NEGENDE HOOFDSTUK.

Het was ongeveer negen uren in den avond van den volgenden dag,

toen Boreel den koesterenden haard in de woning van doctor Elsen

verliet. Gedurende den ingevallen vorst konden slechts weinige

officieren des nachts van hunne posten blijven; want men bevond zich

tegenover een geoefend vijand, die, zoo hij er slechts kans toe zag,

zich voorzeker het ijs ten nutte zou maken. Ook Boreel zou dien nacht

den post aan de Janspoort hebben: doch alvorens hij derwaarts ging,

begaf hij zich naar de Warmoesstraat en trad de woning van Ripperda

binnen.

Deze woning, welke onlangs gesloopt is, was misschien toen nog

niet het Hof van Holland geheeten, daar wij dien naam eerst in den

jare 1641 hebben aangetroffen, hoezeer het gebouw bijna twee eeuwen

vroeger reeds door eene weduwe, Claes Gherijt Hollanders, van wie die

naam misschien oorspronkelijk is, bewoond werd. Tijdens het beleg

werd het door de familie Van Egmond bewoond, en in het jaar 1641

droeg jonker Johan van Egmond van den Nijenburg het in eigendom

aan eenen Mr. Frans de Kies over, van welken tijd af het sedert

bijna eene eeuw eene neringrijke herberg wordt geheeten, terwijl het

Natuur- en Letterkundig Gezelschap »Oefening en Wetenschappen«, (nog

bestaande), er eene reeks van jaren zijne belangrijke vergaderingen

gehouden heeft. Gelijk men wil, dat van het tegenwoordige pand en

Prinsenhof--toen het klooster der Predikheeren--de schrijfkamer,

bottelarij, keuken en andere vertrekken ingericht waren tot het

tijdelijk verblijf van verscheidene hoplieden der hulpbenden, zoo

wil men ook, dat Ripperda in dat Hof van Holland zijn woning heeft

gehad, ofschoon wij met zekerheid weten, dat zijne paarden in het

St.-Jansklooster gestald zijn geweest, en het ons waarschijnlijker

voorkomt, dat ook hij in het toenmalige klooster der Predikheeren

is gehuisvest geweest. Maar wij nemen het aan. Door de regeering

der stad zal hem dan het tijdelijk verblijf in het statige huis des

heeren Van Egmond met diens toestemming zijn aangewezen, en deze zal

aan Ripperda een paar vertrekken tot diens gebruik hebben ingeruimd.

In eene dezer kamers zat, aan eene groote, ronde tafel, de Fries,

op wien aller oogen te dien tijd vertrouwend gericht waren. Ofschoon

eene vinnige koude heerschte, was Ripperda op verren afstand van

het haardvuur gezeten, eene gewoonte, welke tot zijne vele andere

behoorde, om zich zoo weinig mogelijk aan het gemak te verwennen;

des nachts alleen uitgezonderd, kon men hem ten allen tijde bijna

eveneens gekleed vinden als den krijgsman op een grenspost; iedere

minuut, ieder oogenblik was hij gereed voor de hem toevertrouwde

vest. Wat kreet zich liet hooren,--Ripperda,--altijd Ripperda was dáár.

Op de tafel lagen onderscheidene kaarten, teekeningen, perkamenten

en eenige met het prinselijk wapen voorziene brieven, terwijl

slechts twee kaarsen haar licht aan deze tafel en het ruim

vertrek mededeelden. In dit vertrek met sneeuwwitte muren, hingen

onderscheidene schilderstukken van de Haarlemsche kunstenaars

Van Heemskerk en Mostaert, terwijl de verdere stoffeering meer uit

voorwerpen tot dagelijksch gebruik dan wel uit sieraden bestond. Het

was de kamer, waar Ripperda al diegenen ontving, welke hij te bevelen

of met wie hij te raadplegen had.

Vierhonderd Walen, Engelschen en Schotten waren dien dag binnen de

stad gekomen. De aanvoerder der Engelschen was kapitein Summado,

die der Schotten Beaufort, die der overigen Margottin, kapitein

van 's prinsen garde; benevens Vardeur, kapitein van graaf Van der

Mark. Eenige oogenblikken geleden hadden genoemde vier hoplieden

Ripperda verlaten, en thans bevonden zich in zijn bijzijn Lancelot

van Brederode en Van Duivenvoorde.

--»Mijn heere Ripperda!« zeide Boreel, na gepaste groete van het

drietal. »Ik voel mij gedrongen tot een klein gesprek en heb u ook

een verzoek voor te slaan.«

--»Wat mag dat zijn, heer Boreel?«

--»Dat gij eene kleine verandering brengt in het betrekken der

wachtposten.«

--»Waarom?«

--»Ik wenschte, mijn heere! dat Stompwijk, althans gedurende den nacht,

op denzelfden post met mij ware.«

--»Stompwijk? hebt gij het zoozeer op hem voorzien?« vroeg Ripperda,

terwijl hij een blik op Lancelot van Brederode wierp, daar deze hem

vroeger insgelijks, en wel in geen te gunstig opzicht, over Stompwijk

gesproken had.

--»Met rondheid gezegd, heer!« antwoordde Boreel, »ik voed achterdocht

jegens hem, en ik wensch na te vorschen, of ik naar eene schaduw

of naar een lichaam grijp. Wij zijn in een tijd, dat de toetsing

van een los vermoeden beter is dan het proeven eener nederlaag door

verraad. Wetende, hoe ik hier spreke in de tegenwoordigheid van mannen

van eer, zoo aarzelde ik niet te zeggen, wat ik gezegd heb.«

--»Ik schenk er lof aan!« zeide Ripperda; »rond en voor de vuist

te spreken moet het karakter van den man wezen, in wien de trouwe

woont. Maar weet--het valt lichter, een rapier bot te scharen, dan

er de zuivere snede aan terug te geven.«

--»Dacht ik niet eveneens,« antwoordde Boreel, »ik had over deze zaak

al sedert lang den mond opengedaan, maar ook denk ik, dat het hier

beter te vroeg is dan te laat.«

--»Ja, waarachtig!« liet Lancelot van Brederode hooren, »beter is het,

voorzorg dan nazorg te nemen; ook ik ducht, dat Stompwijk iets euvels

brouwt. Ik heb het op zijn Judas-gezicht niet bijster hard gemunt.«

--»Ik moet belijden,« sprak Boreel, »dat tot nu toe mij een

rechtstreeksch bewijs faalt; maar hoe dikwijls heeft nasporende

achterdocht niet tot zekerheid van iets kwaads geleid?«

--»En wat mij aanbelangt,« zeide Brederode, »ik zal mij de tong

verbranden, zoo het later mocht blijken, dat ik hem zonder grond

verdacht heb. Ik houd het voor gewis, dat hij iets smoken doet, wat

wij spoedig in lichte laaie zullen zien. Zoo veel is bovendien zeker,

dat er binnen Haarlem verraad schuilt. Ook was Stompwijk nooit de

man, wien ik iets heimelijks zou hebben durven toevertrouwen. Hij

loert als eene kat, wanneer hij meent, dat er geen blik op hem

geslagen wordt, en ik geloof, dat zijne oogen beter dan die van een

nachtuil zijn. Waar was hij den twintigsten van Wintermaand, toen de

Haarlemmers als leeuwen vochten? Hij was ziek, luidde het; maar bij

mijne ziel! de man, die een hart in het lijf heeft, moet niet ziek

wezen, als het de verdediging geldt en de glorie zijner stad. Als,

in een uur van gevaar, de dood mij bij den eenen arm hield, ik zou

hem met den anderen arm losrukken, en zijne grimmige tronie ontvlucht

zijnde, liever sterven met het rapier in de vuist.«

--»Wij weten het, dat Stompwijk geen Lancelot van Brederode is,« zeide

Ripperda, die den ruwen doch van hartstochtelijke liefde voor zijn

vaderland ontgloeiden krijgsman hoogschatte, »welaan! voorzichtigheid

geldt hier bovenal, waar het behoud der stad op het spel staat;

voorzorg in tijds te nemen is hier van het hoogst belang, en het

kan Stompwijk ook niet deren, dat zijne gangen worden bespied. Ik

zal zorgen, heer Boreel, dat gij in de gelegenheid komt om op zijn

handel en wandel te letten. Maar op mijne beurt heb ik insgelijks

eene vraag te doen.«

--»Ik gis, mijn heere! wat het zijn zal.«

--»Laat mij hooren,« zeide Ripperda.

--»Heeft het betrekking tot mijnen huisvriend?« vroeg Boreel.

--»Half geraden: het heeft ook betrekking tot hetgeen u na aan 't hart

ligt. Wat mangelt er toch aan, dat het maagdelijn van onzen wakkeren

Boreel de breinaald niet voor het rapier ruilt? Het is waar, zij is de

eenige niet, die zich afkeerig schijnt te toonen van Kenau's vendel;

doch op de jonkvrouw van uw hart valt meer de aandacht, wijl men

gist, dat één aansporingswoord van uw mond genoeg is om haar ijver

op te wekken.«

Dat was eene snaar, eene gevoelige snaar aangeroerd. Boreel had in

den laatsten tijd reeds zoovelen de reden ontvouwd, waarom Anna niet

onder Kenau's vendel was; doch een stilzwijgend schouderophalen,

eenige onsamenhangende woorden, of ook wel een ongeloovige grimlach

waren dan het wederantwoord geweest. Eens zelfs was hij op het punt

geweest om jegens een te vrijpostigen vrager in drift uit te varen;

alleen zijne beradenheid had hem nog tijdig weerhouden. Hij besefte

echter hoe langs zoo meer, dat het niet aldus blijven kon. Hem toch

kende men als den wakkeren, kloeken jongeling, die geen zweem van

lafheid kon gedoogen; den doctor kende men als een angstig, schier

kinderachtig bevreesd man; doch niemand wilde gaaf aannemen, dat die

angst den doctor kon terughouden, om Anna onder Kenau's vrouwenschaar

te doen behooren. Anna bleef toch immers binnen Haarlem's muren, kon

haren vader ieder oogenblik zien, en in hare huiselijke bezigheden

kon zij immers wel door eene andere vervangen worden. Moest, behalve

dat, de roem zijner dochter hem niet eene kleine opoffering waard

zijn. Neen! er schuilden andere oorzaken; het moest wel waar zijn, wat

Stompwijk van den doctor zeide; deze moest wel tot de Spaanschgezinde

partij behooren. In allen gevalle, Boreel handelde niet als een man van

geestkracht, van moed. Bezat hij dan niet zooveel overredingskracht,

dat hij den doctor die dwaze denkbeelden, die zwakheid, die vrees

ten minste in zoo verre kon doen overwinnen? Neen! Anna zelve wilde

niet, Anna zelve bezat niets van den moed, van de fierheid der overige

juffers; en kon Boreel, de wakkere man, zoo vol liefde voor zijne stad

en zijn vaderland, dat gedoogen? Kon de leeuw met het schuwe hert één

weg gaan; en was Boreel dan niet genoeg tot eene zelfopoffering bereid,

om den vader en de dochter te gemoet te voeren: die »vreesachtigheid,

die lafheid gedoog ik nooit. Wie de vrouw van Boreel zijn zal, moet

van gelijke liefde als hij, voor haar vaderland ontgloeid wezen, moet

hare zusteren niet moedig naar den wal zien gaan, en zelve, bij het

spinnewiel, de terugkomst van den minnaar verbeiden, om aan zijne

borst te rusten, om van zijne lippen slechts de kussen der liefde

te ontvangen. De beminde van Boreel moet daar niet schroomvallig op

de wenken van een zwakken vader passen, terwijl hare vriendinnen,

voor Haarlem's roem en vrijheid in het geweer zijn. Zij moet mijner

waardig wezen, of ik moet afstand doen van een hart, dat slechts aan

een lafaard behooren kan.« Zoo dachten, zoo spraken velen, of verzwegen

zij het, dan gaf een schouderophalen, een grimlach hetzelfde te kennen;

en Boreel kon noch het eene, noch het ander gedoogen, omdat allen, die

zoo spraken, een verkeerd en onrechtvaardig vonnis velden; maar toch,

het kon zoo niet blijven; zulk eene onrechtvaardige beschuldiging,

zulk een kwade schijn ook ten zijnen opzichte en zoo herhaaldelijk,

dat stuitte hem geweldig tegen de borst. En thans deed weder Ripperda

hem dezelfde vraag. Nog zou hij dezen hetzelfde antwoord geven; maar

dan, dan moest het anders worden; dat nam hij zich onwrikbaar voor.

--»Gij hebt recht, heer!« zeide hij. »Er behoeft noch vleierij,

noch kracht van rede toe om haar het rapier te doen aangrijpen;

want zij is een meisken van koenen geest en ernstige wakkerheid, en

zij zou niet achterwege zijn gebleven: maar zij is ook een meisken,

vol van liefde voor haren vader, huiverend bij de gedachte, hem de

kleinste grief aan te doen; en zij zou den grootsten weedom over hem

brengen, wanneer zij naar roer en bus greep: want doctor Elsen is een

man van angstig en vreesachtig gemoed--die het bijkans besterven zou,

zoo hij Anna uit zijne woning zag gaan.«

--»Is het dus met hem geschapen?« vroeg Ripperda, met eenige

twijfeling.

--»Ja, hij is vol schroom en angstig als een kind,« zeide Van

Duivenvoorde. »Mij heugt het nog, hoe hij, eenigen tijd geleden,

mijne vrouw in hare krankheid bezocht. Toen sprong een jonge brak

streelend tegen zijne knieën op, en fluks greep hem zulk eene vrees

aan, dat hij van den stoel tuimelde en geen spraak meer had. Anders

is hij een goed man, waardig tot genezing en zeer bekwaam in zijn vak.«

--»'t Is een man als meester Maarten,« zeide Brederode, den beroemden

schilder Heemskerk bedoelende, »die is een feniks op 't palet, maar

zoo bang als een wezel, als hij iets verdachts hoort, en een schot

uit de Vliegen van Namen zou hem flauw doen vallen, waarom hij dan

ook uit de stad is geweken, evenals hij vroeger zijne toevlucht nam

op den St.-Bavo's toren, wanneer de schutters op St.-Jansdag bij den

ommegang hunne geweren afschoten.«

--»Maar men wil ook reppen,« liet Ripperda hooren, »dat meester Elsen

in geen overgoeden naam staat, ja zelfs dat er eenige achterdocht op

hem rust.«

--»'t Is mij bekend,« sprak Boreel, »maar ik moet het voor boozen

laster houden van eenig kwaad vijand; mogelijk, dat ook daarover

weldra goed licht zal worden gespreid.«

Vervolgens sprak men nog over andere aangelegenheden, totdat Van

Duivenvoorde, van zijne plaats opstaande, zeide:

--»Het wordt mijn tijd; ik vertrek naar de Kruispoort. Heeft mijn

heer Ripperda nog eenig bevel?«

--»Heb dank, kolonel!« antwoordde deze, »het voornemen tegen morgen is

genoeg besproken en belegd. Eer de dag aanbreekt, zal ik bij u zijn.«

--»Ik ga met u,« zeide Boreel.

--»En ik,« voegde Brederode er bij. Gezamenlijk opstaande, werd aan

Ripperda de vraag herhaald, waarop een gelijk antwoord volgde, en

waarna de drie verdedigers den bevelhebber verlieten om dien nacht

op hunne verschillende posten waakzaam te zijn.

Intusschen was ook Stompwijk reeds op zijn post aan den Pijntoren, dien

hij spoedig voor een anderen verwisselen zou, wijl Ripperda besloten

had, aan de waarschuwing van Boreel gehoor te verleenen--doch zóó,

dat Stompwijk geen wantrouwen zou kunnen koesteren. Maar ook dien

nacht zou hij opnieuw verraad plegen. Een door middel van een pijl

naar de vijandelijke schans afgeschoten brief zou den Spanjaard

berichten, hoe Haarlem's bezetting met vier kloeke hoplieden was

versterkt geworden, maar vooral, hoe de belegerden voornemens waren,

met het krieken van den volgenden dag een hevigen uitval te doen,

om den vijand zijn geschut te ontnemen of het te vernagelen, zijnde

tot dien uitval verscheidene vendels in gereedheid gebracht.

Ellendige verrader! uw schrift kwam in 's vijands handen en gij gaaft

veerkracht aan den Spanjaard, terwijl de veerkracht uwer stadgenooten

er door verslapt werd. Zie, hoe bij het aanbreken van den dag de

Spanjaard op zijne hoede en gereed is om den Haarlemmers in hun

voorgenomen plan een slagboom te stellen. Geen geschut zal afhandig

worden gemaakt; want de musketten en haakbussen zullen de aanvallers

afkeeren, hen naar de vest terugjagen en hun een gevoelig verlies doen

ondergaan. Mannen van Ripperda! die neerlaag hebt gij te danken aan

het verraad van een uwer wapenbroeders, aan een burger van uwe stad.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 10 / 21 题