Hoe onversaagd, in weerwil der verwarring, zich de vijftig man van de
Kruis- en Janspoort hadden verdedigd, zoo werden de in het wit gekleede
bespringers nog heviger afgekeerd, zoodra het kleine getal Ripperda
aan hunne zijde zag, en nog eer de massa van Haarlemmers, en de, bij de
burgers ingelegerde hulptroepen, op de wallen verschenen, kon men het
grootste gevaar eener overrompeling als geweken beschouwen. Niettemin
liet zich aan alles duidelijk zien, dat de vijand voornemens was en
bleef om op den laatsten dag van de louwmaand door een storm de stad
te willen bemachtigen. Don Frederik namelijk had zijne legerbenden
rondom het Huis Ter Kleef daags tevoren doen versterken door eenige
vendels van de Duitschers, die voor de Houtpoort lagen, alsmede door
eenige vendels van de Walen in het westen en aan den duinkant. Zijn
broeder Ferdinand en Rodrigo de Toledo hadden den last ontvangen om
elk met vijf hunner vendels gereed te zijn; Rodrigo, om den rechter-
en Ferdinand, om den linkerkant der Kruispoort en de naaste gordijnen
te bestoken. Voorts zouden de andere vendels--de Spanjaards en de
Duitschers--met Romero en den in zijn rang herstelden Bracamonte
volgen, terwijl het aan Gaspar de Robles, heer van Billij was
voorbehouden om de Janspoort aan te tasten, zijnde deze, eenige
dagen geleden, met tweehonderd zijner kloekste en behendigste Walen
uit Friesland ontboden geworden. In het geheel waren er twintig
vaandels tot dezen storm in gereedheid gebracht, en Frederik had
alle hoop op het welgelukken, daar er bij het Leprozenhuis en het
Reguliersklooster ongeveer zeshonderd man ruiterij stond geschaard,
alsmede een paar honderd te Overveen en eenige ruiters en piekeniers
in den Haarlemmerhout, daar als ware het de overwinning verbeidende,
ten einde de burgers in hunne vlucht te stremmen en allen over de
kling te jagen.
Overdenkt men nu een oogenblik de toebereidselen dezer overmacht,
de hulp van verraad, het voordeel van de hard bevrozene gracht, en de
onbegrijpelijke, bijna onverschoonbaar geringe waakzaamheid, dan levert
het beleg van Haarlem geen tijdsgewricht op, waarin zichtbaarder de
hulp van hooger hand doorstraalt. Met niet meer dan vijftig man toch
had men den vijand, bij het naderen van het gros der verdedigers, reeds
in zooverre afgekeerd, dat het aanvankelijk gevaar eener overrompeling
meer dan half geweken was, terwijl men slechts drie dooden had, hetgeen
de waarachtige geschiedenis bijna tot een versierd verhaal maakt.
Maar het nu geschetste was eigenlijk slechts de inleiding tot het
tooneel. Moed en dapperheid hadden reeds door de schaduwen van den
nacht heengeblonken; nog hooger dapperheid en moed zouden in den glans
der zon schitteren. Maar eer wij aan dat tooneel, aan die handeling
zoo vol leven, zoo vol onstuimige en golvende beweging deelnemen,
moeten wij op de personen zelven een vluchtigen blik werpen; want
het is niet meer de storm van den twintigsten van wintermaand; het
is de storm van den laatsten Januari: een enkel belangrijk persoon
mocht van het tooneel afgetreden zijn--velen, zeer velen kwamen er
sinds op te voorschijn, en hunne rol in deze handeling was de minst
gewichtige niet.
Onder de eersten, welke op het algemeene alarmgeschreeuw naar de
bedreigde veste snelden, behoorden Kenau Hasselaar, de vrouw van
burgemeester Kies en Geertruida van Brederode, terwijl deze spoedig
door Maria van Schoten, Maria van der Laan en Henrica van Vliet,
alsmede door eene grootere schaar van vrouwen en meisjes achtervolgd
werden. Zij waren nu driehonderd in getal; verscheidene harer waren
dochters van de regeeringsleden en officieren der schutterij, alsmede
van hen, die zich als boden naar den prins en elders, gedurende het
beleg zoo verdienstelijk maakten, terwijl voorts de meesten vrouwen of
dochters waren van diegenen, wier namen als bijzondere vijanden van
Alva geboekt zijn. Een verkeerd denkbeeld zou men zich vormen, door
te wanen, dat deze, voor het welzijn harer stad ontgloeide vrouwen,
evenals de soldeniers onder eene militaire tucht stonden, en evenals
deze, altijd dezelfde diensten verrichtten. Ofschoon met spies,
roer en degen gewapend, ofschoon een afzonderlijk vaandel hebbende
en zelfs in staat zijnde om de trom te roeren, moet men het grootste
gedeelte dezer amazonen meer beschouwen als belast met het aanbrengen
van krijgsbehoeften; vooral werkten zij mede tot het herstellen der
werken en het toebereiden der binnenverschansingen of afsnijdingen,
hoewel zij ook nu en dan den vijand even krachtig en dapper met hare
wapenen te keer gingen, terwijl men, om zooveel mogelijk eene zekere
orde te handhaven, met eenparige stemmen besloten had, om gedurende
het oogenblik van werkelijken wederstand op de wallen, haar, die
eenigen rang bekleedden, in dien rang te eerbiedigen.
De lezer kent den wakkeren doch ruwen Brederode, den doodvijand der
Spanjaarden; hij kent Sijmon Boreel en den edelen Van Duivenvoorde. Nu
eens brachten wij Matthijszen, den zwaartillenden, doch niet minder
koenen Pellekaen voor zijn geest, of wij schetsten den jongen, maar
in moed en geestkracht allen evenarenden Hasselaar. Die allen, ook de
ronde, goedhartige Vader, de vrome Steenbach, Ripperda's broeder en
de kloeke Gerrit van der Laan zijn weder op de wallen; maar wij zien
er ook anderen, wel waardig, hen met een enkel woord te doen kennen;
want ook hunne namen staan in de geschiedrol geboekt.
Een zonderling tooneel leveren thans Haarlem's vesten. Hier ziet men
den bontgekleeden Schot, die, sterk en hardvochtig, alle ontberingen
even geduldig weet te dragen als de onvermoeide kemel. Het verdrag
van Engeland met Schotland, of liever het dempen der partij van de
ongelukkige Maria Stuart, bracht te weeg, dat velen hun vaderland
verlieten en in Zweden en Frankrijk, doch vooral in ons gewest
hun fortuin gingen zoeken, en zoozeer was zelfs de vreemdeling van
Nederland's uitheemsch juk overtuigd, dat waar er één zich onder Alva
schaarde, tien anderen het rapier tegen hem keerden. Beaufort, hun
hopman, is driftig, vlug en behendig als de klipgeit. Bij de verrassing
van Bergen tegenwoordig geweest zijnde, behoorde hij dus ook onder
hen, wien de Spanjaards verbittering en haat toedroegen; doch Beaufort
haatte hen met gelijken haat en greep iedere gelegenheid aan om hun
zijne verbittering te doen gevoelen, iets, wat in die dagen wel bij
de meesten het geval was.--Ginds ziet gij den ijverig-trotschen, op
anderen minachtend neerzienden, diepdenkenden Brit, met zijne zwaar,
geschubd harnas en kenbaar aan de roos op zijn harden, gepluimden
helm, waarop de musketkogel te vergeefs zijne kracht uitoefent. Ook de
Britten van die dagen waren in grooten getale hun vaderland ontweken;
verdrietig over de doodsche rust, die Engeland genoot, gingen zij
elders lauweren zoeken, welke hunne fierheid en trotschheid streelen
konden en--het bekampte Nederland nam hen volgaarne als broeders in
zijn schoot op. Summado is hun aanvoerder, en een enkele blik op den
krijgsman toont genoeg, dat hij meermalen den dood onder de oogen
zag, dat hij den dood veracht. Maar zie verder dien onverschrokken
Margottin, kapitein van 's prinsen lijfwacht, doch door dezen naar
Haarlem gezonden, opdat Haarlem een held te meer zoude tellen. In
kloeke gestalte evenaart hij den Spanjaard Rodrigo de Sapata, doch in
krijgshaftig aanzien overtreft hij dezen nog verre. Altijd bliksemt
zijn oog, altijd boezemt hij eerbiedige vrees in en waarschuwt den
vijand, zich niet in zijne nabijheid te wagen. Maar zie hem na den
afloop van een woeligen strijd, in den stillen huiselijken kring; dan
lokt dat oog, dat vroeger nog zoo donker en dreigend rolde, u minzaam
en vertrouwelijk tot zich. Welk contrast vormt hij dan met Vardeur,
gindschen kapitein der garde van grave Lumey. Ook dezen ontbreekt het
niet aan moed, niet aan dapperheid; maar het is eene dapperheid, die
u doet huiveren door hare ruwheid; in dien moed leest men wreedheid;
zijne ruwheid is niet die van Lancelot van Brederode; het is eene
ruwheid, die doet rillen, die onverpoosd in de ooren klinkt als het
klotsen van de baren tegen den oever; het is eene ruwheid, te meer
terugstootend, omdat zij met heftige vloektaal vergezeld is.
En al die krijgslieden, die Nederlanders, Franschen, Walen,
Engelschen, Schotten en Duitschers vereenigen daar hunne krachten
met de Haarlemmers en de van geestdrift gloeiende vrouwen. Wigbolt
Ripperda heeft allen hunne plaats aangewezen, en die plaats is op
Haarlem's wallen tot het afkeeren van den vijand.
Vardeur heeft op dit oogenblik zijn verdedigingspunt bij de Janspoort,
waar een hopman met eenige vijandelijke Walen het bolwerk tracht
te beklimmen, waar hij eenige oogenblikken geleden, door kapitein
Mandares krachtig geweerd was geworden.
--»Slaat dood dat gespuis!« roept Vardeur tot zijne soldaten, »dat
zijn kerels uit ons eigen land--honden, die zich aan duc D'Alf verkocht
hebben. Slaat dood!«
En de Walen van Vardeur strijden tegen de Walen van Billij, tegen
hunne broeders, met eene verbittering, welke aan wilden doet denken.
--»Aas, nog te slecht voor de raven!--ter hel!« roept Vardeur tot
een hunner, en met een slag, zoo krachtig, dat zijne hand er van
tintelt, doet hij het hoofd van den vijand ten halve opsplijten,
zoodat deze stervend voor zijne voeten stort. Maar nog is Vardeur niet
voldaan. Zich ijlings woest op den gevallene werpende, wil hij hem
met zijn dolk verder afmaken; doch den arm aan den gordel brengende,
om dat wapen te voorschijn te halen, valt zijn oog op den dolk van
den Waal, dien deze krampachtig in de vuist geklemd houdt.
--»Wat!« roept Vardeur, »mijn wapen met zijn bloed bemorsen! neen! met
zijn dolk haal ik hem het hart uit het lijf.« En met verbittering
het vlijm uit de stervende vuist wringende, boort hij het den Waal
een paar keeren in de borst. Onder dit bedrijf rollen Vardeur's oogen
grimmig in hunne kassen.
--»Een landsman, een broeder!« roept hij uit, »ha! dat zijn broeders,
zooals leeuwen en tijgers het zijn. Kon ik allen, die Spanje dienen,
duizend dooden aandoen!--ter hel landsman!.... vecht daar met den
satan, dan vecht gij met duc D'Alf zelven.« En schoon reeds ontzield,
boort hij den Waal nog eens het wapen in het hart, haalt het er
bloedig uit en werpt het onder de vijanden, die al meer van den wal
afdeinzen. Vervolgens grijpt hij het lijk met wilde kracht aan, smijt
het op de bevrozen gracht en stort zich opnieuw onder de bespringers,
die nog slechts flauwe pogingen aanwenden om den wal te beklimmen.
En krachtig, schoon minder wreed, gaan inmiddels ook de overige
verdedigers de bestormers te keer. Hier is het Margottin, die
stoutmoedig aangrijpt. Daar verdedigt zich Brederode in het front,
terwijl Matthijszen of Asinga dienzelfden vijand in de linker-
en Pellekaen hem in de rechterflank aangrijpt. Wat verder doet
Hasselaar geheel op zich zelven staande, menigen Spanjaard door zijn
welaangebracht schot neertuimelen, terwijl bij de Kruispoort Van
Duivenvoorde de laatste vijandelijke Duitschers op dat punt afweert
en--eenige oogenblikken later is de gansche courtine tusschen de
Janspoort en het oostelijk gedeelte der halve maan van aanvallers
gezuiverd, zijnde de meesten gevallen of met nog sneller vaart dan in
't opkomen naar omlaag gevlucht.
--»Triomf voor Haarlem! de Spanjaard gaat te loop,« klonk het op
onderscheidene punten, en hoongelach werd den vijanden nagezonden.
--»Dat zou mij leed doen,« zeide Hasselaar, terwijl hij zijn vaandel,
dat hij in den grond had geplant, weder in de hand nam en het boven
zijn hoofd zwaaide, »zij hebben 't werk te groot aangelegd om het,
nog wijd van de helft, al te laten steken. Jammer zoo ze met dat
schraal ontbijt moesten afbrassen, in zoo vinnig eene kou.«
--»Zij laten ons maar eens adem scheppen,« sprak zijn vriend
Ruijkhaver, »geef maar acht!«
--»Mijne bus is ook nog veel te schoon, om al weer gepolijst te worden,
maar.... het moet er hier in 't vroege uur Schotsch en Spaansch
toegegaan zijn.«
--»Toen wij kwamen, was 't grootste gevaar al voorbij.«
--»'t Zal mij pijn doen, zoolang als ik leef, dat ik niet op post ben
geweest,« zeide Hasselaar, »foei! hoe veel nachten al niet vergeefs
op den loer gestaan, en nu moest ik slapen! Zoo waar als ik leef,
het doet mij bitter zeer.«
--»Ik heb er geen begrip van, hoe het mag toegegaan wezen,« sprak
Ruijkhaver.
--»Wie kan dat?« zeide Hasselaar wrevelig, »heel de gracht een dikke
ijsbrug--zoo donker, als onder den grond, en.... men blijft daar in
't wachthuis in 't vuur zitten kijken, in stede van op den wal te
loeren. 't Is een onvergeeflijk stuk! Dat herhaal ik.«
--»Wat herhaalt gij, kloeke schutter?« zeide Steenbach, die, den
vaandrig genaderd, hem op den schouder klopte, daar hij wel begreep,
waarover deze zijn hart lucht gaf.
--»Over de kwade wacht, hopman!« antwoordde de vrijmoedige
jonkman. »Onvergeeflijk is 't en onverstaanbaar. Zoo zou het met
Haarlem gedaan zijn geweest, eer men 't wist!«
--»Recht,« zeide Steenbach, »ook ik ben een dier slappe wachters
geweest. Maar noem het gebeurde veeleer onbedachtzaamheid, men
mag toch niet denken, dat van Kruis- tot Janspoort al die wachters
zorgeloos zijn geweest. Het was eene beproeving van God, doch na de
beproeving zijn wij zichtbaar bijgestaan, daar het ondoenlijk was,
zonder die hulp zooveel overmacht te keeren. Ons vertrouwen op Hem
zal bij velen versterkt zijn.«
--»Althans zou dit plichtig wezen,« hernam Hasselaar droogjes, »maar
vooral mag het wel eene krachtige waarschuwing zijn!«
Korte gesprekken over het gebeurde hadden er voorzeker op ieder punt
van den wal plaats, en sommige derzelve misten de bitterste verwijten
en de scherpste aanrandingen niet. Ieder zocht zich natuurlijk zoo goed
mogelijk te verdedigen vooral daarmede, dat de vijand al zoo menigmaal
des nachts, door een onstuimig geschreeuw, de belegerden in de wapenen
had doen komen, wanende deze alsdan, dat hij eenigen aanval of storm
van zins was, ofschoon de listige Spanjaard er geen ander doel mede
had, dan om de belegerden slaperig en zorgeloos te maken; want door
dit te herhalen, begon het een spel te schijnen, en onder dit spel
moest de vijand het eenmaal onverwacht tot ernst doen overslaan. Maar
ook deze verdediging was bij allen geene gangbare munt: men begon
wederkeerig driftig te worden en uitdrukkingen te bezigen, welke
den band van eensgezindheid dreigden te verzwakken. Doch gelukkig,
dat deze gesprekken slechts kort duurden. Met schelle tonen laat zich
op eens de vijandelijke trompet hooren; de Spanjaards blazen tot een
vernieuwden aanval; de bevelen weerklinken en twee minuten later hoort
men overal den kreet: »voor Haarlem! voor Haarlem! den vijand te keer!«