VIJFDE HOOFDSTUK.

Dewijl er sedert drie dagen noch levensmiddelen, noch brieven uit het

prinselijk leger waren binnengekomen, en de vorst, de mist en de dooi

bij afwisseling bleven voortduren, werden er twee brievenposten met

ledige sleden aan den prins afgezonden, ten einde hem eene juiste

afteekening der belegering met den toestand der stad voor oogen te

houden en hem te melden, »hoe het laatste meel reeds in den oven en

het laatste buskruit al in de flesschen was.«

Eer echter deze boden bij den prins konden zijn, kwamen er dienzelfden

dag vijf en zestig volgeladen sleden binnen en derzelver convooi was

een vendel Duitschers, Walen en Engelschen, waarover hopman Schram

van Brunswijk het bevel had, en die met recht uitgelezene krijgslieden

konden genoemd worden.

--»Thans Rustenburg aan den Spanjaard ontweldigd!« spraken de

hoplieden, en als weergalm klonk het onder de soldaten: »Ja, nu op

Rustenburg het gewaagd!«

Buiten de Schalkwijkerpoort komt men aan de Zomervaart, die in de

Fuikvaart uitloopt, welke laatste weder hare uitwatering heeft in

het Haarlemmermeer aan de Buitenleide. Aan deze Fuikvaart, tusschen

de Gowatering en de Zomervaart, lag het huis Rustenburg, waar men

thans niets dan weiland ziet, en dat op ongeveer een halfuur afstand

van de stad kon gerekend worden. Amsterdam, of liever de Moorddam,

zooals de soldaten van den prins het noemden, hield het Haarlemmermeer

in, en daar de Spanjaarden hunne schans bij de Fuik hadden, verloren

de belegerden het water en moesten al hun invoer alleen langs hunne

schansen en sterkten, over land, binnenkrijgen. Hoogstwenschelijk zou

het dus geweest zijn, wanneer de belegerden zich bij tijds of liever

van den aanvang af van de Fuik hadden verzekerd. Thans met nieuwen

voorraad en troepen versterkt, wilde men dit beproeven.

Op Zaterdag den zeventienden Januari trokken derhalve Asinga Ripperda,

Pellekaen, Vlasman en anderen met dit doel de Schalkwijkerpoort

uit. De aanval geschiedde zoo krachtdadig, dat de vijanden weldra

van den watermolen verdreven werden, waarna men stormenderhand in de

schansen viel, elk, wien de vlucht niet gelukte, over de kling joeg

en vervolgens de gansche plaats in brand stak. Behalve met anderen

buit trokken de Haarlemmers met een veroverd vaandel en drie trommels

binnen de stad, en de vaandrig Ruijkhaver had de eer, dat hij bij

deze overwinning een vendrig den standaard uit de hand gescheurd en

hem doorstoken had. Ook Vlasman had zich dapper gedragen. Jammer,

dat de verdedigers zoo spoedig daarop dien wakkeren voorvechter uit

hun midden zouden zien gerukt.

Op last van Ripperda werd in den volgenden nacht het blokhuis van de

Kruispoort--het Moordhol genoemd--verlaten; want ofschoon er dien dag

slechts zestig schoten op gedaan waren, had men er weder verscheidene

soldaten op verloren, en ook was de sterkte zoo dicht ondergraven

geworden, dat men in groot gevaar begon te verkeeren. Eer men het

verliet, werd echter al het houtwerk verbrand, opdat de vijand daarvan

geen nut zoude trekken.

Tot nog toe was de raadselachtige eenoog niet in Haarlem teruggekomen;

maar op Zondag daaraanvolgende werd het gerucht bevestigd, dat hij

met een korf duiven uit de stad was vertrokken. In den vroegen morgen

namelijk zag Asinga Ripperda hoe er, klapwiekend, een duifje op de

woning van den geheimzinnigen vreemdeling nederstreek. Bij onderzoek

vond men een toegevouwen stukje papier aan het tenger pootje gebonden;

en het schrift aan Ripperda ter hand gesteld zijnde, las deze nu den

volgenden aan hem gerichten brief van den prins:

Edele, eerzame, lieve, bijzondere! ons is lief geweest om te hooren

door diverse uwe brieven, dat gij zoo wel gehard en volstandig

blijft, om die goede stad Haarlem te helpen en te verlossen,

waarvan wij niet laten willen u te bedanken en te verzekeren, dat

wij niet laten zullen u hulp en ontzet te doen bij alle middelen en

wegen, ons mogelijk zijnde, zoo gij tot nog toe hebt kunnen merken,

dat wij tot nog toe gedaan hebben; en is het ons leed geweest,

dat het laatste ontzet met den heere Van Boisot niet ingekomen is.

Gij zult adviseeren met die andere bij u zijnden, wat middel men

mocht houden om u voortaan secours te doen, en wij zullen u daaraan

behulpig zijn, hiermede u den Almogenden Heere bevelende. Geschreven

tot Delft op den 18den Januari 1573.

Uw goede Vrind!

Guill. de Nassau.

Niet zoodra was de inhoud van dezen brief en de wijze, waarop hij

binnen de stad was gekomen, aan de burgers bekend, of ieder voelde

zich moediger en opgeruimder.

--»Leve de prins! leve Ripperda!« klonk het.

--»Handen dubbel uit de mouwen!« riep Volkert Jansz, wiens naam met lof

in de thesauriersrekeningen voorkomt, als altijd ijverig aan de bressen

en het versterken der stad te hebben medegewerkt. »Het Moordhol is

verlaten; dat nu de Kruispoort een moordhol worde voor den Spanjaard!«

--»Niet vertraagd, mannenbroeders!« sprak Ripperda. »Wakker aan! wat

gij doet tot glorie van Haarlem, is tot glorie van heel het land.«

Inderdaad scheen ieder zich om het zeerst te beijveren, om de gepleegde

schanddaad door dubbele inspanning van krachten uit te wisschen. Het

was Zondag. Velen waren naar de kerk opgegaan om onder eene leerrede

van den predikant Sijmons, wellicht uit psalm honderd zeven, vers zes,

God te danken voor den nieuwen aanvoer van levensmiddelen en buskruit;

maar de meesten waren naar de Kruispoort gesneld om den krijgslieden

alle mogelijke hulp te bieden; want deze versterking en de aan te

leggen nieuwe wal kon met geen te grooten spoed doorgezet worden.

Evenals vroeger zag men dan ook weder eene talrijke menigte soldaten,

burgers, vrouwen en kinderen bewonderenswaardige kracht en vlugheid

ten toon spreiden. Hier zag men een deftig poorter niet aarzelen, om

met aarde beladene manden te torsen; daar zag men vrouwen en meisjes,

zooeven uit de kerk gekomen, takken, haken en voetangels aanbrengen;

ginds waren forsch gespierde handen bezig om de aarden-wallen met

zware balken op eene stevige wijze te doorvlechten, omdat de mijnen

een voornaam deel van de aanvalswerken uitmaakten. Ook legde men

traversen aan, daar waar de stad voor 't vuur openlag. De een voerde

zoogenaamde spitse proppen en lange ijzeren verken aan, terwijl

anderen lange ijzeren pennen op horden, en op de wijze van pansers

vervaardigd aansleurden. Had iedere poort reeds schotdeuren, die als

een oliestamper vielen, thans werd iedere balk nog van eene stevige

ijzeren pen voorzien. Aller handen waren rusteloos in beweging; moed en

geestdrift blonken in ieders oog, en als had de vijand er eerbied voor,

zoo vindt men aangeteekend, dat er dien dag slechts zeven losbrandingen

plaats hadden, waardoor het werk geen bijzonderen tegenstand ondervond.

--»Zóó moet de schandsmet worden uitgewreven,« sprak Ripperda tot

Van Duivenvoorde, »en eerst nu wordt de storm gestild van mijne

verontwaardiging, nu men 't wreed gestorte bloed onder puin en aarde

bedelft.«

--»Ook mij valt nu weder lichter te dragen, wat mij aangaande het lot

mijner vrouw met zooveel zwaarte op 't gemoed zonk,« antwoordde Van

Duivenvoorde. »Met dubbelen moed kan ik God bidden, dat Hij haar tot

schuts en scherm zij in haren bangen staat. Zoo de nieuwe wal wordt

voltogen, eer de Spanjaard stormt, zullen wij te krachtiger afslaan,

en met minder schroom een uitval kunnen doen.«

--»Uw moed verheugt mij,« hernam Ripperda met geestdrift. »Groot

is de man, die den storm van het leven braveert en wiens rustigheid

de geestkracht van anderen verhoogt, schoon hem de ziel fel gewond

is.--Van Duivenvoorde! tegen de vriendschap van zulk een man kan geen

goud opwegen.«

Bij deze woorden stak Ripperda hem de hand toe. Van Duivenvoorde

drukte ze warm; de twee mannen, beiden zoo groot van ziel, hadden

elkander verstaan.

In vergelijking van den nieuwen wal kon de versterking der Kruispoort

nietsbeteekenend genoemd worden. De onderneming was eenen Ripperda

en Derdein waardig. De nieuwe wal zou den vorm eener halve maan

hebben, twaalf voeten breed en honderd schreden lang zijn. Hare beide

einden of armen zouden in den ouden wal uitloopen, en om dat doel

te bereiken, moest een gedeelte van de huizen in de Kruisstraat

worden afgebroken. Aan de westzijde namelijk zou ze nabij de

Kraaienhorstergracht uitkomen, en aan de oostzijde omtrent halverwege

van de Janspoort, terwijl twee stevige bolwerken de halvemaan zouden

sluiten.

--»Wakker aan, mannen, broeders!« sprak burgemeester Van der Laan, die

de inspanning en de onvermoeide werkzaamheid van zooveel honderden

met een oog van welgevallen overzag. »'t Is voor Haarlem, voor

Holland! Zoo de Spanjaard den spoed zag, waarmede Haarlem zich een

wal bouwt, hij zou niet meer droomen, de stad in zijn macht te hebben.«

--»Leve burgemeester Van der Laan!« klonk het onder de

dichtstbijzijnden, die zich over dien lof gestreeld voelden.--»Als

de Spanjool stormt, zullen wij hem feestelijk groeten: hij zal ons

ten minste niet tot verwijt toedrijven, dat wij traag zijn geweest.«

--»Steenen, genannen, hier; hout aan de poort!« riep de ijverige

Volkert Jansz, wien het zweet van het aangezicht stroomde, ofschoon

het snerpend koud was. »Voor Haarlem! voor Ripperda!«

--»Het schrift van den prins heeft de spieren versterkt!« zeide

burgemeester Van der Laan, zich tot Ripperda wendende, die in de

tegenwoordigheid van Brederode en Boreel eenige bevelen gaf, »hoe

zich de handen en voeten reppen! hoe de oogen gloeien! dat zou een

tooneel wezen voor het palet van meester Maarten.«

--»Met zoo een ijzeren wil kan Haarlem niet buigen,« antwoordde

Ripperda, »maar is het de weduwe van Nanning Gerbrants niet, die ik

daar in aantocht zie.«

--»Voorzeker, zij is het,« zeide Boreel.

--»Daar komt uwe moei, Hasselaar,« zeide tot dezen de vaandrig

Ruikhaver, die gisteren van de schans Rustenburg teruggekeerd,

heden aan de versterking der poort werkzaam was; want geene

dienstverrichtingen, van welken aard ook, waren in staat, om eenigen

rang te verduisteren of te benevelen: één doel slechts werd voor

oogen gehouden, het doel om de stad tegen den vijand te verdedigen,

op eene wijze, zooals de oudheid er weinige kan aantoonen, en zoo

roemrijk, als er wellicht nimmer eene zijn zal. »Dat zou ik nog wel

eens zien willen, dat aan de bloedgieren daar tegenover ons, door

vrouwen lustig de baard wierd geschoren.«

--»Heb maar geduld,« antwoordde Hasselaar, »aan dat voornemen zal

mogelijk al haast de hand gelegd worden.«

En terwijl de twee moedige vaandrigs over haar spraken, die sedert

Nieuwjaarsdag het onderwerp van zooveler gesprekken geweest was,

naderde Kenau, door hare dochter Guurtje vergezeld, de plaats waar

op dat oogenblik Ripperda met Van Vliet en eenige anderen in gesprek

was. In weerwil van het rumoer en de rondom heerschende bedrijvigheid

werd zij aanstonds opgemerkt, temeer daar Ripperda haar, na het

vroegere onderhoud in de woning van Van der Laan, reeds een paar

malen gesproken had, en hij van eerbied ontgloeid was geworden over

de vaderlandsche gevoelens, welke zij toen geuit had.

--»Juffer en vriendin!« sprak burgemeester Van der Laan, haar en hare

dochter naar plaats en tijd vluchtig doch eerbiedig groetende.

--»Juffer Borst!« liet Ripperda hooren, wordende zij veelal met dien

naam of, zooals nog wel aan de Zaan bij rijke vrouwen plaats heeft,

eenvoudig met dien van Kenau Simons aangesproken, en nooit met den,

toen zoo schaars gekenden titel van mevrouw, hetgeen dan ook misschien

alleen te verschoonen is in de van haar bestaande treurspelen van

den dichter Loosjes en de dichteres De Lannoij. »Juffer Borst!« zeide

hij, eene vluchtige doch eerbiedige krijgsmansbuiging makende, »ook

gij hier? zoo fluks werd nog uw naam met eerbied genoemd: gij ziet,

hoe de Spanjaard ons dringt, het moordhol te verlaten, maar hoe rappe,

kloeke handen hem buiten de vest houden.«

--»De snelle maar bracht het mij reeds aan, edele heer!« antwoordde

zij, »en gewis, deze heeft niets opgevijzeld: ik zie jong en oud,

vrouw en man, altegader eene rots opwerpen, waartegen de Spanjaard

eene harde botsing en kneuzing vinden zal. Voorwaar! dat is een

oogenblik waarvan nut te trekken valt....«

Nu overzag zij, geestdriftvol hen, welke in alle richtingen van

dat gedeelte der stad door elkander kruisten; die geestdrift

scheen met iedere seconde aan te groeien: de in hun blakende vlam

van vaderlandsmin vereenigde zich met de vlam van haat tegen de

vreemde overheerschers: en die lieflijke met die donkere vlam te

zamen verspreidden een gloed op haar gelaat. Zij zag, hoe jong en

oud ijverig en onbezweken een muur als van metaal opwierpen; hoe

teedere vrouwen onder het torschen van lasten in krachten schenen

toe te nemen, en hoe zij de forsche mannen zoo al niet overtroffen

dan toch evenaarden; en er met wellust hare blikken op werpende,

liet zij op eens de woorden hooren:

--»Maar ik ben niet hier gekomen om te zien. Mijnheer Ripperda! het

voorstaan van Haarlem's glorie en vrijheid ook door vrouwen

ontbrandt te heftiger in mij: dat uur is gekomen; maar hier werkeloos

staande en geene hand reppende, kan ik niet zeggen: »op, vrouwen

van Haarlem! wapent u als soldeniers en gaan ook wij den vijand te

keer. Eerst zelve de hand uitgestrekt; niet zelve geaarzeld, als

men volgelingen wenscht. Wakker aan, mijne dochter! Kenau Hasselaar,

uwe moeder gaat u voor!«

Na een flonkerenden blik op Ripperda, Van der Laan en anderen te hebben

geworpen, zag zij opnieuw rond, en ziende, hoe op dat oogenblik uit de

Margarethastraat een knaap naderde, gebukt onder een houtvracht, voor

zijne krachten te zwaar, ging zij hem met rassche schreden tegemoet.

--»Terug, brave borst!« sprak zij, »haal ander hout, maar geen zoo

grooten hoop tegelijk: ik zal dezen wel brengen, waar hij noodig is.«

Verwonderd zag de knaap haar aan, en scheen te aarzelen met het

overgeven van zijn last, alsof zijn jeugdig plichtgevoel er tegen

opkwam. Maar ziende, hoe zich Kenau van hare huik ontdeed, en de

toespraak met korter woorden hoorende herhalen, zeide hij:

--»Komaan dan, er valt nog genoeg aan te slepen.«

--»Waar haalt gij dat hout?« vroeg zij, toen de knaap ijlings wilde

terugloopen.

--»Bij meester Gerrit den timmerman in de Zoetestraat,« antwoordde

de jongen; en nu beval zij hare dochter, die haar gevolgd was,

met hem mede te gaan en dezelfde taak te verrichten, waaraan deze

oogenblikkelijk gehoorzaamde.

Met eene behendigheid, die niet getuigde hoe de weduwe van Nanning

Borst aan dergelijken arbeid gewoon was, maar die bewees, waartoe men,

met geestdrift bezield en met ijzeren wil toegerust, in staat is,

laadde Kenau den last op hare schouders en begaf zich vervolgens

onder de heen en weder dravende menigte naar de Kruispoort.

--»Dat is de weduwe van Nanning Gebrants,« liet het zich hier van eene

vrouw, wat verder weder van een man hooren: en ofschoon dit gedrag,

in den jare 1573, in zulk een tijd wel geene gelijke verwondering

opwekte, als voorzeker in de negentiende eeuw het geval zijn zou,

was er echter menigeen, die de deftig gekleede vrouw, in weerwil der

algemeene bedrijvigheid, met bevreemding aanzag; doch het was eene

bevreemding, tegelijk met eerbied en achting gepaard.--Die eerbied

en achting vielen haar in geene mindere mate van Ripperda, Van der

Laan en vele anderen ten deel: bewondering over hare plotselijke,

tot handeling overgeslagene geestdrift, was zichtbaar op hun gelaat,

blonk door in hunne gesprekken, en Ripperda kon den rondborstigen

uitroep niet bedwingen:

--»Dat Haarlem's dochters zich spiegelen aan haar! Op mijne eer,

bij zooveel kloekheid overweldigt de Spanjaard deze veste nooit.«

--»Mijne moei!« riep de jonge Hasselaar, haar op zijde komende, toen

zij aan de Kruispoort den reeds verrichten arbeid vluchtig overzag,

»gewis, dat had ik verwacht van u; dat kroont u met eer, en mijn

gemoed is vol vreugd.«

--»Dat is niets meer dan vervulling van plicht,« antwoordde zij, »maar

't zal mij kwalijk genoegen, alleen door dit werk blijk te geven,

dat ook vrouwen 's vijands geweld weerstaan. Proeven moet hij, hoe

in deze veste ook de vrouwen niet schromen, hem gewapend tegemoet te

gaan. Ook in ons woont de zucht voor vrijheid: waarom zouden ook wij

dan door bus en rapier die vrijheid niet voorstaan?«

--»Bij St.-Hubertus, waarde moei!« hernam Hasselaar, terwijl een blos

op zijn gelaat toonde, hoe de jonkman de waarheid sprak, »uwe woorden

vuren mijne verbittering feller aan, en als het een zweem van courage

is, die mij niet doet dreigen, den Spanjaard onder 't oog te zien,

dan zal ik het van nu af nog minder: dat zweer ik bij Ripperda!«

--»Men zal niet klagen, dat gij 't gevaar ontziet,« zeide Kenau;

»maar wees achtzaam, dat uw moed niet overga in roekeloosheid.«

--»Wakker aan, mannen!« liet zich inmiddels Pieter Jansz hooren,

die, als fabrijk aangesteld en die betrekking alleszins waardig was,

»wakker aan! mest en takken hier: het werk gaat met spoed!«

Nog had hij deze woorden ternauwernood gesproken, toen een zware

vijandelijke kogel omtrent drie voeten boven zijn hoofd vloog. Had

hij dus op dat oogenblik een weinig hooger op de Kruispoort gestaan,

dan had het zijn leven gekost. Hij zou echter dat leven nog eenigen

tijd aan de versterking der stad wijden.

--»'t Is of de honden 't voorzien hebben op onze fabrijkmeesters,«

sprak kapitein Vimi, weinig denkende dat zijn arm, zoo ijverig in de

weer, nog dienzelfden dag door een ander schot zou doorboord worden.

De plaats gehad hebbende losbranding kon echter de belegerden in

hunne onvermoeide poging ter versterking van de Kruispoort niet

doen verflauwen.--Rusteloos ging men voort met van alle kanten

bouwstoffen aan te voeren, en onder die menigte was Kenau met hare

dochter Guurtje niet de minst ijverige, terwijl hare dochter Grietje

zich mede bij haar had gevoegd. Spoedig had het zich intusschen door

schier gansch Haarlem verspreid, hoe onder de werkzame scharen zich

ook Kenau met hare dochters bevond en hoe deze zich niet ontzagen,

om even onvermoeid allerlei arbeid te verrichten. Evenals eene door

den wind aangeblazene en niet beteugelde vlam zich weldra aan de

aangrenzende gebouwen mededeelt, had dit bericht zich al meer en meer

verspreid en in de licht ontvlambare gemoederen spoedig het vuur van

edelen naijver ontstoken. Geen twee uren waren verloopen, toen men

nabij de Kruispoort reeds andere vrouwen en meisjes uit den gegoeden

stand bijeenzag en onder haar merkte men de schoonen op, welke de lezer

zich zal herinneren, op den eersten dag van het jaar in de woning van

burgemeester Van der Laan te hebben ontmoet. Men zag er de vrouw van

burgemeester Kies, de beeldschoone Henrica van Vliet, de vrouw van

hopman Vader met hare jongere zuster Maria van Schoten, Anna en Maria

van der Laan benevens andere, aan welke later het gevormde plan was

medegedeeld geworden, en die er evenzeer haar zegel aan hadden gehecht.

Inmiddels had Kenau onder het gestadig aanvoeren van aarde, steen of

hout reeds aan deze en gene vrouw haar plan ter loops kenbaar gemaakt;

en toen zij nu op eenigen afstand Henrica met hare vriendinnen zag, gaf

zij een paar dergenen, met welke zij reeds gesproken had, te kennen,

dat deze zich bij haar zouden voegen, zoodra zij met de dochters van

Van der Laan en Van Vliet in gesprek trad.

Weinige minuten waren verloopen, toen dit reeds plaats greep. Kenau,

andermaal van de Kruispoort terugkeerende, trad regelrecht op de

juffers aan, en aller gelaat kleurde zich met een hoogen blos, toen

de edele weduwe voor haar stond.

--»Gij ziet mij kloek aan het werk, jonkvrouw!« zeide zij, zich

rechtstreeks tot Henrica van Vliet wendende, »en gewis, dat werk

is nuttig en noodig, nu de wakkere soldeniers gedrongen zijn, het

blokhuis te verlaten. Met vereende kracht moeten wij 's vijands

forschheid opnieuw wederstaan.«

--»Zoo is het, juffer Borst!« zeide Henrica, »gij geeft blijk,

dat de gesprokene woorden niet ijdel zijn geweest, en wij hebben

schuld te bekennen, dat gij, als de eerste, ons met uw voorbeeld

zijt voorgegaan.«

--»Dat wij ons verzuim dan goedmaken,« zeide Magdalena van Schoten

met vuur, »door insgelijks de hand aan het werk te leggen.«

--»Ja!« liet Maria van der Laan hooren, »niet verwijld of gedraald:

steken wij de hand uit, om billijk verwijt te ontgaan.« En dit gezegd

hebbende, wilde zij zich van hare huik ontdoen, om op staanden voet

het bewijs te geven, dat hare woorden ernstig gemeend waren.

--»Neen!« zeide Kenau, bij wie zich inmiddels hare dochters en eenige

andere meisjes en vrouwen voegden. »Laat dit opzet thans varen: gij

ziet, dat het niet aan handen hapert, om het begonnen werk met spoed

door te zetten. Maar hoort naar hetgeen ik zal spreken.«

Vervolgens een blik om zich heen werpende, die van geestdrift en

vastberadenheid gloeide, zeide zij met eene even welluidende als

krachtige stem:

--»Ik ben niet zoozeer aan dit werk gegaan, als wanende, dat ik

veel zou toebrengen om Kruispoort en wal voltooid te zien; maar ik

wilde recht hebben tot spreken. Het blijkt, dat de vijand al meer

en meer op den ondergang van Haarlem loert. Door wreedheid heeft

hij tot wederkeerige wreedheid geperst; en behalve dat het feit van

gisteren het licht niet kan dulden, zal het den Spaanschen overmoed

in laaien brand zetten. Met zwaarder ijzer zal hij de wallen kneuzen,

en wanneer de koude, die vinniger schijnt te zullen worden, de gracht

bevloert, dan staat er ieder uur een geweldige storm te wachten. Wat

een droevig lot toeft ons, wanneer 't hem gelukken mocht, de wallen

te winnen? Wat huiverige gedachten bekruipen mijn geest. Mechelen,

Zutphen en Naarden!.... De benden van den man, die zeide: »'t land

liever ontvolkt, voor wildernis te laten liggen, dan er een dwaalgeest

in te gedoogen,« zullen ook Haarlem niet verschoonen, dat reeds zooveel

gloeiende kolen op zijn hoofd heeft getast. Eilaas! wie kan er aan

denken zonder schrik? Verdelging met vlam en smook; wee door gansch

de stad; de roover in de huizen, woeden op jeugd en ouderdom, ambt en

achtbaarheid, en al dat moorden, plunderen en rooven onder hoongelach

en kortswijl van den Spanjaard. En wie bevangt geene vrees bij het

denken aan de eerlooze dartelheid van den vijand? Wie huivert niet

bij 't denken aan zijne schendende hand, bij het derven van 'tgeen

aan onze maagden het dierbaarst is. Op dan, altegaar! grijpt spies,

bus en rapier ter hand, om den bloedgier te toonen, dat Haarlem niet

slechts mannen heeft, maar ook vrouwen, den dood braveerende voor

het behoud harer veste.«

Niet zoodra had zij deze woorden gesproken: niet zoodra had zij

andermaal de van moed en geestdrift gloeiende blikken rondom zich

geslagen, of uit meer dan een mond, liet zich de kreet hooren:

--»Ja! ook vrouwen gaan den Spanjaard te keer! Met moed gekampt voor

de vrijheid der stad!«

--»Voorwaar!« zeide Maria van der Laan, »uwe kloekhartige taal

toont wat u bezielt; gij hebt mijn vurig verlangen tot feller vlam

aangeblazen....«

--»Ja, ook onze zwakke handen grijpen bus en rapier aan,« sprak Maria

van Schoten, »en gij, Kenau Simons! gij zult onze aanvoerster zijn....«

--»Goed gezegd, Maria!« liet Henrica van Vliet hooren, »onder zulk

eene aanvoerster stel ik mij moedig in 't geweer.«

--»Nog één woord,« hernam Kenau, »mijn doel zal bereikt worden; daar

is luttel twijfel aan. Ik lees het in uw aller oog, het klinkt mij

toe uit aller mond. Niet langer gewacht dan, maar het ijzer gesmeed,

terwijl het heet is. Wel is uw aller woord mij tot borg, dat men

niet achterwaarts treden zal; maar in iedere zaak moet orde zijn,

wil men er 't rechte nut van trekken. Vandaag nog de namen geschreven

van die zich gewillig hebben gesteld, en dat mijnheer Ripperda worde

gesproken, die aan dit besluit zijn zegel hechten moet.«

--»Kloeke vrouw, die mij nog kloeker heldin voorspelt!« zeide Ripperda,

welke met Van der Laan en anderen, vol bewondering en geestdrift,

alles gehoord en gezien had, »voed geen twijfel, dat de bezegeling

dezer zaak achterwege zal blijven. Wigbolt Ripperda sluit er zich

aan met de volle ziel; want aan Haarlem, aan het behoud van heel het

land is al zijn streven gewijd. Beve de Spanjaard, als hij deze maar

hoort, als hij vrouwen ziet naast den soldenier. Bij den Hemel en

bij Oranje! deze dag zal nimmer uit mijn geheugen worden gewischt.«

Inderdaad zag men een tooneel waarover de majestueuze tint van den

jare 1573 verspreid lag--een tooneel zoo grootsch als eerbiedwekkend,

zoo aandoenlijk als schoon. Hier eene schare van vrouwen en maagden,

onder welke sommige van fijn gevormde leest en schoonheid, wier

eenvoudige kleeding haren minderen stand verried, doch ook zij,

wier deftig, schoon van pracht ontdaan, gewaad de blijken droeg van

haren hoogen stand: teedere vrouwen, die door wil en geestkracht dra

in kloeke mannen als herschapen zouden worden. Dáár krijgslieden,

haar met eerbied omringende, of door blik en woord haar besluit

huldigende. Ginds achtbare mannen, op hunne dochters of vrouwen met

vreugd neerziende en sommigen zich zelfs geweld aandoende, om een

opwellenden traan van aandoening te bedwingen. Ripperda, de koene, de

onbuigzame, de man van ijzer en staal en toch de waarachtige Christen,

tegenover de wakkere, schier even onbuigzame Kenau Hasselaar. En rond

die allen eene andere menigte, dravende, lasten torschende en een

bolwerk opwerpende, dat nog hechter zal worden, omdat ook voortaan

vrouwen het tot nevenbolwerk zullen zijn. Hoeveel moed, hoeveel

geestdrift! welk een metalen wil.... Mannen en vrouwen plechtig een

verbond sluitende, dat zij welvaart, bloed en leven veil hebben,

niet slechts voor Haarlem, maar ook voor de vrijheid en het heil van

heel het land. Voorzeker, roemvolle stad aan het Spaarne! dat tooneel

diende wel naast zooveel andere in marmer gegrift te staan.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 6 / 21 题