Het was ongeveer negen uren in den avond van den volgenden dag,
toen Boreel den koesterenden haard in de woning van doctor Elsen
verliet. Gedurende den ingevallen vorst konden slechts weinige
officieren des nachts van hunne posten blijven; want men bevond zich
tegenover een geoefend vijand, die, zoo hij er slechts kans toe zag,
zich voorzeker het ijs ten nutte zou maken. Ook Boreel zou dien nacht
den post aan de Janspoort hebben: doch alvorens hij derwaarts ging,
begaf hij zich naar de Warmoesstraat en trad de woning van Ripperda
binnen.
Deze woning, welke onlangs gesloopt is, was misschien toen nog
niet het Hof van Holland geheeten, daar wij dien naam eerst in den
jare 1641 hebben aangetroffen, hoezeer het gebouw bijna twee eeuwen
vroeger reeds door eene weduwe, Claes Gherijt Hollanders, van wie die
naam misschien oorspronkelijk is, bewoond werd. Tijdens het beleg
werd het door de familie Van Egmond bewoond, en in het jaar 1641
droeg jonker Johan van Egmond van den Nijenburg het in eigendom
aan eenen Mr. Frans de Kies over, van welken tijd af het sedert
bijna eene eeuw eene neringrijke herberg wordt geheeten, terwijl het
Natuur- en Letterkundig Gezelschap »Oefening en Wetenschappen«, (nog
bestaande), er eene reeks van jaren zijne belangrijke vergaderingen
gehouden heeft. Gelijk men wil, dat van het tegenwoordige pand en
Prinsenhof--toen het klooster der Predikheeren--de schrijfkamer,
bottelarij, keuken en andere vertrekken ingericht waren tot het
tijdelijk verblijf van verscheidene hoplieden der hulpbenden, zoo
wil men ook, dat Ripperda in dat Hof van Holland zijn woning heeft
gehad, ofschoon wij met zekerheid weten, dat zijne paarden in het
St.-Jansklooster gestald zijn geweest, en het ons waarschijnlijker
voorkomt, dat ook hij in het toenmalige klooster der Predikheeren
is gehuisvest geweest. Maar wij nemen het aan. Door de regeering
der stad zal hem dan het tijdelijk verblijf in het statige huis des
heeren Van Egmond met diens toestemming zijn aangewezen, en deze zal
aan Ripperda een paar vertrekken tot diens gebruik hebben ingeruimd.
In eene dezer kamers zat, aan eene groote, ronde tafel, de Fries,
op wien aller oogen te dien tijd vertrouwend gericht waren. Ofschoon
eene vinnige koude heerschte, was Ripperda op verren afstand van
het haardvuur gezeten, eene gewoonte, welke tot zijne vele andere
behoorde, om zich zoo weinig mogelijk aan het gemak te verwennen;
des nachts alleen uitgezonderd, kon men hem ten allen tijde bijna
eveneens gekleed vinden als den krijgsman op een grenspost; iedere
minuut, ieder oogenblik was hij gereed voor de hem toevertrouwde
vest. Wat kreet zich liet hooren,--Ripperda,--altijd Ripperda was dáár.
Op de tafel lagen onderscheidene kaarten, teekeningen, perkamenten
en eenige met het prinselijk wapen voorziene brieven, terwijl
slechts twee kaarsen haar licht aan deze tafel en het ruim
vertrek mededeelden. In dit vertrek met sneeuwwitte muren, hingen
onderscheidene schilderstukken van de Haarlemsche kunstenaars
Van Heemskerk en Mostaert, terwijl de verdere stoffeering meer uit
voorwerpen tot dagelijksch gebruik dan wel uit sieraden bestond. Het
was de kamer, waar Ripperda al diegenen ontving, welke hij te bevelen
of met wie hij te raadplegen had.
Vierhonderd Walen, Engelschen en Schotten waren dien dag binnen de
stad gekomen. De aanvoerder der Engelschen was kapitein Summado,
die der Schotten Beaufort, die der overigen Margottin, kapitein
van 's prinsen garde; benevens Vardeur, kapitein van graaf Van der
Mark. Eenige oogenblikken geleden hadden genoemde vier hoplieden
Ripperda verlaten, en thans bevonden zich in zijn bijzijn Lancelot
van Brederode en Van Duivenvoorde.
--»Mijn heere Ripperda!« zeide Boreel, na gepaste groete van het
drietal. »Ik voel mij gedrongen tot een klein gesprek en heb u ook
een verzoek voor te slaan.«
--»Wat mag dat zijn, heer Boreel?«
--»Dat gij eene kleine verandering brengt in het betrekken der
wachtposten.«
--»Waarom?«
--»Ik wenschte, mijn heere! dat Stompwijk, althans gedurende den nacht,
op denzelfden post met mij ware.«
--»Stompwijk? hebt gij het zoozeer op hem voorzien?« vroeg Ripperda,
terwijl hij een blik op Lancelot van Brederode wierp, daar deze hem
vroeger insgelijks, en wel in geen te gunstig opzicht, over Stompwijk
gesproken had.
--»Met rondheid gezegd, heer!« antwoordde Boreel, »ik voed achterdocht
jegens hem, en ik wensch na te vorschen, of ik naar eene schaduw
of naar een lichaam grijp. Wij zijn in een tijd, dat de toetsing
van een los vermoeden beter is dan het proeven eener nederlaag door
verraad. Wetende, hoe ik hier spreke in de tegenwoordigheid van mannen
van eer, zoo aarzelde ik niet te zeggen, wat ik gezegd heb.«
--»Ik schenk er lof aan!« zeide Ripperda; »rond en voor de vuist
te spreken moet het karakter van den man wezen, in wien de trouwe
woont. Maar weet--het valt lichter, een rapier bot te scharen, dan
er de zuivere snede aan terug te geven.«
--»Dacht ik niet eveneens,« antwoordde Boreel, »ik had over deze zaak
al sedert lang den mond opengedaan, maar ook denk ik, dat het hier
beter te vroeg is dan te laat.«
--»Ja, waarachtig!« liet Lancelot van Brederode hooren, »beter is het,
voorzorg dan nazorg te nemen; ook ik ducht, dat Stompwijk iets euvels
brouwt. Ik heb het op zijn Judas-gezicht niet bijster hard gemunt.«
--»Ik moet belijden,« sprak Boreel, »dat tot nu toe mij een
rechtstreeksch bewijs faalt; maar hoe dikwijls heeft nasporende
achterdocht niet tot zekerheid van iets kwaads geleid?«
--»En wat mij aanbelangt,« zeide Brederode, »ik zal mij de tong
verbranden, zoo het later mocht blijken, dat ik hem zonder grond
verdacht heb. Ik houd het voor gewis, dat hij iets smoken doet, wat
wij spoedig in lichte laaie zullen zien. Zoo veel is bovendien zeker,
dat er binnen Haarlem verraad schuilt. Ook was Stompwijk nooit de
man, wien ik iets heimelijks zou hebben durven toevertrouwen. Hij
loert als eene kat, wanneer hij meent, dat er geen blik op hem
geslagen wordt, en ik geloof, dat zijne oogen beter dan die van een
nachtuil zijn. Waar was hij den twintigsten van Wintermaand, toen de
Haarlemmers als leeuwen vochten? Hij was ziek, luidde het; maar bij
mijne ziel! de man, die een hart in het lijf heeft, moet niet ziek
wezen, als het de verdediging geldt en de glorie zijner stad. Als,
in een uur van gevaar, de dood mij bij den eenen arm hield, ik zou
hem met den anderen arm losrukken, en zijne grimmige tronie ontvlucht
zijnde, liever sterven met het rapier in de vuist.«
--»Wij weten het, dat Stompwijk geen Lancelot van Brederode is,« zeide
Ripperda, die den ruwen doch van hartstochtelijke liefde voor zijn
vaderland ontgloeiden krijgsman hoogschatte, »welaan! voorzichtigheid
geldt hier bovenal, waar het behoud der stad op het spel staat;
voorzorg in tijds te nemen is hier van het hoogst belang, en het
kan Stompwijk ook niet deren, dat zijne gangen worden bespied. Ik
zal zorgen, heer Boreel, dat gij in de gelegenheid komt om op zijn
handel en wandel te letten. Maar op mijne beurt heb ik insgelijks
eene vraag te doen.«
--»Ik gis, mijn heere! wat het zijn zal.«
--»Laat mij hooren,« zeide Ripperda.
--»Heeft het betrekking tot mijnen huisvriend?« vroeg Boreel.
--»Half geraden: het heeft ook betrekking tot hetgeen u na aan 't hart
ligt. Wat mangelt er toch aan, dat het maagdelijn van onzen wakkeren
Boreel de breinaald niet voor het rapier ruilt? Het is waar, zij is de
eenige niet, die zich afkeerig schijnt te toonen van Kenau's vendel;
doch op de jonkvrouw van uw hart valt meer de aandacht, wijl men
gist, dat één aansporingswoord van uw mond genoeg is om haar ijver
op te wekken.«
Dat was eene snaar, eene gevoelige snaar aangeroerd. Boreel had in
den laatsten tijd reeds zoovelen de reden ontvouwd, waarom Anna niet
onder Kenau's vendel was; doch een stilzwijgend schouderophalen,
eenige onsamenhangende woorden, of ook wel een ongeloovige grimlach
waren dan het wederantwoord geweest. Eens zelfs was hij op het punt
geweest om jegens een te vrijpostigen vrager in drift uit te varen;
alleen zijne beradenheid had hem nog tijdig weerhouden. Hij besefte
echter hoe langs zoo meer, dat het niet aldus blijven kon. Hem toch
kende men als den wakkeren, kloeken jongeling, die geen zweem van
lafheid kon gedoogen; den doctor kende men als een angstig, schier
kinderachtig bevreesd man; doch niemand wilde gaaf aannemen, dat die
angst den doctor kon terughouden, om Anna onder Kenau's vrouwenschaar
te doen behooren. Anna bleef toch immers binnen Haarlem's muren, kon
haren vader ieder oogenblik zien, en in hare huiselijke bezigheden
kon zij immers wel door eene andere vervangen worden. Moest, behalve
dat, de roem zijner dochter hem niet eene kleine opoffering waard
zijn. Neen! er schuilden andere oorzaken; het moest wel waar zijn, wat
Stompwijk van den doctor zeide; deze moest wel tot de Spaanschgezinde
partij behooren. In allen gevalle, Boreel handelde niet als een man van
geestkracht, van moed. Bezat hij dan niet zooveel overredingskracht,
dat hij den doctor die dwaze denkbeelden, die zwakheid, die vrees
ten minste in zoo verre kon doen overwinnen? Neen! Anna zelve wilde
niet, Anna zelve bezat niets van den moed, van de fierheid der overige
juffers; en kon Boreel, de wakkere man, zoo vol liefde voor zijne stad
en zijn vaderland, dat gedoogen? Kon de leeuw met het schuwe hert één
weg gaan; en was Boreel dan niet genoeg tot eene zelfopoffering bereid,
om den vader en de dochter te gemoet te voeren: die »vreesachtigheid,
die lafheid gedoog ik nooit. Wie de vrouw van Boreel zijn zal, moet
van gelijke liefde als hij, voor haar vaderland ontgloeid wezen, moet
hare zusteren niet moedig naar den wal zien gaan, en zelve, bij het
spinnewiel, de terugkomst van den minnaar verbeiden, om aan zijne
borst te rusten, om van zijne lippen slechts de kussen der liefde
te ontvangen. De beminde van Boreel moet daar niet schroomvallig op
de wenken van een zwakken vader passen, terwijl hare vriendinnen,
voor Haarlem's roem en vrijheid in het geweer zijn. Zij moet mijner
waardig wezen, of ik moet afstand doen van een hart, dat slechts aan
een lafaard behooren kan.« Zoo dachten, zoo spraken velen, of verzwegen
zij het, dan gaf een schouderophalen, een grimlach hetzelfde te kennen;
en Boreel kon noch het eene, noch het ander gedoogen, omdat allen, die
zoo spraken, een verkeerd en onrechtvaardig vonnis velden; maar toch,
het kon zoo niet blijven; zulk eene onrechtvaardige beschuldiging,
zulk een kwade schijn ook ten zijnen opzichte en zoo herhaaldelijk,
dat stuitte hem geweldig tegen de borst. En thans deed weder Ripperda
hem dezelfde vraag. Nog zou hij dezen hetzelfde antwoord geven; maar
dan, dan moest het anders worden; dat nam hij zich onwrikbaar voor.
--»Gij hebt recht, heer!« zeide hij. »Er behoeft noch vleierij,
noch kracht van rede toe om haar het rapier te doen aangrijpen;
want zij is een meisken van koenen geest en ernstige wakkerheid, en
zij zou niet achterwege zijn gebleven: maar zij is ook een meisken,
vol van liefde voor haren vader, huiverend bij de gedachte, hem de
kleinste grief aan te doen; en zij zou den grootsten weedom over hem
brengen, wanneer zij naar roer en bus greep: want doctor Elsen is een
man van angstig en vreesachtig gemoed--die het bijkans besterven zou,
zoo hij Anna uit zijne woning zag gaan.«
--»Is het dus met hem geschapen?« vroeg Ripperda, met eenige
twijfeling.
--»Ja, hij is vol schroom en angstig als een kind,« zeide Van
Duivenvoorde. »Mij heugt het nog, hoe hij, eenigen tijd geleden,
mijne vrouw in hare krankheid bezocht. Toen sprong een jonge brak
streelend tegen zijne knieën op, en fluks greep hem zulk eene vrees
aan, dat hij van den stoel tuimelde en geen spraak meer had. Anders
is hij een goed man, waardig tot genezing en zeer bekwaam in zijn vak.«
--»'t Is een man als meester Maarten,« zeide Brederode, den beroemden
schilder Heemskerk bedoelende, »die is een feniks op 't palet, maar
zoo bang als een wezel, als hij iets verdachts hoort, en een schot
uit de Vliegen van Namen zou hem flauw doen vallen, waarom hij dan
ook uit de stad is geweken, evenals hij vroeger zijne toevlucht nam
op den St.-Bavo's toren, wanneer de schutters op St.-Jansdag bij den
ommegang hunne geweren afschoten.«
--»Maar men wil ook reppen,« liet Ripperda hooren, »dat meester Elsen
in geen overgoeden naam staat, ja zelfs dat er eenige achterdocht op
hem rust.«
--»'t Is mij bekend,« sprak Boreel, »maar ik moet het voor boozen
laster houden van eenig kwaad vijand; mogelijk, dat ook daarover
weldra goed licht zal worden gespreid.«
Vervolgens sprak men nog over andere aangelegenheden, totdat Van
Duivenvoorde, van zijne plaats opstaande, zeide:
--»Het wordt mijn tijd; ik vertrek naar de Kruispoort. Heeft mijn
heer Ripperda nog eenig bevel?«
--»Heb dank, kolonel!« antwoordde deze, »het voornemen tegen morgen is
genoeg besproken en belegd. Eer de dag aanbreekt, zal ik bij u zijn.«
--»Ik ga met u,« zeide Boreel.
--»En ik,« voegde Brederode er bij. Gezamenlijk opstaande, werd aan
Ripperda de vraag herhaald, waarop een gelijk antwoord volgde, en
waarna de drie verdedigers den bevelhebber verlieten om dien nacht
op hunne verschillende posten waakzaam te zijn.
Intusschen was ook Stompwijk reeds op zijn post aan den Pijntoren, dien
hij spoedig voor een anderen verwisselen zou, wijl Ripperda besloten
had, aan de waarschuwing van Boreel gehoor te verleenen--doch zóó,
dat Stompwijk geen wantrouwen zou kunnen koesteren. Maar ook dien
nacht zou hij opnieuw verraad plegen. Een door middel van een pijl
naar de vijandelijke schans afgeschoten brief zou den Spanjaard
berichten, hoe Haarlem's bezetting met vier kloeke hoplieden was
versterkt geworden, maar vooral, hoe de belegerden voornemens waren,
met het krieken van den volgenden dag een hevigen uitval te doen,
om den vijand zijn geschut te ontnemen of het te vernagelen, zijnde
tot dien uitval verscheidene vendels in gereedheid gebracht.
Ellendige verrader! uw schrift kwam in 's vijands handen en gij gaaft
veerkracht aan den Spanjaard, terwijl de veerkracht uwer stadgenooten
er door verslapt werd. Zie, hoe bij het aanbreken van den dag de
Spanjaard op zijne hoede en gereed is om den Haarlemmers in hun
voorgenomen plan een slagboom te stellen. Geen geschut zal afhandig
worden gemaakt; want de musketten en haakbussen zullen de aanvallers
afkeeren, hen naar de vest terugjagen en hun een gevoelig verlies doen
ondergaan. Mannen van Ripperda! die neerlaag hebt gij te danken aan
het verraad van een uwer wapenbroeders, aan een burger van uwe stad.