ACHTSTE HOOFDSTUK.

Daags na den dood van kapitein Vlasman, die, later als vroedschapslid

door Sijmon Cornelisz Spug zou vervangen worden, hadden verscheidene

der bevelhebbers en regeeringsleden eene vergadering gehouden. Immers

er waren brieven van Zijne Excellentie aangebracht met de tijding,

dat hij de stad geene hulp zou laten ontbreken. Ook waren er weder

tachtig sleden buskruit, en levensmiddelen en nieuwe troepen binnen

de vest gekomen, en het bestuur wilde eenige maatregelen met de

mondbehoefte nemen, waarover men gaarne het gevoelen der hoplieden

wenschte te hooren.

Het kon ongeveer zeven ure in den avond wezen, toen Boreel na den

afloop der overwegingen naar zijne woning keerde. De maan, die in het

eerste kwartier was, wierp van de heldere koude lucht haar flauwen

glans door de Schachelstraat, en op datzelfde oogenblik meende Boreel

eene hem niet onbekende gestalte uit de woning van doctor Elsen te

zien uitkomen.

--»Zou hij het zijn? hij was weer afwezig,« sprak hij, en stond

onwillekeurig stil.--Ook de gestalte, alsof deze den hopman ontwaard

had, stond stil, wilde vervolgens haar koers naar de Oude Gracht

nemen; doch zich ijlings bedenkende, sloeg zij den weg op naar

de Warmoesstraat en Boreel tegemoet, die nu insgelijks den zijnen

vervolgde.--Weinige seconden later gingen beiden elkander rakelings

voorbij, en beiden een scherpen blik op elkander werpende had Sijmon

Boreel den gehaten Stompwijk, en deze hem herkend.

--»Hij is het!« zeide Boreel, half luid, en het reeds aangestoken vuur

van den minneijver begon heftiger te ontbranden. Hij was op het punt,

Stompwijk staande te houden; doch in een besluiteloos oogenblik snelt

alles als een nevel voorbij;--omziende, had hij den mededinger reeds

uit het oog verloren, en hem naijlen wilde hij niet.

--»Ja, hij was het,« sprak hij, »en uit haar huis kwam hij, dat heb

ik klaar gezien. Hoe! die verrader, zij schenkt hem dan nog?.... het

gerucht heeft dus niet gelogen: het is maar al te waar....«

Werktuigelijk stond hij andermaal stil; doch opeens deed de plotselijke

gedachte om zijn vermoeden te meer bevestigd te zien, hem naar het huis

snellen. Onstuimig liet hij den zwaren klopper op de deur vallen en

bijna te gelijker tijd hoorde hij van binnen een kreet van schrik. Het

was die van den vreesachtigen doctor. Boreel keek nu door de kleine

glasruiten van het voorhuis en zag, hoe eene gestalte van haren stoel

opstond, vervolgens een licht ontstak en toen naar de deur ijlde. Het

was Anna zelve; zij opende hem, zooals zij dit steeds gewoon was,

doch in plaats van de groete, welke zij hem dan altijd toesprak,

zeide zij thans:

--»Sijmon, Sijmon! gij doet door uw wakker geklop mijn vader zoo

bijster schrikken, dat hij er van beeft. Is u wat ergs overkomen,

dat u tot zoo groot eene drift spoort?«

Bij menigeen zouden èn deze woorden èn de wijze, waarop zij werden

uitgesproken, elken argwaan hebben doen verdwijnen; doch bij Boreel

was dit zoo niet. Hij had toch den gehaten Stompwijk maar al te wel

van de stoep zien komen, hem maar al te zeer herkend en bovendien

waren de loopende geruchten overgenoegzaam, om hem in zijn vermoeden

te sterken. Hij beschouwde derhalve Anna's woorden als huichelarij, en

ofschoon hij zich zelven genoeg meester was, om langs een anderen weg

dan door dien van drift achter de waarheid te komen, zeide hij echter:

--»Gij opent mij, Anna, zoo onverbluft en ongezocht de deur, als waart

gij in geen uur van uwe plaats geweest, 't Is dan voorzeker uw vader,

die den gast van zoo fluks uitgelaten heeft?«

--»Wat duiden deze woorden?« zeide Anna, terwijl zij de deurklink in de

hand hield en Boreel scheen te aarzelen, of hij het voorhuis wel zou

binnengaan. »Geen gast is hier geweest sedert al langer dan een paar

uren, en ik geloof niet, dat op dezen de naam van gast passen zou.«

--»Sedert al langer dan een paar uren?« zeide Boreel eenigszins

spottend, terwijl hij binnentrad, »toen is hij gekomen, niet waar? maar

ook henengegaan?«

--»Nu ja! maar wat zin moet ik geven aan 'tgeen gij spreekt? Ik vat

u gansch niet.«

--»Wie is daar dan?« liet nu de stem van den doctor hooren, terwijl

hij uit het binnenvertrek naar het voorhuis kwam en nog niet van zijn

schrik scheen bekomen te zijn. »Lieve tijd! gij Boreel, gij hebt dat

rumoer gemaakt? Is u iets kwaads gebeurd: hebt gij wichtig nieuws?«

--»Nieuws genoeg, meester Elsen! als mijne ooren al de straatmaren

wilden opvangen, die er rondgaan. Maar ik zie liever met eigene oogen;

dan heeft men zekerheid.«

Terwijl hij dit zeide, begaf hij zich naar het binnenvertrek, waar de

heldere vlam van een groot turfvuur het kaarslicht geheel overscheen.

--»Wat is dat, Anna! wat is dat?« zeide haar vader, langzaam met zijne

dochter volgende, »hij rept van straatmaren en hij noemt mij meester:

wat mag dat zijn?«

--»Vraag het hem, vader! ik weet er gansch niets van, ik versta hem

al zoo min.«

--»Wat revelt gij, vriendje?« zeide de doctor, binnenkomende. »Hebt

gij kwaads op het hart, werp het dan af.«

--»Dat zal ik,« antwoordde Boreel, »schoon het mij meer pijnt, dan

of mij een kogel in het vleesch ware gegaan.« En toen Anna's hand

in de zijne grijpende en haar met zijn forsch oog strak aanziende,

vervolgde hij: »zeg het onverblikt, wie ging zoo flus uwe woning uit?«

--»Wel niemand, zoo ik weet....«

--»Onmogelijk! gij blinddoekt mij te vergeefs,« zeide Boreel, haar

nog uitvorschender aanziende, »mijne oogen hebben het gezien, zoo

waarachtig als ik leef.«

--»Iemand mijn huis uitgegaan?« vroeg nu de doctor, terwijl er

zichtbare angst op zijn gelaat kwam, »wat spreekt gij, vriend! dan

moet het een dief zijn geweest: heilige Petrus! dan moet er een dief

ingeslopen zijn, terwijl ik vandaag van huis was. 't Is een deerlijke

tijd van gebrek.... Dan moet ik het huis onderzoeken: wie weet,

wat men mij ontstolen heeft.«

En de altijd vreesachtige man zou op het punt zijn geweest, om het huis

van boven tot beneden te doorzoeken, wanneer Boreel en zijne dochter

hem daarin behulpzaam hadden willen zijn; want voor geen geld ter

wereld zou hij het gewaagd hebben, zulks onverzeld te doen. Boreel's

woorden brachten hem echter geheel van zijn voornemen af.

--»Van dieven is het de spraak niet,« zeide deze, »de man, dien ik

uit het huis komen zag, was Stompwijk,« en dit zeggende, hield hij

op beider gelaat het oog, om de minste verandering waar te nemen.

--»Stompwijk!.... hoe komt het u in den zin?« vroeg Anna,

»wat vermoeden! er woont dan nog altijd achterdocht in uw

binnenste? Boreel! waaraan heb ik deze wreedheid verdiend?«

--»Stompwijk!« herhaalde nu ook de doctor, »als hij dood was, mocht

ge zijn geest voor oogen hebben gezien; maar den man zelven, uit mijn

huis komende--nooit.«

--»Toch zag ik hem,« herhaalde Boreel, »hij was het zelf en niet

zijn geest.«

--»Twee uren zijn verloopen,« sprak de doctor, »dat de schamele

Wouters, die met graveel is gekweld, hier kwam; niet langer dan vijf

minuten sprak ik met hem; toen is hij weer heengegaan, en daarna

heeft in mijn huis niemand een voet gezet.«

--»'t Is mogelijk,« zeide Boreel, nochtans met het hoofd schuddende,

»maar het geeft mij bijster weinig klaarheid in de zaak: mijn oog

heeft nog zelden mis gehad.«

--»Maar toch nu,« sprak Anna, »want bij de zaligheid mijner moeder

zweer ik, dat Stompwijk hier sinds maanden niet over den dorpel

kwam. Moet mijn mond dan herhalen, hoe ik over hem denk? Gewis,

uw vermoeden doet mij bittere grief aan.«

--»Anna, liefste mijn! niet alzoo!« zeide nu Boreel, terwijl hij zijnen

arm om haren hals sloeg, »ik geloof nu, wat gij spreekt: maar er blijft

mij groote schemering over, bij alles wat het gerucht spreekt, en

dat is niettemin zeker, dat ik Stompwijk van uwe stoep heb zien gaan.«

--»Eilaas! wat mag het dan wezen, dat zijn spel met mij drijft?«

barstte nu Anna op bedroefden toon los, »wie geeft u dan het voedsel

tot achterdocht jegens mij?«

--»Aanhoor mij,« zeide Boreel, terwijl hij zich bij het vuur plaatste,

en den doctor een teeken gaf, om zijn voorbeeld te volgen. »Het is een

distelige tijd; een tijd, dat de menschen zich bloot met de wichtige

aangelegenheden moesten bezig houden: en nochtans verspreidt men een

aantal geruchten. Wat zegt men niet al? Hier klinkt het mij tegen, hoe

Stompwijk meer dan eens dit huis betreedt en welkom ontvangen wordt;

daar vraagt men mij, of ik geene kondschap draag, hoe meester Elsen

tot de zijde van den Spanjaard overhelt; en men drijft het mij zelfs

als een verwijt toe, dat ik bij een zoodanigen woon. Ginds laat het

volk zich weder iets anders ontglippen. In één woord, ik moet het u

maar gansch zeggen, doctor! Gij staat in een zeer kwaad gerucht.«

--»Ik, ik....« zeide de doctor driftig en tegelijk bevend, »wie kan mij

iets euvels aantijgen? Wat aanleiding geef ik tot zoo grove logens? Ik

met den Spanjaard heulen? En gij, hopman! gij snoert hen den mond

niet? Gij laat eene kladde op mij werpen, die mij aan de grimmigheid

van 't volk blootstelt. Wee mij dan! wat zal mij overkomen, zoo het

vuur der boosheid feller wordt aangeblazen? Wat wil men van mij? Dat

ik mijne religie afzwere en de leer van den man Luther aankleve? Dat

nooit; eerder ga ik in den dood.«

--»Beangst u niet alzoo,« sprak Boreel, »en werp nog minder eenige

schuld op mij. Ieder, die mij van deze dingen rept, ga ik krachtig

te keer; en hoezeer nog zoo fluks mijn argwaan opgewekt werd,

twijfel ik er niet meer aan, of wij strekken ten wit aan boos opzet

en wraakgierigheid. Die Stompwijk!.... al meer en meer wordt bij mij

de gedachte gevoed, dat hij vol is van listige treken en snoodheden,

dat hij uw verderf zoekt en het mijne, en dat hij zelf verraderlijk

heult met den Spanjaard. Bij Ripperda! van dezen dag af zal op zijne

gangen een Argusoog gericht wezen, en wee hem, zoo ik hem op eenig

schelmsch bedrijf betrap.«

--»En gij zaagt hem van deze stoep komen?« vroeg nu Anna, de hand

niet terugtrekkende, die door den geliefde gedrukt werd, als een

berouwhebbend teeken over zijne achterdocht.

--»Gezien, Anna? ja, dat zweer ik, maar mijn argwaan is gansch

geweken. Thans heb ik licht in de zaak en spoedig zal ze mij in

niets meer vreemd zijn. Maar ook nu, Anna! moet alle achterspraak

en kwaad vermoeden gesnoerd worden. Schaar u onder Kenau Hasselaar;

nog is het tijd.«

--»Neen, spaar daar vrijelijk ieder woord van,« zeide de doctor,

»moest ik haar missen, veel liever zou ik den dood ondergaan. Al groot

genoeg is de vreeze, dat er voor Haarlem een bitter einde komen zal,

en minst van al zal de vijand in zijne woede sparen, wie de wapenen

tegen hem gedragen heeft....«

--»Het lust mij niet,« zeide Boreel wrevelig, »om andermaal met tal

van woorden eene zwakheid aan te tasten, die in uw karakter ligt. Ook

zijt gij geen krijgsman. Maar wee hem, die op 's vijands genade bouwt,

als deze binnen de stad dringt. De Spanjaard zal geen onderzoek doen,

wie de kling tegen hem voerde of wie ze lafhartig liet roesten in

de scheede. Aan moord en brand zal geen einde wezen: hem dus buiten

de vest te houden, moet de leus van alle Haarlemmers zijn. Vrij of

de dood!«

--»Zoo mijn vader toestemt, ben ik bereid,« zeide Anna, »het is niet

voor de eerste maal, dat ik aldus spreek; maar zijn wil wederstreven,

doe ik nooit.«

--»Het zou mij leed doen, u van die gedachten af te brengen,« zeide

Boreel, haar de hand drukkende, »maar bezin u wel, doctor! Haarlem's

deftigste jufferschap heeft zich reeds onder Kenau geschaard. Morgen

worden spiesen, bussen en rapieren onder haar uitgereikt, en op weinig

na, zijn ze reeds driehonderd in getal. Gewis, grooter sieraad dan

dit heeft Haarlem nog nooit binnen zijne muren gehad.«

--»En wie zal de aanvoerster wezen?« vroeg Anna.

--»Kenau,« was het antwoord, »en de wakkere vrouw van burgemeester

Kies zal hare plaatsvervangster wezen; in rang op deze volgen Maria

van Schoten en Maria van der Laan, terwijl aan Henrica van Vliet

en Geertruida van Brederode de standaard van Haarlem ter hand is

gesteld. Op mijne krijgsmanseer!« ging hij voort, zich bepaaldelijk

tot den vader zijner geliefde wendende, »zoo ge mij een levensdag

wilt schenken, die mij tot een altijddurend herdenken zal wezen,

verban dan uwe vreeze en laat Anna nog heden onder haar getal zijn.«

--»Nimmer!« antwoordde de doctor. »Ik ril bij de vreeselijke gedachte,

wat het deerlijk lot zijn zal dezer stad. Haarlem te redden, zal

even ondoenlijk wezen als met de hand aan den hemel te raken: en zou

ik nog mijn eenig kind wagen, om op de wallen den dood te vinden,

of later te worden vermoord? Neen, zij ga niet van mij af, zoo zij

mij den dood niet wil aandoen.«

--»Maar peins toch, bid ik u,« hernam Boreel, »dat gij in het

overstaande geval evenzeer hebt te vreezen. Wie ook uw vijand moge

zijn, zeker is het, dat hij u veel euvels brouwt en het slapend volk

wakker tegen u maakt. Daar behoeft zooveel niet toe, om iemand in

kwaad gerucht te brengen, en eene geankerde opspraak wil slechts

tragelijk wijken. Bezin u wel; geen beter blijk van gezindheid voor

den prins en de vrijheid kunt gij geven, dan door af te staan, wat

u het liefst en dierst is. Dat is Anna; laat op haar de blaam niet

komen, dat zij eene lafhartige maagd zij; want bedenk, dat gij geene

verschooningsrede inbrengen kunt.«

--»Ik ben een zwak, oud man; van mijne jonkheid af heb ik altijd een

ziekelijk lichaam omgedragen; ieder uur kan mij iets kwaads overkomen,

en als ik mijne dochter mis, wie zal mij dan tot hulpe wezen? Ware

mijne vrouw, aan wie ik zooveel heb verloren, nog in leven, ik zou

gewillig zijn; maar nu--neen! ik beef reeds, wanneer ik er aan denk;

och, Anna! verlaat uw grijzen vader niet.«

--»Neen, lieve vader! wees gerust,« zeide Anna, »ik zal u niet alleen

laten: ik zal niet gaan van uwe zijde.« En terwijl zij op den geliefde

een blik wierp, waarin de bede lag opgesloten, om den ouden man over

dit punt geen verder verdriet te veroorzaken, sloeg zij hare armen om

haars vaders hals en drukte hem zulke vurige kussen van kinderliefde

op het voorhoofd, dat Boreel zich bewogen gevoelde, om aan beider

wenschen gehoor te verleenen.

Hij drong dan op dit punt voor het oogenblik althans niet verder

aan. Echter kostte het hem veel; want hoezeer hij ten volle van des

doctors innige goedheid van hart bewust was, vermoedde hij tevens, dat

het gewichtige punt van godsdienst de hoofdzakelijke reden was, waarom

hij niet wilde, dat zijne dochter zich onder de strijdbare vrouwen

voegde. Even zwak toch als de stroohalm, die door het geringste koeltje

bewogen wordt, was ook zijn verstand ten opzichte van het godsdienstig

geloof. Toch bleef hij voor zich zelven in de ijzervaste overtuiging,

dat de godsdienst zijner vaderen de eenige ware en Godebehagelijke

was; dat zij even oud als schoon, even zuiver als eerbiedwaardig was;

dat elke poging om haar te verzwakken of uit te roeien, met bespotting

en heiligschennis van het machtigst verhevenst Wezen gelijk stond. Dit

had Quirijn Dirks, wiens geneesheer hij was, als in zijne ziel gegrift,

zonder dat des doctors benevelde begrippen er eenigen grond voor konden

ontwikkelen. In zijn duisteren waan huiverde hij bij de bloedige

middelen, die Spanje bezigde ter eere van het roomsche geloof; toch

juichte hij het doel toe, op zich zelven als doel beschouwd. Uit dit

laatste vloeide dan ook zijn denkbeeld voort, dat men hoogst strafbaar

handelde, door zich gewapenderhand tegen den koning, als hersteller

van het alleen zaligmakend geloof en als regeerend vorst van Nederland,

te verzetten. Maar nog meer sidderde hij bij de gedachte aan de straf,

die later allen wachtte, welke het staal tot wederstand aangegrepen

hadden. De vrees echter--dat heerschend gebrek zijner ziel,--hield

hem terug, om dit rechtstreeks en bepaald te uiten, zoodat zelfs

Boreel het wel vermoedde, maar er de zekerheid niet van had. Deze

beschouwde dus in hem slechts den vader zijner beminde; hij duldde

zijne zwakheden ter liefde van haar en omdat des doctors hart goed

was; hij eerbiedigde haar, omdat Anna's gansche ziel met eerbied voor

haren vader vervuld was; in één woord, hij beschouwde hem als één,

als saamgesmolten met het voorwerp van zijn hartstocht; hij had hem

lief, omdat hij Anna liefhad.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 9 / 21 题