Daags na den dood van kapitein Vlasman, die, later als vroedschapslid
door Sijmon Cornelisz Spug zou vervangen worden, hadden verscheidene
der bevelhebbers en regeeringsleden eene vergadering gehouden. Immers
er waren brieven van Zijne Excellentie aangebracht met de tijding,
dat hij de stad geene hulp zou laten ontbreken. Ook waren er weder
tachtig sleden buskruit, en levensmiddelen en nieuwe troepen binnen
de vest gekomen, en het bestuur wilde eenige maatregelen met de
mondbehoefte nemen, waarover men gaarne het gevoelen der hoplieden
wenschte te hooren.
Het kon ongeveer zeven ure in den avond wezen, toen Boreel na den
afloop der overwegingen naar zijne woning keerde. De maan, die in het
eerste kwartier was, wierp van de heldere koude lucht haar flauwen
glans door de Schachelstraat, en op datzelfde oogenblik meende Boreel
eene hem niet onbekende gestalte uit de woning van doctor Elsen te
zien uitkomen.
--»Zou hij het zijn? hij was weer afwezig,« sprak hij, en stond
onwillekeurig stil.--Ook de gestalte, alsof deze den hopman ontwaard
had, stond stil, wilde vervolgens haar koers naar de Oude Gracht
nemen; doch zich ijlings bedenkende, sloeg zij den weg op naar
de Warmoesstraat en Boreel tegemoet, die nu insgelijks den zijnen
vervolgde.--Weinige seconden later gingen beiden elkander rakelings
voorbij, en beiden een scherpen blik op elkander werpende had Sijmon
Boreel den gehaten Stompwijk, en deze hem herkend.
--»Hij is het!« zeide Boreel, half luid, en het reeds aangestoken vuur
van den minneijver begon heftiger te ontbranden. Hij was op het punt,
Stompwijk staande te houden; doch in een besluiteloos oogenblik snelt
alles als een nevel voorbij;--omziende, had hij den mededinger reeds
uit het oog verloren, en hem naijlen wilde hij niet.
--»Ja, hij was het,« sprak hij, »en uit haar huis kwam hij, dat heb
ik klaar gezien. Hoe! die verrader, zij schenkt hem dan nog?.... het
gerucht heeft dus niet gelogen: het is maar al te waar....«
Werktuigelijk stond hij andermaal stil; doch opeens deed de plotselijke
gedachte om zijn vermoeden te meer bevestigd te zien, hem naar het huis
snellen. Onstuimig liet hij den zwaren klopper op de deur vallen en
bijna te gelijker tijd hoorde hij van binnen een kreet van schrik. Het
was die van den vreesachtigen doctor. Boreel keek nu door de kleine
glasruiten van het voorhuis en zag, hoe eene gestalte van haren stoel
opstond, vervolgens een licht ontstak en toen naar de deur ijlde. Het
was Anna zelve; zij opende hem, zooals zij dit steeds gewoon was,
doch in plaats van de groete, welke zij hem dan altijd toesprak,
zeide zij thans:
--»Sijmon, Sijmon! gij doet door uw wakker geklop mijn vader zoo
bijster schrikken, dat hij er van beeft. Is u wat ergs overkomen,
dat u tot zoo groot eene drift spoort?«
Bij menigeen zouden èn deze woorden èn de wijze, waarop zij werden
uitgesproken, elken argwaan hebben doen verdwijnen; doch bij Boreel
was dit zoo niet. Hij had toch den gehaten Stompwijk maar al te wel
van de stoep zien komen, hem maar al te zeer herkend en bovendien
waren de loopende geruchten overgenoegzaam, om hem in zijn vermoeden
te sterken. Hij beschouwde derhalve Anna's woorden als huichelarij, en
ofschoon hij zich zelven genoeg meester was, om langs een anderen weg
dan door dien van drift achter de waarheid te komen, zeide hij echter:
--»Gij opent mij, Anna, zoo onverbluft en ongezocht de deur, als waart
gij in geen uur van uwe plaats geweest, 't Is dan voorzeker uw vader,
die den gast van zoo fluks uitgelaten heeft?«
--»Wat duiden deze woorden?« zeide Anna, terwijl zij de deurklink in de
hand hield en Boreel scheen te aarzelen, of hij het voorhuis wel zou
binnengaan. »Geen gast is hier geweest sedert al langer dan een paar
uren, en ik geloof niet, dat op dezen de naam van gast passen zou.«
--»Sedert al langer dan een paar uren?« zeide Boreel eenigszins
spottend, terwijl hij binnentrad, »toen is hij gekomen, niet waar? maar
ook henengegaan?«
--»Nu ja! maar wat zin moet ik geven aan 'tgeen gij spreekt? Ik vat
u gansch niet.«
--»Wie is daar dan?« liet nu de stem van den doctor hooren, terwijl
hij uit het binnenvertrek naar het voorhuis kwam en nog niet van zijn
schrik scheen bekomen te zijn. »Lieve tijd! gij Boreel, gij hebt dat
rumoer gemaakt? Is u iets kwaads gebeurd: hebt gij wichtig nieuws?«
--»Nieuws genoeg, meester Elsen! als mijne ooren al de straatmaren
wilden opvangen, die er rondgaan. Maar ik zie liever met eigene oogen;
dan heeft men zekerheid.«
Terwijl hij dit zeide, begaf hij zich naar het binnenvertrek, waar de
heldere vlam van een groot turfvuur het kaarslicht geheel overscheen.
--»Wat is dat, Anna! wat is dat?« zeide haar vader, langzaam met zijne
dochter volgende, »hij rept van straatmaren en hij noemt mij meester:
wat mag dat zijn?«
--»Vraag het hem, vader! ik weet er gansch niets van, ik versta hem
al zoo min.«
--»Wat revelt gij, vriendje?« zeide de doctor, binnenkomende. »Hebt
gij kwaads op het hart, werp het dan af.«
--»Dat zal ik,« antwoordde Boreel, »schoon het mij meer pijnt, dan
of mij een kogel in het vleesch ware gegaan.« En toen Anna's hand
in de zijne grijpende en haar met zijn forsch oog strak aanziende,
vervolgde hij: »zeg het onverblikt, wie ging zoo flus uwe woning uit?«
--»Wel niemand, zoo ik weet....«
--»Onmogelijk! gij blinddoekt mij te vergeefs,« zeide Boreel, haar
nog uitvorschender aanziende, »mijne oogen hebben het gezien, zoo
waarachtig als ik leef.«
--»Iemand mijn huis uitgegaan?« vroeg nu de doctor, terwijl er
zichtbare angst op zijn gelaat kwam, »wat spreekt gij, vriend! dan
moet het een dief zijn geweest: heilige Petrus! dan moet er een dief
ingeslopen zijn, terwijl ik vandaag van huis was. 't Is een deerlijke
tijd van gebrek.... Dan moet ik het huis onderzoeken: wie weet,
wat men mij ontstolen heeft.«
En de altijd vreesachtige man zou op het punt zijn geweest, om het huis
van boven tot beneden te doorzoeken, wanneer Boreel en zijne dochter
hem daarin behulpzaam hadden willen zijn; want voor geen geld ter
wereld zou hij het gewaagd hebben, zulks onverzeld te doen. Boreel's
woorden brachten hem echter geheel van zijn voornemen af.
--»Van dieven is het de spraak niet,« zeide deze, »de man, dien ik
uit het huis komen zag, was Stompwijk,« en dit zeggende, hield hij
op beider gelaat het oog, om de minste verandering waar te nemen.
--»Stompwijk!.... hoe komt het u in den zin?« vroeg Anna,
»wat vermoeden! er woont dan nog altijd achterdocht in uw
binnenste? Boreel! waaraan heb ik deze wreedheid verdiend?«
--»Stompwijk!« herhaalde nu ook de doctor, »als hij dood was, mocht
ge zijn geest voor oogen hebben gezien; maar den man zelven, uit mijn
huis komende--nooit.«
--»Toch zag ik hem,« herhaalde Boreel, »hij was het zelf en niet
zijn geest.«
--»Twee uren zijn verloopen,« sprak de doctor, »dat de schamele
Wouters, die met graveel is gekweld, hier kwam; niet langer dan vijf
minuten sprak ik met hem; toen is hij weer heengegaan, en daarna
heeft in mijn huis niemand een voet gezet.«
--»'t Is mogelijk,« zeide Boreel, nochtans met het hoofd schuddende,
»maar het geeft mij bijster weinig klaarheid in de zaak: mijn oog
heeft nog zelden mis gehad.«
--»Maar toch nu,« sprak Anna, »want bij de zaligheid mijner moeder
zweer ik, dat Stompwijk hier sinds maanden niet over den dorpel
kwam. Moet mijn mond dan herhalen, hoe ik over hem denk? Gewis,
uw vermoeden doet mij bittere grief aan.«
--»Anna, liefste mijn! niet alzoo!« zeide nu Boreel, terwijl hij zijnen
arm om haren hals sloeg, »ik geloof nu, wat gij spreekt: maar er blijft
mij groote schemering over, bij alles wat het gerucht spreekt, en
dat is niettemin zeker, dat ik Stompwijk van uwe stoep heb zien gaan.«
--»Eilaas! wat mag het dan wezen, dat zijn spel met mij drijft?«
barstte nu Anna op bedroefden toon los, »wie geeft u dan het voedsel
tot achterdocht jegens mij?«
--»Aanhoor mij,« zeide Boreel, terwijl hij zich bij het vuur plaatste,
en den doctor een teeken gaf, om zijn voorbeeld te volgen. »Het is een
distelige tijd; een tijd, dat de menschen zich bloot met de wichtige
aangelegenheden moesten bezig houden: en nochtans verspreidt men een
aantal geruchten. Wat zegt men niet al? Hier klinkt het mij tegen, hoe
Stompwijk meer dan eens dit huis betreedt en welkom ontvangen wordt;
daar vraagt men mij, of ik geene kondschap draag, hoe meester Elsen
tot de zijde van den Spanjaard overhelt; en men drijft het mij zelfs
als een verwijt toe, dat ik bij een zoodanigen woon. Ginds laat het
volk zich weder iets anders ontglippen. In één woord, ik moet het u
maar gansch zeggen, doctor! Gij staat in een zeer kwaad gerucht.«
--»Ik, ik....« zeide de doctor driftig en tegelijk bevend, »wie kan mij
iets euvels aantijgen? Wat aanleiding geef ik tot zoo grove logens? Ik
met den Spanjaard heulen? En gij, hopman! gij snoert hen den mond
niet? Gij laat eene kladde op mij werpen, die mij aan de grimmigheid
van 't volk blootstelt. Wee mij dan! wat zal mij overkomen, zoo het
vuur der boosheid feller wordt aangeblazen? Wat wil men van mij? Dat
ik mijne religie afzwere en de leer van den man Luther aankleve? Dat
nooit; eerder ga ik in den dood.«
--»Beangst u niet alzoo,« sprak Boreel, »en werp nog minder eenige
schuld op mij. Ieder, die mij van deze dingen rept, ga ik krachtig
te keer; en hoezeer nog zoo fluks mijn argwaan opgewekt werd,
twijfel ik er niet meer aan, of wij strekken ten wit aan boos opzet
en wraakgierigheid. Die Stompwijk!.... al meer en meer wordt bij mij
de gedachte gevoed, dat hij vol is van listige treken en snoodheden,
dat hij uw verderf zoekt en het mijne, en dat hij zelf verraderlijk
heult met den Spanjaard. Bij Ripperda! van dezen dag af zal op zijne
gangen een Argusoog gericht wezen, en wee hem, zoo ik hem op eenig
schelmsch bedrijf betrap.«
--»En gij zaagt hem van deze stoep komen?« vroeg nu Anna, de hand
niet terugtrekkende, die door den geliefde gedrukt werd, als een
berouwhebbend teeken over zijne achterdocht.
--»Gezien, Anna? ja, dat zweer ik, maar mijn argwaan is gansch
geweken. Thans heb ik licht in de zaak en spoedig zal ze mij in
niets meer vreemd zijn. Maar ook nu, Anna! moet alle achterspraak
en kwaad vermoeden gesnoerd worden. Schaar u onder Kenau Hasselaar;
nog is het tijd.«
--»Neen, spaar daar vrijelijk ieder woord van,« zeide de doctor,
»moest ik haar missen, veel liever zou ik den dood ondergaan. Al groot
genoeg is de vreeze, dat er voor Haarlem een bitter einde komen zal,
en minst van al zal de vijand in zijne woede sparen, wie de wapenen
tegen hem gedragen heeft....«
--»Het lust mij niet,« zeide Boreel wrevelig, »om andermaal met tal
van woorden eene zwakheid aan te tasten, die in uw karakter ligt. Ook
zijt gij geen krijgsman. Maar wee hem, die op 's vijands genade bouwt,
als deze binnen de stad dringt. De Spanjaard zal geen onderzoek doen,
wie de kling tegen hem voerde of wie ze lafhartig liet roesten in
de scheede. Aan moord en brand zal geen einde wezen: hem dus buiten
de vest te houden, moet de leus van alle Haarlemmers zijn. Vrij of
de dood!«
--»Zoo mijn vader toestemt, ben ik bereid,« zeide Anna, »het is niet
voor de eerste maal, dat ik aldus spreek; maar zijn wil wederstreven,
doe ik nooit.«
--»Het zou mij leed doen, u van die gedachten af te brengen,« zeide
Boreel, haar de hand drukkende, »maar bezin u wel, doctor! Haarlem's
deftigste jufferschap heeft zich reeds onder Kenau geschaard. Morgen
worden spiesen, bussen en rapieren onder haar uitgereikt, en op weinig
na, zijn ze reeds driehonderd in getal. Gewis, grooter sieraad dan
dit heeft Haarlem nog nooit binnen zijne muren gehad.«
--»En wie zal de aanvoerster wezen?« vroeg Anna.
--»Kenau,« was het antwoord, »en de wakkere vrouw van burgemeester
Kies zal hare plaatsvervangster wezen; in rang op deze volgen Maria
van Schoten en Maria van der Laan, terwijl aan Henrica van Vliet
en Geertruida van Brederode de standaard van Haarlem ter hand is
gesteld. Op mijne krijgsmanseer!« ging hij voort, zich bepaaldelijk
tot den vader zijner geliefde wendende, »zoo ge mij een levensdag
wilt schenken, die mij tot een altijddurend herdenken zal wezen,
verban dan uwe vreeze en laat Anna nog heden onder haar getal zijn.«
--»Nimmer!« antwoordde de doctor. »Ik ril bij de vreeselijke gedachte,
wat het deerlijk lot zijn zal dezer stad. Haarlem te redden, zal
even ondoenlijk wezen als met de hand aan den hemel te raken: en zou
ik nog mijn eenig kind wagen, om op de wallen den dood te vinden,
of later te worden vermoord? Neen, zij ga niet van mij af, zoo zij
mij den dood niet wil aandoen.«
--»Maar peins toch, bid ik u,« hernam Boreel, »dat gij in het
overstaande geval evenzeer hebt te vreezen. Wie ook uw vijand moge
zijn, zeker is het, dat hij u veel euvels brouwt en het slapend volk
wakker tegen u maakt. Daar behoeft zooveel niet toe, om iemand in
kwaad gerucht te brengen, en eene geankerde opspraak wil slechts
tragelijk wijken. Bezin u wel; geen beter blijk van gezindheid voor
den prins en de vrijheid kunt gij geven, dan door af te staan, wat
u het liefst en dierst is. Dat is Anna; laat op haar de blaam niet
komen, dat zij eene lafhartige maagd zij; want bedenk, dat gij geene
verschooningsrede inbrengen kunt.«
--»Ik ben een zwak, oud man; van mijne jonkheid af heb ik altijd een
ziekelijk lichaam omgedragen; ieder uur kan mij iets kwaads overkomen,
en als ik mijne dochter mis, wie zal mij dan tot hulpe wezen? Ware
mijne vrouw, aan wie ik zooveel heb verloren, nog in leven, ik zou
gewillig zijn; maar nu--neen! ik beef reeds, wanneer ik er aan denk;
och, Anna! verlaat uw grijzen vader niet.«
--»Neen, lieve vader! wees gerust,« zeide Anna, »ik zal u niet alleen
laten: ik zal niet gaan van uwe zijde.« En terwijl zij op den geliefde
een blik wierp, waarin de bede lag opgesloten, om den ouden man over
dit punt geen verder verdriet te veroorzaken, sloeg zij hare armen om
haars vaders hals en drukte hem zulke vurige kussen van kinderliefde
op het voorhoofd, dat Boreel zich bewogen gevoelde, om aan beider
wenschen gehoor te verleenen.
Hij drong dan op dit punt voor het oogenblik althans niet verder
aan. Echter kostte het hem veel; want hoezeer hij ten volle van des
doctors innige goedheid van hart bewust was, vermoedde hij tevens, dat
het gewichtige punt van godsdienst de hoofdzakelijke reden was, waarom
hij niet wilde, dat zijne dochter zich onder de strijdbare vrouwen
voegde. Even zwak toch als de stroohalm, die door het geringste koeltje
bewogen wordt, was ook zijn verstand ten opzichte van het godsdienstig
geloof. Toch bleef hij voor zich zelven in de ijzervaste overtuiging,
dat de godsdienst zijner vaderen de eenige ware en Godebehagelijke
was; dat zij even oud als schoon, even zuiver als eerbiedwaardig was;
dat elke poging om haar te verzwakken of uit te roeien, met bespotting
en heiligschennis van het machtigst verhevenst Wezen gelijk stond. Dit
had Quirijn Dirks, wiens geneesheer hij was, als in zijne ziel gegrift,
zonder dat des doctors benevelde begrippen er eenigen grond voor konden
ontwikkelen. In zijn duisteren waan huiverde hij bij de bloedige
middelen, die Spanje bezigde ter eere van het roomsche geloof; toch
juichte hij het doel toe, op zich zelven als doel beschouwd. Uit dit
laatste vloeide dan ook zijn denkbeeld voort, dat men hoogst strafbaar
handelde, door zich gewapenderhand tegen den koning, als hersteller
van het alleen zaligmakend geloof en als regeerend vorst van Nederland,
te verzetten. Maar nog meer sidderde hij bij de gedachte aan de straf,
die later allen wachtte, welke het staal tot wederstand aangegrepen
hadden. De vrees echter--dat heerschend gebrek zijner ziel,--hield
hem terug, om dit rechtstreeks en bepaald te uiten, zoodat zelfs
Boreel het wel vermoedde, maar er de zekerheid niet van had. Deze
beschouwde dus in hem slechts den vader zijner beminde; hij duldde
zijne zwakheden ter liefde van haar en omdat des doctors hart goed
was; hij eerbiedigde haar, omdat Anna's gansche ziel met eerbied voor
haren vader vervuld was; in één woord, hij beschouwde hem als één,
als saamgesmolten met het voorwerp van zijn hartstocht; hij had hem
lief, omdat hij Anna liefhad.