Niet zoodra was het hoofd van Philippus de Koning op den wal geworpen,
of de kreten van afschrik en verbittering lieten zich eenpariger
hooren. Sommigen wierpen hunne musketten uit de hand, en snelden,
op het gezicht van het bebloede hoofd, naar de plaats, waar het
nedergeslingerd was. Zij, die zelden een den Christen onwaardigen
vloek op de lippen hadden, gaven er thans, in hunne woede, den vollen
teugel aan, en hier en daar hoorde men den uitroep: »dat God den
Spanjaard verdoeme!«
--»De poort uit! wraak op 't bloedgespuis!« riepen sommigen.
--»Waar is Ripperda?« vroegen anderen, terwijl zij de vuisten balden
en den gloed der wraak in hunne blikken vertoonden. »Den uitval! de
poort uit! met één vendel op de bloedhonden los!«
--»Zóó vermoorden zij onze broeders!« riep een schutter, die het
hoofd van De Koning in de hand hield, en het, op de tanden knarsende,
dreigend aanzag. »Wraak, wraak!« riep hij schor; »geene hand meer
aan het rapier, als dat schendig stuk niet gewroken wordt.«
--»Ja!« liet een ander hooren, »vóór de wraak geen hand meer aan
het rapier!« Dit zeggende, greep hij het bebloede voorwerp bij het
haar, hield het hoog boven de schouders, zijnen makkers voor oogen,
en riep toen op krassenden toon uit: »Vóór zijn dood heeft die mond
wraak geroepen: leest ze nog in zijn doffen blik, makkers, en zweren
wij ze, eer de zon ondergaat.«
--»Dat zweer ik!« riep de een na den ander, »wraak voor hopman De
Koning, eer de zon ondergaat.«
--»Naar de gevangenis!« riepen eenigen tegelijk, »daar zijn schelmen
genoeg, die het kunnen vergelden. Wie gaat er mee? Die in de gevangenis
zijn, moeten aan den strop!«
Ongeveer vijftig van de hevigst verbitterden wilden oogenblikkelijk
van de wallen snellen, om aan de krijgsgevangenen in de kelders van
het stadhuis hunne verbittering te koelen. Thans echter sprong Van
Duivenvoorde te voorschijn, en zich voor de doldriftigsten plaatsende,
zeide hij: »Terug, mannenbroeders! geen braaf soldaat gaat van den wal,
zoolang er te strijden is.«
--»Wij moeten ons wreken,« riepen een paar hunner, »hopman De Koning
was een wakker man; wraak over zijn dood!«
--»Terug!« beval ook Lancelot van Brederode, »wreekt u op het
roofgespuis, door hun de volle laag te geven: dat is de beste
vergelding: vuur, mannen, vuur!«
--»Daar is tijd genoeg toe!« liet het zich hooren, »eerst de galg en
dan vuur! Voort, van den wal!«
Vergeefs, dat thans Van Brederode, Van Duivenvoorde en andere hoplieden
langer den toon des gezags bezigden om alle gewelddadigheden te
voorkomen en de soldaten tot hunnen plicht te nopen. Onder kreten
van wraak verlieten sommigen den wal, met het doel om de gevangenis
open te breken en allen, die er zich in bevonden, om het leven te
brengen. Intusschen was Asinga Ripperda naar zijn broeder gesneld,
en eer de woestelingen zich twintig schreden van den wal hadden
verwijderd, stond Wigbolt Ripperda voor hen.
--»Wat wilt gij, mannenbroeders!« vroeg hij, »hoe! de brave verdedigers
van Haarlem verlaten den wal!....«
--»Dat nooit!« sprak een hunner, »maar wij willen den dood wreken van
een wakker man; zie, wat de bloedhonden hebben gedaan!« Dit zeggende,
wees hij op het voorwerp, dat een der schutters in de hand hield,
en een rauwe kreet van afgrijzen ontsnapte opnieuw aan zijn mond.
--»Ik weet het,« zeide Ripperda, »en ook in mij kookt de gramschap;
maar wat wraak wilt gij?«
--»De strop aan de honden, die in de gevangenis zijn!« schreeuwde men,
»voort, naar het stadhuis!«
--»Dat in eeuwigheid niet, zoo lang nog mijn gezag geldt,« sprak
Ripperda, »geene onwettige wraak, die Haarlem tot schande strekt.«
--»Wij slaan aleer geene hand aan 't rapier,« klonk het, terwijl
sommigen zich verder den weg baanden. Op eens echter namen nu
Ripperda's oogen eene dreigende uitdrukking aan, niet ongelijk aan
een stroom, die ontzaglijk in breede golven stijgt, wanneer de wind
zich verheft. IJlings een paar schreden terugspringende, slaat hij
de hand aan zijn degengevest, werpt de blikken op de menigte en zegt
op vasten toon: »Ik ben Ripperda!«
Oogenblikkelijk zag men den indruk dezer woorden, die wellicht
veel geringer ware geweest, wanneer Ripperda aanstonds met straf
had gedreigd. Eenigen weken terug naar den wal; doch anderen, niet
zoo licht te bevredigen, lieten nog den uitroep hooren: »Niet naar
de vest, heer Ripperda! voor dat gij ons wraak hebt beloofd.«
--»Die beloof ik!« hernam de kloeke Fries, »maar wraak, die den
soldenier van eer past; een uitval, tot 's vijand nederlaag en de
glorie der stad.«
--»Wanneer?«
--»Op morgen; dat zegt Ripperda!«
--»Terug naar den wal! Ripperda heeft het gezegd!« klonk liet
thans. »Op morgen de wraak!«
Inderdaad had Ripperda's houding zooveel invloed uitgeoefend, dat de
verdedigers terugkeerden en hunne gramschap door eene verdubbelde
lading der musketten en serpentijnbuksen lucht gaven. De tijd was
nog niet gekomen, dat een dolle hoop de muitvaan zou opsteken. Maar
schoon de soldaten weder naar de bevelen der hoplieden luisterden,
was de gebeurtenis van het bloedige hoofd reeds in al de wijken
doorgedrongen. Even gloeiend was de verbittering, die zij onder de
heffe des volks teweeg bracht. Toen men hoorde, dat Ripperda het
voornemen had verijdeld, steeg ze tot woede en eer er een halfuur
was verloopen, had er bij het stadhuis een tooneel plaats, dat de
waarheid van het gezegde staaft, hoe menschen, in den laagsten stand
der maatschappij opgevoed, altijd eene bloedige vergelding nemen.
Evenals thans was de ingang tot de kelders der gevangenen in de
Zijlstraat. Nu verbeelde men zich eenige kloekgespierde brouwers-,
mouters- en scheepsmakersknechts, onder welke zich ook de beruchte
Heinsz bevond. Met geweld en onder doffe bedreigingen hadden zij
den cipier de sleutels ontnomen, en baanden zich nu ter linker- en
rechterzijde een weg. De gevangenen, op wie men het eigenlijk gemunt
had, waren een Waal en acht Duitschers, benevens drie zoetelaars
van Amsterdam, op welke laatste men nog daarenboven hevig verbitterd
was. Vergeefs, dat burgemeester Van der Laan en Van Vliet zich een weg
zoeken te openen en de menigte tot bedaren te brengen. Honderden hebben
zich in de Zijlstraat en op den hoek van het raadhuis opeengepakt,
en terwijl er nu en dan eenigen naar binnen stormen, hoort men niet
dan de kreten: »wraak voor De Koning! het gespuis aan den strop!«
Nooit wellicht werd eene daad van willekeur, van schennis sneller
volvoerd. Wat Ripperda door zijn onwederstaanbaar gezag had weten te
verhinderen, kon door al de macht, welken den schout Van Dordt ten
dienste stond, onmogelijk belet worden; want de woede van de laagste
volksklasse nam eene zoo spoedige en hevige wraak, dat elke poging
tot beteugeling vergeefs was. Ongeveer een uur later hingen dan ook
reeds de twaalf rampzaligen aan eene galg, welke men tusschen het
blokhuis van het Kraaiennest en de Kruispoort geplant had, en klonken
den vijand reeds de kreten tegemoet: »sta, Spanjolengebroed! twaalf
voor een! zoo wreken zich de mannen van Haarlem! vivent les Gueux!«
Maar nadat de nacht zijn sluier over dit schandelijk tooneel van
verguizing van het wettig gezag had uitgespreid, werd de gebeurtenis
met nog donkerder verwen gekleurd.--Het is ongeveer drie ure; van de
Margarethastraat naderen eenige mannen de plaats, waar de twaalf aan de
galg door den opstekenden wind heen en weder worden geslingerd.--Twee
hunner dragen eene kleine flambouw, en het licht werpt zijn schijnsel
op de kolossale gestalte van Heinsz, den brouwersknecht. Met behulp van
een ander torscht hij eene groote ton, en zijne gelaatstrekken doen
duidelijk zien, dat hij, zoowel als de overigen, door dronkenschap
is bedwelmd.
--»Bij de Drie Leliën! of zij er nog wakker bungelen!« zegt hij, »kom,
voorwaarts, genannen! of zijt ge bang, dat ze u bij de haren zullen
grijpen?--Begot, ik niet; de stroppen werden er te fiksch omgedraaid.«
--»Bang wel niet,« zeide er een, »maar het is hier niet pluis; of zou
ik niet weten, dat Aagt Jaffies hier iederen avond komt spoken. Dat
wijf heeft geene rust in de kist omdat ze, in den tijd van schout
Foppens, er zoo velen verklapt en op de palei heeft gebracht.«
--»En dan die lange zoetelaar,« zeide een ander, »die kent de tooverij:
zijne twee kameraden hebben er van gerept, dat hij in den kelder met
den Paardenpoot heeft gesproken; zij hebben dien ook door de traliën
zien komen en weer heengaan, nadat hij hem een doosje tooverzalf in
de hand had gestoken. Ik ten minste durfde hem den strop niet om den
nek slaan; want al wordt zoo een geworgd, de duivel staat hem later
weer bij, en wie het eerst onder de galg komt, wordt de hals door
hem gebroken.«
--»Zijt gij razend of dol?« riep Heinsz, die minder dan de anderen
door de bijgeloovigheid van zijn tijd scheen aangestoken. »Als het
waar is, dat hij nog leeft, terwijl hij daar hangt, dan zal ik hem
nu wel voor goed zijn pas geven. Voort, aan 't werk!«
--»Hoor, daar rammelen de kettings!« riep er een, terwijl hij over
den schouder van een zijner makkers heen keek, »dat is de weerwolf,
die hier op dit uur komt: kijk eens, hoe zijne oogen branden.«
--»Wij hadden geene maller plaats kunnen uitkiezen, om die kerels op
te hangen,« merkte een wever aan, »maar kom, wij durven hem met ons
allen wel aan.«
--»Wie lust heeft--ik niet,« sprak de ander, »ik ben er den vorigen
winter door in de beenen gebeten, en is niet Willem de kuiper er een
oor door kwijtgeraakt, nadat hij een halfuur lang op den harigen rug
van 't spooksel had moeten heen en weer rijden?«
--»Kom, bij al de duivels uit de hel!« schreeuwde Heinsz, »laat het
Aagt Jaffies wezen--het wordt meer dan tijd. Aan 't werk genannen! waar
is ons gereedschap?«
--»Hier!« liet een wever hooren, die nu dichter den kring naderde,
»wij hebben niets vergeten--dan het zout.«
--»Het zout!« lachten eenigen, »dat is weer een zet van den rederijker:
leve rhetorica!«
Thans wierpen de twee flambouwen haar licht op den ganschen hoop,
en het tooneel, dat zich liet onderscheiden, was even zonderling
als huiveringwekkend. Behalve de ton, die aan den brouwersknecht
Heinsz scheen te behooren, zag men eene ladder, die door een paar
handen overend werd gehouden. Een der anderen was van eene groote,
breede schaar voorzien, en hield tevens een stuk perkament vast, ter
grootte en in den vorm van een brief, waarop eenige letters geschreven
waren. Een ander zwaaide een kleinen standaard heen en weder, waarop
met bloedroode verw een zwaard was geschilderd, aan welks eene zijde
men negen penningen en den tienden op de punt ontwaarde: aan de andere
zijde van het vendel zag men een bril (den bril of briel, dien Alva
verloren had) benevens een fluitje, met een oor aan iedere zijde
van de punt des zwaards, en daaronder met groote letters: »vivent
les Gueux!« als wilde men toonen, dat er binnen Haarlem eenige van
dezelfde geuzen waren, die in vroegere gevechten dit vendel gevoerd
hadden. Voorts hadden twee hunner eene groote met bier gevulde kan op
de ton geplaatst en namen er beurtelings eene teug uit, als om nog
meer moed te grijpen tot de aan te vangen vreeselijke handeling. En
die handeling was vreeselijk; het was een akelig nachtstuk voor het
penseel. Die ruwe donkere Januari-nacht in eene belegerde vest; geene
enkele star aan den met grauwe wolken bedekten hemel; het naar geruisch
van den wind evenals of een kwaadvoorspellende geest met een talrijk
gevolg over de naburige huizen heenvoer. Eene schare uit de heffe
des volks, door dronkenschap bedwelmd en daardoor eene komische zijde
gevende aan de wraakzucht, die hen orde en band had doen verscheuren,
die hen met dierlijke drift het afschuwelijkst voornemen had doen
vormen, en die nog in hen gloeide. Maar huiveringwekkend bovenal die
houten galg, waaraan de slachtoffers der volkswoede hingen; het was
als hoorde men nog telkens hun afnemend gekerm, hunne zieltogende
zuchten na de eerste weeën der foltering; en toch was het niets dan
windvlaag op windvlaag, die van den kant van het huis Ter Kleef over
Haarlems's wallen tegen de naburige huizen werd gestuit.
--»Komaan!« zeide Heinsz, de bierkan heen en weer zwierende,
»eer de dag aankomt, moeten wij gereed zijn; wie zal de stroppen
afsnijden? want ik blijf bij de ton.«
Sommigen spraken andermaal van geesten en spoken, van gemeenschap
met den Booze en de tooverkracht van een der zoetelaars; doch daar
er niets verdachts naderde, werden zij stouter en dachten nu meer
aan het gevaarlijke van het werk zelf.
--»Niet allen tegelijk!« liet er een hooren, »'t is halsbrekenswerk,
waar we niet bijster op zijn verzot. Maar één moet er toch zijn,
en dat zal ik wezen; ik ben 't klimmen nog al gewoon.«
--»Vivent les Gueux!« klonk het, en hij, die het figuurlijke vendel
van den tienden penning droeg, zwaaide het een paar malen heen en weer.
--»Zet de ladder aan!« sprak Heinsz; en onder een golvende beweging
en rumoer wordt dit ten uitvoer gebracht. Twee der schrikgestalten
beklommen ze nu, en een oogenblik daarna hoorde men reeds een doffen
val onder de galg. Ieder wist, wat dit was, en als tijgers op hunne
prooi schoten eenigen toe, om zich van het afgesneden lijk meester te
maken. Dezelfde val werd eenige seconden daarna herhaald, de ladder
verplaatst, en onder een schaterend woest gelach en den uitroep: »van
onder!« waren binnen weinige oogenblikken elf der lichamen van de galg
naar beneden geploft. Wellicht dat men den eenen der ongelukkigen, dien
men van tooverij verdacht hield, toch had laten hangen. Thans greep
er iets plaats, hetwelk ieders huivering zou opgewekt hebben, zelfs
dan wanneer men in het land der kannibalen door eene nedergehurkte
horde dit had zien plegen. Nu en dan zag men het licht der flambouwen
bewegen, en lange slagschaduwen allerlei kronkelingen en vormen
aannemen; nu en dan hoorde men een krakend of knarsend geluid door
helsche kreten vergezeld en door gelach afgewisseld, en men kan
zich voorstellen, wat er plaats had gegrepen, toen men het laatste
bedrijf van het tooneel aanschouwde. Men verbeelde zich elf hoofden
van de rampzaligen, die daags tevoren op de gewelddadigste wijze
waren omgebracht. Maar niet genoeg. Nog had de moedwil van de wraak
het schandbedrijf zwarter gemaakt, door aan die elf hoofden naar de
wijze der geuzen, de haren te korten of ten halve af te scheren, en
men rilt bij de gedachte, hoe de plegers van dit feit een schaterend
gelach aanhieven, toen de echte geuzenkoppen, zooals zij ze noemden,
achtereenvolgens in de ton werden gekuipt.
--»Weg met duc D'Alf, den bloedhond!« klonk het echter opeens.
--»Dat hij verdoemd zij!« riep een ander, »en al de Spanjolen eeuwig
in de hel branden!«
--»Neen!« schreeuwde een derde op den ondubbelzinnigsten toon der
ironie, »duc D'Alf is onze brave patroon! van ganscher hart betalen
wij hem den tienden penning en den elfden tot intrest er bij. Leve
duc D'Alf, die zorgt, dat een ieder zijne schuld kan voldoen.«
Onder deze woorden werd andermaal het vaandel van den tienden penning
met bebloede handen heen en weer gezwaaid; en als het sprekend bewijs,
dat allen de ironie van hunnen makker verstonden, klonk uit aller mond
een schorre vloek, waarmede de naam van duc D'Alf op de krachtigste
wijze vermengd werd.
--»Wakker aan, kuipersbaas!« liet Heinsz hooren, »dicht nu de ton,
ofschoon er het zout aan ontbreekt, en opgepast, dat er geen enkele
penning kan verloren gaan!«
Door eenige doffe slagen, die in den hollen nacht weerklonken, werd aan
dit werk de hand gelegd; en nadat men de ton een paar malen links en
rechts had gerold om zich te verzekeren, dat ze niet open zou kunnen
gaan, werd met spijkers de brief er op vastgemaakt, waarop de volgende
ontzettende woorden te lezen stonden:
»Wij zenden Alva voor den tienden penning, waarom hij Haarlem
belegerd houdt, deze tien koppen en den elfden voor intrest,
opdat hij over geene schrale betaling hebbe te klagen.«
Tegen het aanbreken van den morgen nu werd deze ton van het blokhuis
der Kruispoort naar de vijandelijke verschansing geworpen--en niet
zoodra had dit plaats gegrepen, of de gloeiende wraakzucht van
soldaten en burgers was gekoeld; men had den Spanjaard het bewijs
gegeven, dat niet alleen diens hoop op overgave van de stad ijdel was,
maar dat men ook binnen Haarlem niet terugdeinsde, om wreedheid met
wreedheid te vergelden.
Maar wij ijzen bij zulk eene wreedheid, hoezeer zij dan ook de waarheid
bevestigd, tot wat dollen schimp en ontzettende wraak de menschelijke
natuur in staat is en hoe zij verwilderd en door bitterheid kan gesard
worden.--Toch is de bevestiging dier waarheid niet in staat om de smet
weg te wisschen, die op Haarlem's roem was geworpen. Haarlem had zich
bezoedeld, onteerd, en wanneer Ripperda en Van der Laan aan de eerste
opwellingen hunner verontwaardiging gehoor hadden willen geven, dan
wellicht ware in de stad een bloedtooneel het gevolg geweest.--Er
zijn in het menschelijk leven woelingen en schokken, die men niet
moet bestrijden naar de inspraak van het geschokt gemoed; somtijds
moeten wij ze dragen; want altijd den kamp te voeren, zou noodlottig
of nutteloos zijn, evenals wanneer wij ons wilden verzetten tegen het
geweld eener aardbeving of eene andere worsteling der natuur. Ofschoon
de geschiedenis er van zwijgt, doen de verdere handelingen der burgers
ons vermoeden, dat de eigenlijke aanleggers dier wraakoefening niet
ongestraft zijn gebleven. Doch aan den anderen kant moeten wij dit
betwijfelen. Eene algemeene straf, te midden van zóóveel wraak en haat
zou veruitziende gevolgen kunnen hebben gehad in eene stad, die zich
met alle inspanning aan het Spaansche juk wilde ontwringen en daarom
den Spanjaard niet vreesde. Ook was het feit gepleegd geworden door
menschen, opgevoed in den geringsten stand der maatschappij. Bij eene
te forsche beteugeling of straf der eerste wraakkoeling zou wellicht
eene gansche bevolking niet zoo onvermoeid de handen hebben gerept tot
het opwerpen van een nieuwen wal, waartoe het besluit reeds genomen
was. In allen gevalle ook had de onmenschelijke handeling jegens hopman
De Koning de wrake uitgetart, en De Koning was bij al de Haarlemmers
als een moedig, onverschrokken krijgsman bekend,--De Koning had
getracht Haarlem te ontzetten.--Ook verlieze men niet uit het oog, dat
een der soldaten van hopman Wittenberg, acht dagen tevoren als bode uit
de stad vertrokken, door den mist op het Haarlemmermeer verdwaald, in
's vijands hand was gevallen. Zich als deserteur voorgedaan hebbende,
was het hem gelukt, bij de Spaansche pionniers of delvers aangesteld
te worden. In den vroegen morgen echter van den zeventienden Januari
had hij zijne kans waargenomen om weder binnen de stad te komen;
en nu deed hij een getrouw verhaal van al de wreedheden, die de
Spanjaarden aan de drie hoplieden gepleegd hadden. Ook verzweeg hij
niet, hoe Baptist van Trier dienzelfden morgen nog leefde en onder
zijne folterende smarten nog de kreten had laten hooren: »wreekt
Baptist van Trier! de dood aan de Spanjaards!«
Wellicht, dat men daarom de ontzettende vergelding eenigszins
met verschooning beschouwde; of mogelijk, dat men de eensklaps
ontbrande volkswoede met een vulkaan vergeleek, die, na zijne rook
en vuurkolommen onbeteugeld te hebben uitgebraakt, weder lange rust
beloofde.
Dit echter was het waarachtig uitvloeisel eener afschuwelijke
handelwijze: weder zou de Spanjaard nieuwe wraak zweren, en zoo bleven
verbittering en wraak steeds voortbranden om niet uitgebluscht te
worden dan met vernieling en dood.