Het beleg van Haarlem is allerbelangrijkst en schijnt een breed,
een bijna onafzienbaar veld van beschouwing aan te bieden, zeide
ik, toen ik de Nieuwegracht (de voormalige Stads Buitengracht), de
Ridderstraat en zooveel andere straten betrad, waar bijna drie eeuwen
geleden, voor de vrijheid en den godsdienst zoo bloedig gestreden
werd. En inderdaad! hoe meer wij iedere plek leerden kennen, waar
Kenau streed, waar Ripperda bolwerk door bolwerk deed vervangen,
waar Van der Laan den standaard der volharding plantte, hoe meer wij
beseften, dat Haarlem een eik was, die voor geen stormwind boog.
De eerste dag van Februari was Zondag, rustdag zelfs voor vele steden
van het bedreigde Nederland, maar geen rustdag voor Haarlem of voor
den vijand. De strijd van daags te voren was bloedig, was afmattend
geweest, en toch klonk weer de doffe donder van het geschut boven
het statig lofgezang in de St.-Bavo's kerk. In de woning van den
geheimzinnigen vreemdeling zaten Ripperda, Van der Laan en Kenau
voor diens legerstede; want de held, die daags te voren zooveel tot
's vijands nederlaag toegebracht had, was plotseling krank geworden:
en zulk eene krankheid volgde bij hem altijd na den afloop van een
bloedig gevecht. »Daar bracht hij dan--om met Hooft te spreken--een
boezem, ledig van hitte en hevigheid, stortte te bed en lag ettelijke
dagen ziek van moed, zich erbarmende in 't nadenken van al dat
bloedvergieten, over 't ellendig lot des menschdoms, met eene
wonderlijke wisseling van zoo strijdende hartstochten in een en
denzelfden geest.«
Intusschen begon de vijand ook bij de zeven molens op den Jansweg
schansen op te werpen, om het Spaarne te kunnen beschieten en aan
de schepen het in- en uitvaren te beletten. Zij brachten er twee
slangstukken en betrokken wachten bij de twee molens, die door den
laatsten brand waren verschoond geworden. Eenige ruiters trokken de
Schalkwijker- en de Zijlpoort uit om den vijand eenige afbreuk te
doen; doch hun voordeel bestond slechts in het ombrengen van twee en
het gevangennemen van een gelijk getal. Des namiddags werd de tocht
buiten de Zijlpoort herhaald en toen bestond de buit in een zak met
acht en twintig brooden, welke men aan eene van het Leprozenhuis
komende vrouw ontnomen had. Drie dagen te voren was er afgelezen dat,
op zware boete, het ossenvleesch voor niet duurder dan twee blanken,
en het koeienvleesch niet hooger dan voor een braspenning het pond
zou mogen verkocht worden; en nu werd nog dienzelfden dag bevolen,
het roggebrood, thans met gerst gemengd, voor niet hooger dan twee,
en eene kan Rhijnsche wijn voor zes stuivers te verkoopen, terwijl
de voorzichtige magistraat een ieder onder de verplichting bracht, om
brandemmers, ladders en haken, en gedurende den nacht eene brandende
kaars voor het glasvenster, in gereedheid te houden.
Hadden de Spanjaarden op dienzelfden dag een postbode van Haarlem gevat
en te Hillegom opgehangen, en hadden zij dertien met levensmiddelen
beladen sleden veroverd, ofschoon hun deze door de vrijbuiters van
Aalsmeer weder ontnomen waren geworden, vier dagen later echter kwam er
weder eenig koren binnen de stad en bemachtigde men van den vijand eene
zoogenaamde Kleefsche kar met twee paarden. Evenals in het beleg van
Mutina, Hertius den ingesloten Brutus, door middel van duiven, kennis
van zaken gaf, zoo deed ook de prins. Wel werd er soms eene door den
vijand geschoten; doch op denzelfden dag kwam er weder een brief van
Oranje, waarin hij Ripperda meldde, dat men te Buren een vijandelijken
postbode de bij hem berustende brieven had ontnomen, waardoor hij
te weten kwam, dat de Spanjaard de belegerden meer vreesde dan hij
voorwendde, doch dat men binnen de stad niet genoeg waakzaam kon
zijn, en hij eindigde met de belofte, zoo spoedig mogelijk weer eenig
buskruit en levensmiddelen te zullen afzenden. Had de vijand daags
te voren aan de Kruispoort eene mijn willen doen springen, doch was
door het beleid van Derdein dit plan verijdeld en den Spanjaard door
het losbarsten der tegenmijn een gevoelige neep toegebracht geworden,
hetzelfde wedervoer hem dezen dag andermaal, terwijl nog daarenboven
een waaghals, die het bolwerk wilde bezichtigen, zijne stoutheid met
den dood bekocht en vervolgens over den wal werd geworpen.
Naar evenredigheid der aangroeiende bezetting, groeiden ook de
behoeften; en de kloeke Van Brederode door den Waalschen hopman
Vimij vergezeld, vertrok acht dagen na den laatsten storm naar
het prinselijk leger. De zending van beiden was dan ook van dat
gevolg, dat er reeds des Zondags een rijke voorraad van meer dan
honderd vrachten koren binnen de stad werd gevoerd. De Spanjaards,
wrevelig over den gedurigen aanvoer, over de noodlottige nederlaag,
welke hij dien dag door het springen eener tegenmijn, weder geleden
had, en door het barsten van negen zijner Namensche Vliegen, zwoer,
de Haarlemsche vesten zóó te ondermijnen, dat ze niet dan met het
grootste gevaar zouden te betreden zijn. Als een door hen aangevangen
werk in het Blokhuis van de Kruispoort, verdient intusschen hunne
schietkat of heuvelbeukerij wel eene korte schets. Men verbeelde
zich dan eene dertig voeten hooge, vierhoekige batterij, welker
frontbiedende zijde de langste was en eenigszins opliep, en aan
de zijde naar de schansen had men een opgang tot aanvoering van
geschut. Schanskorven, aardzakken en stevig ineengevlochtene teenen,
welker tusschenruimten nog bovendien met graszoden waren aangevuld tot
dekking van de flanken der borstwering, terwijl alles nog met rijs-
en vlechtwerk en met klei gevulde paaltjes voorzien werd om het vuur
der Haarlemmers te beter te kunnen weerstaan. Het doel van die kat was,
om de stads-ravelijnen geheel en onbelemmerd te kunnen overzien en de
straten in alle richtingen te beschieten. Maar Ripperda het oogmerk
doorgrondende, liet oogenblikkelijk in onderscheidene wijken der stad
eene soort van dwarswallen en groote blinden opwerpen, ten einde de
uitwerking zooveel mogelijk tegen te gaan. Ook werd nu het bolwerk
voor de Janspoort, welks spits reeds bijna geheel was afgeschoten,
met aarde, rijs en hout weder opgehoogd, zoodat nu de borstwering
de noodige sterkte terug verkreeg. Evenmin als het geweld rustte,
was ook de list niet werkeloos. Reeds eenige dagen geleden was de
dooi ingevallen en nu meldde zich in den vroegen morgen van den
elfden Februari een vijandelijk Duitscher, die in den Hout lag,
aan. Met zijn helmhoed wuivende, begeerde hij binnen de stad gelaten
te worden en vertoonde eenige brieven met het opschrift aan den
hopman der Duitschers, Steenbach. Men gaf aan zijn verlangen gehoor,
bracht hem naar het kwartier van Steenbach, en deze, de brieven
aangenomen hebbende--zekerlijk toch wel nadat hij er met Ripperda
over gesproken had--vond men het raadzaam, den soldaat ten scherpste
te ondervragen. De uitslag baarde achterdocht en ten einde nader
achter de waarheid te komen, werd de Duitscher voorloopig gevangen
gehouden. Zonderling, dat niet reeds toen een welverdiend wantrouwen
tegen den baatzoekenden Steenbach zelven werd opgewekt.
Inmiddels toonden de naburige zustersteden, dat zij den moed der
Haarlemmers wisten te waardeeren. Leiden zond een met levensmiddelen
beladen vaartuig, hetgeen op Woensdag daaraanvolgende, en tevens
met toezending van twee metalen stukken geschut, herhaald werd. Ook
kwamen, vijftien dagen na den laatsten bloedigen storm, weder veertig
haakschutters binnen, met zich brengende zestig last rogge, tarwe,
boonen en anderen voorraad, benevens de tijding, dat den volgenden
dag een turfschip van Aalsmeer en een met brood en visch geladen
vaartuig zou binnenkomen, alsmede eene slede met proviand geladen,
die door twee vrouwen van Amsterdam naar het leger werd aangevoerd en
buit was gemaakt. Niet alleen werd deze belofte getrouwelijk vervuld,
maar uitroepingen van vreugde klonken door gansch Haarlem, toen een dag
later een Duitsch hopman, Christoffel Gunter geheeten, met vierhonderd
kloeke soldaten en acht en twintig met allerlei mondbehoefte bevrachte
schuiten, binnen de belegerde veste kwam. Dat was in staat om de
zwakken moed in te blazen, en den moed der sterken te verhoogen; ook
was nu het dooiweder zóó toegenomen, dat men reeds eene eerste galei,
ter lengte van vier en tachtig voeten, in de Haarlemmermeer bracht. Tot
het maken daarvan leverde Kenau Hasselaar de balken en het kromhout uit
hare houtkooperij. Het was met dezelfde galei, dat men daags daarna
belette, dat de Amsterdammers eene kleine galei en vier vaartuigen
den dijk bij Penningsveer doorstaken. In dien Veerdijk lag een klein
sluisje. Ook had men vele jaren vroeger twee sluizen gelegd in den dijk
naast het Spieringmeer. Met zuid-westewind viel de persing op de groote
Waal;--en om diepte in het Spaarne te behouden en het gemakkelijke van
de doorvaart hadden de Haarlemmers acht jaren vroeger de Lie gestopt;
door welk een en ander zich begrijpen laat, dat de vijand zich, door
het doorsteken van den Veerdijk, den weg naar de Haarlemmermeer zou
geopend hebben. Terwijl dit nu plaats greep, liep er aan de Eendjes
of Leidsche Waterpoort een met tien gotelingen--metalen stukjes
geschut--en met buskruit geladen damlooper binnen. De Haarlemmers
werden door dezen gedurigen voorspoed nog moediger, doch begrepen ook,
dat de Spanjaard van nu af niet slechts te land, maar ook te water
zou moeten bevochten worden. Het eerste gevecht, dat, van dien aard,
in eenige aanmerking verdient te komen, had drie weken na den storm
op den wal plaats. De Amsterdammers en Spanjaards namelijk trachtten
met hunne galeien en schuiten het aangevangen werk aan Penningsveer
door te zetten, maar de Haarlemmer galei onder bevel van Jacob
Anthoniszoon hield zich zoo dapper, dat de vijand moest aflaten. Ook
begaf zich de ritmeester Enkhuijzen met eenige ruiters buiten de
Spaarnwouderpoort, werd met ponten of, zooals men ze toen noemde,
met plempschuiten, aan land gezet, en veroverde een vijandelijken
damlooper, waarvan de bemanning grootendeels doorstoken of in de
Fuik werd opgehangen. Van meer belang echter en roemrijker was het
gevecht van vijf dagen later. Gerard de Jong namelijk, kapitein van
de groote galei, veertien Amsterdamsche karveelschepen op de Meer
ziende komen, was onvoorzichtig genoeg om, zonder een der overige
hoplieden te waarschuwen, den vijand alleen te gaan bestrijden, zich
streelende met de gedachte, den prijs alleen te zullen behalen. Het
noodlottig gevolg was, evenwel, dat zijn schip met geweld genomen,
het grootste gedeelte zijner bemanning gekwetst werd en hij zelf met
eenige anderen ternauwernood het leven door de vlucht redde. Maar
na deze nederlaag was het, dat de dapperheid van den Haarlemmer
geus, Jacob Anthoniszoon, bijzonder uitblonk. Niet zoodra had hij de
onheilsmaar vernomen of met de kleine galei, waarop hij bevel voerde,
viel hij met de andere hoplieden krachtig en manmoedig op den vijand
aan. Zóó hevig was de schok en zoo uitmuntend het beleid, dat de reeds
sinds twee uren verlorene galei weder heroverd werd. Men vond daar
toen eenige verborgene vijanden in, die aan de ra's, door den strop,
oogenblikkelijk om het leven werden gebracht; doch het voordeel
achtervolgende, joeg men den vluchtenden vijand na en veroverde
een karveelschip, dat als het ware met Spanjaarden en Walen beladen
was. Toen vernieuwde zich echter ook weder een dier tooneelen, welke
vooral sedert het innemen van den Briel den geuzen tot gewoonte waren
geworden. Onder kreten van schimp en hoon werden de vijanden over de
kling gejaagd, toen het een der schepelingen inviel om den belegerden
binnen Haarlem een levend bewijs hunner overwinning onder de oogen
te brengen. Vier hunner, onder welke zich een Leuvensch edelman,
Ravenschot genoemd, bevond, werden gespaard en met het afgehouwen
hoofd van den Spaanschen aanvoerder aan Ripperda gezonden, waarna men
vervolgens weder naar de Fuik terugtrok en lustig den beker zwierde,
tot dat hem de schepelingen reeds toen den rang van vice-admiraal
voorspelden, die in lateren tijd door hem bekleed werd.
Hoe kon het anders, of de Spanjaard moest door spijt en wrevel
aangegrepen worden? Hier zag hij doortrapte, heimelijke list
door nog fijner en schranderder list verijdeld--daar driest en
donderend geweld door vernietigend tegengeweld gekneusd of geknot;
den te harden en daardoor brossen ijzeren koevoet door den buigzamen
houten gebroken. Hoe dichter hij Haarlem zocht in te sluiten, des te
trotscher verhief zich de stad evenals een ceder te midden van een
onafzienbaar woud. In dat Haarlem zag hij, ja een enkelen verrader;
maar een verrader, die, bij al zijne sluwheid, niet in staat was,
hem grooter dienst te bewijzen dan eene diep gegravene mijn doet,
welke, bij gemis van buskruit, niet kan losbarsten. En tegenover dien
verrader zag hij mannen en vrouwen met onkreukbare standvastigheid
en ijzeren wil. Hij zag Ripperda, Van der Laan, Kenau Hasselaar en
zooveel andere helden kracht en moed aan den dag leggen, kracht in het
dragen van bezwaarnissen,--moed in het wederstaan van gevaren. Kortom,
hij zag niets dan schande om eigen hoofd, niets dan eer om het hoofd
der Haarlemmers. Men greep derhalve naar eene stroowisch, als een
schijnbaren balk--er werd krijgsraad belegd.
Het laat zich begrijpen, dat het in dezen krijgsraad niet aan
verschillende meeningen ontbrak: doch de gevoelens der meesten, zelfs
van Cressonnières en Noircarmes, die in den aanvang gewaand hadden, dat
Haarlem spoedig zou vallen, kwamen daarop neder, dat een langer beleg
verderflijk was. Immers, men lag in het midden van een moerassig land,
zonder behoorlijke brandstof gelegerd,--de Spanjaarden, aan eene heete
luchtstreek gewoon, waren in menigte op hunne posten bevroren:--zij
hadden aan de meeste levensbehoeften gebrek, terwijl zij in Haarlem
den overvloed zagen. Dien gedurigen toevoer konden zij niet beletten;
want de Hollander, de behendigste schaatsenrijder van Europa, snorde
hen op schaatsen met de snelheid van een vogel voorbij--en schaterend
hoongelach klonk hen na. Hoe zou Frederik de stad door honger tot
overgaaf kunnen dwingen? De Spanjaarden hadden zoo vurig gewenscht,
dat de snerpende vorst door dooi mocht vervangen worden. Hun wensch was
verhoord; maar wel verre, dat zij daarvan de begeerde vrucht oogstten,
plukten zij slechts doornen: de wateren zwollen en vermeerderden
van dag tot dag; de Hollandsche grond werd dras en onbetreedbaar,
en in de verblijven der kikvorschen vond de vijand den dood; de
vaartuigen kwamen met zwellend zeil binnen de stad en schenen evenals
de vroegere schaatsenrijder met den belegeraar te spotten. Al deze
gronden brachten Frederik tot het besluit, om Bernardin de Mendoza
met eene schets van den toestand des legers aan Alva af te zenden.
--»Bij San-Jago!« sprak Alva, »kent de zoon den vader niet meer?--Gij
spreekt van verzinking in de moerassen; no es nada! (het is niets)
die zullen opdrogen. Gij gewaagt van gebrek aan levensmiddelen...,
no es nada! wij zullen toevoer zenden. Wat is het dan? Is de pest
in het leger? Neen, zegt gij. Steken er rebellen het hoofd op? Neen,
zegt gij; want Alva's soldaten kennen slechts de tucht. Is dan de moed
uitgebluscht? Neen! antwoordt gij fier; want de moed der Spanjaards
is altijd blakend en brandend. Wat is het dan? No es nada, en--het
beleg ga voort!«
Maar niet slechts met dat no es nada--dat in Alva's mond bestorven was,
wanneer hij slechte tijdingen gering wilde achten en, door laconische
antwoorden, eene gemaakte deftigheid en versmading wilde aan den dag
leggen,--niet slechts daarmede vertrok Bernardin de Mendoza, Alva gaf
hem ook nog een geschrift voor zijn zoon mede, en wij willen den, van
zijn toorn getuigenden inhoud, volgens een zijner levensbeschrijvers
mededeelen:
»Indien gij wilt, Frederik! dat ik u voor mijn zoon zal erkennen,
dan moet gij de stad nemen, of in het beleg sterven. Zoo gij
sneuvelt, zal ik, schoon met zware pijnen wegens ziekelijkheid,
en met gemelijkheid beladen, met uw verlies vergenoegd, uwe
plaats komen bekleeden. Treft mij hetzelfde lot, dan zal uwe
moeder, op de tijding onzer lijkstatie, uit Spanje komen en het
beleg eindigen. Sneuvelt ook zij, dan zal haar dood al datgene
vervullen, wat wij aan den koning, onzen souverein, en aan de
onversaagde standvastigheid der hertogen van Alba, onze voorzaten,
verschuldigd zijn;--maar zoo zij roemvol uit de onderneming treedt,
zal zij zorgen om voor haar zoon en haar gemaal gedenkteekenen ter
eeuwiger geheugenis te stichten op de puinhopen eener oproerige,
hardnekkige stad.«
--»Dat is te veel!« riep Frederik verbaasd en gegriefd, toen hij dat
geschrift ontving. »'s Vaders gezonken vertrouwen op den zoon zal uit
Haarlem's rook en vuur weer oprijzen, dat zweer ik, en zoo ik mijn
eed breek, zal geen priester mij ooit de biecht afnemen. Het beleg
ga voort!«
Het beleg ging voort; en als de huurlingen in het Spaansche leger hunne
verwondering over het vertrouwen op den landvoogd te kennen gaven,
dan klonk hun het pochend antwoord van de Spanjaards in de ooren:
»Wij weten, dat de hertog geene bevelen geeft, zonder van den goeden
uitslag verzekerd te zijn: uit den stand der zaken doorziet hij de
toekomst, dringt door in de gedachten zijner vijanden en bepaalt uit
de vogelvlucht, wat aller lot zijn zal.«
Inderdaad! voor een zoo onhandig staatsman als Alva, voor een zoo
jammerlijk voorspellingstalent zouden Rome's wichelaars wel nooit
eene eerbiedige buiging hebben gemaakt.