In 's vijands legerplaats hadden de priesters plechtstatig
gebeden. Vurig hadden zij de heilige maagd gesmeekt, de dappere benden
van den allerkatholieksten koning, den beschermer van het eenig geloof,
met kracht te omgorden, opdat zij mochten zegepralen over ketters,
die in de landen van den vroomste der vorsten de oproervlam hadden
ontstoken. En na het eindigen des gebeds hadden die priesters de
dapperheid van den krijgsman nog te meer aangevuurd. Met geestdrift
hadden zij hun het heilig kruis voorgehouden, uitdelging van zonden en
den Hemel beloofd, wanneer zij met het staal in de vuist vallen of de
muiters overwinnen zouden. Wat schitterende toekomst! Wat krachtige
prikkel voor soldaten van Alva, voor Spanjaarden, wien wel niemand
den lof van dapperheid zal onthouden. De meesten zwoeren, dat zij geen
voetbreed zouden wijken, en dat, zoo zij dien eed braken, zij van de
H. Sacramenten der Kerk mochten verstoken wezen; anderen, dat hun lijk
als dat van ketters en renegaten op de velden zou geworpen, in plaats
van op heiligen grond begraven worden; of dat zij noch van paus, noch
kardinaal, noch bisschop, noch priester absolutie zouden ontvangen. En
door die gebeden, door die eeden met dubbelen moed omgord, scharen
zij zich in rijen, vervloeken de rebellen, verachten den dood en laten
weergalmend den kreet hooren: »voor Spanje! voor het heilig geloof!«
Nadat 's vijands trompetten een paar minuten onafgebroken hadden
geklonken, weergalmt in alle richtingen het bevel tot den aanval,
en zij, die het eerst op de Kruispoort aanstormen, zijn Rodrigo de
Toledo en Lorenzo Perea.
--»Voorwaarts, soldaten!« roept de wreede Portugees, »wischt de
schande uit, die de rebellen op uw hoofd hebben gebracht. Dezen dag
overwinning of dood.«
Hoe sterk de belegerden, na het verlaten van het blokhuis of moordhol,
de Kruispoort ook mochten gemaakt hebben, zoo hadden de basilisken en
draken ze echter sedert dien tijd door ettelijke honderden schoten
verzwakt. Hierdoor waren er twee bressen ontstaan, die men slechts
gedeeltelijk gevuld had, aangezien de belegeraar dit op allerlei wijze
getracht had te beletten. Op de linkerbres had dan ook de aanval van
Perea plaats--van Rodrigo de Toledo op de rechter. Die aanval was
geweldig, maar niet minder krachtig de wederstand; want hier voert
Boreel, daar Brederode de belegerden aan. De eerste stormladder wordt
door Lorenzo Perea beklommen, en deze met een zwaar metalen stormhoed
en schild gedekt, doch met niets anders dan een dolk en eene kling
gewapend, stijgt onverschrokken omhoog.
--»Volgt mij, soldaten!« roept hij de zijnen toe, »en als Perea valt,
is u de weg gebaand.«
--»Viva capitan Perea!« roepen de soldaten, en eer hun aanvoerder de
stormladder ter halver hoogte bereikt heeft, volgen reeds eenige met
spies en rapier gewapende Spanjaards hem na.
--»Wat wil de Spanjaard nu?« zegt Stompwijk in zichzelven, terwijl
hij van het Kraaiennest de aanstalten ziet om de Kruispoort te
overmeesteren, »slaat hij mijn geschrift, mijne waarschuwing in
den wind? Heb ik hem niet kond gedaan, dat onder die poort de hel
loert? Terug, dwazen, of wat baat u mijn verraad?«
Vreemd voorzeker moest het den ellendeling schijnen, dat de vijanden
zich met zooveel kracht op de Kruispoort wierpen, daar hij nog kort
tevoren dien vijand kennis had gegeven, dat het buskruit onder de
Kruispoort allen, die haar overmeesterden, in de lucht zou doen
springen. Hij wist niet, dat die brief don Frederik niet in handen
was gekomen: maar hij huiverde bij de gedachte aan die mogelijkheid.
--»Terug!« schreeuwt inmiddels Brederode, terwijl hij met eigen hand
zijn beproefd staal op Perea's hoofd wil doen neerdalen. Evenwel,
door de aanpersing van ettelijke verdedigers naar den rand der bres,
mist Brederode zijn slag, en het rapier blijft tusschen de voege van
een half losgewrichten steen geklemd. Verbitterd over dit ongeval,
tracht hij door eene forsche beweging met den arm de kling weder
vrij te krijgen. Zijne poging wil echter niet slagen, en Perea,
van dit voordeel gebruik makende, stijgt nu gezwind naar omhoog,
terwijl de op hem volgende soldaten hem krachtig opstuwen.
--»Fluks een ander rapier,« roept Brederode, het gevest van zijn
degen loslatende, daar hij het vruchtelooze van zijne poging inziet
om het wapen uit den steen te rukken; doch eer aan zijn bevel wordt
gehoorzaamd, ziet hij den vermetelen Portugees reeds met den eenen
voet in de bres; wel dwingt Asinga hem op dat oogenblik tot staan,
door hem een hevigen slag op het hoofd toe te brengen; maar Brederode
ziet het geducht tijdstip naderen, dat de bestormers de bres zullen
overmeesteren. Woedend over het verlies van een wapen, dat hem reeds
zoo menigmaal de voortreffelijkste dienst heeft bewezen, wil hij zich
met al de kracht van zijn lichaam op den Portugees werpen, doch op dat
oogenblik duwt een der Haarlemmers hem eene gewone schutterskling in
de vuist en ijlt aanstonds van de poort om zich van een ander wapen
te voorzien.
--»Sterf, hond!« schreeuwt nu Brederode, en ofschoon hij aanstonds
het verschil tusschen dit nieuwe en het verlorene wapen ondervindt,
zoo is de slag, dien hij er Perea mede toebrengt, nochtans zoo hevig,
dat deze schijnt te wankelen. Maar in weerwil daarvan, in weerwil ook
van de meerderheid, die op Perea aanstormt, houdt deze onbezweken
stand. Ook met den anderen voet is hij de bres binnengedrongen,
en van weerszijden keert hij de slagen der verdedigers zoo behendig
en krachtig af, dat hij blijken levert, hoe zeer hij in den krijg
ervaren en door Alva zelven onderwezen is. Naar alle kanten rollen
zijne fonkelende blikken rond, en het aantal zijner bespringers acht
hij niet. Brederode zelf bewondert zijne dapperheid en onversaagdheid,
en hoe diep geworteld ook diens haat was, betuigde hij meermalen
naderhand, dat hij nog in geen vijand meer onverschrokkenheid had
gehuldigd, dan in den Portugeeschen hopman Lorenzo Perea.
--»Perea vreest geene rebellen,« roept hij. »Voorwaarts, soldaten! de
dood aan de geuzen: Haarlem is ons!«
--»Dat liegt gij!« roept Dirk Brazeman, de luitenant van Brederode,
»iedere voet grond moet met Spaansch bloed worden gekocht,« en onder
deze woorden zwaait hij zijne kling boven de hoofden der Haarlemmers,
met het doel om den Portugees in den hals te treffen, en juist was de
beweging, die Perea op dat oogenblik maakte, oorzaak, dat het rapier
hem in de voege van het harnas op den arm trof: terwijl bijna te
gelijker tijd ook Brederode hem een zoo hevigen slag op den anderen arm
toebracht, dat Perea een zwaren vloek uitstiet. Evenals een tijger,
wanneer diens aanrander hem eene bloedige wonde toegebracht heeft,
te feller op hem aanspringt, zoo ook schiet Perea met een woesten
kreet op Brederode aan, en terwijl hij uitroept: »Ter hel, verrader!«
komt zijn staal zoo snel en wis op het hoofd zijner tegenpartij,
dat het met Haarlem's kloeken verdediger gedaan ware geweest, zoo een
der Duitschers den slag niet grootendeels op zijne kling opgevangen
had. Eene kleine duizeling van den slag is het eenige, wat Brederode
gevoelt, en dit toont reeds genoeg, wat er van een krijgsman als
Perea te vreezen was.
--»Schaamt u, laffe muiters!« schreeuwt deze, »dat gij met een gansche
bende tegen één man vecht. Stijgt op, kerels!« gebiedt hij tot de
soldaten, die hem op de stormladder nadringen, doch met kolven en
spiesen afgekeerd worden, terwijl reeds twee hunner door de musketiers
van Steenbach in de zijde getroffen zijn. Vloekend geven zij, die
Perea navolgen, hunne gramschap te kennen, dat zij niet evenals hun
aanvoerder vasten grond in de bres kunnen bekomen, terwijl zij zich
verwonderen, dat deze nog altijd in het midden van een drom Haarlemmers
stand houdt. Maar inderdaad! Perea houdt stand, ofschoon hij reeds een
viertal wonden heeft bekomen, waarvan eene enkele genoeg was, om menig
ander te doen bezwijken. Van links en rechts bliksemt hem het wapen der
Haarlemmers tegemoet, doch van rechts en links tracht hij onbezweken
het af te keeren, onophoudelijk zijne makkers aanvurende of bevelende
hem te volgen, daar alleen van hunne aannadering zijn leven afhangt.
--»Staat Perea bij, en de stad is ons,« roept hij terwijl hij een
schutter zoo hevig treft, dat deze op den grond ware getuimeld,
indien zijne makkers van rondom hem, door hun dicht aansluiten, niet
staande hadden gehouden. Reeds eenige der verdedigers zijn door den
Portugees gewond geworden, en sommige der Duitschers deinzen voor
zijn geduchten arm en zijn vlammenden blik terug. Voorwaar! dien
vijand daar alleen ziende strijden tegen zulk eene overmacht; ziende,
hoe hij daar pal stond als eene rots tegen de branding, hoe hij
kling op kling afkeerde, terwijl zijn wapen trof als dat van een
dier Grieksche helden, die Homerus bezingt, dan zou men de waarheid
te kort hebben gedaan door niet te erkennen, dat de Spanjaards van
dien tijd in dapperheid alle andere natiën zoo niet overtroffen,
dan toch evenaarden. Dan zou men willens blind hebben moeten zijn,
om geene hulde te doen aan de krijgstalenten van een Alva, in wiens
school toch de meesten waren gevormd.
--»Leve de koning!« klinkt het op eens achter Perea; want aan een
zijner soldaten gelukt het, den voet in de bres te zetten.
--»Leve de koning!« davert het ook aan de rechterbres, waar het
Rodrigo de Toledo gelukt, insgelijks op te stijgen, ofschoon deze
onder die poging reeds twee wonden bekomen heeft.
--»Terug, dwazen!« zegt Stompwijk bij zich zelven met klimmende vrees,
dat zijn geschrift den vijand niet in handen is gekomen, »waarom ben ik
niet aan de Kruispoort?--Ik zou hun toeroepen: »»gij loopt de hel in
den muil. Het oogenblik, waarin gij overwint, zal uw verderf wezen;
en in Frederik's oogen zal ik een verraderlijke fielt schijnen.««
Ik moet hen waarschuwen. Maar hoe? ik kan niet, of ik schijn een
verrader van links en rechts.«
--»Op mannen van Haarlem! wakker aan voor vrouw en kind; slaat dood het
gebroed,« roept inmiddels Van Brederode, toen hij eenige Duitschers
ziet terugdeinzen, en het voordeel van den vijand waarneemt. Maar
Brederode zelf is de eerste, die nu ook met meer geweld op de
bestormers aandringt. De spies van een gevallen krijgsman aangegrepen
hebbende, richt hij ze op den Portugees, en treft hem in de heup
met zooveel kracht, dat Perea achterover dreigt te tuimelen. Nog
houdt hij zich echter staande; maar, datzelfde oogenblik is hem
noodlottig. Het scheen besloten, dat Perea voor het laatst den
storm zijner wapenbroeders zou bijwonen. Op de aanmoedigende stem van
Brederode dringen de verdedigers der Kruispoort heftiger naar de bres;
als een stroom stuwen zij zich op en rond den Portugeeschen held, en
deze, door zijne wonden verzwakt, heeft de kracht niet meer om hen
met het schild van zich te weren. Onder wraakgeschreeuw dringt een
gespierde Waal van Vardeur met een dolk het dichtst op hem aan; het
gelukt hem, Perea in den ringkraag te grijpen, en met de andere hand
poogt hij hem het staal in het hart te stooten; ook Perea heeft zijn
dolk gegrepen, daar hij zich met zijn rapier niet langer verdedigen
kan, en terwijl de Waal zijne hand aan den ringkraag geklemd houdt,
wordt die hand door het wapen doorboord. Maar de verdediger van Haarlem
laat dien vijand niet los: als in doodsangst houdt hij zich vast,
en van zoo nabij bliksemen hunne oogen elkander tegemoet, dat het
aangezicht van den een dat des anderen schier aanraakt. Al heviger
en heviger dringen de verdedigers zich naar de bres, en Perea geene
kans meer ziende, zijne standplaats te behouden, klemt zich aan zijn
vijand evenals de wolf aan den besprongen buffel.
--»Met mij ter hel!« roept hij, en met al de hem overgeblevene
kracht laat hij zich eensklaps ruggelings van de bres naar beneden
storten en sleurt in zijn val den Waal met zich. Op dit gezicht
doen de verdedigers en de aanvallers te gelijker tijd een kreet van
schrik hooren. Perea valt bonzend met het hoofd op den grond, en de
kloekgebouwde Waal, dien val nog verzwarende, schijnt de eerste geen
teeken van leven meer te geven.
--»Staat bij, staat bij!« gilt de Waal; doch elke poging om hem
te redden ware vruchteloos geweest. Ook werpen zich ijlings eenige
Spanjaarden met al de woede der verbittering en wraak op hem. Zij
scheuren hem van het lichaam huns aanvoerders en--in een oogenblik
is hij van wonden doorboord.
Zóó--en niet op Loevestein of in Naarden--stierf Lorenzo Perea,
een Portugees, die voor geen Spanjaard van die dagen in dapperheid
behoefde te wijken. Alva zelf had hem meer dan eens met bewondering
aanschouwd en hem, als een der jonge officieren, die van zijne
krijgskundige lessen het meeste nut trok, ook het meest met zijne
vriendschap vereerd, zoodat men zelfs zeide, dat Perea eerlang
den rang van kolonel zou verkregen hebben. Jammer voorwaar, dat de
leerling niet enkel van de talenten des meesters partij trok; want
voor alle Spaansche beulen behoefde Lorenzo Perea niet in bloeddorst en
valschheid onder te doen. De hertog, zijn heldhaftigen dood vernemende,
moet zichtbaar bewogen zijn geweest en uitgeroepen hebben: »De dood
van Perea weegt tegen het verlies van een geheel vendel op.«
--»Wraak!« riepen de soldaten, terwijl zij het half verpletterde
lijk van den Portugees naar de legerplaats brachten, »wraak voor den
dapperen aanvoerder der ruiters! den rebellen de dood!«
Zoo klonk het ook aan de bres, waar Perea den dood had gevonden, en
waar het inmiddels reeds aan eenige soldaten gelukt is, zich den weg
te banen. Ook Rodrigo de Toledo bevindt zich reeds met sommigen in de
rechterbres, en ofschoon ook hij door Boreel zelven met eene spies
in de dij is gewond, houdt hij echter onbezweken stand en spoort de
zijnen op de stormladder onophoudelijk aan, hem te volgen. Inderdaad,
met zóóveel kloekheid streden de Spanjaards, dat het scheen, alsof
op hun duren eed om te overwinnen of te sterven, de priesters hun
de zaligheid des hemels wederkeerig met een plechtigen eed hadden
beloofd. Als een dam keerden zij in de linker- en rechterbres den
aanpersenden stroom van Haarlemmers, en wonnen zelfs van oogenblik
tot oogenblik zooveel voet, dat er niet anders te verwachten was,
dan dat de zonen van Hiberië weldra over de zonen van Bato zouden
hebben gezegevierd.
--»IJlings naar Ripperda!« beveelt nu Brederode zijnen luitenant
Brazeman. »Zeg hem, dit de Spanjaard voet voor voet wint.«
Brazeman ijlt om aan den last te gehoorzamen; doch Ripperda heeft het
reeds voorzien, dat 's vijands opstuwende macht niet te beteugelen
zal zijn.
--»Terug naar Brederode, naar Boreel!« zegt hij tot Brazeman, »nog een
oogenblik manhaftig verweers, en als gij driemaal het vaandel zwaait,
zal dit het besproken teeken zijn.«
Brazeman ijlt terug, en nu snelt Ripperda naar eene plaats, ongeveer
dertig schreden van het nieuwe blokhuis verwijderd.
Zwijgend en ieder oogenblik Ripperda's bevel verbeidende, staat daar de
koene vestingbouwkundige Derdein; doch niet zoodra ziet hij Ripperda
naderen, of zijn somber oog neemt een levendiger gloed aan en met
geestdrift roept hij uit: »Is het tijd mijnheer?--de lont slechts
ontstoken en--het is met hen gedaan.«
--»Nog niet,« zegt Ripperda, »zij moeten verder aanstuiven; hun aantal
is nog te gering. Maar hebt gij vaste hoop, dat het werk slagen
zal? Bij Oranje! zoo er iets aan faalde, 't zou een onvergetelijk
stuk zijn.«
--»Op nieuw twijfel, mijnheer?« zeide Derdein eenigszins
wrevelig. »Zult gij eerst dan vertrouwen op mij stellen, wanneer het
gebleken is, hoe ik die roovers ook zonder rapier om hals brengen
kan! Als het mislukt, stoot mij dan vrij uwe kling in de borst.«
--»Een Fries vertrouwt niet zoo licht,« zeide Ripperda, »maar doet
hij het, dan is zijn vertrouwen ijzervast.«
--»Welnu, dan zal na dezen dag uw vertrouwen op mij zelfs harder dan
ijzer zijn,« sprak Derdein, en hij sloeg zijn donkeren blik op de lont,
begeerig naar de seconde, dat hij ze zou aansteken.
Er was een ontzettend oogenblik voorhanden, een oogenblik, dat
zou vernielen en doen sidderen. Hadden de belegeraars het bolwerk
ondergraven, ook de spade der belegerden was niet werkeloos geweest,
minst van allen in de strekking naar de Kruispoort. Zeer diep in den
harden grond delvende, was men ten laatste, na bezwarenden arbeid,
onder die poort gekomen. Nadat men te dier plaatse eene rechthoekige
uitholling of oven had gegraven, werden er verscheidene vaatjes
buskruit ingelegd, en om er te beter rekening op te kunnen maken,
dat alles behoorlijk vuur zou vatten, had men vervolgens den ganschen
bodem met los buskruit bestrooid. In die uitholling en in aanraking
met het daarin geplaatste pulver had men nu het einde der slang of
worst gelegd, bestaande uit een omkleedsel van katoen met buskruit
gevuld en nog bovendien met het vernielend poeder bestreken. Voorts
had Derdein het naast aan die opening grenzende gedeelte van den
mijngang met planken en zandzakken zoodanig opgevuld en gesloten, dat
deze voor de lucht volkomen ondoordringbaar was. Om allen nadeeligen
invloed van den onderaardschen weg op de slang te voorkomen, had de
scherpzinnige Waal haar in een geleikoker gelegd, die evenlang als de
galerij was; voorts had hij ook dezen koker met buskruit bestrooid, en
op enkele plaatsen kleine openingen gestoken, ten einde te beletten,
dat misschien de rook den voortgang van het vuur vertragen zou. Het
punt, waar de verraderlijke slang uitkwam, was door een klein vierkant
staketsel afgesloten, waarbij nacht en dag eene schildwacht stond,
totdat men den draak zijn rook en vuur zou doen uitbraken. Spoediger
dan men nog gewaand had, zou dit plaats grijpen. Een teeken en--men
zou de losbarsting hooren.
Op Ripperda's bevel begaf zich Horenmaker naar het hoofdtooneel
van het gevecht, en weldra keerde hij weder terug met het bericht,
dat de vijand meer en meer veld won, en dat Alfonso Mugnos, in de
plaats van Perea gekomen, met een tiental Spanjaarden insgelijks de
bres had beklommen.
Zoo was het: maar juist toen Horenmaker terugkeerde, drongen er van de
bres van Rodrigo de Toledo andermaal eenige soldaten binnen. Rodrigo
zelf, eene breede wonde in het aangezicht hebbende, moest de bres
verlaten en werd nog bovendien onder dien aftocht met een musketkogel
getroffen, zoodat men hem voor dood wegdroeg: maar in zijne plaats
steeg Stephano Illavas op, en ook deze baande zich met ettelijke
Spanjaarden den weg.
--»Terug mannen, terug!« gebood nu Boreel, die, ofschoon reeds eenige
bestormers met eigen hand getroffen hebbende, de onmogelijkheid zag
om langer stand te houden.
--»Terug!« beval ook Brederode, en, opdat de Spanjaarden het hooren
zouden, voegde hij er met forsche stem bij: »Wij geven het op! den
Spanjaard het blokhuis! naar den wal; naar den wal!«
En de Haarlemmers deinzen langzaam en al vechtend rugwaarts, ten einde
den vijand in te grooter getale op de Kruispoort te lokken. Dit is ook
werkelijk het geval. Niet vermoedende, wat verschrikkelijk spook er
onder hunne voeten huist, beklimmen zij in menigte de bres en drijven
de verdedigers al meer en meer terug.--
Verschrikkelijk is dat oogenblik voor Stompwijk. Hij weet, waarom
die Haarlemmers terugwijken; hij weet, dat al de vijanden, die daar
op de overwinning rekenen, deerlijk zullen omkomen, dat ieder lid
van hun lichaam verbrijzeld zal worden. Hij heeft er don Frederik van
onderricht, en toch ziet hij de vijanden het onzichtbaar spooksel in de
armen snellen. Zijn post kan hij niet verlaten om hen te waarschuwen,
zonder het wantrouwen der Haarlemmers op te wekken. Van teleurstelling
en spijt knijpt hij de vuist samen; maar ook de vrees grijpt hem aan;
want zoo de Spanjaarden sterven, dan zal de toorn van don Frederik
op hem losstormen.
--»Vervloekt!« zegt hij in zichzelven, »dan zal mijn loon mij ontgaan:
en de verrader zal misschien verraden worden. Ellendige dwaas, die
ik ben, waarom geen zekerder spel gespeeld?«
--»Leve de koning!« klinkt het inmiddels onder de aanstormende
Spanjaarden: »Victoria! victoria! Haarlem is ons!«
--»Haarlem is ons!« roepen zij krijschend, »Perea heeft het gezegd: als
hij valt, is ons de weg gebaand. De stad ons! den rebellen de dood.«
De Spanjaard, de belegerden ziende terugdeinzen, plant nu het
vaandel van Castilië op het blokhuis. Maar terwijl sommigen hunne
makkers aansporen om al meer en meer op te stijgen, en anderen de
oogenschijnlijke vluchtelingen achtervolgen, ziet Derdein, dat de
ongeduldig verbeide seconde daar is, en zijne hand is gereed om het
vuur in de kruitslang te steken.
--»Nog niet!« zegt Ripperda, »er zijn nog Haarlemmers op de poort.«
--»Neen, mijnheer! nu, of het is te laat,« zegt Derdein, wiens oogen
van ongeduld vlammen om het verborgen monster te voorschijn te doen
springen, »de vijand stormt de poort af, den wal op.«
--»Ik heb mij niet bedrogen,« zegt Ripperda, »daar gaan nog van de
onzen terug. Maar geef acht, men zwaait het vendel ... twee ... drie
maal ... vuur aan de slang! vuur!«
Snel als het weerlicht raakt de vurige tong van de lont de sluimerende
slang aan. Derdein's oogen vonkelen van vreugd; want het monster
ontwaakt, slokt het vuur in, en dat vuur schiet rookend en sissend
met pijlsnelheid voort. Ripperda schijnt stom van verwachting;
hij vestigt het oog niet op de ginds worstelende krijgslieden: hij
houdt het onbeweeglijk op den grond, als wilde hij zien, wat er,
onzichtbaar, in dien onderaardschen gang plaats grijpt. Had het
gezicht er in kunnen doordringen, dan zou men gezien hebben hoe
het vuur als een bliksemschicht voortschoot, zonder dat het één
hinderpaal ontmoette, zonder dat de rook den snellen voortgang
beteugelde. Maar dat gezicht zou slechts vluchtig geweest zijn,
even vluchtig als de zwijgende verwachting naar den uitslag. Slechts
weinige seconden en--opeens hoort men een doffen, hollen slag, een
harden dreunenden schok, een slag, die doet sidderen, een schok,
die doet verstommen. Op eens splijt daar en scheurt daar de grond;
eene zwarte hel opent hare kaken. Het is een vuurspuwende berg, die
zijne steenmassa uitwerpt. Het oog ziet niets dan donkerroode vlammen,
een dikken rook en dwarrelende stofzuilen; maar te midden van dien rook
en die vlammen worden verbrijzelde lichamen naar omhoog geslingerd;
musketten, trommels, vaandels vliegen met de vijanden, die ze droegen,
met de steenklompen van de bolwerkspits hoog de lucht in, en alles wat
op verspreide afstanden weder neerstort, is onkenbaar door den schok
der vernieling. Kreten van schrik weerklinken in 's vijands gelederen;
veertig hunner vinden daar eensklaps den dood; met het »victoria« op
de lippen worden zij vernield: de schijnbare overwinnaars ondervinden
eene plotselijke nederlaag. Maar ook Stompwijk voelt den geweldigen
slag: de hevige schok doet hem rillen, en ternauwernood kan hij den
uitroep bedwingen: »Vervloekt! is het geschrift verloren, dan ben
ook ik het: dàt, of de Spanjaard is een onzinnige dwaas!«
--»Verraad!« roept don Frederik tot Bartholomeus Campocassio, die
zich in zijne nabijheid bevindt, »dat is duivelsbedrog en verraad! Die
ellendeling, die booswicht, dat ik hem in mijne macht hadde!«
--»Señor!« zeide de ervarene Campocassio, »dat is een groote ramp voor
zoo velen van 's konings beste soldaten; en gij vermoedt verraad?....«
--»Ja bij de heiligen!« viel Frederik hem in de rede, »ik zeg u,
dat de verrader ook mij verraadt. Hij loert op mijn verderf, en dat
met een enkelen slag. Duizend kronen voor dengeen, die mij den schelm
levend of dood in handen stelt. Maar wraak, wraak over den dood van
zooveel dapperen!« ging hij voort, met onstuimigheid dichter naar
het moordtooneel snellende, »wraak, Romero! op, Carjaval! den weg
over steenklomp en puin! nog zal het nest in mijne macht zijn.«
IJlings rukken een paar vendels aan, en Frederik zelf, met Carjaval
en Romero aan het hoofd, snellen als een stormwind naar de puinen der
inbreuk, waar eene stof- en rookwolk hen tegendwarrelt. Ripperda
had dit voorzien, doch er geenszins voor gevreesd; want de
binnenverschansing of halvemaan stelde den vijand een niet minder
stevig bolwerk voor, wanneer het hem al mocht gelukken, zich door
de Kruispoort den weg te banen. Evenwel, het geluk was bovendien den
belegerden gunstig. Wel hadden steen en puin den door de ontploffing
gevormden trechter gevuld, maar ook sommige der reusachtige
steenklompen, in plaats van binnenwaarts te storten, waren naar den
buitenkant gevallen, zoodat zij voor de Spanjaarden een gevaarlijken,
schier onbeklimbaren berg vormden en de achtersten beletteden om
de voorsten met de noodige gezwindheid op de hielen te volgen. Don
Frederik wil echter wagen, wat hij nog niet onmogelijk had bevonden,
en hij beveelt eenigen, op den rookenden puinhoop aan te stormen.
--»Soldaten!« roept hij, »wreekt die slachtoffers van het verraad.«
En moedig beklimmen zij de steenklompen, terwijl zij daverend de
kreten laten hooren: »vengenza, vengenza!« (wraak).
Nauwelijks echter zijn deze eersten omhoog geklommen, of,
door musketschoten gewond, tuimelen zij weder naar omlaag. De
mijnontploffing namelijk had zich niet zoo ras laten hooren, of
Ripperda wierp zich bedaard maar krachtig tevens op de Spanjaarden,
welke het volk van Boreel en Brederode in hunne gewaande vlucht
achtervolgden. Spoedig was het met de weinige vijanden gedaan. Verdoofd
door den onverwachten slag; achter hen de opene afgrond, vóór hen
de halvemaan en kloeke verdedigers, die oogenblikkelijk de rol
van vluchtelingen voor die van aanvallers verwisselen, hadden de
rampzaligen niets dan een wissen dood voor oogen. Wanhopig verdedigen
zij zich nog eene korte poos; sommigen trachten rugwaarts te wijken,
doch stuiten op den puinhoop, of vallen door serpentijnbuksen en
haakbussen; anderen sneuvelen door het volk van Boreel, die van hunne
verwarring gebruik maakt, en--in weinige minuten is er op dat punt
geen vijand meer. Derdein, Brazeman en Gerrit van der Laan scharen
inmiddels de hunnen in het front van de meer dan half verbrijzelde
Kruispoort, en keeren nu de vijanden, welke over de steenklompen een
weg zoeken, moedig af.
--»Triomf voor Ripperda!« roepen de verdedigers, toen zij de eersten,
door Romero aangevoerd, naar omlaag zien tuimelen; anderen opstijgende,
beveelt Van der Laan op nieuw »vuur!« en ook deze vallen, door de
welgerichte musketten in de flanken en het front getroffen. Het zijn
echter niet alleen de schoten van Van der Laan's volk; ook uit de
schietgaten van de naaste huisgevels, vanwaar men veilig de armen
der halvemaan bestrijkt, giert het doodelijk lood! den Spanjaarden
tegemoet.«
--»Tegen dit moordvuur zijn wij niet bestand,« zegt don Diego de
Carjaval, het vernielt onze beste soldaten zonder dat wij een voet
gronds winnen.«
--»Romero's volk lacht met het vuur van die muiters,« zegt Romero, »ik
heb hun geleerd, hel noch duivel te vreezen. Nombre de Dios! stijgt op
kerels! in Haarlem is buit voorhanden, en al die buit zal voor u zijn!«
Opnieuw klimmen eenigen over de nog rookende steenblokken. Nu eens
glijdt er een uit; of een ander, die een steunpunt waant te hebben op
een reusachtigen klomp, ziet dien op eens omkantelen of verschuiven
en valt op het aangezicht der hem volgende makkers. Maar niet zoodra
zijn weder anderen met het hoofd voor de belegerden zichtbaar, of het
lood der musketten en het ijzer van de serpentijnbuksen treft hen,
en wegens het moeilijk opklimmen kunnen zij niet gezwind genoeg door
de overigen vervangen worden.
--»'t Is of de ketters een verbond met satan hebben gemaakt, dat die
steenen naar den buitenkant moesten storten,« zegt Romero.
--»Op mijne eer!« roept Carjaval, »wij spillen hier bloed en tijd:
en wat hebben wij gewonnen, zoo wij over deze inbreuk zijn?«
--»Dan verdeelen wij de macht van de rebellen, dan is de stad en
de buit ons, en den hertog de roem,« zegt Romero, »houdt moed,
soldaten! houdt moed! over 't graf uwer spitsbroeders ligt de weg
der overwinning.«
--»Ik ken uw moed en stalen wil!« zegt nu Frederik, »maar señor
Carjaval heeft gelijk: hier is de aanval vruchteloos. Terug,
soldaten! terug! naar den muur bij don Ferdinand, en denkt er aan:
duizend kronen, wie mij den verrader Stompwijk levend of dood in
handen stelt.«
--»Terug, soldaten!« beveelt nu ook Romero, »señor, het is uw wil;
maar winnen wij hier het muitersnest niet, dáár zal de kans nog
minder zijn.«
--»Dat zal men zien,« herneemt Frederik, »en zoo als gij wèl
zegt--señor, het is mijn wil.«
Op dat woord wil legde hij een bijzonderen nadruk, wel wetende
dat Romero, die zelf zoo gaarne ieder naar zijn wil buigen zag en
er de volle beteekenis van kende, geen verdere aanmerkingen zou
maken. Romero, hoezeer met wrevel vervuld, dat op dit punt geene
versche troepen aanrukten, wrevelig over deze plotselijke verandering
van stormplaats, waarvan hij zich weinig goeds beloofde, beval echter
zijne soldaten, naar den wal te snellen, waar don Ferdinand tot nog
toe vruchteloos den storm had beproefd.
--»Vuur, kanonniers!« klonk het intusschen in de vijandelijke
verschansing, waar de Vliegen van Namen onafgebroken op de stad
beukten.
--»Vuur!« liet het zich ook in de loopgraven hooren: want deze waren
vol musketiers, welke onophoudelijk de walverdedigers met goed gevolg
bestookten.
--»Voor Spanje!« galmde het hier. »Voor Haarlem!« klonk het daar,
en overal hoorde men de kreten van »vrijheid!« van »overwinning of
de dood!« Het was een gevecht van moed en vermetelheid; het was de
strijd voor het heilig geloof.