Indien de legende of overlevering van enkele Haarlemmers
waarheid is, dat Quirijn Dirks zijne woning zou gehad hebben in de
Barteljorisstraat, nabij de Schoutensteeg, dan gelieve de lezer ons
derwaarts te volgen op den avond van den dertigsten Januari.
Reeds is de schemering ingevallen, de kaars nog niet ontstoken,
en toch doet de haardvlam een onderscheidenden blik werpen op drie
personen, welke in een halven cirkel gezeten, een tamelijk luid
gesprek voeren. Ofschoon twee hunner vrouwen zijn, voert men dit
gesprek in het Latijn, de taal dier dagen onder den geleerden, en
ook veelal in diens huiselijken kring niet vreemd aan menige jonge
dochter, die zich daarom toch niet zou vermeten hebben, op den naam
van geletterde aanspraak te maken. En de man tegenover die twee
vrouwen--zijne echtgenoote en dochter--mocht wel met volle recht
geleerde heeten; want het was meester Quirijn Dirks Talesius, niet
algemeen onder zijn familienaam bekend, zooals velen in die dagen,
daar hij zich altijd slechts Quirijn Dirkszoon noemde en schreef,
ook door anderen zoo genoemd wordt en tevens als Quirijn Dirkszoon
in de stedelijke registers en archieven niet anders voorkomt.
Hem daar ziende, in zijn tabbaard, met het zwart kalotje op het
hoofd, dat reeds zeventig winters had beleefd, zou men geenszins
den diep ervaren rechtsgeleerde of den ijverigen beoefenaar der
toonkunst in hem gewaand hebben. Zijn rond, grof gelaat en smal
voorhoofd, met diepe voren beploegd, droeg geen enkel kenmerk van
een fijn, gespitst brein, of van een werkzamen, schranderen geest,
die nochtans zijn eigendom was. Dat gelaat verried den man niet,
dien een Erasmus om zijn geleerdheid achtte, minst van al den man,
van wien die groote Rotterdammer verklaarde: »dat niemand dan Quirijn
Dirksz hem ooit met meer liefde gediend had.« Reeds in den jare 1527
had hij voor Erasmus, in eene teedere zaak, eene belangrijke zending
naar Engeland waargenomen, nadat hij reeds geruimen tijd tevoren
aan hem verbonden en hem in vele bezigheden behulpzaam geweest was,
zelfs ten zijnen huize had gewoond. Quirijn Dirksz had reeds veertig
jaren geleden en ook later de betrekking bekleed van pensionaris
van Haarlem, en wij weten, dat tot dien post een man gevorderd werd,
uitmuntende in wijsheid en voorzichtigheid, allen overtreffende in
welsprekendheid--dien men raadpleegde als een orakel. Te dien opzichte
bedroog dus dat gelaat, gelijk het zoo dikwijls bedriegt; toch was
het in een ander opzicht de spiegel zijner ziel; want in zijne oogen,
thans door grijze wenkbrauwen overwelfd, brandde een dweepachtig vuur;
men las er den gloeienden ijveraar in voor den ouden godsdienst; in
al zijne gebaren teekende zich de man, voor wien geen marteldood te
zwaar ware geweest, zoo hij er de leer van Rome's kerk door had kunnen
handhaven. Welk eene hoogte had hij kunnen bereiken door een karakter
als het zijne, een karakter van moed, van onbuigzaamheid, van ijzeren
wil, eene borst, blakende voor het belang en heil van Haarlem en van
Holland, en geen loodzwaren last van moeite schromende, daar waar het
dat belang gold. Maar evenals de vlinder het blad uitzuigt en doet
verdorren, zoo handelde Talesius in zijn dweependen godsdienstijver;
en door overmaat van gloed, deed hij verzengen en dor worden, wat
bloeien en tieren moest onder zachte lommer en frisschen dauw. Welke
wegen van geluk zou hij niet voor zich gehad hebben, zoo de vriend
van Erasmus meer den zachten geest van Erasmus had bezeten, zoo diens
verdraagzaamheid zich had mogen enten op de takken van den boom zijner
kennis, en daarmede te zamen ware gegroeid. Maar hetzij wij hem zien
als burgemeester, hetzij wij hem zien als schepen, in welke beide
betrekkingen hij menigmaal het voorzitterschap bekleedde, overal zien
wij den man, die haat, vervolgt of verdoemt, wie afwijkt van de oude
kerkleer;--overal zien wij hem met den moker des gewelds afbreken,
waar hij door kalm beleid had kunnen opbouwen; overal zien wij hem
wrevelig zaden in den grond duwen, waar zij alleen hadden kunnen
ontkiemen, zoo hij ze met zachte hand had gestrooid.--En zie! wij
treden niet in het oordeel over zijne gevoelens: wij zien slechts op
hunne toepassing, en roomsch noch onroomsch kan die huldigen.
De verdenking slechts van tot de nieuwe leer over te hellen, was genoeg
om in Talesius een vervolger en verderver te hebben gevonden. Zoo
werd de rector der groote latijnsche school, Cornelis Duijk, een
man van braafheid en geleerdheid, als zoodanig verdacht gerekend. Op
aanzoek van den bisschop werd hem in 1568 aangezegd, dat hij op last
van de meerderheid der vroedschap dien post moest verlaten. Te dien
tijde was Talesius voorzittend burgemeester, en licht ware het hem
dus gevallen, dit te voorkomen, door aan den bisschop het onbillijke
van diens vordering onder het oog te brengen, en deze zaak niet tot
een punt van overweging te maken bij een vroedschap, wier meerderheid
der tegenwoordig zijnde leden alleen tot die ambtsberooving besloot.
Maar wat beteekende deze handeling bij de daad van willekeur, van
wreedheid, van woede tegen den schoenmaker Hendrik Adriaansz, den
factoor van de rederijkkamer Trouw moet blijken? Het is waar, in
spottende, scherpe refereinen en echo's had deze zijn afkeer tegen
de roomsche kerk en hare plechtigheden aan den dag gelegd; en wij
gispen deze schijnbare middelen tot bevordering van de hervorming
evenzeer als wij van verontwaardiging gloeien over bespotting
van welken godsdienst het zij. Maar in hoeveel mannen van naam en
geleerdheid in dien tijd moeten wij dit niet misprijzen? Bitterheid
en scherpte in woorden of schrift om der oude leer afbreuk te doen,
scheen toen de geest der eeuw te wezen. Maar nu zie men de moeder van
hem, die om zijne dwaze beschimping was gevangengenomen. Men zie die
tachtigjarige vrouw, met grijze haren en wankelende hem te voet vallen;
men hoore haar roerend smeeken om vergiffenis voor haren zoon en diens
achttal moederlooze kinderen; men zie haar handenwringend uitroepen:
»mijn heere! veel dingen zijn geschied in den vrijen tijd.« En zij
doelde op het jaar 1566, toen men in Haarlem en elders, oogluikend,
godsdienstoefening aan de Protestanten had toegestaan. Maar men hoore
nu het antwoord van Talesius: »toen was het een tijd om door de vingers
te zien; maar nu is het een tijd van Justitie!« En voor de roerendste
smeeking was geene genade; voor de tranen der vrouw had Talesius eene
ijskoude ziel. Met twee anderen werd Adriaansz toen ter dood gebracht;
de een had Brederode gediend, de andere een houten beeld afgeworpen;
deze werden het eerst opgehangen, dewijl men de misdaad van Adriaansz
als de zwaarste beschouwde. Maar toen nu ook hij op de strafplaats
verscheen, had er een zoo hevig rumoer en opschudding onder het volk
plaats, dat men teruggehouden werd, hem openlijk terecht te stellen,
maar hem naar de justitie- of burgemeesterskamer sleurde, aldaar
aan eene ladder worgde en vervolgens bij de beide anderen aan het
schandhout hing.
En moge men nu daarin al een punt van verschooning voor Talesius
vinden, dat ook Van Groeneven en Roosveld met anderen in dit
vonnis gestemd hebben, wij huiveren toch van afschuw bij zijne
onverzettelijkheid en het wreede tegen een tachtigjarige moeder, voor
wie zijn gemoed onvermurwbaar was; en wij behoeven niet te vragen:
»vanwaar Talesius, dat zich later de haat en de woede des volks zoo
verschrikkelijk op u heeft gewroken?«
Deze verregaande geloofsijver was dan ook de bron, waaruit het verraad
opwelde, dat hij jegens zijne vaderstad pleegde.--Nadat Haarlem in 1572
aan de zijde van den prins was overgegaan, en men Alva en zijn aanhang
tot vijand verklaard had, was er door de Spanjaarden eene vergeefsche
poging in het werk gesteld geworden, om de stad door verrassing in
te nemen. Aan Hans Coltermans had men de verijdeling van het verraad
te danken gehad, en Talesius kwam onder zeer zware verdenking, dat
hij er de aanlegger van geweest was. Uit eene stedelijke rekening
blijkt namelijk het volgende: »Op den 26 September is de secretaris
Jan Aalberts Raad naar Wormer gegaan om eene attestatie in te winnen
van Moije Duijff en Grietje Janz hare dochter, welke zekere brieven
van den graaf Van Bossu van Amsterdam alhier gebracht hadden aan een
persoon van kwaliteit, en daarop weder antwoord aan Bossu gebracht
wezende, deze brieven onder de okselen genaaid om dezelve heimelijk
over te brengen.« Voorts vindt men in die rekening: »Burgemeester
Gerrit Stuiver en de schepen Mr. Hugo Bol van Zanen, zijn op 5
October daarna gereisd naar den Haag, om aldaar met twee advocaten te
consuleren op zekere zwarigheid, beroerende meester Quirijn Dircks en
zijne bezwaarnis.« Ziedaar een zwaar vermoeden van verraad van zijne
zijde; zijne Spaanschgezindheid althans was zoo ondubbelzinnig bekend,
dat hij bij de aanstelling van de nieuwe regeering in December 1572
niet alleen geheel buiten benoeming bleef, maar ook van dien tijd af
in zijne woning onder de strenge bewaking werd gesteld van Engberts
Dircks en Dirk Pietersz.
Men verbeelde zich nu een volkomen vierkant vertrek, met dikke,
witte muren en twee hooge met traliën voorziene vensterramen, die
het uitzicht hadden op eene binnenplaats, wanneer men door middel
van een stoel tot deze was opgeklommen. Geheime uitgangen waren
er niet, en konden er evenmin gemaakt worden, zonder dat zulk eene
beweging de ooren van Dirk of Engbert hadde getroffen. De eenige en
kolossale deur was die, door welke Talesius, op enkele uren van den
dag, bezoeken ontving van zijne vrouw en dochter, en achter welke
deur, ter linkerzijde, een klein kamertje lag, waarin de bewakers
beurtelings post hadden gevat: en die onder eede stonden, dat zij
geen ander in zijne tegenwoordigheid zouden toelaten.
Toch was dit alles niet genoegzaam om te verhinderen, dat Talesius
plannen bleef smeden tot verraad en om Haarlem weder onder de macht
van den koning van Spanje terug te brengen; geen wapen of list
is gevaarlijker, dan wanneer zij gesmeed en gesponnen worden door
dweependen godsdienstijver.
--»Wat ziet gij op naar de deur?« vroeg Talesius aan zijne dochter,
die dit reeds onderscheidene malen gedaan had, terwijl haar vader
haar eenige vragen in het latijn deed. »Hebt gij suspitie op iets?«
--»De lange zag ons zeer scherp aan, toen wij bij u binnen traden,«
antwoordde Marritje, Engbert den waker bedoelende. En met de hand
een teeken gevende, dat zij een geschrift had onder den halsdoek,
die over haar zwart fluweelen jakje hing, keerde zij tegelijk
met de tang een paar turfkolen in den haard om, opdat zich eenig
meerder licht door het vertrek zou verspreiden. Onder deze beweging
bescheen de vlam het gelaat van moeder en dochter; de eerste had sterk
sprekende gelaatstrekken, die het bewijs opleverden, dat zij in hare
jeugd van een belangwekkend en schoon voorkomen tevens moest geweest
zijn. Marritje scheen den leeftijd van dertig jaren reeds te boven,
en vormde iets middenevenredigs tusschen het gelaat van hare ouders;
zij had schoon kunnen heeten met hare fraaie kastanjebruine haren,
ter hoogte van welke haar voorhoofd eenigszins eene ronding aannam en
de denkster verried; ook had zij bevallig mogen heeten met hare zachte,
blauwe oogen, wanneer die niet te diep in haar hoofd gelegen en een te
grooten gezichtskring hadden gevormd, waardoor echter het voorkomen
eener sluwheid werd getemperd, die men haar daarom kon vergeven,
omdat zij het uitvloeisel eener blakende liefde voor hare ouders was.
--»Gij hebt S. aan zijn huis gesproken?« vroeg Talesius, terwijl hij
het geschrift aannam, dat zij van tusschen haren halsdoek haalde,
en er bij de vlam van den haard gretig de blikken insloeg.
--»Langer dan een uur, mijn vader! maar alles mislukt en bijster weinig
verwachting, dat het doel in de eerste dagen zal bereikt worden. En
Ursula is wanhopend, dat het haar niet vergund wordt, u te zien.«
Verrieden Marritje's woorden weinig hartstocht, ten einde geene
achterdocht bij de bewakers op te wekken, en terwijl haar het vormen
der volzinnen in de Latijnsche taal toch altijd moeite kostte, te
levendiger sprak er een hartstochtelijk gevoel uit hare gebaren. Nu
drukte zij de hand van hare moeder, bij het noemen van Ursula,
hare zuster, die kloosterjuffer in het Begijnhof was, en aan wie
de toegang tot de ouderlijke woning geweigerd werd. Dan klemde zij
zich aan den arm van haren vader, wanneer zij iets mededeelde van S.,
met wien niemand anders dan de verraderlijke Stompwijk bedoeld werd;
en op het gelaat van Talesius, van zijne vrouw en Marritje kwamen
beurtelings gewaarwordingen van smart, verbittering, spijt en wrevel
te voorschijn, doch de stroom kon niet onverhinderd voortbruisen;
telkens werd hij door eene klip beteugeld in zijne vaart.
--»Bij Gods heilige moeder!« sprak Talesius, »ik zie enkel
donkerheid. Niets dan neerlaag over de wapenen van den koning, mijnen
heer. Niets dan schending en verguizing van het eenig, waarachtig
geloof. Haarlem, het zal u zwaar wezen in den oordeelsdag, dat gij
u afscheurt van Christus, en de Booze, vol logen en zonde, te voet
valt: in wat poel van verderf zult gij worden geslingerd, waar gij
geen rustpunt vinden zult voor uwen voet!«
Gedurende een paar minuten scheen Talesius zijne eigene felle
grieven te vergeten, bij de gedachte aan het heilloos lot, waarin,
volgens zijne meening, Haarlem zou gedompeld worden, wanneer het
zich meer en meer in de strikken der ketterij verwarde. Maar alras
smolt deze gedachte te zamen met de herinnering zijner gijzeling in
zijne eigene woning, en zoo folterend was hem het denkbeeld, door die
gevangenschap geene vrije speelruimte te hebben voor zijne plannen,
dat hij plotseling op den toon der verbittering uitriep: »Vervloekt
zij Ripperda! vervloekt allen, die met hem zijn!«
--»Om Gods wil, Quirinus! betoom u,« zeide zijne vrouw, driftig zijne
hand grijpende en tegelijk een schuinschen blik op de deur werpende,
waarachter zich de bewakers bevonden. »Stort u zelven niet in nog
grooter leed.«
--»Zij verstaan enkel zijn naam,« zeide Talesius op den zelfden
wreveligen toon, »en daarbij, ik vrees niemand meer. Dat men mij
bij de grijze haren sleure, het staat hun vrij; maar ik zal den naam
noemen van den ketter; ik zal hem noemen met verachting, zoolang mij
de tong niet gekluisterd wordt. Het is Ripperda, die Van Schagen en
Van Assendelft heeft gemoord; het is Ripperda, door wien de heilige
Kerk van Christus met snoode hand is ontwijd.«
--»Quirinus! bij de heilige maagd, geef niet toe aan uwe hevigheid,
om den wille van ons,« sprak zijne vrouw.
--»Mijn vader, snoer uwe bitterheid in,« smeekte Marritje, »wat zou
het ons wezen, zoo men u van hier sleepte naar holler gevangenis? Wat
zou het ons zijn, zoo gij met wreedheid van ons werdt afgescheurd?«
--»Wat het ons wezen zou! vraagt gij nog?« hernam Talesius met
dweepachtigen gloed. »Na de marteling hier voor het waarachtig geloof,
de lauwerkrans van onzen Heiland, dáár. Mijn zoon heeft het kruis
gedragen, en zou de vader beven voor de smart, die de zoon heeft
getorst? Mijn Hendrik! zie van boven op mij neder; dra zal ik u
wederzien voor Christus' troon.«
Het gebeurde meermalen, dat Talesius' verbittering plotselijk tot
eene soort van berusting in zijn eigen lot oversloeg, wanneer hij
aan zijn zoon Hendrik dacht. In het jaar 1560 was deze geestelijke
in Kennemerland en eenige maanden later, op twintigjarigen leeftijd,
pastoor te Spaarnwoude geworden. Hij zou moeten gezegd hebben: »dat
de Kerk zoowel hare martelaren had als vroeger, ofschoon niet onder
de heiligen opgenomen;« en dit zou de oorzaak moeten geweest zijn,
dat de haat hem, geboeid, te 's-Gravenhage in de gevangenis had
gebracht--waar hij veel smarten zou verduurd hebben en ten laatste
bezweken zijn. Niet onwaarschijnlijk is het, dat deze gebeurtenis,
zoo zij waarachtig is, aanmerkelijk heeft bijgedragen om Talesius'
gemoed vooral in de laatste jaren nog heviger te verbitteren, en aan
die mengeling van wrevel, spijtgevoel en smart nog scherper omtrekken
te geven.
Een oogenblik bewaarde Talesius zoowel als zijne vrouw en dochter het
stilzwijgen: eenige seconden hield hij het oog op den vuurgloed, en
het scheen, als vond dat zonderling karakter in de vlam van den haard
eene zekere sympathie met de vlam in zijn gemoed. Opeens echter sloeg
hij met geestvervoering de blikken weder in het geschrift, dat hij
nog altijd in de linkerhand hield, en nu sprak hij meer fluisterend
dan hoorbaar den naam uit van Dirk van Stompwijk.
--»Maar waarom zou alle verwachting zijn vervlogen om het doel te
bereiken?« sprak hij nu. »Neen, nog laat ik de hoop niet varen, om
de rampzalige stad terug te brengen onder het gezag van den koning,
mijnen heer; nog is er hoop, dat het heilloos vuur der ketterij
worde uitgebluscht, en dat de schoonheid herrijze van de Kerke,
die mijn Heere Christus gesticht heeft, en waarvan Hij gezegd heeft,
dat de macht der hel er niets tegen zal vermogen. Maar dan moet er
gewerkt worden en niet ingesluimerd; dan moet er geen middel worden
verroekeloosd.«
--»Zoo gij slechts een vrij man waart, Quirinus,« zeide zijne vrouw,
»ik zou niet twijfelen aan den goeden uitslag. Maar wat kunt gij,
door scherpe wachters bewaakt en afgesneden van allen, die der heilige
zaak zijn gezind?«
--»Gij moet mij tot hulpe wezen, en bovenal gij, mijne dochter!«
hervatte hij, »gij hebt moed en een richtig verstand: spreek des
andermaal met Stompwijk«--en hij fluisterde dezen naam--»maar draag
zorg, dat gij niet in achterdocht valt, of iedere verdere poging ware
voor altijd vergeefs.«
--»Maar ziet gij niet, mijn vader,« en zij wees op het geschrift, »dat
het getal lieden, die de goede zaak zijn toegedaan, is verminderd? De
geweldige nederlaag van 's konings soldaten is er de oorzaak van; de
laatst afgeslagen storm heeft aan de ketters dubbelen moed gegeven,
en in het hart van den kleinen hoop groote vreeze gewrocht«
--»Ja, mijn oog ziet het,« zeide Talesius, terwijl hij vluchtig
de namen scheen te tellen van eenigen, die op eene lijst stonden,
welke door Stompwijk geschreven was. Dit waren dezulken, die in het
geheim een complot hadden gevormd om Haarlem weder onder de macht
van den koning van Spanje te brengen, en van welke Stompwijk de
eigenlijke raddraaier kon genoemd worden in verbintenis met Talesius,
Van Roosveld, Van der Mathe en de uitgewekene geestelijken. Ofschoon
die allen nu wel roomschgezind waren, moet men hen geenszins als
booswichten beschouwen, wier leuze het was, Haarlem aan den Spanjaard
te verraden. Veeleer zie men in hen menschen van bekrompen geest,
die zelfs Alva haatten, doch vol pijnigende vrees waren, dat hun een
deerlijk lot zou treffen, wanneer Haarlem bezweek: en dat Haarlem zou
bezwijken, daaraan twijfelden zij zelfs niet; ook hadden zij duistere
denkbeelden aangaande het punt, wie de eigenlijke gezagvoerder van
den koning was, hetzij de stadhouder Willem van Oranje, hetzij de
graaf Van Bossu, of de hertog van Alva. En terwijl nu Talesius, uit
vrees voor verwoesting van de oude leer, deze duistere begrippen
voedde, terwijl een Stompwijk, door onedele beginselen gedreven,
schijnbaar dien zelfden geest aankleefde, zagen de meesten geene
andere heilzon voor zich dagen dan eene verzoening met den koning;
dit was het anker, waaraan zij vasthielden. Door briefwisseling met den
Spanjaard poogden zij het dus daarheen te wenden, dat zij hem de stad
in handen speelden, zich verzekerd houdende, dat daaruit niet alleen
die verzoening, maar ook eer en voordeel voor hen zou voortvloeien,
en hoogstwaarschijnlijk niet gissende, dat Haarlem alsdan een gelijk
lot zou treffen als Zutfen en Naarden. Maar tot het ten uitvoer brengen
van een dergelijk voornemen, hetzij door list, hetzij door middel van
een geveinsden uitval, werd een vrij groot getal vereischt, één in zin
en doel; en de lijst, welke Marritje haren vader ter hand had gesteld,
toonde aan, dat dit getal sedert den laatsten storm verminderd was.
--»Maar,« ging Talesius voort, »wat zijn het voor ellendige dwazen,
die grooter kans zien in de zege van eene zwakke vest, dan in de
overwinning van het machtig leger van onzen allerkatholieksten vorst
en heer?--Is het niet Christus, die medestrijdt tot handhaving van de
waarachtige Kerk, die Hij gesticht heeft? Maar schoon de Heer voor
de Kerke strijdt, ook wij moeten strijden en niet rustig inslapen;
want het is de ketter, die rondgaat met dood en verwoesting, en die
in ongeloof afbreekt, wat door het geloof wordt gesticht.«
--»Ja, ook wij moeten strijden, Quirinus!« zeide zijne vrouw, »maar
hoe zal hij strijden, wien de handen zijn gebonden door geweld en
heiligschending? Wat vermag de leeuw, die gekluisterd is in het
hol? Men lacht met zijn gebrul en men vreest hem niet.«
--»Waar de kracht faalt om de hand uit te strekken, daar behoeft
nog de geest niet stil te zijn,« hernam Talesius, »en waar de taal
van den godsdienst niet vermogend genoeg is, daar heeft eene andere
taal dikwijls wonderen gewrocht. Al mijne stoffelijke have wil ik ten
offer brengen, zoo zij strekken kan tot opbouw van hetgeen verbrokkeld
is en aangetast met schendige hand. Gij zult met hem spreken, mijne
dochter! en zeg hem, dat Quirijn Dirksz eene wichtige som veil heeft,
waar die noodig is tot de glorie van de heilige zaak.«
--»Ik zal handelen, mijn vader, naar hetgeen uw mond spreekt,« zeide
Marritje, en de hand aan een kostbaar parelsnoer brengende dat zij om
den hals droeg, voegde zij er met geestdrift bij: »En wat de afvalligen
van Gods heilige Kerke doen tot steun van eene goddelooze zaak en
tot wederstand tegen den koning, dat zal uwe dochter doen ter eere
van een geloof, dat uit God is; ook ik wil alles ten offer brengen,
wat het mijne is; want nietig zijn de goederen der aarde bij den
aanblik op Christus' dierbaar kruis.«
Onder deze laatste woorden kuste zij met heiligen eerbied het kruis,
dat op haars vaders borst hing, drukte den grijsaard vervolgens met
warme liefde de handen, en sloeg een blik naar den hemel, waarin
duidelijk de bede lag opgesloten: »Heilige Moeder Gods! wat mijn
vader hier lijdt ter eere van het waarachtig geloof, doe hem dat tot
zaligheid wezen in het rijk van uwen Zoon.«
--»Gij zijt mij eene goede dochter, en de heiligen zijn daarvoor
gedankt,« sprak Talesius, terwijl hij beurtelings zijne dochter
en vrouw kuste, en het met een oog van welgevallen aanschouwde, hoe
beiden geheel doordrongen waren van zijn geest. Maar te midden van dat
verrukkend gevoel begreep hij de noodzakelijkheid, om het oogenblik
niet af te wachten, dat de bewakers hen zouden herinneren, dat de
aan beiden vergunde tijd verstreken was. Ook wenschte hij alleen te
wezen, ten einde zonder afleiding te kunnen bepeinzen en overwegen,
welke middelen er moesten aangegrepen worden om eene bijzondere
geldelijke opoffering, zonder gevaar, vruchten te doen dragen. Op
zijne aansporing verlieten dan ook zijne vrouw en dochter weldra het
vertrek, en de werktuigelijke bewakers waren aan deze bezoeken reeds
zoodanig gewoon, dat zij wellicht geenszins vermoedden, hoe nog andere
banden hen te zamen deden komen dan de banden des bloeds.
Een geruimen tijd staarde Talesius in den haardgloed, als wilde
hij er de verschillende beelden in vinden, die door zijne phantasie
kruisten. En hoeveel overeenkomst lag er niet in dat haardvuur met
zijn lot, met zijn karakter! Eerst die opflikkerende vlam, zoo gelijk
aan zijne macht in het stadsbewind; die verflauwing van trap tot
trap en die overgang tot nietige asch zoo overeenkomstig met zijne
verflauwing van aanzien, zijne berooving van alle heerschappij en
zijne gevangenschap in eigen woning. Maar boven die vernederende
gedachte kon zich Talesius' krachtige geest verheffen; en zelfs
al de verbitteringen, die in zijne ziel oprezen, verdwenen bij elk
morrend woord, dat op zijne lippen kwam en wist hij met geweld terug te
dringen, wanneer hij als in een brandpunt al de goede gevolgen te zamen
vatte, die er uit zijn groot en heerlijk doel moesten voortvloeien.
--»Men zal mij verrader noemen,« sprak hij, »wanneer ik eene
verdwaalde stad heb teruggebracht onder het gezag van haren
heer. Maar de Vader der geloovigen zal mij zegenen en mijn loon
wegleggen bij mijn Heiland. Hoe huiver ik bij de gedachte, dat een
afgevallen monnik, door oproerige taal, de zucht wilde verstikken
naar het onderwijs der zaligmakende Kerk; dat hij onveranderbare
waarheden heeft verworpen, welke het eeuwige fundament zijn des
waren geloofs! En dat durft men hervorming heeten, wat niets was
en is dan een broeinest van verdeeldheden, tegenover eene eenheid,
op onwrikbare pilaren. Dat durft men hervorming noemen, wat niets
was en is dan vertrapping en losscheuring van allen band en orde,
opstand tegen Christus, opstand tegen een gezag, onfeilbaar, omdat
Christus zelf het voor dwaling behoedt. Heilige moeder Gods! ik zou
de slang niet pogen te vertrappen, uitgebroeid door den woesten man
Luther, om de reine Kerk met gif te bezoedelen! ik zou het heilige
zwaard laten rusten en het monster niet trachten te dooden, dat eene
gewaande hervorming begon met oproer, roof en heiligschennis van
lieden en plaatsen, en dat nog den kop opsteekt om te besmetten en
aan te randen, wat zuiver is en in hooge eer!--Neen, ik zal strijden,
waar ik kan, moedig en onversaagd, en de zege zal te grooter wezen,
omdat zij behaald is onder verdrukking en in banden. Geen middel zal
onaangetast blijven, en elk middel zal heilig zijn in de oogen van
Christus, wanneer het voert tot het groot en heerlijk doel. Op dan,
Quirijn Dirksz! het staal omgord aan de heupe, en de wondermacht van
Gods heilige moeder zal met u zijn; want gij strijdt voor het levend
geloof, voor groote hope, voor vurige liefde, gij strijdt voor de
eenige Kerk, die gegrondvest is door Christus, uwen Heer.