het goed op hem voorzien te hebben, en die
is niet malsch.«
--»De don kijkt zoo trotsch, alsof hij nog vrij man was!«
Inderdaad, Venavides verried door geen enkelen blik het pijnlijke
van zijn toestand. Krijgsgevangen binnen eene stad, die hij reeds
tweemaal vergeefs bestormd had! eene bloedige nederlaag! een zoo
algemeen gejuich! de gedachte, hoe ondraaglijk voor Magdalena de
teleurstelling en het vertrouwen op zijne hulp moest zijn--dit alles
viel hem smartelijk. Maar de onverwachte verandering van legerkwartier
had er immers de schuld van, en wat zijne gevangenneming betrof--dit
was de kans van den oorlog. Dit drukte zijn gelaat dan ook uit, terwijl
hij, vol vertrouwen op zijn geleider, fier naast dezen voortstapte,
en duidelijk zag, hoe de Eenoog niet weinig invloed op het volk
uitoefende. Ongehinderd werd hij naar het stadhuis overgebracht,
waar men hem een verblijf, overeenkomstig zijn rang, aanwees. Dat
had hij aan de zorg van den onbekende te danken, die het plan voedde,
om Van Duivenvoorde door zijne tusschenkomst nuttig te zijn.
Terwijl nog door al de straten de kreten der uitgetrokkene verdedigers
en ingezetenen weergalmen,--terwijl de vermeesterde slangstukken in
triomfeerenden optocht naar de markt worden gevoerd, is Vardeur met
eenige Walen en burgers, die de vendels dragen, eerst de gansche stad
door en vervolgens naar den wal gesneld. Op de plaats, waar men nu den
molen de Adriaan en iets verder het boomsluitershuisje ziet, stonden
toen twee torens; en de wal naar den kant van de Janspoort was wel
het hoogste gedeelte der vesting. Dien wal heeft Vardeur beklommen,
en een twintigtal der uitvallers, die zich, op zijn bevel, van spaden
en houweelen hebben voorzien, zijn hem gevolgd.
--»Wie dood zijn, moeten begraven worden,« roept Vardeur, wiens kling
tot aan het gevest met bloed is bevlekt, terwijl in zijne oogen nog
de vlam der vernieling blaakt. »Soldaten van 't witte vendel! een
kuil gedolven voor 't Spaansch gespuis!«
--»Ja, een kuil--een graf! hun de leste eer aangedaan!« klinkt het
schimpend, en tegelijk woelen eenige spaden in de aarde van den wal
om er een graf te maken, ofschoon men geen enkel lijk bij zich heeft.
--»Blaast, trompetters! roert de trom, tamboers!« beveelt Vardeur op
ruwen, vloekenden toon; »nog dieper gegraven, nog wijder; een groot
graf moet het zijn--graaft!«
Binnen weinige oogenblikken zijn er eenige aardklompen opeen getast;
en dit werk gaat met allerlei pochende en snoevende uitdrukkingen
vergezeld, waarbij de nederlaag der vijanden nog tienvoudig vergroot
wordt.
--»Zooveel kluiten als ik hier opgehoopt heb, zooveel Moffen heb ik
naar de hel afgescheept,« roept een der delvers.
--»Vijf serpentijnen heb ik vernageld, en het eerst den rooden haan
laten kraaien,« roept een ander.
--»Carjaval, den don, heb ik 't licht uitgeblazen,« schreeuwt er een,
»en ik was de eerste, die de hazen in de vaart heb gejaagd.«
--»Wat pocht gij op niemendal!« zegt een Waal. »De vendels in handen
te krijgen--dat wil meer zeggen; en dat heb ik gedaan.«
--»Graaft, kerels!« beveelt Vardeur, »en blaast: leven de Geuzen! de
dood aan den Spanjool!«
Nog hooger worden de aardkluiten opeengehoopt en al spoedig is de
gedaante van een groot opgevuld doodgraf verrezen, zonder dat men er
iemand in te begraven heeft. Op bevel van Vardeur scharen nu allen
zich rondom het graf, en nadat men met de trommels en trompetten een
geraas heeft gemaakt, dat door al de Spaansche schansen weergalmt,
roepen allen als met één donderenden, schimpenden kreet: »Haarlem is
het kerkhof van den Spanjaard!« Onderscheidene malen wordt die kreet
al luider en luider herhaald, en onder lagen overmoed en helsch getier
worden nu de vendels op het graf geplant.
--»Haarlem is het kerkhof van den Spanjaard!« dreunt het opnieuw:
vloek, hoon en schimp volgen op die opgeblazene taal, terwijl al
de vaandels zich op het graf vertoonen en als bezielde wezens met
sarrende uitdrukkingen worden begroet.
Maar weldra heeft de overmoed uitgeraasd. De laatste schimpkreten
zijn naar den vijand overgevoerd, en het is, alsof van dien vijand
het antwoord terugkomt: »Vervloekte rebellen! die hoon zal gewroken
worden!«
Gewroken zou hij worden; want, dat was niet de geestdrift van Ripperda,
van Van der Laan,--niet de geestdrift bij den terugtocht: dat was
strafbare laatdunkendheid. Of had de vijand zijne nederlaag niet reeds
diep genoeg gevoeld? Dat was de miskenning eener hoogere macht, die
haren verderfengel door het midden der belegeraars had laten rondgaan;
dat was de onvergeeflijke waan, alsof men die overwinning door eigen
kracht had behaald, zonder te bedenken dat op morgen, of iederen
anderen dag, de oorlogskans een vreeslijken keer zou kunnen nemen.
Nog den ganschen avond, den ganschen nacht hoorde men door al de
wijken der stad: »De Spanjaard is verslagen! Haarlem triomf!« maar
ook den ganschen nacht klonk door de vijandelijke legerplaats: »Wraak
op de geuzen! Den rebellen de dood!«
Wij noemden Haarlem een ceder, die zijne kruin verhief te midden
van een onafzienbaar woud. Op hechte wortelen rustende, kon geen
storm hem neervellen, geen bliksem zijn reusachtigen stam doen
splijten. Trotsch en ongedeerd stond hij daar, en nam van dag tot
dag toe in kracht en luister. Maar van nu af zullen wij aan vezel en
wortel een verderfelijken worm zien knagen; in tak en twijg zullen
de voedende sappen opdrogen; zijne kracht zal vergaan, blad op blad
stervend afvallen, totdat de forsche armen geheel ontbladerd zijn. Maar
schoon wij hem dan zien zullen als eene schim van vroegere grootheid,
toch zal hij in storm en onweer het verdorde hoofd ophouden, nog
steun vinden in eigen zwaarte, nog schaduw bieden door zijn hout;
en wanneer hem ten laatste de bijl doet neerstorten, dan zal hij nog
eerbied en ontzag inboezemen bij zijn val.