ELFDE HOOFDSTUK.

De dag van den dertigsten Januari was den Haarlemmers niet gunstig

geweest. In het groote wachthuis aan de Kruispoort zaten des avonds

een aantal krijgslieden, meestal Duitschers bijeen en warmden zich bij

het hoog opgestapelde turfvuur, zonder dat er vroolijke gesprekken op

hunne lippen kwamen. Eenige weinige Hollanders en Walen, van welke de

laatsten, bij eene algemeene stilte, door hunnen zonderlingen tongval

de lachspieren der overigen nog wel eens in beweging brachten, staarden

thans insgelijks somber in den vuurgloed en de meesten schenen veel

meer tot slapen dan tot spreken geneigd. Nu en dan ging de bierkan

nog wel eens rond, en poogde een hunner de doffe levensgeesten der

overigen op te vroolijken; doch zijn bijval was dien van een slecht

redenaar, welke meer tot geeuwen dan tot luisteren stemt. De meesten

waren vermoeid van het gedurig waken en vooral door het gevecht van

den afgeloopen dag, een gevecht, waarin verscheidene hunner makkers

het leven hadden verloren of zwaar gekwetst waren geworden, zonder

dat men een enkel stuk vijandelijk geschut overmeesterd of vernageld

had, ofschoon dit nochtans hoofdzakelijk het doel van den uitval

was geweest, vereenigd met de gedachte om voor Van Duivenvoorde den

een of anderen aanzienlijken Spanjaard in handen te krijgen. Het is

waar: door het laten springen eener mijn had men een twintig vijanden

doen omkomen, doch daarentegen was hopman Michiel zwaar aan de hand

gekwetst geworden; hopman Couzin had door eene spies in de knie,

en zijn vaandrig in den arm eene wonde ontvangen, terwijl hopman

Lambrecht van Wittenberg een lanssteek in de borst had bekomen; en

dat alles zonder dat het doel van den uitval met eenigen gunstigen

uitslag bekroond was geworden.

In een afgezonderd gedeelte van het wachthuis zaten de Duitsche

officieren Schram van Brunswijk, Christoffel Vader en Steenbach,

benevens Van Duivenvoorde, Matthijszen en Stompwijk, terwijl zoowel

de eene als de andere zich dichter bij het vuur schoof, daar de koude

nog zoo snerpend niet geweest was. Ook bij hen heerschte niet veel

meer opgewektheid dan bij de soldaten, ofschoon dan ook Stompwijk

eenige flesschen wijn in het wachthuis had laten brengen, naardien,

zooals hij zeide, de een en dertigste van Louwmaand zijn jaardag was,

en hij gaarne met zijne vrienden en wapenbroeders eenige glazen wilde

ledigen. Maar het ging niet van harte. Het was, als koesterde men

argwaan, dat Stompwijk het er op gemunt had, om zijne makkers door de

wijndampen te bedwelmen, ten einde hun de waakzaamheid uit het oog

te doen verliezen. Reeds was het twee uren na middernacht geworden;

en ofschoon de hoplieden, vooral de Duitschers in het algemeen, zelden

gewoon waren om zich van het druivenvocht afkeerig te betoonen, had men

gezamenlijk nog slechts twee kannen lediggedronken. Om geen achterdocht

te verwekken, had Stompwijk hen dan ook niet al te zeer aangespoord,

doch toen het nu half drie ure sloeg en Schram van Brunswijk opstond,

om, volgens zijne beurt, de schildwachten op den wal te gaan bezoeken,

schonk Stompwijk hem zijn kroes vol, terwijl hij er bijvoegde:

--»Drink eens, kompaan! het is vinnig koud daar buiten, en uw bloed

mocht eens bevriezen, als ge van den heeten haard zoo op eens in de

scherpe kou komt.«

--»Gij hebt gelijk,« zeide de Duitscher, »maar ik drink niet alleen:

schenk al de kroezen vol en gij, overste, gaat ons immers voor?«

Van Duivenvoorde toonde zich bereidwillig en zijn kroes opnemende,

zeide hij: »Heil de wakkere aanvoerster Kenau Hasselaar!« waarna hij

den inhoud ledigde.

--»Heil de vrouw van burgemeester Kies en al hare juffers,« voegde

Stompwijk er bij.

En zoo dronken zij hunne glazen uit, waardoor allen, die bij

het vendel van Kenau eenigen rang bekleedden, eenen eeredronk

erlangden. Maar alweder ging het niet van harte. In het eene en

andere had eene gedwongenheid plaats, die men niet scheen te kunnen

wegnemen, hoezeer Stompwijk er ook zijne pogingen toe aanwendde; en

toen Schram van Brunswijk met een onderofficier en een korporaal de

wacht had verlaten, zat men weder zwijgend bijeen en staarde weder

onafgebroken in den vuurhaard.

Een groot kwartieruurs was verloopen, toen de Duitsche hopman van

zijne ronde terugkeerde en die terugkomst reeds op eenige schreden

afstands door driftige woorden en vloeken aankondigde, waarin een

sergeant der Haarlemmers insgelijks zijne stem mengde.

--»Neen! ik heb u gewaarschuwd,« zeide Schram met zijn plat-duitschen

tongval, »en ik waarschuw maar eens. Naar de wacht, tot den overste.«

--»Die moffen!« bromde de sergeant tusschen de tanden, en nu zag men

een soldaat van de Duitschers, die door den onderofficier bij den

arm werd gehouden, de wachtkamer binnenkomen.

--»Ik heb dien hond slapend op zijn post gevonden, kolonel!« zeide

de hopman.

--»Ongelukkige!« sprak Van Duivenvoorde, die dadelijk zijn medelijden

opgewekt voelde, »weet ge dan niet, dat mijn heere Ripperda op dit

euvel den dood heeft gezet?«

--»Ja, de dood!« zeide Stompwijk tot Vader, »wat deerlijk bedrijf,

en op een tijd, dat wij aan zooveel gevaar blootstaan.«

--»De slaap heeft mij overweldigd, kolonel!« antwoordde de soldaat,

een verlegen gelaat toonende. »Doe mij de straf ondergaan, die ik

verdiend heb, maar verwijt mij niets.«

--»Slapend op post, dat deed nog geen Hollander,« sprak Stompwijk,

altijd van de gelegenheid gebruik makende om zijn ijver en zijne

vaderlandslievende gezindheid te doen doorstralen.

--»Gij hebt toch ijlings den post door een ander doen bezetten?«

vroeg Van Duivenvoorde aan den hopman.

--»Voorzeker! ik liet er den korporaal,« was het antwoord, »en als

gij het goedvindt, zal ik dezen door een Haarlemmer doen aflossen.«

--»Zoo moeten voor die slaapkoppen van moffen onze kerels maar wacht

doen,« bromde de sergeant, »wij konden die bezoldelingen (hulpbenden)

wel missen.«

--»Het grieft mij,« liet Van Duivenvoorde hooren, »maar het is het

gebod van mijn heere Ripperda: men bewake hem in het wachthuis.«

--»Dat doet mij razend veel pijn,« zeide hopman Vader, zoodra de

soldaat zich verwijderd had. »En als Wittenberg het hoort, zal het

dezen nog meer spijten; want het is een soldaat van zijn vendel, een

brave borst, die zich gisteren kloek heeft geweerd; want had hij de

lans van een Waal niet ten halve afgewend, het zou met onzen vriend

gansch gedaan zijn.«

--»Als het zulk een brave borst is!« hervatte Van Duivenvoorde, »dan

verdient hij eenige verschooning, en ik zal zien dat ik bij mijn

heere Ripperda de zaak ten goede beleg.«

--»Dat schrijft weer dubbele waakzaamheid voor,« zeide Stompwijk,

»want de Spanjaard zou ons onverwacht over 't ijs komen bestoken.«

--»Gewis, laat ons dus niet meer van dat krachtige vocht proeven,«

sprak Matthijszen, »want het is voortreffelijk in staat om de nuchtere

bekwaamheid te doen slippen.«

--»Wel gezegd, kompaan!« zeide Stompwijk, »'t is geen kwaad wijntje,

maar daarom zal hij ook niet in de kannen tot azijn overslaan; hij

zal morgen en overmorgen nog zoo goed wezen als vandaag. Maar al

drinken wij niet, laat ons toch den mond niet snoeren. Wat kunnen

wij het gebeteren, dat de huidige dag ons veel wakkere soldeniers

gekost heeft en geen profijt aangebracht? Laat ons den langen nacht

verdrijven door eenstemmig gekout. Wie is er, die wat nieuws heeft?«

--»Wij behoeven juist geen nieuws,« zeide de vrome kapitein Steenbach,

»de dagelijksche gebeurtenissen, die de Hemel bestuurt, geven

genoegzame stof tot gesprek aan de hand.«

--»Nu, zoo meen ik het ook,« hernam Stompwijk, »maar daar is veel

onder, dat de droefheid opwekt; zoo heeft mijnheer Van Duivenvoorde

geene groote reden om vroolijk te zijn, wanneer hij peinst aan haar,

die in 's vijands hand is.«

--»Zoo is het,« zeide Van Duivenvoorde, die Stompwijk's gelaat bij

onderscheidene gesprekken al eens gadegeslagen had en ook thans

het oog op hem gericht hield, ten einde er, zoo mogelijk, eenige

valschheid en huichelarij op te ontdekken. »Maar het is, of de

langdurigheid van eenigen tegenspoed er de hardheid van verzacht;

althans het geeft mij luttel baat, er iederen dag over te reppen, en

ik laat de bestiering van haar lot in de handen van Hem, die machtiger

is dan 't vereende geweld van den Spanjaard. Dit alleen herhaal ik,

dat de vijand zich met guichelspel streelt, zoo hij zich inbeeldt,

dat mijn moed er ooit door verzwakken zal.«

--»Gewis, dat hebt gij al meer dan eens doen blijken,« hervatte

Stompwijk, »maar dat verhindert niet, dat ik, als zoo veel anderen,

zwaar met het ongeval begaan ben. Zoo er maar eenige kans bestond,

om de edelvrouw vrij te maken, ik zou van stonden aan bereid zijn.«

Van Duivenvoorde beantwoordde deze heldhaftige dienstaanbieding

niet. Op den eersten dag des jaars had hij in burgemeester Van der

Laan's huis zooveel oprechte blijken van deelneming en welgemeende

hulpaanbieding ontvangen, dat hij, van erkentelijkheid ontgloeid, in

zijn huis was teruggekeerd. Maar wij weten, hoe hij die grootmoedig

afsloeg, dat anderen om zijnent wille in het gevaar gaan zouden;

want hij zelf zag er niets dan roekeloosheid en eene wanhopige

onderneming in. Dag en nacht was wel zijne ziel vol over haar; wel

sprongen hem vaak de tranen uit de oogen, wanneer Emma, Arthur of

Adolf naar de moeder vroeg, en wel leed hij bitter onder het gemis

der geliefde vrouw. Maar in anderer bijzijn verried hij van dit alles

geen zweem--nooit eene enkele klacht, en slechts dan wanneer zijne

vrienden er over spraken, zweeg ook hij niet; maar de meesten vermeden

dit zooveel doenlijk, hetzij uit een kiesch gevoel, hetzij omdat zij

zich toch niet in staat gevoelden, den vriend zijn verloren schat

terug te geven, en zoo verliepen er dan niet zelden dagen aan dagen,

dat Magdalena's naam niet luide over zijne lippen kwam.

Van Duivenvoorde zweeg op de woorden van Stompwijk. Ook de overigen

bewaarden het zwijgen en--dezelfde stilte als tevoren heerschte weder

in het wachthuis. Wat was er de oorzaak van?--Was Matthijszen enkel met

zijne gedachten bij de bedroefde Hadewij en zijne Maria?--Overdacht

hij het dagelijksch lijden dat hij aanschouwde, telkens wanneer

hij de woning van Van Schagen betrad? Peinsde hij over de grieven,

die hij elken dag ondervond, wanneer Hadewij, in de opwelling harer

verscheurende droefheid, het hem als misdrijf aanrekende, dat hij

Ripperda kon bewonderen--de oorzaak van Van Schagen's rampzalig

uiteinde; en zocht hij naar een middel om den weedom zijner Maria te

verzachten, daar zij sinds zooveel weken niet meer met een helderen

glimlach, slechts met beschreide oogen in het zijne had geblikt?--Of

stemde de dood van Vlasman, de rouw in diens woning, de smarten,

waaronder deze, reeds een uur na de vreeselijke wonde, bezweken was,

hem tot eenen somberen weemoed? En Van Duivenvoorde? Had Stompwijk

zijne wonden opgereten? Griefde het hem, dat een uitval, ook ten

zijnen gevalle ondernomen, zoo deerlijk mislukt was? En peinsde hij

over nieuwe middelen om zijne vrouw, te bevrijden? Berekende Steenbach

met al de baatzucht van zijn karakter, op wat wijze er het meeste

voordeel voor hem was te halen, onder den huichelachtigen schijn,

dat hij voor niets dan voor Haarlem's verdediging het rapier had

opgenomen?--Maar Schram van Brunswijk? Maar hopman Vader?... Toch

hadden dezelfde mannen meermalen den langen nacht door levendige

gesprekken gekort--en thans zwegen zij. Doch dit verschijnsel is

zoo vreemd niet. Soms ziet men de welsprekendste menschen een somber

stilzwijgen bewaren, alsof er eenig vonnis over hen moest uitgesproken

worden, zonder dat zich nochtans een rechter in hun midden bevindt;

soms ziet men hen den sleutel van hun gemoed bewaren, evenals een

vrek dien van zijne geldkist; niet zelden grijpt de zonderlingste

pauze plaats; maar soms is het slechts een schijnslaap, gedurende

welken er onzichtbare snaren gespannen worden, om weldra helderder

en levendiger tonen te doen klinken. Soms is het eene stilte, die

een orkaan voorafgaat. Wellicht zou dit ook thans het geval zijn.

Het was ongeveer halfvijf ure geworden. Nu en dan had men een woord

over de strenge vorst gewisseld en nieuwe brandstof op den haard

geworpen. Ook Stompwijk had zijne ronde gemaakt, maar niets ontmoet,

wat ongerustheid kon baren, en vóór vijf ure bevond hij zich weder in

de wachtkamer terug. Dezelfde onopgewektheid, dezelfde sprakeloosheid

en eene soort van slaapzucht bleef zoowel in het wachtvertrek der

officieren als soldaten heerschen. Doch ruim een uur was verloopen,

toen die stilte eensklaps afgebroken werd--toen aller ooren door

een luid geroep werden getroffen, en allen verschrikt van hunne

zitplaatsen opstonden.

--»In 't geweer!« riep de schildwacht, oostwaarts van de Kruispoort,

het dichtst bij de Janspoort.

--»In 't geweer!« herhaalde zijn makker, aan de tweede batterij,

en in de gansche richting der halvemaan weerklonk hetzelfde geroep:

in 't geweer! dat weldra als door onderscheidene echo's werd nagebauwd.

--»In 't geweer, mannen!« riepen nu de onderofficieren in het

wachthuis aan de Kruispoort, en plotseling stonden allen op, grepen

hunne musketten en herhaalden den kreet: »in 't geweer!«

Maar slechts weinige seconden waren er verloopen, of het eerste

alarm werd nu ook opgevolgd door het geschreeuw: »de Spanjaard! de

Spanjaard! aan den voet der bressen beklimt hij den wal.«

--»Op, makkers! op!« riep Van Duivenvoorde, ofschoon allen reeds

opgestaan waren, hunnen degens aangegrepen hadden en naar buiten

wilden snellen.

--»De Spanjaard komt over 't ijs,« klonk het daarbuiten, waar het nog

een tastbare nacht was, zoodat de een ternauwernood den anderen zien

kon, terwijl dit, gevoegd bij de algemeene verwarring, oorzaak was,

dat sommigen tegen elkander botsten en enkelen op den eenigszins

gladden bodem uitgleden.

--»Voorzichtig, makkers! bedaard,« riep Van Duivenvoorde, »of wij

stichten meer kwaads dan goeds. Is het voor ons nacht, voor den vijand

zal het nog minder licht zijn.«

--»In 't geweer! in 't geweer!« liet het zich inmiddels uit alle

richtingen hooren, terwijl sommige der soldaten uit het wachthuis

reeds zonder bevel naar de wallen waren geijld.

--»Terug, soldaten!« riep de eene hopman, terwijl een andere weer het

bevel liet klinken: »voort! naar den wal!« Allen beseften nu te laat,

dat zij, naar evenredigheid van het gevaar, waarin zij verkeerden,

geene genoegzame waakzaamheid in het oog hadden gehouden; nu wilde

men, zooals dat gewoonlijk het geval is, door te grooten ijver en

drift het verzuim vergoeden, en vandaar de algemeene verwarring,

die door de donkerheid niet weinig vermeerderd werd.

Stompwijk speelde zijne rol uitmuntend. Niemand was zoozeer door

verrassing en schrik overmeesterd als hij; maar ook niemand was met

zooveel ijver en voortvarendheid bezield, om den vijand oogenblikkelijk

te keer te gaan en hem zijne vermetelheid ten duurste te doen bekoopen.

--»Weg met de moorders van Naarden!« riep hij, »naar den wal,

makkers! voort, of het is te spa.«

Niemand echter, die meer beradenheid en tegenwoordigheid van

geest aan den dag legde, dan Matthijszen. Wel was ook hij door den

plotselingen kreet verrast, doch opeens stond hij daar rustig en kloek,

en tegelijkertijd vluchtig berekenende, hoe hij het best en gevoeligst

zijne aanvallers zal afkeeren.

Op bevel van Van Duivenvoorde ijlt hij met zes man uit het

wachthuis naar dat gedeelte van den wal, hetwelk schuins tegenover de

Margarethastraat lag. Met een ander zestal snelt hopman Vader hem na,

in de richting van de Janspoort, en Van Duivenvoorde zelf volgt met

de overigen.

--»Er is geen vijand!« roept Stompwijk, »het is een ijdel alarm

geweest.«

Maar nauwelijks had hij dit gezegd, toen zich de kreet liet hooren:

--»Tusschen Jans- en Kruispoort! zij beklimmen met hoopen den wal.«

--»Van den wal met den Spanjaard!« riepen verscheidene stemmen

tegelijk, en nu vereenigden zich de meeste verdedigers op de

cortine tusschen de Kruis- en Janspoort, zijnde dit het punt, waar

de meerderheid der vijanden zich den weg poogden te banen, hetgeen

ook reeds aan verscheidenen hunner gelukt was.

--»Het zijn geen Spanjaards! 't zijn spoken!« lieten eenige Duitschers

hooren,van welke sommigen inderdaad nog bijgeloovig genoeg waren om de

aanstuivende vijanden voor geesten aan te zien, hebbende allen witte

hemden over hunne harnassen aangetrokken, ten einde daardoor, in de

duisternis, hunne landgenooten en wapenbroeders te kunnen onderkennen.

--»Spoken! zijt gij razend en dol?« riep hopman Vader, »merkt gij dan

niet, dat zij witte hemden hebben aangetrokken? of zit u de slaap

nog in de oogen? Weg met de Spanjaards, zoo gij niet voelen wilt,

dat zij al zoo goed van vleesch en been zijn, als wij.«

--»Aan de Kruispoort!« riep men intusschen.

--»Aan de Janspoort!« klonk het weer van eene andere richting; en men

had aan weerszijden gelijk. Aan de half-afgeschotene Janspoort toch

waren reeds ettelijke Spanjaarden omhooggeklommen en op de zolders en

andere plaatsen doorgedrongen, terwijl aan de Kruispoort reeds eene

andere menigte over de nedergeschotene bolwerken zich insgelijks

den weg had gebaand. Groot was nog op den duur de verwarring onder

de belegerden: de meesten hadden nog doove lonten; want door de

drift hadden zij verzuimd, deze te ontsteken--men had toen nog

geene vuursteenen op de musketten, maar stak het kruit op de pan met

brandende lontjes aan;--de duisternis en het rumoer beletteden, dat

men de gegevene bevelen der hoplieden volgde, of brachten te weeg, dat

men aan meer dan één tegelijk gehoorzaamde, terwijl allen de grootste

voorzichtigheid moesten in acht nemen om niet van de borstweringen

op de bevrozene gracht af te tuimelen.

Maar hadden de Spanjaards het voordeel, dat zij door hun

onderscheidingsteeken hunne eigene makkers niet ombrachten,

de belegerden trokken er hetzelfde nut van, of liever, hun

voordeel was grooter, daar zij niet, de Spanjaards wèl in het oog

liepen. Daarentegen waren weder de vijanden veel talrijker en de hoop

op het volkomen gelukken hunner onderneming vuurde hunne stoutheid

te meer aan.

De eerste, die met den vijand handgemeen raakte, was Matthijszen. Als

door eene koord te zamen gesnoerd, hield hij zijne weinige manschappen

bijeen; twee hunner hadden brandende lonten, en toen de overigen ook

de hunne hadden ontstoken, beval hij, op de bestormers vuur te geven,

en--de eerste losbranding der musketten had op den wal schuin tegenover

de Margarethastraat plaats. Duidelijk zag men onder deze losbranding

twee der witte gestalten nedertuimelen, en een smartelijke gil verried,

dat de kogels maar al te goed hadden getroffen.

--»Vuur!« beval Matthijszen opnieuw, maar nauwelijks had hij

het woord uitgesproken, toen hij zich onverwachts een hevigen

slag op den schouder voelde toebrengen. Een Spanjaard was, eenige

schreden van de plaats af, op den wal gekomen, en snel hem van achter

aanvallende, meende hij hem met de kolf van zijn musket de hersenpan

te verbrijzelen. Doch Matthijszen had zijn behoud aan de duisternis

te danken; want de Spanjaard, zijn slag niet in de juiste richting

nemende, kwam de kolf ten halve op den schouder zijner tegenpartij

neder; en deze, hoewel hevig getroffen, keerde zich ijlings om en greep

met kloeke vuist het wapen van den aanvaller. De Spanjaard liet het

echter niet los. Onder den uitroep »carajo!« poogde hij Matthijszen

met zijne sabel te bereiken; doch ook deze slag miste. Een oogenblik

scheen de Haarlemmer te aarzelen, of hij de geweerkolf zou loslaten

en den bespringer met zijn rapier aanvallen; doch opeens tot andere

gedachten komende, verzamelt hij zijne krachten, en zich nu met al

zijne zwaarte op de kolf voorover buigende, doet hij zijn vijand het

evenwicht verliezen, zoodat deze, om niet achterover te tuimelen,

het geweer loslaat. Maar niet zoodra heeft de vijand het wapen in

Matthijszen's hand achtergelaten, of snel springt deze op de witte

gestalte aan, en brengt hem met zijn rapier een zoo wissen stoot toe,

dat de Spanjaard onder den uitroep: »heilige moeder Gods! behoed mij!«

op den grond stortte.

Matthijszen gevoelt geene aanprikkeling om te onderzoeken, in hoever

hij een tweeden aanval te duchten heeft; want ter linker en rechter,

voor en achter hem, laten zich de kreten hooren: »weg met den

Spanjaard! waakt op voor Haarlem!«

Wel verre echter, dat de belegerden dien laatsten uitroep met grond

konden doen. Van de Kruis- tot aan de Janspoort, dat gansche ravelijn

langs, wemelde het van Spanjaarden, die òf de wallen reeds hadden

beklommen en poogden stand te houden, òf dit in alle richtingen

trachtten ten uitvoer te brengen. Het was een even zonderling als

vreesverwekkend gezicht, die langwerpige ronde, half omvergeworpen

vest, nog gehuld in den nachtsluier, van allerlei gestalten te zien

wemelen. Hier waren het witte geesten, die over den wal schenen te

zweven, kromme, smalle en kronkelende bochten vormende, of als uit

een afgrond opdoemend. Daar waren het andere, slechts dan zichtbaar,

wanneer zij de lonten aanbliezen en voor eenige seconden door het

bleekrood schijnsel verlicht werden. En zij worstelden en beschreven

duizenden kringen: de strijd werd al levendiger, al woelender:

de kreten van aanval en wederstand werden al luider en wilder; het

geknal der musketten al driftiger en driftiger; nu en dan zag men

eene der zichtbare gestalten in den afgrond verdwijnen, waaruit zij

kort te voren verrezen waren; doch evenals van de afgehouwene koppen

der Hydra, schenen zij weder in verdubbelden getale te voorschijn

te komen. Opeens echter doet zich van den kant der St.-Janspoort

eene krachtige stem hooren, en eenigen werpen zich op een twintig

Spanjaarden. Hun aanvoerder is Lancelot van Brederode; dat hoort men

aan zijne ruwe, forsche stem.

--»Tsa, mannen van Haarlem!« roept hij, »wat hebt gij u door dit

gespuis laten overvallen? Slaperig op uwe posten gestaan? Eeuwige

schande op uw kop, zoo ge het geboefte niet weer in zijn nest

jaagt. Vuur kerels, vuur!«

Den voorgaanden nacht had Brederode de wacht aan de Kruispoort

gehad; maar dezen nacht had hij, gerust op de waakzaamheid zijner

krijgsmakkers, zich aan den slaap overgegeven. Zijne jongste loopbaan

echter als bevelhebber op de geuzenvloot had hem dikwijls slechts

korten slaap vergund, zoodat hij naderhand menigmaal in het holle

van den nacht, niet meer kunnende inslapen, opstond. Ook dezen nacht

was hij reeds te vier ure wakker geworden, doch gevoelende, dat het

streng koud moest wezen, had hij zich op zijne warme legerstede aan

verschillende gedachten blijven overgeven. In de St.-Jansstraat

wonende, was dus zijn oor getroffen geworden door het geschreeuw

der schildwachten. Nog een oogenblik luisterde hij: het rumoer won

veld; ijlings stond hij op, wierp driftig een der vensters van zijn

slaapvertrek open, hoorde het geschreeuw »in 't geweer!« duidelijk,

trok in haast zijne kleeding en wapenrusting aan, en toen het eerste

schot knalde, verliet hij reeds zijne woning, waar zijne vrouw en het

overige huisgezin door zijn rumoer insgelijks uit den slaap werden

gewekt. Als het weerlicht ijlt hij naar de wacht aan de Janspoort,

ziet en hoort de ook daar heerschende verwarring, verneemt met korte

woorden, wat er plaats grijpt en beveelt de nog in het wachthuis zijnde

soldaten, hem te volgen. Deze aarzelen; want kapitein Mandares, welke

dien nacht het bevel had, had hun gelast, niet van daar te wijken,

doch het grimmig gelaat en de donderende stem van Brederode doen

hen aan den laatsten gehoorzamen, en--zij rukken met hem naar den

wal. Daar ziet hij de nog grootere verwarring, de in het wit gekleede

vijanden en beseft het dreigend gevaar der stad.

--»Staat!« roept hij tot een viertal Duitschers, die naar het wachthuis

schijnen te willen vluchten. »Staat, of ik stoot u het rapier in de

borst. Ellendige slapers! wat zijt gij verbluft: voort, zeg ik u,

de Spanjaards te lijf, of het is gedaan met de stad.«

De soldaten, aangemoedigd en beschaamd, sluiten zich oogenblikkelijk

aaneen, en met het geweld van een aanpersenden stroom werpen zij

zich, met Lancelot aan het hoofd, op de aanvallers. Deze wijken

eenigszins rugwaarts, als konden zij den schok niet weerstaan,

terwijl Brederode met eigen hand een hunner den degen in het lijf

stoot. De vijand echter, plotseling aangevuurd door de gedachte, dat

hunne makkers op een ander punt aanstuiven en dat hun de overwinning

zijn zal, herstellen zich en dringen onder de kreten: »victoria,

victoria, Romero!« met geene mindere kracht voorwaarts. Dit looze

overwinnings-geschreeuw is echter niet in staat om Brederode in zijn

aanval te doen verflauwen.

--»Vuur, mannen van Haarlem!« roept hij met weergalmende stem, en acht

musketten jagen den vijanden het gekapt lood in het lijf, waarna men

onstuimig met de geweerkolven op hen aandringt en verscheidene hunner

zwaar gewond of stervend doet neerstorten.

--»Brederode is daar!« klinkt het op eenige schreden afstands. Het

is de stem van hopman Vader, aan wien het op datzelfde oogenblik

gelukt is, met eenige zijner soldaten eenige vijanden van de wallen

te weren: »Voort! hem op zij,« roept hij.--En te gelijker tijd ziet

Brederode zijne manschappen vermeerderd, welke benevens de overigen

den Spanjaard andermaal te lijf vallen.

--»Gij.... hopman!« roept Brederode, Vader aan zijne stem herkennende,

»waar zijn uwe makkers? dood?«

--»Neen, neen!« is het antwoord, »zij drijven, als wij, den vijand

van den wal.«

--»IJlings naar de naastbijzijnde batterij,« roept Brederode, »vuur

de dubbelbas af, opdat man aan man in 't geweer kome. Gezwind, of

het is te spâ!«

Maar nog is hopman Vader geen tien schreden voortgeijld om te

gehoorzamen, toen vlak bij de Kruispoort zich eene losbarsting

laat hooren.

--»Triomf voor Haarlem!« roept Vader, die thans, in plaats van

naar de batterij te snellen, over het bolwerk rent om een anderen

makker in het afkeeren van den vijand behulpzaam te zijn; en niet

lang heeft hij daarnaar te zoeken; want op een tiental schreden van

de batterij af, verweert de kapitein Cornelis Mattheusz Schatter,

die insgelijks de wacht op de Janspoort had, zich dapper tegen

eenige Spanjaards. Hij voegt zich bij hem en de vijanden deinzen

thans achteruit, terwijl men andermaal de losbarsting der dubbelbas

hoort, die oogenblikkelijk door eene andere wordt opgevolgd; want het

maken van alarm was natuurlijk ieders eerste gedachte. Het geknal der

musketten was echter reeds in staat om de overige verdedigers naar de

bedreigde punten te doen snellen. Hier naderde eenige versterking van

de Catharijnebrug, den Ravestein-, den blinden Jonkers- en Papetoren,

terwijl die van den Pijntoren, het Kraaienest en andere insgelijks te

hulp kwamen. Intusschen hadden de wachten van de Kruis- en Janspoort,

niet sterker dan vijftig man, zich in weerwil van de verwarring en de

duisternis zoo manmoedig gedragen, dat verscheidene der aanvallers

gesneuveld of gewond waren, of hadden moeten afdeinzen. Maar niet

zoodra kwam de hulp van de andere wachtposten opdagen, of de schok,

dien de bestormers ondervonden, kon verdrievoudigd genoemd worden,

en niet weinig klom de moed der belegerden, toen de donkerheid door

eene spoedig aanbrekende schemering en vervolgens door het daglicht

vervangen werd.

--»Staat bij, mannen van Haarlem!« riep Brederode, toen Pellekaen

met eenige manschappen naderde, »dat was een torn en nog heeft het

gespuis de bovenhand; maar wij zullen hen naar hun nest drijven,

of mijn naam zal geen Lancelot wezen.«

--»'k Heb het gevreesd,« dacht Pellekaen, »maar men heeft mijne

waarschuwing klein geacht. Gewis, de huidige dag zal voor Haarlem een

dag van wee zijn.« Doch hoezeer een angstig voorgevoel zich van hem

meester maakte, wachtte hij zich wel, het op dat oogenblik te uiten,

als begrijpende, dat het tegenwoordige onverwijld tot krachtige

maatregelen drong.

--»Voor Haarlem! valt aan,« riep hij tot zijne manschappen, en snelde

naar dat punt, hetwelk het meest door de vijanden bedreigd werd. Hier

was het de capitan Alfonso Mugnos, daar De Auecia en ginds Stephano

Illaves; doch men wist nog niet, wie de eigenlijke hoofdaanvoerders

waren; want ofschoon sommige der soldaten den kreet van »Romero« hadden

laten hooren, was dit geenszins het bewijs, dat hij er bij tegenwoordig

was, aangezien de naam van Romero den Spanjaarden veelal tot leus

diende, wanneer er een storm of gewaagde aanval ondernomen werd.

Onderscheidene kapiteins van de schutterij en hoplieden van de Walen,

Duitschers, Engelschen en Schotten, waren thans op het bedreigde

gedeelte der wallen tegenwoordig, toen zich opeens van alle richtingen

de kreet liet hooren: »Ripperda komt! daar is Ripperda!«

En Ripperda kwam--Ripperda ijlde aan om de bedreigde vest, zoo

mogelijk, voor het verschrikkelijkst lot te behoeden, om de nog

heerschende verwarring te doen wijken.

IJlings en met den degen in de vuist vliegt hij naar de wallen, sinds

langer dan een halfuur het tooneel van vermetelen aanval en krachtigen

wederstand, doch waar 's Hemels hulp te midden der verwarring zoo

blijkbaar ondervonden wordt. Op het gezicht van Ripperda, wiens

oogen vuurstralen schieten, schijnen de dapperen met nog meer moed

bezield te worden. Nu is hij aan de Kruispoort, waar hij zijne korte,

krachtige bevelen doet hooren; dan weder snelt hij, als een dier

gevleugelde helden, van welke de ouden zongen, over het ravelijn naar

de Janspoort. Te midden van het geknal der musketten en haakbussen,

het losbranden der falkonetten en het geschreeuw der soldaten, wordt

zijne stem steeds vernomen.

--»Brand los die serpentijnbuks in de rechterflank!« beveelt hij aan

kapitein Mandares.

--»Afgekeerd in 't front, en van links en rechts bestookt!« roept hij,

»vuur daar links, musketiers!--Courage, mannen van Haarlem! 't geldt

vrouw en kind!« En--waardig bevelhebber als hij was--overal deelt hij

kalm en beraden,--een trek van alle groote mannen te midden van het

gevaar--zijne bevelen uit; met scherpen maar rustigen blik tracht

hij alles te overzien, en is op geschikte middelen bedacht om het

gevaar te keeren en bedreigde punten te versterken. Waar verwarring

heerscht, doet hij die zooveel mogelijk wijken; waar de aandrang groot

en de weerstand niet talrijk genoeg is, doet hij van een ander punt

musketiers of piekeniers aanrukken, terwijl hij zelf met een schot

reeds twee Spanjaarden van de walkruin heeft doen tuimelen. Intusschen

laten al de alarmklokken zich al driftiger en driftiger hooren. Uit

al de wijken der stad snellen dan ook krijgslieden naar de bedreigde

veste, sommigen geheel, anderen slechts ten deele gekleed, doch het

niet achtende dat de koude hen grimmig op het lijf valt. Schrik en

angst van kinderen of ouden van dagen houdt geen krijgsman terug: de

vrees der vrouwen wijkt spoedig voor het besef van algemeen gevaar,

en ook de vrouwen zelven grijpen spies en rapier ter hand. Het geldt

Haarlem! het geldt de besprongen stad; met de alarmtonen paart zich het

wapengeschrei van jong en oud; van links en rechts en overal weergalmen

de kreten: »de vijand beklimt de vest! voort, voort, hem te keer!«

En nog eer de zon opgegaan is, krioelt de wal van vrouwen en mannen,

die bloed en leven veil hebben voor de redding der stad.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 12 / 21 题