ZEVENDE HOOFDSTUK.

In de Schachelstraat woonde sinds jaren doctor Elsen, tot eene der

deftigste familiën behoorende. In zijn vak had hij zich een tamelijk

vermogen verworven, en wel, zonder, even als zoovelen, van allerlei

toen in zwang zijnde kwakzalverijen gebruik te maken.

Maar die doctor was een opmerkelijk karakter. Hetzij men het aan zijne

opvoeding, hetzij men het aan zijne wankelbare gezondheid en zijn

zwak lichaam toeschreef, hij was vreesachtig in hoogen graad. Van

de meeste dingen had hij een onduidelijk begrip, terwijl hij zijn

roomsche godsdienst voor de eenige ware en onfeilbare hield, zonder

er zelfs schijnbaar goede gronden voor te kunnen ontwikkelen. Het

kleppen eener brandklok deed hem bezwijmen; voor het weerlicht

was hij zoo bevreesd, dat hij zijne ooren stopte en verscheidene

lichten in zijne kamer ontstak, om de donderslagen niet te hooren

of de vurige flikkering te zien. Uit een onbeduidend bezwaar vormde

hij zich dikwijls zulke schrikbeelden, dat men zich niet van lachen

kon onthouden, terwijl omstandigheden, die op velen invloed hadden,

geen indruk bij hem teweegbrachten. In zijn vak was hij zeer ervaren,

en het was een wezenlijk genoegen, hem daarover met juistheid, soms

met welsprekendheid te hooren; doch wanneer men hem een uur later over

dagelijksche onderwerpen sprak, werd zijn oordeel niet zelden door

een tienjarigen knaap overtroffen. Overigens bezat hij een zoo goed

hart, dat wie hem ten volle kende hem moest liefhebben, ja zelfs de

meeste zijner zwakheden niet in aanmerking nam. Tien jaren voor het

beleg had hij zijne vrouw verloren, aan wie zijne gansche ziel met

liefde hing. Die liefde was later, afgescheiden van de herdenking,

op zijn eenig kind, Anna, overgegaan. Het denkbeeld, haar te zullen

missen, kon het klamme zweet op zijn voorhoofd brengen en hem aan een

wezenlooze doen gelijk zijn. Nu had Anna haren vader dan ook innig

lief. Met een gezond verstand begaafd, bracht zij niet weinig toe,

om den vijf en vijftigjarigen man het leven te verzoeten en alles

van hem af te weren, wat op zijn vreesachtig gemoed nadeelig kon

werken. Geen sleep van bedienden had hem zooveel levensgemak kunnen

aanbrengen, als de zes en twintigjarige Anna. Men had moeten zien,

met hoeveel geduld zij hem iets, wat hij niet begreep, bevattelijk

zocht te maken; met hoeveel eerbied en fijn gevoel zij hem behandelde,

dan toch zou men over haar verstand zoowel als over hare lieftalligheid

en ouderliefde verrukt zijn geweest.

Ongeveer een halfjaar vóór het beleg had Anna kennis gemaakt met

Stompwijk, die evenals zij, de oude godsdienst beleed. Die kennis was

liefde geworden, zuivere, oprechte van de zijde van Anna, onreine,

geveinsde van de zijde van Stompwijk. Deze was tien jaren ouder

en van eene deftige familie; doch hij was even geveinsd van gemoed

als krachteloos van lichaam. Hij had gereisd, was ondermijnd en met

uitgeputte beurs teruggekeerd. Dewijl hij nog hartstocht genoeg had

behouden om voor de onschuld van Anna in drift te ontvlammen, loerde

hij veel meer op het vernieuwd bezit van een vermogen, waarvoor

hij zoo menigmaal de liefkozingen van uitheemsche schoonen gekocht

had. Wellicht ware zijn doel, onder eene goed aangelegde rol, gelukt,

wanneer Anna evenveel onnoozelheid als liefde had gehad; doch door

enkele ontsnapte woorden--die zoo vaak beleedigde vertrouwden zijn--was

een zweem van argwaan bij haar opgerezen: die had voedsel bekomen,

tot navorsching aangespoord, en--de uitslag daarvan was de ontdekking

zijner vroegere leefwijze, eene doorgronding van zijn plan en eene

ontmaskering. Maar nu werd ook de band tusschen hem en haar verbroken,

ofschoon zij edelmoedig genoeg was, om den sluier niet voor het oog

der wereld te ontblooten en hem daardoor aan minachting prijs te geven.

Nog woonde sinds meer dan eene eeuw een geslacht binnen Haarlem,

dat zich door stille burgerlijke deugden onderscheiden had. De naam

was Boreel. Sedert den aanvang van Filips' regeering waren eenige

der Boreel's uit het land geweken; sommige hadden zich in andere

plaatsen van Holland metterwoon nedergezet. Sijmon Boreel, een negen

en twintigjarig jonkman was, even schrander als kloek van gemoed,

met eene hartstochtelijke liefde aan zijne geboortestad gehecht.--Als

gebreken konden hem ijverzucht en onverzettelijkheid aangerekend

worden: doch om de helderheid der bron, waaruit ze opwelden,

moest men ze bijna verschoonen. Zijne ijverzucht was veeleer een

vèrgedreven wantrouwen ten opzichte van anderer plichtsvervulling:

zijne onverzettelijkheid sproot meer voort uit zijne onwrikbaarheid

van karakter. Nooit ontaardde de eerste in wangunst, noch de

laatste in blinde hardnekkigheid. Hij beleed den ouden godsdienst

en was door Bossu tot ontvanger in den Briel aangesteld geworden:

doch niet zoodra hadden de geuzen die stad ingenomen, of hij liet

zijne ambtsbetrekking varen, begaf zich naar zijne geboortestad en

besloot reeds van dat oogenblik de zaak van den prins te omhelzen,

hoewel hij zijnen godsdienst getrouw bleef.

Meer dan eens vormde hij het besluit om zich onder de geuzen te

scharen; doch veler woestheid stuitte hem tegen de borst; ook heerschte

bij hem het overwegend denkbeeld, wellicht spoedig in de gelegenheid

te komen, om zijne geboortestad van belangrijker dienst te zijn. Hij

bleef dus binnen Haarlem, waar doctor Elsen, die altijd de vriend

van zijn vader geweest was, hem gul en oprecht zijn huis aanboood;

hiervan maakte hij, hoezeer op bepaalde voorwaarden, gaarne gebruik,

en sloeg nu met zijn scherpzichtigen blik den loop der zaken gade.

Toen dit plaats greep waren er nog slechts eenige weken verloopen,

nadat Anna een band had verbroken, die haar eenmaal in leed zou

gebracht hebben. Hoe kon het anders, of Boreel werd èn door den

doctor èn door Anna met deze gebeurtenis bekend gemaakt, hoezeer tot

Anna's eer gezegd zij, dat zij hem nooit in den spiegel liet blikken,

waarin Stompwijk zich van de zwartste zijde vertoonde. Alleen liet

zij er hem datgene zien, wat haar, in zijne oogen, van den blaam van

geveinsde liefde of onrechtvaardigheid kon vrijwaren: en dat weinige

was voor Boreel genoeg, om hem niet te doen terugdeinzen voor een

gevoel, dat hij Anna reeds spoedig toegedragen had. Dat gevoel werd

integendeel meer en meer gekoesterd. Boreel, de jonkman met zooveel

goede hoedanigheden,--die ouders had verloren, zoo innig door hem

bemind en vereerd, kon niet dan met een welgevallig oog zien, hoe Anna

met haar gansche gemoed aan haren vader hing. Met verrukking zag hij,

hoe zij, als een jeugdig boompje, den zwakken, half verdorden tronk

met hare frissche blaadjes belommerde; hoe zij menigen dauwdrop van

hare kroon liet vallen om de ontbladerde takken te drenken. En dat

dagelijks ziende, sloop, met de hoogschatting tevens de liefde in

zijn anders niet licht ontvlambaar gemoed: en die liefde, uit achting

geboren, was meer waard dan de vlam, plotselijk door eene andere

ontstoken. Boreel's uiterlijk had niets schoons, niets bevalligs,

niets wat zoo vaak in den jonkvrouwelijken boezem het vuur eener

losse, glibberige liefde ontsteekt. Veeleer had men hem onbehagelijk

kunnen noemen met dien dikgelipten mond, met dien loenschen, bijna

schelen blik, met dat gelaat, waarop de kinderziekte haren stempel

had gedrukt: maar ongeschonden was zijn gemoed; maar die blik was

ernstig en minzaam, maar die mond sprak met rondheid. Het gelaat van

Stompwijk was een goudstuk, door satan gemunt, dat van Boreel een

koperstuk met het merk der deugd.

Anna had slechts weinig bekoorlijke indrukken eener eerste liefde

uit te wisschen, en de onaangename herinneringen verdwenen weldra

bij het ontstaan van liefelijke, evenals de vochtige dampkring bij

het opgaan der zon.

Maar Stompwijk mocht de liefde voor Anna van zich hebben kunnen

afwerpen, evenals men een ongewaardeerd kleedingstuk aflegt. Hij mocht

met de gedachte aan enkele uren van geluk in haar bijzijn spelen,

doch hij verloor niet even licht den indruk van het ontwijfelbaar

gemis van Anna's geldelijk vermogen. Naar dat vermogen had hij het

aas uitgeworpen; doch de prooi, die hij er eenmaal aan hoopte te

zien spartelen, zag door het aas den hoek heenblinken, en vermeed

dien.... neen, rukte den angel van de lijn en deed den visscher van

wrevel gloeien,--van wrevel in den aanvang, en dat die niet zoo ras

tot woede oversloeg, kwam daar vandaan, dat hij zich met iederen, in

zijne hoop verijdelden hengelaar gelijk stelde. Doch ziende, dat door

een ander de prooi werd bemachtigd, waarnaar hij zoozeer gehunkerd had,

zwol hij op van wangunst, van verbittering. Zoowel het voorwerp van den

buit, als zijn verkrijger, zwoer hij van toen af haat en wraak. Hij

waande, dat Anna reeds vroeger met Boreel in eenige betrekking had

gestaan,--dat Boreel gepoogd had, haar aan hem te ontrooven, en dat

Boreel misschien, met eenige zijner handelingen bekend, die aan Anna

nog donkerder had afgeschetst. Zich voor het ontgane bezit schadeloos

te stellen, was zijn eenig plan, en de wijze hoe, onverschillig voor

zijn slecht gemoed, hetwelk nog daarenboven met wrevel vervuld was,

omdat men hem tot nog toe bij de benoemingen van den Magistraat met

schijnbare miskenning voorbij was gegaan. De rol van verrader beloofde

hem het meeste voordeel in zijn geldeloozen toestand en de beste kans

tevens, om zich op Anna en Boreel en zelfs op den doctor te wreken,

terwijl er tegelijk de lang gekoesterde spijt over zijne zoogenaamde

miskenning door gekoeld zou worden. In elk geval zou bij het behendig

spelen zijner rol het laatste een uitvloeisel van het eerste zijn.

Evenals Boreel den rang bekleedde van kapitein bij het niet

bevoorrechte lichaam der schutterij, dat men als noodhulpen moet

aanmerken, zoo had men Stompwijk den rang van rotmeester gegeven,

die als het ware met dien van luitenant gelijk stond; doch het

voornaamste onderscheid tusschen beiden lag daarin, dat de eerste

zijn rang volkomen, de laatste dien geenszins waard was, iets, dat

uit den verderen loop van ons verhaal duidelijker blijken zal.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 8 / 21 题