ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Weg met den overwonnen basterd,

Die, met versmaânden lach, der vaadren deugden lastert

En 't tachtigjarig pleit beschimpt in trotschen waan.

Helmers.

Een paar dagen voor de onderneming van Jacob Anthoniszoon had

men twee galeien naar de Fuik gezonden, en Gerard de Jong, zijne

onvoorzichtigheid willende vergoeden, tastte daags daarna den vijand

zoo moedig aan, dat hij hem op de vlucht joeg, ofschoon de galeien

door het vuur van den Spanjaard nog al aanmerkelijk beschadigd werden:

daarentegen waren zij in de gelegenheid, om het gegraven gat in den

dijk met hout en puin weder te dempen--eene gelegenheid, waarvan

ijverig gebruik werd gemaakt.

Eindigde Sprokkelmaand met het doen springen eener mijn aan de

Kruispoort, waardoor verscheidene Spanjaarden in de lucht sprongen,

de eerste dag van Lentemaand vervulde sommige stedelingen met een

angstig voorgevoel; men vond namelijk 's morgens eene oude vrouw dood

op hare legerstede, en een der soldaten van Vimi, bij haar ingelegerd,

werd verdacht gehouden haar om het leven te hebben gebracht, wijl

zijne plunderzucht aan sommigen niet onbekend was. Bij gebrek echter

van bewijzen, ontging hij voorloopig de verdiende straf.

De vijand inmiddels besloten hebbende, de stad aan alle zijden te

omsingelen, bleef op den duur graven, schansen opwerpen, uit zijne

mortieren beuken en schepen op de Meer brengen. Hoog verhief zich zijne

schietkat boven van den ouden en nieuwen wal en bracht, in weerwil

van de opgeworpene dwarswallen en blindeeringen, de stad veel schade

toe met de vier stukken geschut, die aan de voorzijde, als op eene

zoldering geplant stonden. Op den derden Maart, reeds vroeg in den

morgen, kwamen twee met levensmiddelen en kruit bevrachte schepen

binnen de stad; en het laatste derhalve niet behoevende te sparen,

vernielde de Schotsche hopman, Johan Cuningham de vijandelijke kat

dermate, dat de Spanjaard over het verwoesten van zooveel arbeid zijne

woede niet kon verkroppen. Behalve van Leiden, hadden de belegerden

acht dagen te voren, ook van Dordrecht vijf ijzeren slangen benevens

twee fraaie metalen stukken geschut, welke vier en veertig en dertien

pond schoten, ten geschenke ontvangen; en vooral met deze had men

's vijands werk zoo geteisterd, dat toen hij een paar dagen later er

andermaal geschut op geplant had, het door Cuningham schier geheel

onbruikbaar werd gemaakt.

Het mag niet onopgemerkt blijven, hoe, na de helft van Louwmaand de

levensmiddelen binnen de stad waren aangegroeid. Zoo had de regeering

in den aanvang van Februari afgekondigd, dat een zesponds roggebrood,

alsook een pond boter slechts twee stuivers zou mogen gelden,

dat de prijs van een mengel zoete melk niet hooger dan zes en die

van een pond kaas slechts van vijf tot negen duiten zou mogen zijn,

terwijl op den zevenden Maart daaraanvolgende alle artikelen vrij van

impost werden verklaard. Dit baarde, vooral ten opzichte van het bier,

geene geringe vreugde, naardien de Staten van Holland ruim eene maand

vroeger den impost op wijn en bier hadden verhoogd. Tot nog toe was

alleen het bier, dat binnen scheepsboord gedronken werd, vrij; de

pachters van den impost moesten vier stuivers per grove ton en van

de smaltonnen en halve vaten in evenredigheid ontvangen, en dat was

aanmerkelijk hoog, als men bedenkt, dat eene ton slechts een gulden

kostte. Wat toch baatte het den ingesloten Haarlemmers, dat alles,

wat buiten het rechtsgebied gedronken werd, niet aan impost onderhevig

was? Men kan zich dus de vreugde voorstellen, toen de magistraat op

eenmaal allen accijns ophief, en deze verbeelding wordt levendiger,

bij de gedachte, dat bier de algemeene vaderlandsche drank was, in een

tijd, toen men ons nog niet met geurige thee en koffie verrijkt had.

Het was nu Dinsdag de zestiende Maart geworden. De vijandelijke

mortieren bulderden niet onverpoosd op de stad; want er werden dien dag

slechts acht en veertig schoten geteld, doch de uitwerking van sommige

dompelde menigen Haarlemmer in diepen rouw. Ongeveer te elf ure begaf

zich Boreel naar de woning van doctor Elsen, om er het middagmaal te

houden, terwijl kapitein Margottin zijne plaats aan de Janspoort had

ingenomen, iets, dat toen beurtelings de een voor den anderen deed,

wanneer er geen rechtstreeksche aanval te duchten was.

Boreel was wrevelig en tegelijk somber te moede; want nog dienzelfden

morgen had hij onderscheidene toespelingen en plagende verwijten

moeten aanhooren, dat hij, een der moedigste verdedigers, zijn hart

schenken kon aan eene der vreesachtigste schoonen van gansch Haarlem,

en zelfs waren er woorden gevallen, die een nog onaangenameren indruk

bij hem achterlieten.

--»Vaart gij kwalijk, vriend?« vroeg de doctor, toen Boreel, zonder

een woord te spreken, zich aan tafel zette.

--»Is er iets ergs, dat u de tong zoo stille doet zijn?« vroeg Anna,

terwijl zij hem vriendelijk in de oogen zag.

Boreel antwoordde niet; maar zag den vader en de geliefde verdrietig

en tevens gramstorig aan.

--»Gewis, daar smeult iets kwaads,« zeide de doctor, met een angstigen

trek om den mond; »hebben de galeien op de Meer neerlaag ontmoet, of

heeft het gerucht weer wat euvels van mij geklapt? Ik sta ten doel

voor booze tongen en leugensprekers, zonder dat ik iemand iets in

't spoor leg.«

--»Aanhoor mij, meester! ik zal kort en rond spreken,« antwoordde

Boreel. »'t Is de laatste dag, dat mijn voet uw huisvloer strooken zal;

dat doet mij droevig zijn en bitter tevens.«

--»De laatste dag! ...« herhaalde de doctor met verbazing, »wat

woorden? ... wat schuilt er in uw zin?«

--»Komt dit uit uw gemoed, liefste?« vroeg Anna, met innerlijke

ontroering, die zij echter trachtte te verbergen; »gij zoudt vertrekken

uit dit huis--mijn vader en mij uit de oogen gaan?--Wat is het,

dat u drijven kon tot zoo een ras besluit?«

--»Dat vraagt gij nog, Anna! als eene, die haars doens ontwetend is,«

antwoordde Boreel. »Wat ik niet al menigen dag mij heb verpijnd om

er niet van te reppen!--wat ik het harde, grievende woord al niet

vaak heb teruggestooten, als het op mijne lippen kwam. Maar nu is

het uitgesproken, Anna!--ik moet van u scheiden: de band van onze

min moet worden losgemaakt.«

--»Losgemaakt!....« riep de doctor, in eene gemengelde gemoedsbeweging

van angst, verwondering, en verontwaardiging; »zijn dat woorden,

met nuchter overleg in u opgerezen? Zijn dat woorden van uw' mond,

waaraan het hart zijn deel heeft?«

--»Ja, meester! het is geen kind, dat ze met lossen geest bedacht

heeft: ik ben man, en hoe zwaar het mij valt, het besluit is nochtans

tot rijpte gekomen; vandaag neem ik afscheid van deze gastvrije woning:

tusschen Anna en mij mag niet langer de band van min bestaan.«

--»Sijmon!« zeide Anna, een oogenblik kampende tusschen het machtig

gevoel der liefde en het niet minder krachtige der jonkvrouwelijke

fierheid en eigenwaarde, »Sijmon!--dat woord moest ik eer verwacht

hebben, ik, kortzichtige, die ik ben; want nu het van uw mond is

geglipt, doet het mij niet verwonderd wezen. 't Is waar: tusschen

den koenen Boreel en de lafhartige Anna kan geene overeenkomst zijn.«

Ofschoon er in die woorden eene ironie lag, die Boreel wondde, kon Anna

echter de schokkende gewaarwording van haar gemoed niet genoegzaam

overmeesteren. Zij beefde zichtbaar en was op het punt om de kamer

te verlaten, zoo een blik haars vaders haar niet had teruggehouden.

--»Dat zijn harde, bittere woorden, Anna!« sprak Boreel, »nooit heeft

mijn mond u lafhartigheid toegeschreven; nooit heb ik u te laste

gelegd, dat gij koud waart voor den moed van Haarlem's vrouwen; maar,

dat zeg ik, hoezeer het mogelijk even hard klinkt, dat uwe liefde te

zwak is tegenover de sterke liefde van mij.«

Nauwelijks had hij dit laatste gezegd, of Anna stond in

gemoedsvervoering van haren stoel op, snelde in de armen haars vaders,

drukte een paar gloeiende kussen op diens voorhoofd en zeide toen op

pijnlijk droevigen toon: »Vader! zóó wordt mijne liefde voor u mij

straf! tot Sijmon! wat zijt gij wreed.«

--»Anna!« zeide de doctor, »tot straf!.... het zal u niet tot straf

wezen, dat gij mij zoozeer liefhebt. Wie aan uwe liefde twijfel

sla, de gebenedijde maagd kent uw hart.« Zich vervolgens tot Boreel

wendende, voerde hij dezen op ernstigen toon de woorden te gemoet:

»zoo het u licht van 't hart mag, den band tusschen ons te breken,

dan zal het mogelijk tot heil van ons allen wezen; ik hoop, jonge

vriend, dat het u nooit tot rouwe zal zijn!«

--»Licht van 't hart!« riep nu Boreel met een droevig en

hartstochtelijk gevoel tevens, »zoo 't mij licht van 't hart mag!..«

herhaalde hij, des doctors en Anna's hand te gelijker tijd aangrijpende

»weg met die woorden! Leest ge dat uit mijn oog? Dan kent gij mij

bijster gering. God weet het, hoe het mij zwaar valt, hoe ik dagen

en weken onder den last gebukt heb gegaan, schromende en weifelende

om hem van mij af te werpen en geen moeds hebbende om het woord te

spreken. Vandaag heb ik het gedaan, maar eilaas! of gij weten mocht,

hoe groot de smart is, waarvoor ik zooveel moed kocht. Anna, Anna! het

ware mij beter geweest, zoo ik u nooit gezien had.«

--»Zoo spreekt gij,« zeide Anna, »en gij noemt mijne liefde zwak,

gij, wiens zucht naar roem uwe liefde tienvoudig te boven gaat. Maar

het zij zoo! het woord is gesproken, en dat bidde ik alleen, dat het

u nooit tot berouw strekke.«

--»Anna!« riep hij hartstochtelijk, terwijl zij met een maagdelijk

gevoel van eigenwaarde, waartegen echter de liefde bleef kampen hare

hand terugtrok, »Anna! en gij wilt het, dat wij scheiden? Gij wilt,

dat die band worde verbroken en dat weedom over mijn gemis de plaats

vervange van de vreugd der zoete min? Gij wilt het, dat ik uit dit

huis ga, alsof mijn voet den dorpel nog nooit gestrookt had? Neen,

Anna! het mag en kan niet, en toch moet het.«

--»Gij spreekt als een, dien het hoofd is berooid,« zeide de

doctor. »Wat wilt gij dan? Maar neen, het is mij klaar; mij, ouden,

zwakken man wilt gij aftrekken van 't geen mijn steun is; mij wilt

gij ter palei brengen en den dood aandoen: gij wilt mij Anna ontnemen,

u niet kreunende over deze felle grief.«

--»Och, of gij toch mocht afleggen die groote vreesachtigheid,« sprak

Boreel, de hand van den doctor warm drukkende. »Och! of gij tot het

wakker besluit mocht geraken om Anna te bevrijden van den blaam, die

op haar kleeft. Nog is het niet te spade, en op mijne knieën bid ik

om een kwijtschelding voor wat mijn mond gesproken heeft.«

--»Spaar daar vrij ieder woord van,« zeide de doctor, »nooit zal mijn

gemoed instemmen, dat Anna gewapend naar den wal streeft. Wat heb ik

toch voor leeds en kwaads gewrocht, dat gij met zooveel gretigheid

naar mijn dood haakt?«

--»Laat die inbeelding van u varen,« hernam Boreel, »gij moogt een

enkelen dag vol onrust wezen; maar dan zal zij hand aan hand van u

wijken. Wat tal van dagen en weken zijn nu al niet voorbij, sinds

Kenau met haar vrouwen- en maagdelijn den Spanjaard die ons bestookt,

met spies en rapier te keer gaat, en maar vier van die allen hebben

kwetsuren bekomen, die al weder geheeld zijn. Moet het dan Anna wezen,

die men uitleest om den dood te vinden? En schoon ook dat lot haar

deel wierd, (wat God voor u en mij verhoede!) wie wijst mij schooner

dood, dan den dood voor het vaderland en de vrijheid? O, Anna dat

ik krachtiger taal hadde om u te bidden!--Och, liefste Anna! voorkom

eene scheiding, die mij storten zal in de diepsten afgrond van leed.«

Dat was eene andere taal; dat was niet meer de sombere, harde taal:

»de band die ons verbindt, zij verscheurd, voor eeuwig,« dat waren de

woorden niet meer, die in Anna's boezem de jonkvrouwelijke fierheid

een schokkenden kamp deden voeren met de vlam der liefde. Neen! nu

waren het woorden, die wel niet de kleur droegen, dat Boreel zijn

onwrikbaar besluit zou herroepen, maar die toch uit zijne ziel waren

gegrepen, die blijken gaven, hoe innig hij Anna liefhad: en dat de

koene jonkman zich niet schaamde om Anna te bidden, te smeeken, hem

hare liefde niet te doen derven,--eene liefde, die zij in hare macht

had, wanneer zij sterk genoeg was, hem een zwaar offer te brengen. Eene

vrouw vergeet zoo licht de wonde, die haar de liefde sloeg, wanneer

diezelfde liefde die wonde weer tracht te heelen.

--»Sijmon!« sprak zij, diep getroffen hem aanstarende »wat ge mijn

gemoed bestrijdt en foltert!.... denk u mijn toestand, als gij 't

vermoogt, en vraag dan u zelven, wat u van 't hart mag. Weet gij

niet wat het zegt, een vader op de borst te treden! Weet ge niet,

dat dit den vloek der Heiligen op uw hoofd brengt? Laas! zoo ge mij

liefhebt, en dat weet ik, Sijmon! laat dan af, mijn boezem te knellen

in schroeven, die mij zoo bitter een wee aanbrengen. Och Sijmon! laat

uwe liefde sterker zijn dan de begeerte naar roem.«

--»Anna, liefste!« sprak Boreel, »indien ge met de hand in mijne

ziel mocht kunnen tasten!.... gij zoudt zoo groot een strijd vinden,

als in uw binnenste. Maar ik ben een man, van wien men grooter kracht

eischt, om den kamp te voleinden. Ik heb dien voleind en bij de heilige

maagd! plicht heeft de overhand gehad op mijne min. 't Zal mij in eene

diepte van leed doen vallen; maar het zijn donkere, kommervolle dagen,

waarin het oog van heel Holland rusteloos op de mannen van Haarlem

gericht is. Kloekheid en ernstige wakkerheid, ziedaar, wat men van ons

wacht. De nakomeling zelfs moet op niemand van ons de smet kunnen doen

kleven, dat de vreugd der min hooger wit van ons streven was, dan de

vrijheid en glorie der stad. 't Pijnt mij, het te moeten herhalen,

maar het is zoo, meester Elsen! de opspraak, dat gij overhelt naar

den Spanjaard, wordt al vaster en vaster geankerd, en tracht gij die

niet te doen wijken, gij zult er de zure vrucht van plukken. Nog is

het tijd; de dagelijksche storm tegen mij, de scheeve blik zelfs,

die van sommigen op mij geslagen wordt, heeft mij het forsche woord

doen spreken, dat Anna onder het vendel van Kenau, of ik niet langer

haar minnaar zou worden gerekend. Die stap is gedaan en....«

--»Onvergeeflijk stuk!« viel de doctor hem in de rede, terwijl zijne

armen eene krampachtige trilling aannamen, »men loert op mijn verderf,

men haakt met gretigheid naar mijn ondergang. Heilige Maria! gij

weet, in wat leed ik zal gesleurd worden en dat door booze vijanden

alleen. Wat heb ik misdaan? Wat aanleiding gaf ik ooit, dat ik Alva,

den tiran aanhing? Laas, eilaas! het kwaad zal voortloopen, en dat

zal ik te danken hebben aan den zoon van mijn vriend, die alleen

bekommerd voor eigen naam, mij aan verder leed blootgaf en verdere

achterdocht. Maar nooit....«

--»Neen, niet verder in zulken zin!« sprak Boreel, doctor Elsen's

woorden afbrekende, »drijf mij geene schuld toe, die verre van mij

is; wrijf mij geen kwaad aan, waaraan ik niet schuldig ben. Ga bedekt

onder 't volk: hoor, wat men mompelt en gij zult vernemen dat ik het

ben, die alle argwaan van u afwerp; maar de verdediging van eenen,

die door liefde of vriendschap niet onzijdig wordt gerekend, geeft

luttel baat. Het eenige waardoor allengs de achterklap op de vlucht

zal worden gedreven, is, dat gij Haarlem geneigd toont te zijn,

door Anna niet langer terug te houden van hetgeen haar plicht is.«

De grijsaard beefde aan al zijne leden; beurtelings sloeg hij het

vermagerd gelaat met den hollen blik op zijne dochter, als smeekte

hij haar, standvastig te blijven aan haar kinderlijken plicht; dan

weder wendde hij zich tot Haarlem's verdediger, als bade hij dien

om medelijden te hebben met zijne witte kruin en hem niet verder

te bestormen met een strijd, onder welks hevigheid hij bezwijken

zou. Maar Boreel had zijn besluit, hoe zwaar het hem viel, te

onwankelbaar genomen. De worsteling van zijn hartsgevoel met zijne

hoog opgevoerde begrippen van voorstander der vrijheid, had hem

bij de meerdere macht van het eerste reeds te dikwijls doen blozen

over de zwakheid van het laatste, en die blos had hem eindelijk al

zijne krachten doen samenvatten om de sterkere tegenpartij op eens te

verwrikken, te verpletten, hoezeer terugdeinzende voor de wonden, die

hem onder dezen kamp zouden worden toegebracht. Een oogenblik zwijgend,

hield ook hij het oog op den vader, daarna op de dochter gericht. Hoe

gaarne had hij gewild, dat Anna, na zijne laatste woorden, spreken

zou: zóó spreken, dat hij voor eene laatste smartelijke herhaling

zou gespaard zijn. Maar Anna sprak niet. Zij wilde het, maar zij kon,

zij mocht niet, als zij op de zenuwachtige siddering van den grijsaard

het oog sloeg, en--zij zweeg.

--»Anna, liefste van mijn hart!« zeide de jongeling, voor wien die

zwijgende toestand eene marteling werd, »ik verlaat u; mijne eer

als Haarlem's verdediger en als man, mijn plicht vordert dit van

mij. Anna! dat de heilige maagd met u zij; het offer valt mij zwaar,

maar het moet, Anna! het moet.«

Met onstuimig gevoel sloeg hij de beide armen om haren hals om zich

voor het laatst vast te klemmen aan het dierbaar voorwerp, waarvan

hij zich tegelijk wilde afscheuren; dat was eene omklemming als die

van den half gezonken schipbreukeling aan het drijfhout waarvan eene

aanrollende golf hem zou afslingeren. En wat schok voor Anna! een

schok, te hevig voor het vrouwelijk gemoed: en toch wederstond zij

dien; toch zonk zij niet machteloos met gebogen hoofd ineen: de lelie,

schoon door een rukwind geteisterd, bleef nog op haren stengel staan.

--»Als het moet, Sijmon! zal het Gods wil wezen,« sprak zij, »maar

wee u, zoo, bij de verantwoording, uw gemoed niet eenstemmig zal zijn

met wat uw mond spreekt; wee u, Sijmon! als gij een hart vol oprechte

min koelbloedig met den voet trapt. Neen! dat bid ik, dat de heilige

moeder Gods het u nimmer tot rouwe doe zijn.« En met een naar den

hemel geslagen oog, waarin zich onschuld, liefde en berusting zonder

een zweem van gekrenkt gevoel of miskenning spiegelden, wond zij zich

zachtkens uit de armen van den jongeling, den wreeden, maar toch zoo

warm beminden geliefde. Dat was een oogenblik van worsteling tusschen

gevoel en hartstocht; daar kampten godsdienst, vrees, liefde, eer met

al hunne nevengewaarwordingen; en de schoonste van die allen was de

liefde van Anna; want het was de heilige kinderliefde. Maar het was

ook het oogenblik, waarin vrees en duistere godsdienstzin geweldig

bestreden werden door ouderliefde. Want Anna's vader!.. sidderend stond

hij daar; maar toch besefte hij, wat offer hem gebracht werd. Kon hij

dat aanzien, dat dulden, zonder er een offer tegen te stellen? Hij

zag niet, hoe de boezem van zijn kind gefolterd werd; maar hij voelde

het aan het kloppen van zijn hart. Nog kon hij terugtreden, de vrees

van zich werpen; nog kon hij beproeven, of de toekomst hem moed genoeg

geven zou om zijn lot te torsen: hij weifelde, hij wankelde; de strijd

was zwaar, het offer dat hij brengen zou, groot: maar hij bracht het,

of liever, hij bracht het thans.

--»Neen, Anna!« sprak hij, »dat mag, dat kan niet; de vrees zal van

mij wijken, ik zal moedig wezen. Als God het wil, dat het dan zoo zij,

en ik zal dag en nacht bidden, dat de heilige Maria u tot schut en

scherm zij in het dreigend gevaar.«

Nu wilde hij Anna aan zijne borst drukken; nu wilde hij Boreel's hand

in de zijne klemmen en een moed toonen, dien hij nooit gekend had, maar

op eens, op het oogenblik, dat Boreel de sidderende hand aangrijpt,

dreigt de grijsaard op den grond te storten; hij wankelt, als door

een electrieken schok getroffen onder een schellen angstkreet. Op

eens hoort men eene losbarsting; het is de ontploffing eener mijn,

en op die ontploffing volgt een daverend schot.

--»Mijn God!« roept Anna; want hoezeer aan den donder der slangstukken

en het losbarsten der mijnen gewoon, is de schok echter thans even

onverwachts als geweldig. Maar de uitwerking op Boreel is zoo min

die van vrees als schrik. Nauwelijks hoort hij den slag, of hij rukt

zich los van Anna, slaat de reeds uitgestrekte hand aan zijn rapier,

en onder den uitroep: »Vijands geschut! Naar den wal!« snelt hij het

vertrek uit, zonder verder een woord te spreken en verlaat de woning

van den doctor als een pijl uit den boog.

Maar nauwelijks is hij uit het huis, of er valt andermaal een schot.

--»Voort!« roept hij in zichzelven, aan niets anders meer denkende,

dan aan de verdediging der stad. Eene nieuwe losbranding volgt. In

het gat van de Houtstraat, naar de markt, ziet hij mannen en vrouwen

met drift naar de hooge Zijlstraat spoeden, en nog is hij niet aan den

ingang van de Barteljorisstraat, om langs dien weg naar de Kruispoort

te snellen, of het geschreeuw: »zij is dood!« treft zijn oor.

--»Wat is er? Wie is dood?« vraagt Boreel aan eenigen onder de menigte.

--»'k Weet er niets van, heer!« is het antwoord, »maar 't volk gaat

te hoop naar de Zoetestraat: daar moet het wezen.«

Onder die woorden snellen zij de anderen achterna, terwijl Boreel

inmiddels naar den wal ijlt.

Al meer en meer stroomt de menigte, op het onzekere gerucht, naar

de Barteljorisstraat en de hooge Zijlstraat, terwijl velen van de

Kruisstraat afkomen en de groote en kleine Krocht reeds als met

menschen bezaaid is, die elkander naar de Zoetestraat dringen.

--»Jezus Maria, wat ongeluk!« roept de eene.

--»'t Was een droef gezicht, daar 't hart bij breekt!« laat een ander

hooren. »Een meisken zoo zoetaardig van geest, zoo kloek van moed:

och, lieve Heer!...«

Hoe verder men voortdrong, hoe luider de klachten en het misbaar

werden. Zoo op eens toch heeft het geschut van den belegeraar rouw in

menig gemoed gebracht; het vendel van Kenau telt eene heldin minder;

de wakkere Maria van Schooten is dood.

Gereed om de woning haars vaders te verlaten--toenmaals een zeer schoon

gebouw in de Zoetestraat, waar in de helft dezer eeuw de Rouwkamer

was, zijnde thans perceel No. 13--vertoeft Maria van Schooten nog

een oogenblik op de stoep, wijl de schrijver of klerk van hopman

Vader van den kant der Zijlstraat nadert en haar een teeken geeft,

dat hij haar iets heeft mede te deelen. Zij toeft alvorens den weg

naar de lange Margarethastraat in te slaan en--dat oogenblik is haar

noodlottig. Plotselijk doet zich de losbarsting der mijn hooren, te

gelijker tijd ook het geschut en--de beide beenen afgeschoten, is een

leven vol liefde, vol jeugd, vol moed, eensklaps vernield. Dat deed uit

de oogen van hen, die het zagen, een tranenvloed springen. Maar nog

eischte de dood andere slachtoffers. Door ontzetting aangegrepen,

staat de jongeling, die haar wilde aanspreken, een oogenblik

stom en wezenloos en--dat oogenblik is ook zijn dood: een andere

kogel giert aan en onder een gil valt hij, in de borst getroffen,

stervend op den grond. Dat is een tooneel van smart en van wanhoop:

dat herschept de woning van genoegen en tevredenheid in eene woning

van jammer en radeloosheid: dat verscheurt de borst van zoo menigen

vriend en vriendin, van zoo menige speelgenoot, en allen die Maria

liefhadden schreien, neen weenen over haren dood. Zie, in dat huis;

nog korts zag men er eene lenteroos, een bloeiend leven--thans eene

afgerukte witte lelie, den killen dood. Zie die moeder, dien vader,

die zuster bij het lijk: eerst bedwelming, daarna woedende smart,

ten laatste folterend lijden. Zie die gelaatstrekken, die gebaren,

kampende tegen het wee van de ramp; zie dat optrekken der wenkbrauwen,

als wilden zij het woelende brein tot hulpe zijn; dat flikkerend en

vluchtig licht in de oogen; dat hijgen der boezems, die trekking van

al de zenuwen en spieren, en dien naar den hemel gewenden blik. Stort

hem uit, dien tranenvloed, die, onder eene zoo zichtbare schokking

der ziel, opwelt: stort hem uit, droeve ouderen! het zal verlichting

geven aan uw leed.

Maar niet in dezen woning alleen heerscht wanhoop, woont

rouwe. Ginds bij de Ursulasteeg ziet men eene andere moeder,

radeloos, met losgeslingerde haren door de saamgevloeide menigte

heendringen. Drie harer kinderen zijn door één kogel getroffen, en

de stuiptrekkingen van een hunner getuigen, dat het nog leeft, maar

dat weldra de laatste vonk zal uitgebluscht zijn. De wanhoopskreten

der moeder vervullen de lucht. De arme, de ongelukkige! wie kan haar

diep gemis vergoeden? Maar opnieuw gieren er kogels door de lucht:

angst, schrik maakt zich meester van de menigte, die hier weeklaagt,

daar den Spanjaard vervloekt, doch allengs zich verspreidt, opdat de

dood geen jammer te meer voege bij het reeds zoo treurig tooneel.

Wij zagen Boreel naar den wal snellen, waar op Ripperda's bevelen,

aanstonds honderden gereed zijn tot het opwerpen van nieuwe

blindeeringen, als zoovele bolwerken tegen 's vijands geschut.

De avond komt; de belegerden tellen vijf slachtoffers meer, zonder

dat er een storm had plaats gehad. Het was een dag geweest als zooveel

andere dagen, waarop de vijand zijn kruit gespild en geen voet gronds

gewonnen had.

Maar voor hoevelen ook, vooral was die dag onvergetelijk voor Anna en

Boreel; want beider worsteling tusschen liefde en plicht zou hervat

worden, met een uitslag, te grievender, omdat de reeds opgevatte hoop

bijna te gelijker tijd zou verdwijnen.

Toen Boreel naar doctor Elsen terugkeerde, had de beroemde geneesheer

Duvius hem juist verlaten, en nu vond hij den doctor in een grooten

armstoel, en nog daarenboven door de lieve Anna ondersteund.

--»Wat is dat, Anna? wat is dat, meester Elsen?« was zijne eerste

vraag, zoodra hij het bleeke gelaat der geliefde en het hijgen van

des doctors borst zag.

--»Een schrik, Sijmon, die mijn vader zoo zeer aangegrepen heeft,

sinds het ongeluk van dezen middag. Laas! wat dat ook een smartelijk

geval is geweest.«

--»Bovenmate!« zeide Boreel, »maar, waarom doctor, ziet gij mij zoo

donker aan?...«

--»Och, ik oude man, ik overleef het niet,« was het klagend antwoord,

dat met een pijnlijken trek om den mond vergezeld ging, »wat mij de

schrik op het lijf is gevallen. O, wat dagen van droefheid, waarin

alles om ons heen donkerder is dan de nacht. Leider! het is mij zoo

beklemd dat ik geen lucht kan vinden voor woorden, en toch moet ik

spreken;.... ik moet het, Boreel! en aanhoor mij: nooit zal Anna mij

verlaten, zoolang ik leef; nooit; liever sterf ik, dan dat zij van

mij zal gaan.....«

--»Wat spreekt gij nu?« zeide Boreel, »wat is het, dat zoo fluks

een omkeer in uw gemoed heeft gewrocht? Zijt gij dan de man niet,

die geene woorden herroept?«

Terwijl hij dit zeide, wierp hij een veelbeteekenenden blik op Anna,

die echter de oogen strak op haren vader gericht hield, als duchtte

zij en als zou het haar smarten, die van Sijmon te ontmoeten,--of

als gevoelde zij schaamte over de vreesachtigheid en zwakheid van

haar vader.

--»Laat af met zoo bittere taal,« hernam de doctor. »Nooit, nooit

zal Anna met het rapier naar den wal streven; nooit, zoolang de

heilige maagd mijne grijsheid nog zal sparen; maar geene lange dagen

zal ik meer leven; mijn zwak hoofd kan het niet harden, dat ik van

den eenen schrik in den anderen verval, niets ziende en hoorende dan

geweld en rumoer. Laat dan af met uwe dagelijksche kwellaadje; toef,

totdat ik van de wereld zal zijn; dan ten minste zult gij voorkomen,

dat ik het rouwkleed nog aantrekke over mijn eenigsten schat.«

--»Groote God! zoo ben ik dan niets waardig in uwe oogen!« vroeg

Boreel, den grijsaard aanziende. »Mij, den zoon van uw vriend, kunt

gij met een hard gemoed in leed storten? Mij, die uwe Anna zoo zeer

bemin, en met een heiligen eed zweer, haar verdediger en trouwe

helper te zijn, mij kunt gij van u afstooten en ontnemen al mijns

levens zoet?.... En dat kunt gij, nadat gij licht in mijne ziel

hebt doen opgaan. Na de hoop kunt gij weder wanhoop in mijn gemoed

brengen?.... O! dat is wreed; dat is eene woordbreuk, die mij feller

vlijmt, dan de dood.«

--»Mijn vader.... Sijmon! och, spaar hem,« smeekte Anna, een teederen

blik op hem werpende, »het tooneel van dezen dag heeft hem aangegrepen

met bijsteren schrik. Hij heeft u lief, Sijmon, van heeler harte. Mijn

vader! spreek het uit, dat woord: lieft gij den zoon van uwen vriend

niet?«

Haar toon was zoo roerend, en de liefde, waarmede zij de hand van

den grijsaard in de hare drukte, zoo innig en gloeiend, dat zij op

dit oogenblik de Engel der liefde zelve scheen.

--»Hem lieven, Anna!« antwoordde de doctor, »moet ik dat herhalen? Aan

wien is, na u, mijn hart vaster verkleefd?....«

--»Neen! dat is het niet,« sprak Boreel, »dan zoudt gij mij niet doen

storten in de diepte der smart.«

--»Ik ben het, dien gij wreed grieft,« hernam de doctor met eene

bevende stem; »ben ik niet een zwak en afgeleefd man? Gij hebt het

mij afgeperst, dat ik neigen zou tot uwen wil; maar na zulk een

jammertooneel van dezen dag.... Nog hoor ik de bange kreten; ik zie

Maria's vader bij het bloedige lijk; ik zie hare moeder in wanhoop en

afgetobt door weedom. Heilige Maria! was zij niet eene van Kenau's

vendel? En vond zij niet een wreeden dood, waarbij mij 't gemoed

opbarstte, schoon ik haar vreemd ben? O ramp zonder weerga! dat zou

ook Anna treffen en ik zou mijn eenigen schat zien baden in haar

bloed!--hoeveel dooden zou ik niet sterven! Neen, Sijmon! neen;

ik zweer het bij de heilige moeder Gods!--Anna verlaat haar grijzen

vader niet.«

Dat was beslissend: het vonnis onherroepelijk geveld. Die woorden

des doctors, gesproken met eene zwakke, sidderende stem, evenals van

iemand, die den dood voelt naderen, die eed bij de heilige moeder

Gods! wat behoefde de jongeling meer, om te beseffen, dat des doctors

besluit onwrikbaar genomen was? Geene smeekende of overtuigende taal

werd dan ook verder door Boreel gebezigd: maar ook zijn besluit was

onwankelbaar; en terwijl hij de hand van den doctor in de zijne nam,

sprak hij op roerenden en vasten toon tevens:

--»Welaan dan, en moge God u sparen voor bitter naberouw, dat

gij Anna's geluk en het mijne voor altijd hebt verwoest: vaarwel,

vriend van mijn vader! dat bid ik de heilige maagd!« Vervolgens de

hand terugtrekkende, stak hij die uit naar Anna, sloeg een somberen,

maar toch liefdevollen blik op haar en zeide:

--»Vaarwel, Anna! vaar ook gij wel; het lot is geworpen; verbroken

is het snoer, dat ons samenbond; de gebenedijde maagd neme u in hare

hoede: dat bid ik met hope en liefde!«

Aan Anna's voeten scheen, bij deze woorden, de grond te

ontzinken. Toch wankelde zij niet: toch hield zij zich krampachtig

aan den armstoel geklemd; toch vloeide geen traan uit haar oog,

want met welk eene onstuimige kracht de vloed opgestuwd werd, hare

macht om dien te keeren, behield de overhand. Dat had zij dien middag

met geestkracht besloten; zij had den nieuwen strijd voorzien en er

zich met vrouwelijken moed tegen gewapend. Dat kon zij te eerder,

omdat zij den vijand, dien zij bekampen moest, had leeren kennen;

en toen nu de aanval plaats had, wankelde noch bezweek zij; maar de

op haar drukkende last, dien zij met overspanning torste, beklemde

haar toch de borst; de tranen, die zij met geweld terugdrong, deden

haar ook geen lucht vinden voor woorden, voor klanken, en zij stond

daar stom en onbewegelijk als een marmerbeeld.

--»Gij smaadt, gij veracht mij, Anna!« riep Boreel, terwijl hij

onstuimig hare hand greep, die stijf op hare heup hing; »slechts één

woord, Anna! één woord slechts, dat ge mij niet veracht; want bij de

heiligen! zóó verlaat ik u niet....«

En Anna sprak dat woord, en afgebroken zeide zij:

--»Vaar.... wel, Sijmon!«

--»God lof!« riep Boreel en nu wilde hij zich met verrukking voor

het laatst om haren hals werpen, den afscheidskus op haren mond

drukken.... maar toen hij reeds de handen uitstrekte, deinsde hij

plotseling terug, evenals men terugdeinst voor den angel eener slang,

die ons met den dood dreigt.

--»Voort! voort!« riep hij uit, »eer ik zwak word; vaarwel, voort!....«

Zonder verder een blik op den doctor of Anna te werpen, verliet hij het

vertrek, snelde als een vervolgde het huis uit en ijlde de straat op,

waar de koel hem tegenruischende avondwind eene verfrisschende lucht

schonk aan zijne felbenepene borst.

Zóó als Boreel vlood, de zonde te ontvluchten, dat zou edeler, dat

zou grooter wezen, dan een strammen grijsaard te martelen, dan een

geliefd voorwerp zóó te verlaten, om roem en eerzucht te bevredigen.

Mochten sommige lezers dit uitroepen, voor dezulken dan is dit

vaderlandsch verhaal niet geschreven. Maar mocht men Boreel hier

dwepend, mocht men hem hard noemen,--wij willen gaarne de hand

op den mond leggen. Maar verplaats u, zoo ge dit vermoogt, in den

jare 1573; vertegenwoordig u den strijd van het zwakke Nederland

tegen het machtige Spanje. Zie dat Nederland later aan dat Spanje

de wet voorschrijven; vraag u dan af: »waardoor werd die grootheid

verkregen?« Mogen dweepzucht of hardheid somwijlen het hunne hebben

gedaan, niet minder deed een wil van metaal, een ijzeren moed, met

het oog op God, niet minder deden opofferingen, die weerklank vonden,

die soms wel diepe wonden sloegen, maar ook vonken van moed aanbliezen

tot een onuitbluschbaar vuur. En geene stad kan met meer recht dan

Haarlem de woorden van Hooft op zich toepassen: »de grondslag van

ons tegenwoordig geluk werd gemengd en gemetseld in den kalk van het

bloed en de tranen van ons voorgeslacht.«

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 17 / 21 题