VIERDE HOOFDSTUK.

Niet zoodra was het hoofd van Philippus de Koning op den wal geworpen,

of de kreten van afschrik en verbittering lieten zich eenpariger

hooren. Sommigen wierpen hunne musketten uit de hand, en snelden,

op het gezicht van het bebloede hoofd, naar de plaats, waar het

nedergeslingerd was. Zij, die zelden een den Christen onwaardigen

vloek op de lippen hadden, gaven er thans, in hunne woede, den vollen

teugel aan, en hier en daar hoorde men den uitroep: »dat God den

Spanjaard verdoeme!«

--»De poort uit! wraak op 't bloedgespuis!« riepen sommigen.

--»Waar is Ripperda?« vroegen anderen, terwijl zij de vuisten balden

en den gloed der wraak in hunne blikken vertoonden. »Den uitval! de

poort uit! met één vendel op de bloedhonden los!«

--»Zóó vermoorden zij onze broeders!« riep een schutter, die het

hoofd van De Koning in de hand hield, en het, op de tanden knarsende,

dreigend aanzag. »Wraak, wraak!« riep hij schor; »geene hand meer

aan het rapier, als dat schendig stuk niet gewroken wordt.«

--»Ja!« liet een ander hooren, »vóór de wraak geen hand meer aan

het rapier!« Dit zeggende, greep hij het bebloede voorwerp bij het

haar, hield het hoog boven de schouders, zijnen makkers voor oogen,

en riep toen op krassenden toon uit: »Vóór zijn dood heeft die mond

wraak geroepen: leest ze nog in zijn doffen blik, makkers, en zweren

wij ze, eer de zon ondergaat.«

--»Dat zweer ik!« riep de een na den ander, »wraak voor hopman De

Koning, eer de zon ondergaat.«

--»Naar de gevangenis!« riepen eenigen tegelijk, »daar zijn schelmen

genoeg, die het kunnen vergelden. Wie gaat er mee? Die in de gevangenis

zijn, moeten aan den strop!«

Ongeveer vijftig van de hevigst verbitterden wilden oogenblikkelijk

van de wallen snellen, om aan de krijgsgevangenen in de kelders van

het stadhuis hunne verbittering te koelen. Thans echter sprong Van

Duivenvoorde te voorschijn, en zich voor de doldriftigsten plaatsende,

zeide hij: »Terug, mannenbroeders! geen braaf soldaat gaat van den wal,

zoolang er te strijden is.«

--»Wij moeten ons wreken,« riepen een paar hunner, »hopman De Koning

was een wakker man; wraak over zijn dood!«

--»Terug!« beval ook Lancelot van Brederode, »wreekt u op het

roofgespuis, door hun de volle laag te geven: dat is de beste

vergelding: vuur, mannen, vuur!«

--»Daar is tijd genoeg toe!« liet het zich hooren, »eerst de galg en

dan vuur! Voort, van den wal!«

Vergeefs, dat thans Van Brederode, Van Duivenvoorde en andere hoplieden

langer den toon des gezags bezigden om alle gewelddadigheden te

voorkomen en de soldaten tot hunnen plicht te nopen. Onder kreten

van wraak verlieten sommigen den wal, met het doel om de gevangenis

open te breken en allen, die er zich in bevonden, om het leven te

brengen. Intusschen was Asinga Ripperda naar zijn broeder gesneld,

en eer de woestelingen zich twintig schreden van den wal hadden

verwijderd, stond Wigbolt Ripperda voor hen.

--»Wat wilt gij, mannenbroeders!« vroeg hij, »hoe! de brave verdedigers

van Haarlem verlaten den wal!....«

--»Dat nooit!« sprak een hunner, »maar wij willen den dood wreken van

een wakker man; zie, wat de bloedhonden hebben gedaan!« Dit zeggende,

wees hij op het voorwerp, dat een der schutters in de hand hield,

en een rauwe kreet van afgrijzen ontsnapte opnieuw aan zijn mond.

--»Ik weet het,« zeide Ripperda, »en ook in mij kookt de gramschap;

maar wat wraak wilt gij?«

--»De strop aan de honden, die in de gevangenis zijn!« schreeuwde men,

»voort, naar het stadhuis!«

--»Dat in eeuwigheid niet, zoo lang nog mijn gezag geldt,« sprak

Ripperda, »geene onwettige wraak, die Haarlem tot schande strekt.«

--»Wij slaan aleer geene hand aan 't rapier,« klonk het, terwijl

sommigen zich verder den weg baanden. Op eens echter namen nu

Ripperda's oogen eene dreigende uitdrukking aan, niet ongelijk aan

een stroom, die ontzaglijk in breede golven stijgt, wanneer de wind

zich verheft. IJlings een paar schreden terugspringende, slaat hij

de hand aan zijn degengevest, werpt de blikken op de menigte en zegt

op vasten toon: »Ik ben Ripperda!«

Oogenblikkelijk zag men den indruk dezer woorden, die wellicht

veel geringer ware geweest, wanneer Ripperda aanstonds met straf

had gedreigd. Eenigen weken terug naar den wal; doch anderen, niet

zoo licht te bevredigen, lieten nog den uitroep hooren: »Niet naar

de vest, heer Ripperda! voor dat gij ons wraak hebt beloofd.«

--»Die beloof ik!« hernam de kloeke Fries, »maar wraak, die den

soldenier van eer past; een uitval, tot 's vijand nederlaag en de

glorie der stad.«

--»Wanneer?«

--»Op morgen; dat zegt Ripperda!«

--»Terug naar den wal! Ripperda heeft het gezegd!« klonk liet

thans. »Op morgen de wraak!«

Inderdaad had Ripperda's houding zooveel invloed uitgeoefend, dat de

verdedigers terugkeerden en hunne gramschap door eene verdubbelde

lading der musketten en serpentijnbuksen lucht gaven. De tijd was

nog niet gekomen, dat een dolle hoop de muitvaan zou opsteken. Maar

schoon de soldaten weder naar de bevelen der hoplieden luisterden,

was de gebeurtenis van het bloedige hoofd reeds in al de wijken

doorgedrongen. Even gloeiend was de verbittering, die zij onder de

heffe des volks teweeg bracht. Toen men hoorde, dat Ripperda het

voornemen had verijdeld, steeg ze tot woede en eer er een halfuur

was verloopen, had er bij het stadhuis een tooneel plaats, dat de

waarheid van het gezegde staaft, hoe menschen, in den laagsten stand

der maatschappij opgevoed, altijd eene bloedige vergelding nemen.

Evenals thans was de ingang tot de kelders der gevangenen in de

Zijlstraat. Nu verbeelde men zich eenige kloekgespierde brouwers-,

mouters- en scheepsmakersknechts, onder welke zich ook de beruchte

Heinsz bevond. Met geweld en onder doffe bedreigingen hadden zij

den cipier de sleutels ontnomen, en baanden zich nu ter linker- en

rechterzijde een weg. De gevangenen, op wie men het eigenlijk gemunt

had, waren een Waal en acht Duitschers, benevens drie zoetelaars

van Amsterdam, op welke laatste men nog daarenboven hevig verbitterd

was. Vergeefs, dat burgemeester Van der Laan en Van Vliet zich een weg

zoeken te openen en de menigte tot bedaren te brengen. Honderden hebben

zich in de Zijlstraat en op den hoek van het raadhuis opeengepakt,

en terwijl er nu en dan eenigen naar binnen stormen, hoort men niet

dan de kreten: »wraak voor De Koning! het gespuis aan den strop!«

Nooit wellicht werd eene daad van willekeur, van schennis sneller

volvoerd. Wat Ripperda door zijn onwederstaanbaar gezag had weten te

verhinderen, kon door al de macht, welken den schout Van Dordt ten

dienste stond, onmogelijk belet worden; want de woede van de laagste

volksklasse nam eene zoo spoedige en hevige wraak, dat elke poging

tot beteugeling vergeefs was. Ongeveer een uur later hingen dan ook

reeds de twaalf rampzaligen aan eene galg, welke men tusschen het

blokhuis van het Kraaiennest en de Kruispoort geplant had, en klonken

den vijand reeds de kreten tegemoet: »sta, Spanjolengebroed! twaalf

voor een! zoo wreken zich de mannen van Haarlem! vivent les Gueux!«

Maar nadat de nacht zijn sluier over dit schandelijk tooneel van

verguizing van het wettig gezag had uitgespreid, werd de gebeurtenis

met nog donkerder verwen gekleurd.--Het is ongeveer drie ure; van de

Margarethastraat naderen eenige mannen de plaats, waar de twaalf aan de

galg door den opstekenden wind heen en weder worden geslingerd.--Twee

hunner dragen eene kleine flambouw, en het licht werpt zijn schijnsel

op de kolossale gestalte van Heinsz, den brouwersknecht. Met behulp van

een ander torscht hij eene groote ton, en zijne gelaatstrekken doen

duidelijk zien, dat hij, zoowel als de overigen, door dronkenschap

is bedwelmd.

--»Bij de Drie Leliën! of zij er nog wakker bungelen!« zegt hij, »kom,

voorwaarts, genannen! of zijt ge bang, dat ze u bij de haren zullen

grijpen?--Begot, ik niet; de stroppen werden er te fiksch omgedraaid.«

--»Bang wel niet,« zeide er een, »maar het is hier niet pluis; of zou

ik niet weten, dat Aagt Jaffies hier iederen avond komt spoken. Dat

wijf heeft geene rust in de kist omdat ze, in den tijd van schout

Foppens, er zoo velen verklapt en op de palei heeft gebracht.«

--»En dan die lange zoetelaar,« zeide een ander, »die kent de tooverij:

zijne twee kameraden hebben er van gerept, dat hij in den kelder met

den Paardenpoot heeft gesproken; zij hebben dien ook door de traliën

zien komen en weer heengaan, nadat hij hem een doosje tooverzalf in

de hand had gestoken. Ik ten minste durfde hem den strop niet om den

nek slaan; want al wordt zoo een geworgd, de duivel staat hem later

weer bij, en wie het eerst onder de galg komt, wordt de hals door

hem gebroken.«

--»Zijt gij razend of dol?« riep Heinsz, die minder dan de anderen

door de bijgeloovigheid van zijn tijd scheen aangestoken. »Als het

waar is, dat hij nog leeft, terwijl hij daar hangt, dan zal ik hem

nu wel voor goed zijn pas geven. Voort, aan 't werk!«

--»Hoor, daar rammelen de kettings!« riep er een, terwijl hij over

den schouder van een zijner makkers heen keek, »dat is de weerwolf,

die hier op dit uur komt: kijk eens, hoe zijne oogen branden.«

--»Wij hadden geene maller plaats kunnen uitkiezen, om die kerels op

te hangen,« merkte een wever aan, »maar kom, wij durven hem met ons

allen wel aan.«

--»Wie lust heeft--ik niet,« sprak de ander, »ik ben er den vorigen

winter door in de beenen gebeten, en is niet Willem de kuiper er een

oor door kwijtgeraakt, nadat hij een halfuur lang op den harigen rug

van 't spooksel had moeten heen en weer rijden?«

--»Kom, bij al de duivels uit de hel!« schreeuwde Heinsz, »laat het

Aagt Jaffies wezen--het wordt meer dan tijd. Aan 't werk genannen! waar

is ons gereedschap?«

--»Hier!« liet een wever hooren, die nu dichter den kring naderde,

»wij hebben niets vergeten--dan het zout.«

--»Het zout!« lachten eenigen, »dat is weer een zet van den rederijker:

leve rhetorica!«

Thans wierpen de twee flambouwen haar licht op den ganschen hoop,

en het tooneel, dat zich liet onderscheiden, was even zonderling

als huiveringwekkend. Behalve de ton, die aan den brouwersknecht

Heinsz scheen te behooren, zag men eene ladder, die door een paar

handen overend werd gehouden. Een der anderen was van eene groote,

breede schaar voorzien, en hield tevens een stuk perkament vast, ter

grootte en in den vorm van een brief, waarop eenige letters geschreven

waren. Een ander zwaaide een kleinen standaard heen en weder, waarop

met bloedroode verw een zwaard was geschilderd, aan welks eene zijde

men negen penningen en den tienden op de punt ontwaarde: aan de andere

zijde van het vendel zag men een bril (den bril of briel, dien Alva

verloren had) benevens een fluitje, met een oor aan iedere zijde

van de punt des zwaards, en daaronder met groote letters: »vivent

les Gueux!« als wilde men toonen, dat er binnen Haarlem eenige van

dezelfde geuzen waren, die in vroegere gevechten dit vendel gevoerd

hadden. Voorts hadden twee hunner eene groote met bier gevulde kan op

de ton geplaatst en namen er beurtelings eene teug uit, als om nog

meer moed te grijpen tot de aan te vangen vreeselijke handeling. En

die handeling was vreeselijk; het was een akelig nachtstuk voor het

penseel. Die ruwe donkere Januari-nacht in eene belegerde vest; geene

enkele star aan den met grauwe wolken bedekten hemel; het naar geruisch

van den wind evenals of een kwaadvoorspellende geest met een talrijk

gevolg over de naburige huizen heenvoer. Eene schare uit de heffe

des volks, door dronkenschap bedwelmd en daardoor eene komische zijde

gevende aan de wraakzucht, die hen orde en band had doen verscheuren,

die hen met dierlijke drift het afschuwelijkst voornemen had doen

vormen, en die nog in hen gloeide. Maar huiveringwekkend bovenal die

houten galg, waaraan de slachtoffers der volkswoede hingen; het was

als hoorde men nog telkens hun afnemend gekerm, hunne zieltogende

zuchten na de eerste weeën der foltering; en toch was het niets dan

windvlaag op windvlaag, die van den kant van het huis Ter Kleef over

Haarlems's wallen tegen de naburige huizen werd gestuit.

--»Komaan!« zeide Heinsz, de bierkan heen en weer zwierende,

»eer de dag aankomt, moeten wij gereed zijn; wie zal de stroppen

afsnijden? want ik blijf bij de ton.«

Sommigen spraken andermaal van geesten en spoken, van gemeenschap

met den Booze en de tooverkracht van een der zoetelaars; doch daar

er niets verdachts naderde, werden zij stouter en dachten nu meer

aan het gevaarlijke van het werk zelf.

--»Niet allen tegelijk!« liet er een hooren, »'t is halsbrekenswerk,

waar we niet bijster op zijn verzot. Maar één moet er toch zijn,

en dat zal ik wezen; ik ben 't klimmen nog al gewoon.«

--»Vivent les Gueux!« klonk het, en hij, die het figuurlijke vendel

van den tienden penning droeg, zwaaide het een paar malen heen en weer.

--»Zet de ladder aan!« sprak Heinsz; en onder een golvende beweging

en rumoer wordt dit ten uitvoer gebracht. Twee der schrikgestalten

beklommen ze nu, en een oogenblik daarna hoorde men reeds een doffen

val onder de galg. Ieder wist, wat dit was, en als tijgers op hunne

prooi schoten eenigen toe, om zich van het afgesneden lijk meester te

maken. Dezelfde val werd eenige seconden daarna herhaald, de ladder

verplaatst, en onder een schaterend woest gelach en den uitroep: »van

onder!« waren binnen weinige oogenblikken elf der lichamen van de galg

naar beneden geploft. Wellicht dat men den eenen der ongelukkigen, dien

men van tooverij verdacht hield, toch had laten hangen. Thans greep

er iets plaats, hetwelk ieders huivering zou opgewekt hebben, zelfs

dan wanneer men in het land der kannibalen door eene nedergehurkte

horde dit had zien plegen. Nu en dan zag men het licht der flambouwen

bewegen, en lange slagschaduwen allerlei kronkelingen en vormen

aannemen; nu en dan hoorde men een krakend of knarsend geluid door

helsche kreten vergezeld en door gelach afgewisseld, en men kan

zich voorstellen, wat er plaats had gegrepen, toen men het laatste

bedrijf van het tooneel aanschouwde. Men verbeelde zich elf hoofden

van de rampzaligen, die daags tevoren op de gewelddadigste wijze

waren omgebracht. Maar niet genoeg. Nog had de moedwil van de wraak

het schandbedrijf zwarter gemaakt, door aan die elf hoofden naar de

wijze der geuzen, de haren te korten of ten halve af te scheren, en

men rilt bij de gedachte, hoe de plegers van dit feit een schaterend

gelach aanhieven, toen de echte geuzenkoppen, zooals zij ze noemden,

achtereenvolgens in de ton werden gekuipt.

--»Weg met duc D'Alf, den bloedhond!« klonk het echter opeens.

--»Dat hij verdoemd zij!« riep een ander, »en al de Spanjolen eeuwig

in de hel branden!«

--»Neen!« schreeuwde een derde op den ondubbelzinnigsten toon der

ironie, »duc D'Alf is onze brave patroon! van ganscher hart betalen

wij hem den tienden penning en den elfden tot intrest er bij. Leve

duc D'Alf, die zorgt, dat een ieder zijne schuld kan voldoen.«

Onder deze woorden werd andermaal het vaandel van den tienden penning

met bebloede handen heen en weer gezwaaid; en als het sprekend bewijs,

dat allen de ironie van hunnen makker verstonden, klonk uit aller mond

een schorre vloek, waarmede de naam van duc D'Alf op de krachtigste

wijze vermengd werd.

--»Wakker aan, kuipersbaas!« liet Heinsz hooren, »dicht nu de ton,

ofschoon er het zout aan ontbreekt, en opgepast, dat er geen enkele

penning kan verloren gaan!«

Door eenige doffe slagen, die in den hollen nacht weerklonken, werd aan

dit werk de hand gelegd; en nadat men de ton een paar malen links en

rechts had gerold om zich te verzekeren, dat ze niet open zou kunnen

gaan, werd met spijkers de brief er op vastgemaakt, waarop de volgende

ontzettende woorden te lezen stonden:

»Wij zenden Alva voor den tienden penning, waarom hij Haarlem

belegerd houdt, deze tien koppen en den elfden voor intrest,

opdat hij over geene schrale betaling hebbe te klagen.«

Tegen het aanbreken van den morgen nu werd deze ton van het blokhuis

der Kruispoort naar de vijandelijke verschansing geworpen--en niet

zoodra had dit plaats gegrepen, of de gloeiende wraakzucht van

soldaten en burgers was gekoeld; men had den Spanjaard het bewijs

gegeven, dat niet alleen diens hoop op overgave van de stad ijdel was,

maar dat men ook binnen Haarlem niet terugdeinsde, om wreedheid met

wreedheid te vergelden.

Maar wij ijzen bij zulk eene wreedheid, hoezeer zij dan ook de waarheid

bevestigd, tot wat dollen schimp en ontzettende wraak de menschelijke

natuur in staat is en hoe zij verwilderd en door bitterheid kan gesard

worden.--Toch is de bevestiging dier waarheid niet in staat om de smet

weg te wisschen, die op Haarlem's roem was geworpen. Haarlem had zich

bezoedeld, onteerd, en wanneer Ripperda en Van der Laan aan de eerste

opwellingen hunner verontwaardiging gehoor hadden willen geven, dan

wellicht ware in de stad een bloedtooneel het gevolg geweest.--Er

zijn in het menschelijk leven woelingen en schokken, die men niet

moet bestrijden naar de inspraak van het geschokt gemoed; somtijds

moeten wij ze dragen; want altijd den kamp te voeren, zou noodlottig

of nutteloos zijn, evenals wanneer wij ons wilden verzetten tegen het

geweld eener aardbeving of eene andere worsteling der natuur. Ofschoon

de geschiedenis er van zwijgt, doen de verdere handelingen der burgers

ons vermoeden, dat de eigenlijke aanleggers dier wraakoefening niet

ongestraft zijn gebleven. Doch aan den anderen kant moeten wij dit

betwijfelen. Eene algemeene straf, te midden van zóóveel wraak en haat

zou veruitziende gevolgen kunnen hebben gehad in eene stad, die zich

met alle inspanning aan het Spaansche juk wilde ontwringen en daarom

den Spanjaard niet vreesde. Ook was het feit gepleegd geworden door

menschen, opgevoed in den geringsten stand der maatschappij. Bij eene

te forsche beteugeling of straf der eerste wraakkoeling zou wellicht

eene gansche bevolking niet zoo onvermoeid de handen hebben gerept tot

het opwerpen van een nieuwen wal, waartoe het besluit reeds genomen

was. In allen gevalle ook had de onmenschelijke handeling jegens hopman

De Koning de wrake uitgetart, en De Koning was bij al de Haarlemmers

als een moedig, onverschrokken krijgsman bekend,--De Koning had

getracht Haarlem te ontzetten.--Ook verlieze men niet uit het oog, dat

een der soldaten van hopman Wittenberg, acht dagen tevoren als bode uit

de stad vertrokken, door den mist op het Haarlemmermeer verdwaald, in

's vijands hand was gevallen. Zich als deserteur voorgedaan hebbende,

was het hem gelukt, bij de Spaansche pionniers of delvers aangesteld

te worden. In den vroegen morgen echter van den zeventienden Januari

had hij zijne kans waargenomen om weder binnen de stad te komen;

en nu deed hij een getrouw verhaal van al de wreedheden, die de

Spanjaarden aan de drie hoplieden gepleegd hadden. Ook verzweeg hij

niet, hoe Baptist van Trier dienzelfden morgen nog leefde en onder

zijne folterende smarten nog de kreten had laten hooren: »wreekt

Baptist van Trier! de dood aan de Spanjaards!«

Wellicht, dat men daarom de ontzettende vergelding eenigszins

met verschooning beschouwde; of mogelijk, dat men de eensklaps

ontbrande volkswoede met een vulkaan vergeleek, die, na zijne rook

en vuurkolommen onbeteugeld te hebben uitgebraakt, weder lange rust

beloofde.

Dit echter was het waarachtig uitvloeisel eener afschuwelijke

handelwijze: weder zou de Spanjaard nieuwe wraak zweren, en zoo bleven

verbittering en wraak steeds voortbranden om niet uitgebluscht te

worden dan met vernieling en dood.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 5 / 21 题