VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Het beleg van Haarlem is allerbelangrijkst en schijnt een breed,

een bijna onafzienbaar veld van beschouwing aan te bieden, zeide

ik, toen ik de Nieuwegracht (de voormalige Stads Buitengracht), de

Ridderstraat en zooveel andere straten betrad, waar bijna drie eeuwen

geleden, voor de vrijheid en den godsdienst zoo bloedig gestreden

werd. En inderdaad! hoe meer wij iedere plek leerden kennen, waar

Kenau streed, waar Ripperda bolwerk door bolwerk deed vervangen,

waar Van der Laan den standaard der volharding plantte, hoe meer wij

beseften, dat Haarlem een eik was, die voor geen stormwind boog.

De eerste dag van Februari was Zondag, rustdag zelfs voor vele steden

van het bedreigde Nederland, maar geen rustdag voor Haarlem of voor

den vijand. De strijd van daags te voren was bloedig, was afmattend

geweest, en toch klonk weer de doffe donder van het geschut boven

het statig lofgezang in de St.-Bavo's kerk. In de woning van den

geheimzinnigen vreemdeling zaten Ripperda, Van der Laan en Kenau

voor diens legerstede; want de held, die daags te voren zooveel tot

's vijands nederlaag toegebracht had, was plotseling krank geworden:

en zulk eene krankheid volgde bij hem altijd na den afloop van een

bloedig gevecht. »Daar bracht hij dan--om met Hooft te spreken--een

boezem, ledig van hitte en hevigheid, stortte te bed en lag ettelijke

dagen ziek van moed, zich erbarmende in 't nadenken van al dat

bloedvergieten, over 't ellendig lot des menschdoms, met eene

wonderlijke wisseling van zoo strijdende hartstochten in een en

denzelfden geest.«

Intusschen begon de vijand ook bij de zeven molens op den Jansweg

schansen op te werpen, om het Spaarne te kunnen beschieten en aan

de schepen het in- en uitvaren te beletten. Zij brachten er twee

slangstukken en betrokken wachten bij de twee molens, die door den

laatsten brand waren verschoond geworden. Eenige ruiters trokken de

Schalkwijker- en de Zijlpoort uit om den vijand eenige afbreuk te

doen; doch hun voordeel bestond slechts in het ombrengen van twee en

het gevangennemen van een gelijk getal. Des namiddags werd de tocht

buiten de Zijlpoort herhaald en toen bestond de buit in een zak met

acht en twintig brooden, welke men aan eene van het Leprozenhuis

komende vrouw ontnomen had. Drie dagen te voren was er afgelezen dat,

op zware boete, het ossenvleesch voor niet duurder dan twee blanken,

en het koeienvleesch niet hooger dan voor een braspenning het pond

zou mogen verkocht worden; en nu werd nog dienzelfden dag bevolen,

het roggebrood, thans met gerst gemengd, voor niet hooger dan twee,

en eene kan Rhijnsche wijn voor zes stuivers te verkoopen, terwijl

de voorzichtige magistraat een ieder onder de verplichting bracht, om

brandemmers, ladders en haken, en gedurende den nacht eene brandende

kaars voor het glasvenster, in gereedheid te houden.

Hadden de Spanjaarden op dienzelfden dag een postbode van Haarlem gevat

en te Hillegom opgehangen, en hadden zij dertien met levensmiddelen

beladen sleden veroverd, ofschoon hun deze door de vrijbuiters van

Aalsmeer weder ontnomen waren geworden, vier dagen later echter kwam er

weder eenig koren binnen de stad en bemachtigde men van den vijand eene

zoogenaamde Kleefsche kar met twee paarden. Evenals in het beleg van

Mutina, Hertius den ingesloten Brutus, door middel van duiven, kennis

van zaken gaf, zoo deed ook de prins. Wel werd er soms eene door den

vijand geschoten; doch op denzelfden dag kwam er weder een brief van

Oranje, waarin hij Ripperda meldde, dat men te Buren een vijandelijken

postbode de bij hem berustende brieven had ontnomen, waardoor hij

te weten kwam, dat de Spanjaard de belegerden meer vreesde dan hij

voorwendde, doch dat men binnen de stad niet genoeg waakzaam kon

zijn, en hij eindigde met de belofte, zoo spoedig mogelijk weer eenig

buskruit en levensmiddelen te zullen afzenden. Had de vijand daags

te voren aan de Kruispoort eene mijn willen doen springen, doch was

door het beleid van Derdein dit plan verijdeld en den Spanjaard door

het losbarsten der tegenmijn een gevoelige neep toegebracht geworden,

hetzelfde wedervoer hem dezen dag andermaal, terwijl nog daarenboven

een waaghals, die het bolwerk wilde bezichtigen, zijne stoutheid met

den dood bekocht en vervolgens over den wal werd geworpen.

Naar evenredigheid der aangroeiende bezetting, groeiden ook de

behoeften; en de kloeke Van Brederode door den Waalschen hopman

Vimij vergezeld, vertrok acht dagen na den laatsten storm naar

het prinselijk leger. De zending van beiden was dan ook van dat

gevolg, dat er reeds des Zondags een rijke voorraad van meer dan

honderd vrachten koren binnen de stad werd gevoerd. De Spanjaards,

wrevelig over den gedurigen aanvoer, over de noodlottige nederlaag,

welke hij dien dag door het springen eener tegenmijn, weder geleden

had, en door het barsten van negen zijner Namensche Vliegen, zwoer,

de Haarlemsche vesten zóó te ondermijnen, dat ze niet dan met het

grootste gevaar zouden te betreden zijn. Als een door hen aangevangen

werk in het Blokhuis van de Kruispoort, verdient intusschen hunne

schietkat of heuvelbeukerij wel eene korte schets. Men verbeelde

zich dan eene dertig voeten hooge, vierhoekige batterij, welker

frontbiedende zijde de langste was en eenigszins opliep, en aan

de zijde naar de schansen had men een opgang tot aanvoering van

geschut. Schanskorven, aardzakken en stevig ineengevlochtene teenen,

welker tusschenruimten nog bovendien met graszoden waren aangevuld tot

dekking van de flanken der borstwering, terwijl alles nog met rijs-

en vlechtwerk en met klei gevulde paaltjes voorzien werd om het vuur

der Haarlemmers te beter te kunnen weerstaan. Het doel van die kat was,

om de stads-ravelijnen geheel en onbelemmerd te kunnen overzien en de

straten in alle richtingen te beschieten. Maar Ripperda het oogmerk

doorgrondende, liet oogenblikkelijk in onderscheidene wijken der stad

eene soort van dwarswallen en groote blinden opwerpen, ten einde de

uitwerking zooveel mogelijk tegen te gaan. Ook werd nu het bolwerk

voor de Janspoort, welks spits reeds bijna geheel was afgeschoten,

met aarde, rijs en hout weder opgehoogd, zoodat nu de borstwering

de noodige sterkte terug verkreeg. Evenmin als het geweld rustte,

was ook de list niet werkeloos. Reeds eenige dagen geleden was de

dooi ingevallen en nu meldde zich in den vroegen morgen van den

elfden Februari een vijandelijk Duitscher, die in den Hout lag,

aan. Met zijn helmhoed wuivende, begeerde hij binnen de stad gelaten

te worden en vertoonde eenige brieven met het opschrift aan den

hopman der Duitschers, Steenbach. Men gaf aan zijn verlangen gehoor,

bracht hem naar het kwartier van Steenbach, en deze, de brieven

aangenomen hebbende--zekerlijk toch wel nadat hij er met Ripperda

over gesproken had--vond men het raadzaam, den soldaat ten scherpste

te ondervragen. De uitslag baarde achterdocht en ten einde nader

achter de waarheid te komen, werd de Duitscher voorloopig gevangen

gehouden. Zonderling, dat niet reeds toen een welverdiend wantrouwen

tegen den baatzoekenden Steenbach zelven werd opgewekt.

Inmiddels toonden de naburige zustersteden, dat zij den moed der

Haarlemmers wisten te waardeeren. Leiden zond een met levensmiddelen

beladen vaartuig, hetgeen op Woensdag daaraanvolgende, en tevens

met toezending van twee metalen stukken geschut, herhaald werd. Ook

kwamen, vijftien dagen na den laatsten bloedigen storm, weder veertig

haakschutters binnen, met zich brengende zestig last rogge, tarwe,

boonen en anderen voorraad, benevens de tijding, dat den volgenden

dag een turfschip van Aalsmeer en een met brood en visch geladen

vaartuig zou binnenkomen, alsmede eene slede met proviand geladen,

die door twee vrouwen van Amsterdam naar het leger werd aangevoerd en

buit was gemaakt. Niet alleen werd deze belofte getrouwelijk vervuld,

maar uitroepingen van vreugde klonken door gansch Haarlem, toen een dag

later een Duitsch hopman, Christoffel Gunter geheeten, met vierhonderd

kloeke soldaten en acht en twintig met allerlei mondbehoefte bevrachte

schuiten, binnen de belegerde veste kwam. Dat was in staat om de

zwakken moed in te blazen, en den moed der sterken te verhoogen; ook

was nu het dooiweder zóó toegenomen, dat men reeds eene eerste galei,

ter lengte van vier en tachtig voeten, in de Haarlemmermeer bracht. Tot

het maken daarvan leverde Kenau Hasselaar de balken en het kromhout uit

hare houtkooperij. Het was met dezelfde galei, dat men daags daarna

belette, dat de Amsterdammers eene kleine galei en vier vaartuigen

den dijk bij Penningsveer doorstaken. In dien Veerdijk lag een klein

sluisje. Ook had men vele jaren vroeger twee sluizen gelegd in den dijk

naast het Spieringmeer. Met zuid-westewind viel de persing op de groote

Waal;--en om diepte in het Spaarne te behouden en het gemakkelijke van

de doorvaart hadden de Haarlemmers acht jaren vroeger de Lie gestopt;

door welk een en ander zich begrijpen laat, dat de vijand zich, door

het doorsteken van den Veerdijk, den weg naar de Haarlemmermeer zou

geopend hebben. Terwijl dit nu plaats greep, liep er aan de Eendjes

of Leidsche Waterpoort een met tien gotelingen--metalen stukjes

geschut--en met buskruit geladen damlooper binnen. De Haarlemmers

werden door dezen gedurigen voorspoed nog moediger, doch begrepen ook,

dat de Spanjaard van nu af niet slechts te land, maar ook te water

zou moeten bevochten worden. Het eerste gevecht, dat, van dien aard,

in eenige aanmerking verdient te komen, had drie weken na den storm

op den wal plaats. De Amsterdammers en Spanjaards namelijk trachtten

met hunne galeien en schuiten het aangevangen werk aan Penningsveer

door te zetten, maar de Haarlemmer galei onder bevel van Jacob

Anthoniszoon hield zich zoo dapper, dat de vijand moest aflaten. Ook

begaf zich de ritmeester Enkhuijzen met eenige ruiters buiten de

Spaarnwouderpoort, werd met ponten of, zooals men ze toen noemde,

met plempschuiten, aan land gezet, en veroverde een vijandelijken

damlooper, waarvan de bemanning grootendeels doorstoken of in de

Fuik werd opgehangen. Van meer belang echter en roemrijker was het

gevecht van vijf dagen later. Gerard de Jong namelijk, kapitein van

de groote galei, veertien Amsterdamsche karveelschepen op de Meer

ziende komen, was onvoorzichtig genoeg om, zonder een der overige

hoplieden te waarschuwen, den vijand alleen te gaan bestrijden, zich

streelende met de gedachte, den prijs alleen te zullen behalen. Het

noodlottig gevolg was, evenwel, dat zijn schip met geweld genomen,

het grootste gedeelte zijner bemanning gekwetst werd en hij zelf met

eenige anderen ternauwernood het leven door de vlucht redde. Maar

na deze nederlaag was het, dat de dapperheid van den Haarlemmer

geus, Jacob Anthoniszoon, bijzonder uitblonk. Niet zoodra had hij de

onheilsmaar vernomen of met de kleine galei, waarop hij bevel voerde,

viel hij met de andere hoplieden krachtig en manmoedig op den vijand

aan. Zóó hevig was de schok en zoo uitmuntend het beleid, dat de reeds

sinds twee uren verlorene galei weder heroverd werd. Men vond daar

toen eenige verborgene vijanden in, die aan de ra's, door den strop,

oogenblikkelijk om het leven werden gebracht; doch het voordeel

achtervolgende, joeg men den vluchtenden vijand na en veroverde

een karveelschip, dat als het ware met Spanjaarden en Walen beladen

was. Toen vernieuwde zich echter ook weder een dier tooneelen, welke

vooral sedert het innemen van den Briel den geuzen tot gewoonte waren

geworden. Onder kreten van schimp en hoon werden de vijanden over de

kling gejaagd, toen het een der schepelingen inviel om den belegerden

binnen Haarlem een levend bewijs hunner overwinning onder de oogen

te brengen. Vier hunner, onder welke zich een Leuvensch edelman,

Ravenschot genoemd, bevond, werden gespaard en met het afgehouwen

hoofd van den Spaanschen aanvoerder aan Ripperda gezonden, waarna men

vervolgens weder naar de Fuik terugtrok en lustig den beker zwierde,

tot dat hem de schepelingen reeds toen den rang van vice-admiraal

voorspelden, die in lateren tijd door hem bekleed werd.

Hoe kon het anders, of de Spanjaard moest door spijt en wrevel

aangegrepen worden? Hier zag hij doortrapte, heimelijke list

door nog fijner en schranderder list verijdeld--daar driest en

donderend geweld door vernietigend tegengeweld gekneusd of geknot;

den te harden en daardoor brossen ijzeren koevoet door den buigzamen

houten gebroken. Hoe dichter hij Haarlem zocht in te sluiten, des te

trotscher verhief zich de stad evenals een ceder te midden van een

onafzienbaar woud. In dat Haarlem zag hij, ja een enkelen verrader;

maar een verrader, die, bij al zijne sluwheid, niet in staat was,

hem grooter dienst te bewijzen dan eene diep gegravene mijn doet,

welke, bij gemis van buskruit, niet kan losbarsten. En tegenover dien

verrader zag hij mannen en vrouwen met onkreukbare standvastigheid

en ijzeren wil. Hij zag Ripperda, Van der Laan, Kenau Hasselaar en

zooveel andere helden kracht en moed aan den dag leggen, kracht in het

dragen van bezwaarnissen,--moed in het wederstaan van gevaren. Kortom,

hij zag niets dan schande om eigen hoofd, niets dan eer om het hoofd

der Haarlemmers. Men greep derhalve naar eene stroowisch, als een

schijnbaren balk--er werd krijgsraad belegd.

Het laat zich begrijpen, dat het in dezen krijgsraad niet aan

verschillende meeningen ontbrak: doch de gevoelens der meesten, zelfs

van Cressonnières en Noircarmes, die in den aanvang gewaand hadden, dat

Haarlem spoedig zou vallen, kwamen daarop neder, dat een langer beleg

verderflijk was. Immers, men lag in het midden van een moerassig land,

zonder behoorlijke brandstof gelegerd,--de Spanjaarden, aan eene heete

luchtstreek gewoon, waren in menigte op hunne posten bevroren:--zij

hadden aan de meeste levensbehoeften gebrek, terwijl zij in Haarlem

den overvloed zagen. Dien gedurigen toevoer konden zij niet beletten;

want de Hollander, de behendigste schaatsenrijder van Europa, snorde

hen op schaatsen met de snelheid van een vogel voorbij--en schaterend

hoongelach klonk hen na. Hoe zou Frederik de stad door honger tot

overgaaf kunnen dwingen? De Spanjaarden hadden zoo vurig gewenscht,

dat de snerpende vorst door dooi mocht vervangen worden. Hun wensch was

verhoord; maar wel verre, dat zij daarvan de begeerde vrucht oogstten,

plukten zij slechts doornen: de wateren zwollen en vermeerderden

van dag tot dag; de Hollandsche grond werd dras en onbetreedbaar,

en in de verblijven der kikvorschen vond de vijand den dood; de

vaartuigen kwamen met zwellend zeil binnen de stad en schenen evenals

de vroegere schaatsenrijder met den belegeraar te spotten. Al deze

gronden brachten Frederik tot het besluit, om Bernardin de Mendoza

met eene schets van den toestand des legers aan Alva af te zenden.

--»Bij San-Jago!« sprak Alva, »kent de zoon den vader niet meer?--Gij

spreekt van verzinking in de moerassen; no es nada! (het is niets)

die zullen opdrogen. Gij gewaagt van gebrek aan levensmiddelen...,

no es nada! wij zullen toevoer zenden. Wat is het dan? Is de pest

in het leger? Neen, zegt gij. Steken er rebellen het hoofd op? Neen,

zegt gij; want Alva's soldaten kennen slechts de tucht. Is dan de moed

uitgebluscht? Neen! antwoordt gij fier; want de moed der Spanjaards

is altijd blakend en brandend. Wat is het dan? No es nada, en--het

beleg ga voort!«

Maar niet slechts met dat no es nada--dat in Alva's mond bestorven was,

wanneer hij slechte tijdingen gering wilde achten en, door laconische

antwoorden, eene gemaakte deftigheid en versmading wilde aan den dag

leggen,--niet slechts daarmede vertrok Bernardin de Mendoza, Alva gaf

hem ook nog een geschrift voor zijn zoon mede, en wij willen den, van

zijn toorn getuigenden inhoud, volgens een zijner levensbeschrijvers

mededeelen:

»Indien gij wilt, Frederik! dat ik u voor mijn zoon zal erkennen,

dan moet gij de stad nemen, of in het beleg sterven. Zoo gij

sneuvelt, zal ik, schoon met zware pijnen wegens ziekelijkheid,

en met gemelijkheid beladen, met uw verlies vergenoegd, uwe

plaats komen bekleeden. Treft mij hetzelfde lot, dan zal uwe

moeder, op de tijding onzer lijkstatie, uit Spanje komen en het

beleg eindigen. Sneuvelt ook zij, dan zal haar dood al datgene

vervullen, wat wij aan den koning, onzen souverein, en aan de

onversaagde standvastigheid der hertogen van Alba, onze voorzaten,

verschuldigd zijn;--maar zoo zij roemvol uit de onderneming treedt,

zal zij zorgen om voor haar zoon en haar gemaal gedenkteekenen ter

eeuwiger geheugenis te stichten op de puinhopen eener oproerige,

hardnekkige stad.«

--»Dat is te veel!« riep Frederik verbaasd en gegriefd, toen hij dat

geschrift ontving. »'s Vaders gezonken vertrouwen op den zoon zal uit

Haarlem's rook en vuur weer oprijzen, dat zweer ik, en zoo ik mijn

eed breek, zal geen priester mij ooit de biecht afnemen. Het beleg

ga voort!«

Het beleg ging voort; en als de huurlingen in het Spaansche leger hunne

verwondering over het vertrouwen op den landvoogd te kennen gaven,

dan klonk hun het pochend antwoord van de Spanjaards in de ooren:

»Wij weten, dat de hertog geene bevelen geeft, zonder van den goeden

uitslag verzekerd te zijn: uit den stand der zaken doorziet hij de

toekomst, dringt door in de gedachten zijner vijanden en bepaalt uit

de vogelvlucht, wat aller lot zijn zal.«

Inderdaad! voor een zoo onhandig staatsman als Alva, voor een zoo

jammerlijk voorspellingstalent zouden Rome's wichelaars wel nooit

eene eerbiedige buiging hebben gemaakt.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 16 / 21 题