In de Schachelstraat woonde sinds jaren doctor Elsen, tot eene der
deftigste familiën behoorende. In zijn vak had hij zich een tamelijk
vermogen verworven, en wel, zonder, even als zoovelen, van allerlei
toen in zwang zijnde kwakzalverijen gebruik te maken.
Maar die doctor was een opmerkelijk karakter. Hetzij men het aan zijne
opvoeding, hetzij men het aan zijne wankelbare gezondheid en zijn
zwak lichaam toeschreef, hij was vreesachtig in hoogen graad. Van
de meeste dingen had hij een onduidelijk begrip, terwijl hij zijn
roomsche godsdienst voor de eenige ware en onfeilbare hield, zonder
er zelfs schijnbaar goede gronden voor te kunnen ontwikkelen. Het
kleppen eener brandklok deed hem bezwijmen; voor het weerlicht
was hij zoo bevreesd, dat hij zijne ooren stopte en verscheidene
lichten in zijne kamer ontstak, om de donderslagen niet te hooren
of de vurige flikkering te zien. Uit een onbeduidend bezwaar vormde
hij zich dikwijls zulke schrikbeelden, dat men zich niet van lachen
kon onthouden, terwijl omstandigheden, die op velen invloed hadden,
geen indruk bij hem teweegbrachten. In zijn vak was hij zeer ervaren,
en het was een wezenlijk genoegen, hem daarover met juistheid, soms
met welsprekendheid te hooren; doch wanneer men hem een uur later over
dagelijksche onderwerpen sprak, werd zijn oordeel niet zelden door
een tienjarigen knaap overtroffen. Overigens bezat hij een zoo goed
hart, dat wie hem ten volle kende hem moest liefhebben, ja zelfs de
meeste zijner zwakheden niet in aanmerking nam. Tien jaren voor het
beleg had hij zijne vrouw verloren, aan wie zijne gansche ziel met
liefde hing. Die liefde was later, afgescheiden van de herdenking,
op zijn eenig kind, Anna, overgegaan. Het denkbeeld, haar te zullen
missen, kon het klamme zweet op zijn voorhoofd brengen en hem aan een
wezenlooze doen gelijk zijn. Nu had Anna haren vader dan ook innig
lief. Met een gezond verstand begaafd, bracht zij niet weinig toe,
om den vijf en vijftigjarigen man het leven te verzoeten en alles
van hem af te weren, wat op zijn vreesachtig gemoed nadeelig kon
werken. Geen sleep van bedienden had hem zooveel levensgemak kunnen
aanbrengen, als de zes en twintigjarige Anna. Men had moeten zien,
met hoeveel geduld zij hem iets, wat hij niet begreep, bevattelijk
zocht te maken; met hoeveel eerbied en fijn gevoel zij hem behandelde,
dan toch zou men over haar verstand zoowel als over hare lieftalligheid
en ouderliefde verrukt zijn geweest.
Ongeveer een halfjaar vóór het beleg had Anna kennis gemaakt met
Stompwijk, die evenals zij, de oude godsdienst beleed. Die kennis was
liefde geworden, zuivere, oprechte van de zijde van Anna, onreine,
geveinsde van de zijde van Stompwijk. Deze was tien jaren ouder
en van eene deftige familie; doch hij was even geveinsd van gemoed
als krachteloos van lichaam. Hij had gereisd, was ondermijnd en met
uitgeputte beurs teruggekeerd. Dewijl hij nog hartstocht genoeg had
behouden om voor de onschuld van Anna in drift te ontvlammen, loerde
hij veel meer op het vernieuwd bezit van een vermogen, waarvoor
hij zoo menigmaal de liefkozingen van uitheemsche schoonen gekocht
had. Wellicht ware zijn doel, onder eene goed aangelegde rol, gelukt,
wanneer Anna evenveel onnoozelheid als liefde had gehad; doch door
enkele ontsnapte woorden--die zoo vaak beleedigde vertrouwden zijn--was
een zweem van argwaan bij haar opgerezen: die had voedsel bekomen,
tot navorsching aangespoord, en--de uitslag daarvan was de ontdekking
zijner vroegere leefwijze, eene doorgronding van zijn plan en eene
ontmaskering. Maar nu werd ook de band tusschen hem en haar verbroken,
ofschoon zij edelmoedig genoeg was, om den sluier niet voor het oog
der wereld te ontblooten en hem daardoor aan minachting prijs te geven.
Nog woonde sinds meer dan eene eeuw een geslacht binnen Haarlem,
dat zich door stille burgerlijke deugden onderscheiden had. De naam
was Boreel. Sedert den aanvang van Filips' regeering waren eenige
der Boreel's uit het land geweken; sommige hadden zich in andere
plaatsen van Holland metterwoon nedergezet. Sijmon Boreel, een negen
en twintigjarig jonkman was, even schrander als kloek van gemoed,
met eene hartstochtelijke liefde aan zijne geboortestad gehecht.--Als
gebreken konden hem ijverzucht en onverzettelijkheid aangerekend
worden: doch om de helderheid der bron, waaruit ze opwelden,
moest men ze bijna verschoonen. Zijne ijverzucht was veeleer een
vèrgedreven wantrouwen ten opzichte van anderer plichtsvervulling:
zijne onverzettelijkheid sproot meer voort uit zijne onwrikbaarheid
van karakter. Nooit ontaardde de eerste in wangunst, noch de
laatste in blinde hardnekkigheid. Hij beleed den ouden godsdienst
en was door Bossu tot ontvanger in den Briel aangesteld geworden:
doch niet zoodra hadden de geuzen die stad ingenomen, of hij liet
zijne ambtsbetrekking varen, begaf zich naar zijne geboortestad en
besloot reeds van dat oogenblik de zaak van den prins te omhelzen,
hoewel hij zijnen godsdienst getrouw bleef.
Meer dan eens vormde hij het besluit om zich onder de geuzen te
scharen; doch veler woestheid stuitte hem tegen de borst; ook heerschte
bij hem het overwegend denkbeeld, wellicht spoedig in de gelegenheid
te komen, om zijne geboortestad van belangrijker dienst te zijn. Hij
bleef dus binnen Haarlem, waar doctor Elsen, die altijd de vriend
van zijn vader geweest was, hem gul en oprecht zijn huis aanboood;
hiervan maakte hij, hoezeer op bepaalde voorwaarden, gaarne gebruik,
en sloeg nu met zijn scherpzichtigen blik den loop der zaken gade.
Toen dit plaats greep waren er nog slechts eenige weken verloopen,
nadat Anna een band had verbroken, die haar eenmaal in leed zou
gebracht hebben. Hoe kon het anders, of Boreel werd èn door den
doctor èn door Anna met deze gebeurtenis bekend gemaakt, hoezeer tot
Anna's eer gezegd zij, dat zij hem nooit in den spiegel liet blikken,
waarin Stompwijk zich van de zwartste zijde vertoonde. Alleen liet
zij er hem datgene zien, wat haar, in zijne oogen, van den blaam van
geveinsde liefde of onrechtvaardigheid kon vrijwaren: en dat weinige
was voor Boreel genoeg, om hem niet te doen terugdeinzen voor een
gevoel, dat hij Anna reeds spoedig toegedragen had. Dat gevoel werd
integendeel meer en meer gekoesterd. Boreel, de jonkman met zooveel
goede hoedanigheden,--die ouders had verloren, zoo innig door hem
bemind en vereerd, kon niet dan met een welgevallig oog zien, hoe Anna
met haar gansche gemoed aan haren vader hing. Met verrukking zag hij,
hoe zij, als een jeugdig boompje, den zwakken, half verdorden tronk
met hare frissche blaadjes belommerde; hoe zij menigen dauwdrop van
hare kroon liet vallen om de ontbladerde takken te drenken. En dat
dagelijks ziende, sloop, met de hoogschatting tevens de liefde in
zijn anders niet licht ontvlambaar gemoed: en die liefde, uit achting
geboren, was meer waard dan de vlam, plotselijk door eene andere
ontstoken. Boreel's uiterlijk had niets schoons, niets bevalligs,
niets wat zoo vaak in den jonkvrouwelijken boezem het vuur eener
losse, glibberige liefde ontsteekt. Veeleer had men hem onbehagelijk
kunnen noemen met dien dikgelipten mond, met dien loenschen, bijna
schelen blik, met dat gelaat, waarop de kinderziekte haren stempel
had gedrukt: maar ongeschonden was zijn gemoed; maar die blik was
ernstig en minzaam, maar die mond sprak met rondheid. Het gelaat van
Stompwijk was een goudstuk, door satan gemunt, dat van Boreel een
koperstuk met het merk der deugd.
Anna had slechts weinig bekoorlijke indrukken eener eerste liefde
uit te wisschen, en de onaangename herinneringen verdwenen weldra
bij het ontstaan van liefelijke, evenals de vochtige dampkring bij
het opgaan der zon.
Maar Stompwijk mocht de liefde voor Anna van zich hebben kunnen
afwerpen, evenals men een ongewaardeerd kleedingstuk aflegt. Hij mocht
met de gedachte aan enkele uren van geluk in haar bijzijn spelen,
doch hij verloor niet even licht den indruk van het ontwijfelbaar
gemis van Anna's geldelijk vermogen. Naar dat vermogen had hij het
aas uitgeworpen; doch de prooi, die hij er eenmaal aan hoopte te
zien spartelen, zag door het aas den hoek heenblinken, en vermeed
dien.... neen, rukte den angel van de lijn en deed den visscher van
wrevel gloeien,--van wrevel in den aanvang, en dat die niet zoo ras
tot woede oversloeg, kwam daar vandaan, dat hij zich met iederen, in
zijne hoop verijdelden hengelaar gelijk stelde. Doch ziende, dat door
een ander de prooi werd bemachtigd, waarnaar hij zoozeer gehunkerd had,
zwol hij op van wangunst, van verbittering. Zoowel het voorwerp van den
buit, als zijn verkrijger, zwoer hij van toen af haat en wraak. Hij
waande, dat Anna reeds vroeger met Boreel in eenige betrekking had
gestaan,--dat Boreel gepoogd had, haar aan hem te ontrooven, en dat
Boreel misschien, met eenige zijner handelingen bekend, die aan Anna
nog donkerder had afgeschetst. Zich voor het ontgane bezit schadeloos
te stellen, was zijn eenig plan, en de wijze hoe, onverschillig voor
zijn slecht gemoed, hetwelk nog daarenboven met wrevel vervuld was,
omdat men hem tot nog toe bij de benoemingen van den Magistraat met
schijnbare miskenning voorbij was gegaan. De rol van verrader beloofde
hem het meeste voordeel in zijn geldeloozen toestand en de beste kans
tevens, om zich op Anna en Boreel en zelfs op den doctor te wreken,
terwijl er tegelijk de lang gekoesterde spijt over zijne zoogenaamde
miskenning door gekoeld zou worden. In elk geval zou bij het behendig
spelen zijner rol het laatste een uitvloeisel van het eerste zijn.
Evenals Boreel den rang bekleedde van kapitein bij het niet
bevoorrechte lichaam der schutterij, dat men als noodhulpen moet
aanmerken, zoo had men Stompwijk den rang van rotmeester gegeven,
die als het ware met dien van luitenant gelijk stond; doch het
voornaamste onderscheid tusschen beiden lag daarin, dat de eerste
zijn rang volkomen, de laatste dien geenszins waard was, iets, dat
uit den verderen loop van ons verhaal duidelijker blijken zal.