De Zondag, waarop binnen Haarlem vele vrouwen de handen ineen hadden
geslagen tot verdediging der stad, was nog te merkwaardiger wegens
een moedigen aanval op den Spanjaard. De naar den prins teruggezondene
sleden, om nieuwen voorraad van levensmiddelen, waren door ettelijke
soldaten en burgers begeleid; doch te Schalkwijk, waar de Spanjaard
zich begon te nestelen, aangevallen, had er een gevecht plaats, waar
èn de vijand geslagen èn op de vlucht werd gedreven met zulk een
overijlden spoed, dat velen zich over het Spaarne willende redden,
en niet kunnende zwemmen, er den dood in vonden.
Dit den Haarlemmer te stouter makende, had de koene schepen Van
Berkenrode zich aangeboden om met nog meer sleden naar het leger van
den prins te vertrekken. Schoon geen krijgsman zijnde, was hem dit
volgaarne vergund geworden, en onder het geleide van eenige ruiters,
met een vijfhonderd Engelsche, Schotsche, Waalsche en Duitsche
haakschutters, den volgenden morgen uitgetrokken, werd hij op de
hoogte van Haarlemmerliede, Schalkwijk en Vijfhuizen door den vijand
aangevallen. Deze had aldaar zijne wachten en was veel sterker in
getal. Doch hoe moeilijk en gevaarlijk de doortocht ook zijn mocht,
geen gevaar kon hen terughouden. Moedig en vastbesloten vielen zij
wederkeerig op hem aan, en wel met zulk een uitslag, dat de Spanjaard
op de vlucht werd gedreven en tweehonderd dooden achterliet. De
stedelingen, dit vernemende, aarzelden geen oogenblik om met andere
gewapenden insgelijks uit te trekken, en terwijl Van Berkenrode zijn
tocht vervolgde, staken zijne volgelingen Vijfhuizen, het huis Ter
Weeuwen, benevens een molen in brand, waarna zij met twee gevangenen,
twee trommels, eene menigte harnassen, musketten en spietsen insgelijks
zegevierend terugkeerden, en met vreugd verkondigden, hoe den Spanjaard
de lust wel vergaan zou, om voortaan de wacht te houden op de plaats
zijner nederlaag.
De dag van St.-Thomas was voor de belegerden op eene andere wijze
belangrijk. In eene schermutseling was het een vrijbuiter-hopman,
Klaas Jorisz van Dijcke gelukt, eenigen van den vijand gevangen te
nemen. Deze hadden eene slede bij zich, waarop twee groote vaten
stonden, een met Rijnwijn en een met wittebrood gevuld; doch toen men
de ruimte tusschen deze twee vaten, die met zeildoek was overdekt,
onderzocht, liet zich op eens het geroep hooren: »ha ha, voor den
duivel! Haarlemsche glippers--slaat dood!«
Bij deze woorden springen van onder het zeildoek twee mannen te
voorschijn. De een is niemand anders dan Adriaan van Groeneven en de
andere zijn neef Adriaan Joosten, geestelijke te Alkmaar.
--»Pardon, laat ons leven!« roepen beiden tegelijk; doch reeds
heeft een der vrijbuiters de spies aangelegd, en op Adriaan Joosten
aanvallende, is deze in een oogenblik doorstoken. Van Groeneven
heeft het aan den hopman te danken, dat hem geen gelijk lot treft;
want deze zich voor hem stellende, roept ruw en spottend: »Laat den
schelm leven! de strop zal beter voor hem zijn!«
--»Genade, genade!« laat Van Groeneven hooren, op de knieën vallende,
»ik zal u een geldschat aanwijzen, tot uw profijt.«
--»Goed!« zeide de hopman, »als gij in Haarlem onder de galg staat,
zeg dan den beul, waar hij te vinden is, en tot loon smijt hij u den
strik om den nek.«
--»Niet naar Haarlem!« kermt Van Groeneven, »vermoord mij liever hier
op de plek,« en de lafhartige verrader siddert van angst.
Maar vergeefs is zijn kermen en bidden, om niet naar Haarlem te worden
gevoerd: vergeefs zijn smeeken om liever den dood te ondergaan. Onder
ruwe en schimpende woorden slepen de vrijbuiters hem met zich voort,
nadat zij hem de handen op den rug hebben gebonden, en weldra
geleidt men hem de Schalkwijkerpoort binnen. Hevig ontvlamde 's
volks verbittering, toen men den verrader in de stad brengen zag;
en wanneer hij niet door soldaten omringd ware geweest, zoude hij
niet levend binnen de gevangenis zijn gekomen. Voor rechtstreeksche
mishandeling werd hij echter beveiligd; doch weldra onder verhoor
gebracht zijnde en niet bekennende, wat men van hem wilde weten,
werd hij gepijnigd en vervolgens zóó in bewaring gesteld, dat elk
middel tot ontvluchting hem benomen was. Later zullen wij zien,
wat straf hem ten deel viel. Het lot van Adriaan Joosten, kon, in
vergelijking van het zijne, gelukkig genoemd worden.
Intusschen kwamen den volgenden dag weder drie met buskruit,
visch en koorn bevrachte sleden binnen de stad en het geleide
verhaalde, hoe Lumey, uit wraak over Van Trier, de negentien door hem
krijgsgevangen gemaakte Spanjaarden had laten ophangen. Ook waagden
het Asinga, Steenbach en Vader, om met zeshonderd Duitschers buiten
de Zijlpoort te vallen, terwijl Couzin met een vendel Walen aan de
St.-Catharinabrug in schuiten over het water voer, om den Spanjaard
van achteren te bespringen en zijn geschut te vernagelen. Door het
niet eenparig aanvallen der Duitschers evenwel, maar meer nog door
den zwaren mist, konden de uitvallers aan deze zijde niet ontdekken,
wat door de uitvallers aan gene zijde verricht werd, zoodat zij met
een verlies van beide kanten, weder binnen de stad keerden, zonder
iets merkwaardigs te hebben uitgevoerd. Daarentegen gelukte het Van
Berkenrode drie dagen na zijn vertrek, en in weerwil van denzelfden
mist, die als eene onafzienbare vacht over den omtrek uitgespreid lag,
met dertig sleden levensmiddelen binnen de stad te komen. Ook bracht
hij het edel aanbod der steden Leiden, Delft, Gouda en andere met
zich, om een gedeelte der gekwetsten, benevens grijsaards en kinderen
ter verzorging binnen hunne muren te nemen. Doch dit innig blijk
van broederlijke liefde voor de belegerde zusterstad werd dankbaar
van de hand gewezen, aangezien de wakkere burgerij iedere vreemde
hulp zoo lang wenschte te ontberen, als haar slechts mogelijk was,
alsmede dat het haar te hartgrievend zou vallen, zich van geliefde
kinderen of zwakke ouderen te scheiden, in wier bijzijn zij na ieder
doorgestaan gevaar zooveel vergoeding en versterking ondervonden.
En bij Gods zichtbare hulp scheen de moed der belegerden iederen dag te
groeien. Stout was weder de aanval van den drie en twintigsten Januari;
want Matthijszen, Michiel en Couzin dreven dien dag den vijand buiten
de Schalkwijkerpoort over het Spaarne weder naar de legerafdeeling
in den Hout;--zij brandden gansch Rustenburg af, overmeesterden
zes vijandelijke schuiten, waarmede zij eene Spaansche kog tegemoet
voeren, verscheidene Spanjaarden die er op waren, versloegen en na ze
in brand te hebben gestoken, met twee gevangenen zegevierend binnen
Haarlem terugtrokken.
Twee dagen later vernam men, dat daags te voren don Frederik's leger
door de steden Nijmegen, Utrecht en Amsterdam geproviandeerd was
geworden, ofschoon dit met geene geringe moeite gepaard was geweest,
wijl het met twee roeibooten en een damlooper had plaats gehad,
en men daartoe het ijs aan het Y tot Spaarndam en het Spaarne tot
aan het leger had moeten opbreken. Doch mocht de vijand al toevoer
ontvangen, ook voor de belegerden bleef die niet achter; want behalve
eene gewillige toezending van vier en dertig sleden uit Leiden, had
men, na den aanvoer van Van Berkenrode nog zeven en vijftig zware
sleden van den prins ontvangen; en onder deze hulp wederstonden de
verdedigers 's vijands losbarstingen, welke dien dag het getal van
driehonderd en tien bedroegen.
En nu brak de ochtend aan van Donderdag den zeven en twintigsten
Januari. Die dag was verrukkelijk schoon, doch voorspelde den
belegerden, dat hun moed weldra hard op de proef zou worden
gesteld. Met een fijnen noordoosten-wind had het dien dag nijpend
streng gevroren. Met statigen glans verrees de zon: maar hare
schuinsche stralen beschenen een ijsvloer rondom de veste, en werden
van dien doorschijnenden bodem teruggekaatst. De krijgslieden op de
wallen hadden, niet minder dan die er rondom gelegerd waren, gedurende
dien nacht, eene vinnige koude doorstaan, en toen de dag aangebroken
was, zag men burger en soldaat krachtig de handen slaan, om in de half
verstijfde leden den bloedsomloop te bevorderen, terwijl menige met
bont gevoerde en dicht over de ooren geschoven muts genoeg verried,
hoe de gure wind op die deelen zijn invloed had doen gevoelen.
--»'t Zal mij benieuwen, kompaan! of de Spanjaard er vandaag weer
zoo fiksch op losblazen zal als gisteren,« zeide Vlasman, die met
zijn vriend Pellekaen heen en weder liep, om de koude een weinig
te bevechten, »'t volk van Capris en Liques zal 't van nacht in de
duinen ook niet te warm hebben gehad, en 't is zoo dom niet van den
Spaanschen don, dat hij dáár de Spanjaarden niet heeft gelegd; want
ze zouden veel kans hebben, om er dood op post te blijven.«
--»'t Is vinnig koud,« antwoordde Pellekaen, »en 't is een donker
aanzien voor de stad: als het nog een nacht zóó vriest, dan kunnen
zij op Haarlem aanrennen van alle kanten, en hoe zullen wij hun geweld
dan tegengaan?«
--»Alweer zwaarhoofd en benauwdhart zooals altijd,« hernam Vlasman,
»foei! als iemand, u niet kennende, u hoorde spreken, hij zou zeggen,
dat ge zonder courage waart. Denk toch, als zij van alle kanten op ons
aankomen, dat ze dan ook van alle kanten de neerlaag kunnen krijgen.«
--»Of wij,« hervatte Pellekaen, »als het ijs sterk genoeg is, om hen
te houden, dan hebben zij geen tonnevlot van doen; dan is heel de
gracht hun eene brug.«
--»Wel gezegd, kompaan! maar over de brug is nog niet in de stad; of
zouden Pellekaen en zoo veel andere brave makkers hen maar ongedeerd
naar den wal laten komen?«
--»Dat gewis niet,« was het antwoord, »maar bedenk, hoe veel meer
koppen de Spanjaard heeft dan wij.«
--»Dat is zoo, en toch hebben wij volk genoeg; want God is ons
zichtbaar tot hulpe geweest, van den aanvang tot nu toe. Maar hoe
moet het met de Janspoort? die is gisteren hard gekneusd.«
--»Geweldig, en er moet zonder verzuim in voorzien worden; de trap
dient afgebroken, of ik ducht, dat hij vallen zal en de gracht vullen
tot groote winst voor den vijand.«
--»Dan zal mijnheer Ripperda wel last geven,« zeide Vlasman, »zijn
oog overziet alles. Maar zeg mij, hoe is Duivenvoorde te moede? Hij
heeft de wacht met u gehad.«
--»'k Heb niets ongewoons aan hem bespeurd, en toch moet hij in bitter
leed zijn; want ik twijfel zeer, of hij zijne vrouw wel ooit zal
wederzien: haar lot is donker; mij dunkt, zoo dit ongeval mij trof,
dat het gedurig schemerig voor mij wezen zou.«
--»Zag ik toch ooit iemand, die alles zoo zwaar tilt als gij. Ik
geloof, dat nog op den duur het luiden van de doodklok in uwe ooren
klinkt.«
--»'t Is zoo, en wat kracht ik te werk stel, ik kan 't niet van mij
afwerpen. Geen morgen, of ik beef van eenigen angst, en denk elken dag,
dat die mijn laatste zijn zal.«
--»Zonderbaar! want er is niets, dat u deert: het is zelfs alsof
iedere kogel u voorbijgaat, uit vrees van met u in aanraking te komen.«
--»Ik beken zelf, dat het dien schijn heeft, en--toch is het zóó.«
Terwijl zij daar zoo spraken, begon het al lichter en lichter te
worden, en aan het noordoosten zag men eenige tinten en strepen, hier
aan de kleur van den appelbloesem, daar aan rozenrood gelijk, dat een
vlammend inkarnaat voorspelde, eer eenige minuten achter den rug zouden
zijn. Op de wallen begon het al woeliger en bedrijviger te worden,
en uit menigen mond hoorde men de woorden: »dat zal snerpen vandaag!«
terwijl zij, die het niet zeiden, het toch door eene snellere beweging
van armen en beenen te kennen gaven; want het was inderdaad, alsof
de koude, naarmate de dag doorbrak, nog steeds toenam, en op ieder
gedeelte van den wal gaf de een den anderen zijn gevoelen te kennen,
dat het doorgaan van de nijpende koude het dienstwerk der soldaten,
zoo wel als het gevaar, niet weinig vermeerderen zou.
Maar het duurde niet lang, dat men zich met gesprekken over
toekomstige gebeurtenissen kon bezig houden. De tegenwoordige
vorderden oogenblikkelijke handelingen; want weldra bleek het allen
aan de beweging in het vijandelijk leger, dat de dag niet nutteloos
of ledig zou worden doorgebracht.
--»Willem!« zeide Vlasman tot dezen bekenden busschieter, welke den
vijand reeds zoo menige afbreuk gedaan had, »de Spanjaard zal niet
afgeschrikt worden door de harde kou, om ons weer de volle laag
te geven.«
--»'t Kan wel wezen, hopman! dat meester Florisz vandaag weer kwetsuren
genoeg te verbinden zal hebben; maar als onze lieve Heer het wil,
hopen wij hen ook op het jak te zitten. Intusschen, de Spanjaard
heeft gelijk.«
--»Hoe dat?«
--»Wel! dat hij profijt zoekt te trekken van de gelegenheid. Als ik
in zijne plaats was, zou ik ook kneuzen dat er de lappen afvlogen;
als het zoo sterk blijft vriezen, dan zal hij over 't ijs aldra een
fiksch bod naar de stad doen.«
--»Ja,« zeide Vlasman, »dat betwijfel ik ook niet; maar mij dunkt,
dat de galerijen meer zijn te vreezen.«
Deze vrees was niet ongegrond. Men overzie nu van den wal de werken
van den Spanjaard; want sinds eenige dagen hebben daarin veranderingen
plaats gegrepen. Aan de buitenzijde van het nu in zijne macht zijnde
blokhuis, zijn trappen van wilgenrijs aangebracht, dewijl het,
in hoogte, met de vest gelijk is. Aan de linker- en rechterzijde
is het vestwater gedempt, ook was aan den muur, die vroeger om het
blokhuis langs het water liep, de aarde ontschoten, en van voren zijn
op verschillende plaatsen mijngaten gemaakt, om tot onder de wallen
te graven, hetgeen men reeds sinds eenige dagen onvermoeid heeft
gedaan. Tusschen eene menigte wolzakken heeft men op het blokhuis
geschut geplant. Op vijftig schreden aan de buitenzijde van het
blokhuis, bij de eerste schietplaats, zijn houten poorten opgericht,
in de gedaante van galgen, waarop aardzakken liggen, voornamelijk
dienende om aan de belegerden het gezicht te benemen, wanneer de
wacht optrok. Aan de rechter- en linkerzijde daarvan zijn eenige
wachtplaatsen bijgekomen, en aan de linker ziet men eene groote
menigte aardzakken, waarachter zich de Spanjaarden verschuilen,
om vrij op de belegerden te kunnen mikken. Nog heeft men eenige
batterijen opgericht, waarvan men de binnen- en buitenglooiingen
met rijs- en vlechtwerk heeft opgetrokken, en die door tien voet
lange palen zijn vastgeslagen. Nog is er eene platte kat of verhoogde
batterij van aardzakken opgericht, en daarop eene serpentijn geplant,
met het doel om niet slechts den walgang onveiliger te maken, maar
ook om de huizen in de stad te beter te kunnen vernielen.
Op aanraden van den ervaren Bartholomeo Campocassio had don Frederik
bevolen, de hoornschuine of zigzagvormende loopgraven te staken. Om
tijd en arbeid te sparen, begonnen de delvers nu in eene rechte
strekking, welke het eerste voorbeeld gaf van 't geen men later
de bedekte sappe noemde, het werk te achtervolgen. Hun vernuft
en de reeds gemaakte vorderingen in de krijgstaktiek bleek hierin
ten duidelijkste. Die loopgraaf werd ondersteund door zware houten
balken of standers; van boven werd ze met sterke deelen of planken met
zware aardzakken belegd en wel tot zulk eene hoogte, dat men er even
veilig onder door ging, als ware men door een stevigen zolder gedekt
en beschermd geweest. Het ravelijn naderende, splitste zij zich in
twee takken, aan welker spitsen batterijen werden opgeworpen, die
aanhoudend op de vesten speelden. Na het verlaten van het blokhuis,
gold het nu de Kruispoort, benevens hare naaste gordijnen; al dieper
gravende en met behulp van winkelhaak en waterpas, hoopten zij weldra,
zonder afwijking, aldaar te komen, te meer daar de Haarlemmers geen
middel hadden om hen in den rug of in de flanken hindernis toe te
brengen, en zij het onvoorzichtig rekenden, hen overal, met krenking
der oude vesten, te gemoet te graven. De belegerden ondermijnden
echter de Kruispoort, en verscheidene vaatjes buskruit, benevens
andere brandstoffen lagen daar gereed, om, bij krachtigen aanval,
den vijand de gevoeligste afbreuk toe te brengen.
Niet zoodra was de dag volkomen doorgebroken, en ieder op zijn post,
of het geroep van: »laadt! vuur!« liet zich weder hooren. Weinige
seconden waren verloopen, toen er bij de vijandelijke slang op de
kat beweging plaats greep en weldra weergalmde weer het eerste schot
langs het Spaarne en over de vlakte der duinen.
--»Antwoordt!« sprak Vlasman tot Willem Cornelisz, wiens slangstukje,
achter eene borstwering van steen en aarde geplant, op de vijandelijke
kat was gericht.
--»Laadt!« beval Cornelisz tot zijne handlangers, en spoedig daarop
klonk het »vuur!«
--»Voor Ripperda!« riepen de kanonniers, »daar gaat het eerste
schot van vandaag!«--Een der soldaten op de kat, hetzij uit
onvoorzichtigheid, hetzij uit nieuwsgierigheid stak het hoofd boven
de katborstwering, en--te gelijker tijd was het met hem gedaan.
--»Als er daar niet een om koud is, dan weet ik het niet,« zeide
Cornelisz: »maar zoo fluks krijgen wij de vracht.«
De vijandelijke losbarsting bleef zich echter niet lang tot die van de
kat bepalen: maar weldra werd er weder gevuurd uit Vliegen van Namen,
die reeds zooveel duizenden ponden kruit op de vesten hadden verspild.
--»Bravo, kompaan!« sprak Hasselaar tot Ruijkhaver. »Goed, dat ge
voor mijn raad ooren hadt en u een roer verschaft hebt: 't is vinnig
koud vandaag en wat meer beweging dan anders zal niet kwaad wezen.«
--»Maar ik geloof, er niet veel mee te zullen uitrichten,« was het
antwoord, »als ik uwe hand had en uw oog, dan zou het wat anders zijn.«
--»Loop met die vleierij; waarom zoudt ge niet zoo goed kunnen
raken als ik? Alles is maar een slag; maar wees achtzaam; want bij
Ripperda!.... als de Spanjaard de loopgraaf niet vol haakschutters
heeft gelegd, dan weet ik het niet.«
--»Denkt ge dat?« vroeg Michiel.
--»Op mijn woord! geef maar acht.«
--»Hebt gij 't gedroomd of gezien?«
--»Geef maar acht,« herhaalde Hasselaar, »en kijk niet te hoog over
de borstweer, of het kon wel eens nacht voor u worden. Wij hebben
den vijand voor, dichtbij en onder ons.«
--»Onder ons, dat is wel zeker,« zeide Michiel, »maar dat zal hun
vergaan. De slepers zijn al weer kloek aan den gang; dat is een
heerlijk werk tegen de kou.«
Wat de hopman bedoelde, was het aanvoeren van reusachtige klompen
ter bezwaring van den walgang; want Ripperda, het krenken van de oude
vesten en graven op te veel plaatsen onvoorzichtig achtende, wilde de
belegeraars liever op eene gevoeliger wijze wederstreven. Met behulp
van moedige paarden en gespierde manschappen, zag men dan ook van den
eenen kant groote klompen lood aanbrengen, terwijl van den anderen kant
vier der sterkste paarden bijna niet toereikend waren, om de gevaarten
van logge, onhandelbare keisteenen op den walgang te slepen. Zerken,
verscheidene centenaars wegende, werden uit de kerken gehaald, en op
gelijke wijze naar de vesten gesleurd, terwijl vervolgens ettelijke
handen met vereenigde krachten die rotsblokken en gevaarten op dat
punt vereenigden, waar de zoldering eener vijandelijke mijn aanwezig
was en waar de spade den grond aanmerkelijk in dikte had doen afnemen.
Nagenoeg een paar uren waren verloopen. Zooals Hasselaar gezegd
had, was werkelijk het geval geweest; want verscheidene Spaansche
musketiers, die in de loopgraaf lagen, hadden een viertal soldaten
van Schram van Brunswijk gekwetst en gedood; en intusschen
hadden de Vliegen aan verscheidene huizen naar den westkant in de
Margarethastraat aanmerkelijke schade toegebracht. Opeens laat zich in
de nabijheid van de Janspoort een alarm hooren. Juist veertien dagen
geleden waren twee mannen, terwijl zij aan tafel zaten, door een kogel
gedood geworden, en aan een jong meisje was door een musketschot de
huik benevens eene haarvlecht doorschoten geworden, zonder dat de
kogel haar verder gedeerd had. Doch thans had er een ander ongeval
plaats. In een toen zoogenaamd Jakettenhuis--een wijnhuis op het
Zand, het Hartshoofd geheeten--was eene jonge dienstmaagd bezig met
een paar hoenders van het spit te nemen, toen plotselijk een acht
en veertig-ponds ijzeren kogel zich den weg door het huis baant, het
houtwerk en de glazen verbrijzelt en aan de jonge dochter letterlijk
het hoofd van den romp scheidt. Weldra had het ongeval zich verspreid
en de moeder der ongelukkige gaf nu door droevige en wanhopige kreten
hare bittere smart lucht. Inderdaad! zulke gebeurtenissen waren altijd
veel treuriger, dan wanneer de eene of andere verdediger op de wallen
den dood vond. Het laatste werd wel betreurd, maar het eerste niet
vergeten.
Vernielender dan op de vesten, beukten de slangstukken dezen dag
op de huizen. Achter het blokhuis tusschen de Kraaienhorstergracht
en den Pijntoren, stond het klooster Maria Magdalena--thans het
Diaconiehuis--en opeens liet zich het geroep hooren, dat de reeds
beschadigde voormuur geheel was ingestort. Ook aan het huis van
Lancelot van Brederode, in de Jansstraat, over de Lombardsteeg, werd
aanmerkelijke schade toegebracht. Deze woonde naast den rector Duijk;
en de muur, die hun erf scheidde, was reeds omgevallen, terwijl ook
het daaraan grenzende Barbara-gasthuis voor de helft reeds onder den
voet lag.
--»De steenen van 't Maria-convent vliegen links en rechts,« klonk
het. »Het puin komt voor de bressen te pas.«
--»'t Is vandaag om de kloosters te doen,« riepen sommige burgers op
den wal. »De Spanjolen weten niet, wat euvels zij brouwen.«
Inderdaad waren er op dit klooster, dat aan het begin van de Jansstraat
stond en tot aan de Bakenessergracht grensde, reeds ettelijke schoten
gevallen, en men vreesde, dat het spoedig geheel zou vernield wezen.
Intusschen geeft Ripperda nu hier, dan daar zijne bevelen. Reeds
hebben er weder verscheidene losbrandingen plaats gehad, en onder
toezicht van Boreel breken de gezamenlijke burgers en soldaten een
aanmerkelijk gedeelte van den kunstigen wenteltrap van de Janspoort
af, daar ieder oogenblik de vrees groeide, dat hij zou afgeschoten
worden en in de gracht vallen, iets waardoor de vijand geen gering
voordeel zou hebben, wijl genoemde trap ongemeen groot en zwaar was.
Terwijl men aan den eenen kant de logge steenklompen afbrak, hield
men zich aan den anderen kant onledig met ze opeen te stapelen,
en middelerwijl gierde het ijzer van den vijand in alle richtingen
door de stad, knalden de musketten en haakschutten, waren honderden
handen rusteloos bezig om de halve maan al meer en meer te versterken,
en klonken de kreten: »leve Ripperda! vivent les Gueux!«.
--»'k Vat het bij mijn ziel niet,« zeide Lancelot van Brederode
tot Ripperda, dat de walgang daar nog weerstand biedt. Volgens mijn
gissing moest het gespuis, dat daaronder wroet en krabt, al verpletterd
zijn. Ik geloof, dat die achtkante zerk niet goed op de middellijn
aangebracht is.«
--»Heb geen twijfel,« zeide Ripperda, »de dood van hen, die er
onder zijn, is gewis. Wanneer de rots, die men daar nog aansleept,
er opgetast is, zult gij dra verandering zien.«
--»Dat hoop ik,« hernam Brederode, »hoe eerder over hen de bommel
losbreekt, hoe minder kwaad zij zullen doen.«
Het aanslepen echter van dat laatste gevaarte was met grooter bezwaar
vergezeld. Vooreerst waren de paarden vermoeid, en toen het werk verder
door menschenhanden moest worden verricht, was het nog moeilijker,
omdat men hooger moest opstuwen en toch op een afstand blijven,
om het gevaar te ontgaan van zelf in de mijn te storten.
--»Wakker aan, mannen! courage!« liet Ripperda hooren, »weest
gedachtig, dat gij uw vijand een graf bereidt.«
--»En ze zullen niet behoeven te klagen,« liet een uit de menigte
hooren, »dat er op hun graf eene zerk ontbreekt.«
--Krachtiger werkten de zware ijzeren hefboomen, en door middel van
de aangebrachte katrollen scheen het rotsblok op de juiste middellijn
van den mijngang te zullen geheschen worden. Het gelukte; nog een
oogenblik bood de grond weerstand; doch spoedig zag men ook opeens, hoe
de walgang bezweek en hoe de massa voor aller oogen verdween. Het was,
als had zich op die plaats eensklaps de grond geopend; een wijde muil
gaapte allen aan; maar die muil was het graf voor eenige vijanden;
want zij werden verpletterd, en wie den dood nog ontging, moest
huiverend de maar overbrengen, hoe rampzalig hunne makkers waren
omgekomen. Zoo ooit dan groef men wel toen voor anderen een graf,
waarin men zelf den dood vond.
--»Voor Haarlem! den dood aan den Spanjaard!« klonk het, »hier ten
minste zal ons niet veel euvels meer worden gebrouwen.«
--»Gij hebt u wakker gekweten, mannen!« zeide Ripperda, »de vijand
heeft weer het blijk, hoe onze dapperen hem in den dood weten te
brengen. Zwaar was het werk, maar te grooter de eer. Triomf voor de
kloeke burgers van Haarlem!«.
--»Triomf voor Ripperda!« was de weerklank, als het duidelijk bewijs,
hoe trotsch en gestreeld zij waren door den lof eens mans, die elken
dag zooveel blijken gaf van geestkracht en moed en vooral van zijne
liefde voor Haarlem.--Spoediger dan de opening ontstaan was, hadden
onvermoeide handen de bezwekene mijnzoldering met puin en aarde
bedekt: dat was een werk niet ongelijk aan dat van den doodgraver,
wanneer hij met zijne schop de aardkluiten en het mulle zand over de
nedergelatene kist werpt. Weldra was de muil gedempt, en de walgang
op die plaats steviger dan ooit.
Geen halfuur echter was verloopen, toen de belegerden een zoo
smartelijk verlies moesten ondergaan, dat het tegen de nederlaag van
twintig vijanden niet kon opwegen.
Weer had het slangstukje van Willem Cornelisz vuur gegeven, en juist
wilde Vlasman uitroepen, dat de kogel aan de vijandelijke kat schade
toegebracht had, toen er tegen de halfsteenen borstwering, waarachter
hij stond, een veertigponder aandonderde, en wel met zooveel geweld,
dat de steenen vergruizeld werden, los sprongen en in alle richtingen
heenstoven.
--»Dat is mijn dood!« riep Vlasman uit, toen hij door eene der
zwaarste steenklompen, vlak voor de borst getroffen, ruggelings op
den grond viel en onder zijn val nog hevig het hoofd kneusde tegen
een der wielen van het slangstuk.
--»Kapitein Vlasman is dood!« lieten Cornelisz en de handlangers
hooren, »wraak over hem! wraak!«
En deze treurmaar van batterij tot batterij gaande, klonk weldra somber
in de ooren van Pellekaen en Vader. Met een paar andere hoplieden
benevens Ripperda en Brederode waren zij spoedig op de noodlottige
plek, waar de brave krijgsman en trouwe vriend met den dood worstelde.
--»Vlasman!« riep Pellekaen, »ongelukkige, trouwe vriend! gij
alzoo vóór mij?«--En terwijl hij het hoofd des zwaar gewonden van
den grond opbeurde, drukte Vader bewogen en zachtkens hem de hand,
terwijl hij met innig leedgevoel in de reeds halfgebrokene oogen van
den krijgsmakker staarde.
--»Vriend!« sprak Vlasman met een flauwe stem en, de hem toegestokene
hand nog zachter drukkende, »'t is met mij gedaan; maar troost geeft
het, dat vrouw noch kind om mij krijten zal:--heb dank voor uwe
trouw.... ik sterf voor Haarlem! Groet Ripperda!«
--»Hier staat hij,« sprak Ripperda, »dapper vriend! uw dood pijnt
mij fel, maar die dood is schoon...«
--»Overwin--of sterf--« liet Vlasman op afgebroken, stamelenden toon
hooren. »Dat Haarlem vrij zij!«
--»Wraak over zijn dood!« riep Brederode, »wraak op het vervloekte
gespuis!«
--»Van hier met den braven makker!« beval Ripperda, »wij staan bloot
voor 's vijands vuur: brengt rolkorven en zandzakken aan, mannen! stopt
de breuk!«
--»Heb alle zorg, meester Florisz! nog leeft hij,« zeide Ripperda tegen
den chirurgijn, die op Pellekaens geroep naar de plaats was gesneld.
--»'k Zal niets verzuimen,« was het antwoord van dezen, »maar het is
om zijn leven te doen.«
--»Doe alles wat gij kunt,« zeide Pellekaen, terwijl de wondheeler
met behulp van een paar burgers den stervende zoo voorzichtig mogelijk
naar huis bracht, »kon ik in zijn laatste uur bij hem wezen!.... maar
mijn plicht roept mij op den wal.«
--»Ook mij,« sprak Vader, »zijn lot grieft mij bitter; maar God heeft
het zoo gewild en--zijn dood zal niet ongewroken blijven.«
--»Neen! dat zweer ik,« liet Lancelot van Brederode hooren, terwijl het
vuur van verbittering in zijn oog brandde. »Laadt, kanonniers! vuur,
musketiers! geeft die honden eene dubbele laag.«
--»'t Zal aan mij niet haperen,« sprak Cornelisz en Lenard Joosten,
zich met hunne handlangers spoedende om de breuk te stoppen, »wij
zullen hun de huid blakeren, dat ze geschroeid in den dood gaan.«
--»Wraak over kapitein Vlasman!« klonk het onder burgers en soldaten;
en op welk punt van de vesten de maar werd overgebracht, alom vernam
men dezelfde kreten en op elk punt gaven zich het leedgevoel en de
verbittering door eene fellere losbranding lucht.
Nog den ganschen dag wierpen de Vliegen van Namen hun vernielend
ijzer; doch daar de Spanjaard de stad en de wallen gelijktijdig
met een te veel uiteenloopend vuur bestookten, had er noch eene
aanmerkelijke bres, noch eene bloedige nederlaag plaats. Schoon er
dien dag driehonderd en zestig schoten geteld werden, sneuvelden
geene anderen, dan van welke wij melding maakten. Doch onder deze
behoorde Pieter Vlasman, het even kloeke regeeringslid als de wakkere
voorstander van de vrijheid, de even voorzichtige en belanglooze
raadgever voor het welzijn der burgers, als de held, die nacht en dag
in de wapenen was; de niet minder opgeruimde en getrouwe vriend dan
de brave Christen. Vlasman was gevallen; de man, die wel op den dood
rekende, als op een heraut, welke ons allen opeischt, maar die zich
niet angstig verbeeldde, diens stem ieder oogenblik te hooren. En het
leven van zijn vriend, van hopman Pellekaen werd niet afgesneden;
ieder uur, iederen dag waande deze de stem van den dood te hooren,
evenals men aan het strand gedurig het klotsen en bruisen van de
baren verneemt. Geen dag verrees er, of met een hart vol bezwaren,
meende hij dien dood te zien naderen; en echter scheen de kogel, die
hem zou treffen, nog gegoten, het zwaard en de dolk, die hem zouden
wonden, nog gesmeed te moeten worden. De vriend, die geen afgrond aan
zijne voeten waande, stortte eensklaps in de diepte, en de vriend,
die niets dan afgronden dacht te zien, bleef steeds ongedeerd. Niets
is onzekerder en tevens gewisser dan de dood; niets onbegrijpelijker
en raadselachtiger dan de mensch, wijl hij steeds een raadsel is voor
zich zelven.