Behalve dat de Haarlemmers eene even geduchte en bloedige wraak
zwoeren, toen zij het hoofd van den hopman voor hunne voeten zagen
geworpen, klonk intusschen van iedere batterij het bevel, om den
belegeraars van alle kanten met de slangstukjes te bestoken.
Het spreekt vanzelf, dat dit door de vijanden niet lang onbeantwoord
werd gelaten, hoezeer deze zich sinds den laatsten storm al meer
en meer door het opwerpen van nieuwe schansen voor den aanval
der verdedigers hadden gepoogd te dekken. In een oogenblik waren
de Spaansche artillerie-officieren bij hunne slangstukken en de
losbarstingen klonken weer evenals de vorige dagen langs het Spaarne
en Haarlem's omstreken, ten teeken, dat de dagelijksche vernieling
van vriend en vijand weder herhaald werd.
Het geschutgedonder evenwel kon don Frederik niet terughouden van de
uitvoering van zijne plans met de vrouw van Van Duivenvoorde.
In zijne tent was Magdalena op zijn bevel verschenen, en voor den
ingang stonden Vallos benevens een drietal soldaten bij het werktuig,
waarvan wij geene beschrijving zullen geven, daar het woord pijnbank
reeds genoeg is, om ons het voorwerp in al zijn deelen en onderdeelen
levendig voor den geest te brengen.
Op een stoel in de prachtige legertent lag het capitansgewaad,
dat Magdalena in hare vlucht behulpzaam had moeten zijn, doch dat
thans wellicht het middel zou kunnen wezen ter ontdekking van haren
helper. Eenige officieren bevonden zich derhalve, op Frederik's bevel,
insgelijks in de tent, en het zal wel geene vermelding behoeven,
dat ook de hatelijke Marco onder dat getal was. Noodzakelijk is het
daarentegen, den lezer aandachtig te maken, dat don Pedro de Venavides
insgelijks te dezer plaatse geroepen was, en wij moeten dit vooral
dáárom zeggen, omdat de edele Spanjaard nu een wensch vervuld zag,
dien hij, zoodra het Magdalena gold, toch zou hebben gepoogd te
bereiken, hoewel hij misschien dan eene minder goede houding zou
hebben kunnen aannemen. Begrijpen zal men, waarom don Frederik ook
Venavides tegenwoordig deed zijn.
--»Señores!« sprak hij, »gij allen weet, hoe deze vrouw gepoogd
heeft te ontvluchten, en hoe Lorenzo Gonzales, dien ik den rang van
anspessado schonk, haar zulks verhinderd heeft. Ongerijmd ware het,
haar voor die poging te willen straffen; want wie zou de vlucht niet
zoeken en aangrijpen, wanneer hij in banden was? Maar er is mij ten
hoogste aan gelegen, den schuldige te kennen, die haar daarin de hand
heeft geleend; want zoo waarachtig als ik leef, deze moet een vijand
des konings, een samenzweerder met de rebellen zijn. Is er iemand
uwer, die in dit opzicht mijn gevoelen niet aankleeft? Dat hij dan
spreke en mij zijne gronden blootlegge.«
Een stilzwijgen van eenige seconden greep na deze woorden plaats;
de officieren hielden beurtelings op elkander de oogen, sloegen
ze nu eens op Frederik, dan weder op het bleek gelaat van vrouwe
Van Duivenvoorde, en ieder dacht reeds, dat niemand een woord zou
spreken, toen Venavides en Valdez beiden daartoe beweging maakten,
en de laatste zich aldus hooren liet:
--»Het schijnt mij als geheel onbewezen toe, señor, dat de helper
dezer vrouw juist een van 's konings officieren zou zijn. Hoevelen
bevinden zich niet in uw leger voor Haarlem, die geen Spanjaarden
heeten: waarom zou hij niet evenzeer een Hollander kunnen zijn?«
--»En deze kleeding van een capitan?....« hernam Frederik, »hoe zou
zij in handen van een Hollander gekomen zijn?«
Gedurende een tiental seconden zweeg men nu weder. Plotseling echter
nam Pedro de Venavides het woord op en zeide:
--»Ook schijnt het mij toe, señor, wie ook de helper dezer vrouw zij,
dat hij daarom geen vijand van den koning of een samenzweerder met
de rebellen behoeft te zijn.«
Aller, op Venavides gewende blikken namen bij deze woorden eene
uitdrukking van verbazing aan. Niet zonder reden! Dat was een gezegde,
zoo stout, zoo veelbevattend, dat hij, die het durfde uiten, een edel
en onverschrokken man als Venavides moest zijn. Dat waren geene woorden
van fluweel of zijde, noch los daarheen geworpen, maar woorden, die
ieders aandacht trokken als een ongewoon luchtverschijnsel,--woorden,
welke hen verbaasden, die ze hoorden, omdat zij wisten, wie Frederik
was, en hoeveel te meer moeten ze dus het karakter van Venavides doen
bewonderen, daar hij de man was, welke voor Magdalena zoo gaarne de
reddende engel zou geweest zijn.
--»Versta ik u wel, señor?« zeide Frederik, een scherpen blik op hem
slaande. »Wie ook; legt gij al den nadruk op dat woord; gij meent dus,
al ware ook een Spanjaard uit het leger, al ware een van u allen,
al waart gij die helper geweest?....«
--»Gij hebt mij wèl verstaan, señor!«
--»En een zoodanige zou dan geen vijand van den koning of geen
samenzweerder der rebellen zijn?«
--»Gelijk ik zeide, señor! zoo schijnt het ten minste mij.«
--»En mij, señor Venavides! schijnt het toe, dat denzulken recht zou
geschieden, wanneer hij als verrader gestraft wierd. En, wie hij ook
zijn mocht, al ware het mijn broeder, als verrader zal hij gestraft
worden, dat zweer ik. Hoe het intusschen zij, niet nu, maar wellicht
nog dezen dag zal ik u eene nadere verklaring vragen van hetgeen gij
gezegd hebt. Ik ben benieuwd naar grondstellingen, zooals er op de
hoogeschool van Burgos voorzeker wel nooit zullen aangekleefd zijn.«
--»Ik ben ieder uur bereid, señor, u die te doen hooren, in
tegenwoordigheid van al de ridders van Castilië, in tegenwoordigheid
van ieder, die als krijgsman den degen voert, zelfs in het bijzijn
van den koning;« bij dit laatste woord bracht hij de hand aan zijn
vederhoed, terwijl hij eene kleine ridderlijke buiging maakte voor
don Frederik.--
Een paar der officieren, welke Venavides geen gunstig hart toedroegen,
hadden wel gewenscht, dat don Frederik die verklaring thans gevraagd
hadde. Deze echter wendde zich ijlings tot Magdalena, en al het
forsche van den krijgsman met het scherpe en strenge van den rechter
vereenigende, zeide hij:
--»Voor het laatst, en in tegenwoordigheid dezer ridders en edellieden
vraag ik u, of gij den man zult noemen, die medeplichtig geweest is
aan uwe vlucht.«
--»Den Hollandschen naam moet wel overgroote laster gedaan zijn en
veel euvels aangetijgd,« antwoordde Magdalena fier en vastberaden,
»dat de Spanjaard den Hollander tot zoo eene laagheid in staat rekent,
om verrader te wezen van wie hem ter hulpe is geweest. Mogelijk, dat in
Nederland lieden worden gevonden, bekwaam tot zulk een bestaan; maar,
gewis dezulken zijn dan ontaard van hunne afkomst; want het doorgaand
karakter van den Nederlander is dankbaarheid voor betoonde dienst. Bij
velen is pijn of dood niet machtig genoeg, om de dankbaarheid te
verstikken, en eene derzulken ziet gij in mij. Bevelhebber van 's
konings leger voor Haarlem! gij vordert, dat ik den man zal noemen,
die zijn leven voor mij opzette; gij dreigt mij met pijn en dood, en
hebt mij alreeds den blik doen slaan op het schandtooneel; maar weet,
dat mij niets kan bewegen tot zoo snood bedrijf. Laat mij pijnigen;
eene vrouw kan alzoozeer smart verduren, als een moedig man. Nimmer
zal van mijne lippen komen, wat gij van mij afeischt: dat herhaal ik
met vastheid.«
Wanneer de onderscheidene Spaansche officieren niet tegenwoordig waren
geweest, zoude Frederik niet hebben vergund, haar antwoord op zijne
korte vraag in dier voege in te kleeden. Thans echter wilde hij niet
den despoot, maar den man voorstellen, die het zwaard der strengheid
niet aangrijpt, dan na het middel der strafontduiking gegeven en het
geduld te hebben laten uitputten. Beurtelings had hij het oog nu op
Magdalena, dan op Venavides geslagen; doch beider gelaat verried geen
zweem zelfs van bekendschap, veel minder van verstandhouding, en Marco
meende reeds, dat hem ook thans de gelegenheid tot wraak ontgaan zou.
--»Zulk eene hardnekkigheid zag ik nooit,« sprak Frederik. »Gij
hoort het, señores! tot wat dweperij deze ketters in staat zijn:
dat zijn uitbroeisels van die buitensporige en verderfelijke leer,
welke als een pestvuur door 's konings landen woedt en alles smet,
wat zij aanraakt; dat zijn uitspruitsels van den giftboom, die met
wortel en tak had moeten uitgeroeid worden.« En dit zeggende, liep
hij, met een grimmigen blik op Magdalena en met driftige stappen, de
legertent een paar malen op en neder. »En,« vervolgde hij, vlak voor
haar stilstaande, »wanneer ik u, als veldheer, mijn woord geef, dat
de schuldige niet met den dood gestraft, maar slechts uit 's konings
leger zal verwijderd worden, zult gij dan nog weigeren, hem te noemen?«
--»Evenzeer,« was het antwoord, »of gij mij ook toezegging gaaft,
dat geen haar van zijn hoofd zou gekrenkt worden, toch zou ik mijn
besluit niet herroepen.«
--»Bij St.-Peter! dat gaat te ver,« riep Frederik, en de naam van
den beul »(Vallos!)« kwam op zijne lippen; doch nog bedwong hij
zich. »Dat gaat te ver!« herhaalde hij, »maar gij zijt eene vrouw,
en eer ik straf, wil ik den laatsten weg van zachtmoedigheid en genade
inslaan. Zoo gij dien ook veracht, dan moogt gij barmhartigheid zoeken
bij de heilige moeder Gods.«
--»Vrouwe Van Duivenvoorde!« vervolgde hij met nadruk, en zonder de
vorige strengheid, terwijl hij èn op haar èn op Venavides tegelijk een
blik wierp, »uw vonnis, dit weet gij, is geveld; de pijnbank wacht u,
en daarna de onteerendste dood. Maar dit zeg ik u in tegenwoordigheid
dezer officieren van Zijne Majesteit; ik, don Frederik, zal u de
genade betoonen, die in mijne macht staat. Gij noemt mij den naam
van den schuldige, en zoo waarachtig als ik de zoon ben des hertogs
van Alva, zoo waarachtig zult gij leven en vrij zijn; nog dezen dag
zult gij ongedeerd binnen Haarlem uw gemaal terugzien.«
Nog sprak hij, toen er reeds een gefluister en gemompel onder de
officieren plaats greep. Deze had een dergelijk voorstel verwacht,
te meer daar de belegerden toch het hoofd niet zouden buigen: gene
twijfelde bijna niet, of de vrouwe Van Duivenvoorde zou dit middel tot
hare redding aangrijpen; de een spitste reeds de ooren, om den naam
des medeplichtigen op te vangen; een ander dacht, hoe zij misschien
iemand noemen zou, op wien toch geen verhaal was; en wie Venavides
gelaat op dat oogenblik nauwlettend had gadegeslagen, zou er een zweem
van spanning niet van verwijderd hebben gezien.--Dan, men verbeelde
zich de verbazing der meesten, toen Magdalena aldus antwoordde:
--»Don Frederik! zoo waarlijk als ik leef, tegen dezen prijs minst
van al. Ik zou zoo snood te werk gaan, dat ik mijn helper in een
afgrond stortte, om zelve buiten banden te geraken, 't Is waar, de
bekoring is groot; zoo ik hen, die mij lief zijn, terug kon zien,
maar.... nimmermeer zou ik mijn oog durven opheffen; wroeging zou mij
najagen, waar ik gaan mocht of staan, en alle zoet zou met bitterheid
zijn vermengd voor altoos. Neen, dat in eeuwigheid niet: geen geluk
tegen zoo een prijs.«
Terwijl zij dit sprak, had haar bleeke tint den blos der
verontwaardiging aangenomen; bij die verontwaardiging voegde zich eene
fierheid, die aan menig Spaansch ridder achting en eerbied afdwong;
de gevangene vrouw stond daar, alsof zij vrij ware; zij schitterde
daar als een diamant, en zou die dof worden of als eene glasscherf
verbrijzeld?
--»Dan kome uw bloed over u zelve,« riep Frederik als een tweede
Pilatus, »dan wasch ik mijne handen in onschuld. Kennen wil ik den
schuldige, die als vijand des konings samenspant met de ketters en
muiters van Haarlem.--« En nu weder met driftige stappen voorbij
Magdalena gaande, die rustig het oog op hem geslagen hield, zeide
hij forsch: »Vallos, sla de hand aan haar!»
Maar niet zoodra trad de verachtelijke beul een voetstap nader,
om als een hond op staanden voet aan het bevel te gehoorzamen, of
Frederik gebood hem, weder terug te gaan, en zich vervolgens naar den
stoel begevende, waarop het capitansgewaad lag, zeide hij halfluid:
»Alvorens nog dit:«
--»Wie van u, señores! draagt kennis aan deze kleeding?« vroeg hij,
en hield nu een streng en scherp oog op allen, duidelijk te kennen
gevende, dat zijne vraag ieder hunner in het bijzonder gold.
Niemand antwoordde echter: slechts een fluisterend gemompel liet
zich hooren, en half verstaanbaar onderscheidde men van een hunner
de woorden: »wat gaat het voor den satan mij aan?« Oogenblikkelijk
wendde Frederik een donker dreigenden blik naar dien kant heen, en
de woorden: »wie vermeet zich?« kwamen hem op de lippen; doch niet
zeker zijnde, wie dezen uitroep gewaagd had, vergenoegde hij zich
met een paar seconden, gramstorig, naar dien hoek heen te staren.
--»Is u dit gewaad bekend, señor Auecia?« vroeg hij nu dezen, met
het blijkbaar doel om langs de rij af te gaan.
--»Als het eene schilderij ware, señor!« was het half grimlachende
antwoord van Auecia, die ook later schandelijk toonde, een liefhebber
van schilderijen te wezen, »dan zou het mogelijk zijn: maar thans
verklaar ik, niet te weten of te gissen, van wien het zij.«
--»Geene scherts, señor!« zeide hij gramstorig, »vooral nu duld ik
die niet.«
--»En gij, señor?« vroeg hij nu aan Illaves, die volgde: doch ook
diens antwoord was ontkennend.
Thans werd dezelfde vraag aan Francisco de Valdez gedaan, en deze
waagde het, vrijmoedig te antwoorden:
--»Ik heb er nooit behagen in gevonden, señor, de kleeding eens mans
nauwlettend gade te slaan; meer betracht ik den mensch, in welken
dos ook. Ik verklaar dus op mijne eer, dat het mij spijt, u geene de
minste inlichting te kunnen verschaffen.«
Terwijl hij dit zeide, ontmoette hij toevallig of met opzet de oogen
van Marco, en terwijl hij er kwaadaardigen spot in meende te lezen,
namen de zijne eene uitdrukking van minachting en wrevel aan: dezen
keer echter ontging aan beider lippen geen woord.
Ook de overige officieren gaven te kennen, dat zij aan de kleeding
geen eigenaar konden toewijzen; en nu werd de vraag ook aan Venavides
gericht, die op een na de laatste van de rij was.
--»En gij, señor!« vroeg Frederik met eenigen meerderen nadruk op
dat woord gij, als wilde hij, dat aller aandacht bijzonder op dien
ridder gericht wierd, ten einde hem bij zijn antwoord te eerder in
verwarring te brengen.--Maar noch verwarring, noch verlegenheid was
bij Venavides zichtbaar, en hadden allen zich over zijn vorig gezegde
verbaasd.... hetgeen hij thans sprak, deed ieders verbazing de hoogste
verstomming worden. Te edel om zich door eene onbeschaamde logen
te redden, bezat hij genoeg ridderlijke koenheid om een antwoord
te geven, waarvoor allen, Valdez misschien uitgezonderd, zouden
teruggedeinsd hebben.
--»Señor!« sprak hij ernstig, terwijl er eene edele waardigheid in
zijne blikken straalde. »Het was op de krijgsschool te Burgos een
der eerste grondregels: »»gehoorzaam.«« Bij de andere plichten van
den krijgsman heb ik ook dien in mijn gemoed geprent, of liever ik
was zoo ten volle van deszelfs gewicht doordrongen, dat de grondregel
vanzelven in mijn gemoed werd gegrift. Maar op mijn eer! ik weet ook,
tot hoever die gehoorzaamheid zich uitstrekt. Ik weet, wat plicht
er als ridder en als krijgsman op mij rust; dien plicht heb ik tot
heden heilig gehouden, en zal hem nimmer zoeken te schenden. Maar waar
men van den ridder en krijgsman iets vordert, wat buiten dien kring
ligt, daar durf ik de eerste zijn, die er zijne stem tegen verheft,
schoon het mij dan ook gunsten moge doen derven, ja schoon het den
wrevel en weerzin van den bevelhebber op mij moge laden.--Ik acht
het dus geenszins mijn plicht te vergeten, wanneer ik bescheiden,
maar rond en onbeschroomd tevens, verklaar dat ik op deze vraag het
antwoord schuldig blijf.«
--»Welk eene vermetelheid!« fluisterde de een.
--»Dat is grenzenloos!« mompelde een ander.
--»Hij weet meer dan hij zegt,« beet een derde dengene, die naast
hem stond, in het oor.
Maar niet allen konden het zich verklaren, dat Frederik na deze
taal niet in gramschap losbarstte, dat hij Venavides niet beval,
den degen af te leggen, en dat hij slechts antwoordde: »Zeer wel,
señor, ik heb u verstaan!«
Doch toen hij zich nu tot den laatsten capitan keerde, greep er een
tooneel plaats, hetwelk misschien niemand voorzien had. Scheen al
don Frederik zijn toorn te verkroppen, geenszins was dit met Marco
het geval. Plotseling kwam er een trek van teleurstelling en spijt
op zijn gelaat, en een halven stap van de plaats aftredende, waar
hij zich bevond, zeide hij op duidelijk hoorbaren toon:
--»Als de kleeding niet aan señor Venavides past, dan past zij geen
mensch.«
Dat hoorde Venavides; en het te hooren en snel voorwaarts te springen,
was ééne beweging. Zoo schiet een moedig paard, wanneer het de
spoor in zijne zijde voelt dringen, schichtig van de plaats af,
en vuurstralen rollen uit zijne oogen.--De ruimte der tent was niet
groot, Marco slechts een viertal schreden van den ridder verwijderd
en al hadde Frederik's neef kunnen terugdeinzen, dan zou Venavides er
hem den tijd niet toe hebben gegeven. En nauwelijks is hij onstuimig
en verbitterd op hem aangesprongen, of Venavides' hand heft zich
schuins naar de hoogte en brengt vervolgens Marco een zoo forschen
slag in het aangezicht toe, dat hem het vuur uit de oogen schijnt te
springen, terwijl deze geweldige aanval met de woorden vergezeld gaat:
--»Ellendige lafaard! bewijs wat gij zegt en neem voldoening over
dezen hoon.«
Oogenblikkelijk zag men Marco's linkeroog, waarop de slag met zooveel
kracht aangekomen was, opzwellen, en tegelijkertijd sprong er een
straal van donker bloed uit zijne neusgaten, waardoor don Frederik's
tent bespat werd. Een doffe kreet van woede gaf minder het gevoel van
pijn, dan zielesmart over deze diepe verachting te kennen. Op dien
kreet volgde een vloek; doch toen Marco, zonder er de kracht toe te
hebben, als een gewonde buffel op zijn aanrander wilde losstormen,
toen schoten Valdez en drie andere officieren tusschenbeiden, terwijl
Frederik tegelijkertijd donderend hooren liet: »wie nog eene hand
uitsteekt, dien zal het als Bracamonte vergaan!« bedoelende hij met
dezen een Spaansch officier, wien zijn rang was ontnomen geworden.
--»Señor!« sprak Venavides, die thans onbewegelijk als eene zuil stond,
doch tevens eerbied en ontzag inboezemende, »vergeef mij, dat gerechte
gramschap mij vervoerde, om in uwe tent aan dien nietswaardige de
hand te slaan. Thans heb ik mijn plicht overtreden; maar schoon
gij ook mijn degen moogt eischen--ik stel hem gewillig in uwe hand,
nu ik den ellendeling getuchtigd heb, zooals hij verdient.«
--»Wraak!« riep Marco, wiens lippen sidderden, en wiens tanden op
elkaar knarsten, terwijl tusschen zijne gelaatstint en het waas
van een lijk geen onderscheid was: »laat mij los, zijn dood of de
mijne! dat bloed moet door bloed worden uitgewischt!« En met kracht
zocht hij zich aan hen te ontworstelen, die, door hem terug te houden,
een nog heviger tooneel wilden voorkomen.
--»Neen!« zeide Frederik tot Venavides, »nog behoudt gij uw degen;
over uwe straf zal ik nader uitspraak doen.« Thans zich tot Marco
wendende, zeide hij streng:
--»Naar uwe tent, señor! ik beveel het u.«
--»En hij zal mij geene voldoening geven voor die beleediging,
señor? Bij God! eer ik die ongestraft dulden moet, stoot ik mij liever
mijn rapier in de borst,« schreeuwde Marco, en zijne vuist greep,
krampachtig bevend, naar zijn degen, terwijl hij krassend uitriep:
»wraak! dood!«
--»Dat hij bewijze, wat hij gezegd heeft,« sprak Venavides, »en nog
dit uur geef ik hem gelegenheid, om den hoon af te wasschen met mijn
bloed: maar zoo hij niet bewijst, dan zal ik hem slaan als een hond,
waar ik hem aantref.«
Bloedige tooneelen zouden er plaats hebben gegrepen, ware dit gebeurd
buiten don Frederik's tent, zonder zijne tegenwoordigheid. De hatelijke
Marco toch had evenzeer zijne vrienden en vijanden als Venavides,
en de beschuldiging was niet minder zwaar, dan de daarover genomene
straf. Ontzag en vrees echter voor Frederik hielden thans de beide
partijen terug om Marco's of Venavides' zijde te kiezen, en op een
tweede bevel van den legervoogd verwijderde zich de eerste naar zijne
tent, terwijl hij nog andermaal een schier wanhopenden blik op zijn
vijand wierp en tegelijkertijd een wraakkreet uitstiet.
Welke tooneelen voor eene vrouw! tooneelen waarvan zij zelve de
aanleidende en toch onschuldige oorzaak was. En nog viel de gordijn
niet; nog moest er een bedrijf volgen, waarin de ontknoping zou plaats
grijpen,--een bedrijf, dat huiveringwekkend en stout, maar niet minder
edel en groot zou zijn.
--»Vervloekt zijt gij,« sprak nu Frederik, zich tot haar keerende,
»die er de schuld van draagt: hardnekkige, gij weigert dan nog,
den verrader te noemen die aan uwe vlucht de hand heeft geleend?«
--»Mijn besluit is onverwrikt,« was het antwoord, »doe mij vrijelijk
pijn en dood ondergaan; maar den edelen man, die mij tot hulpe was,
noem ik nooit.«
--»Dat zal men zien,« sprak Frederik; en zich nu haar de opening der
tent keerende, riep hij met drift: »Vallos!«
De afschuwelijke Spanjaard verscheen. Door de soldaten werd de toestel
binnen de tent gebracht, en op vernieuwd bevel van Frederik maakte
de beul met de toebereidselen een aanvang. Gedurende de oogenblikken,
dat hij zich daarmede onledig hield, heerschte er eene volle stilte,
de stilte eener gerechtszaal op het oogenblik, dat men een doodvonnis
zal uitspreken. Don Frederik zweeg, en had hij aan de waarheid
hulde willen doen, dan zou hij de verklaring afgelegd hebben,
over de uitvoering van zijn bevel op dat tijdstip met zichzelven in
tweestrijd te zijn. Ook de ridders en capitans zwegen, en met Valdez
schenen nog anderen te bepeinzen, waarom zij den moed niet hadden,
te kennen te geven, als officieren des konings bij een tooneel van
foltering niet tegenwoordig te willen zijn. Magdalena zweeg, en zij
dacht slechts aan haren gemaal en hare kinderen, en die gedachten waren
wel somber en zielverscheurend, maar toch gevoelde zij, hoe de Hemel
een vertroostend licht in hare ziel schoot, hoe zij met geloofskracht
en vertrouwen toegerust werd, en het gezicht op haren beul, de gedachte
aan foltering en dood joeg haar geen schrik aan. Ook Venavides zweeg;
in zijn binnenste woedde nog de storm, door Marco verwekt, maar de
oppervlakte vertoonde zich kalm; want in dat binnenste rijpte tevens
al meer en meer het besluit, om Magdalena te redden, al moest hij zelf
er het offer van zijn. Edel en onwrikbaar besluit in twee zielen! Bij
de vrouw het onherroepelijk, moedig voornemen om, wat pijn men haar
mocht aandoen, den man niet te noemen, die haar redder was geweest,
schoon het lot een slagboom op heuren weg had gesteld. Bij dien man
het niet minder grootsch plan, om het aangevangene te voltooien, om
rang, vrijheid, leven wellicht op het spel te zetten, om als vijand
van den koning, als samenzweerder met de rebellen uitgekreten te
worden, tegenover de zwakke kans om de vrouw te redden, maar om ook
daardoor op het schitterendst de blijken te geven, hoe een groot en
vrij man het geweld kan verachten en trotseeren, schoon honderden
er voor kruipen. Dat waren edele voornemens en handelingen! want zoo
menschverlagend aan den eenen, zoo menschverheffend aan den anderen
kant; zoo somber neerdrukkend hier, zoo helder opvoerend daar:--en
nog zal in de schaduw een helderder straal doorschieten.
Niet zoodra had Vallos zijne toebereidselen voltooid, en Frederik
hem een teeken gegeven, of de eerlooze beulshanden strekten zich
uit. Maar, evenals de havik, op het punt zich op eene duif te werpen,
zich eensklaps door een schot in zijne uitgespreide vlerk geknot
voelt en in zijn bloedig voornemen verhinderd wordt, evenzoo werd
plotselijk Vallos in zijn aanval gestuit.
--»Terug, bloedgier!« dondert Venavides hem toe, en zich vastberaden
tusschen hem en Magdalena plaatsende, slaat hij tegelijk de hand aan
den degen met de stilzwijgende bedreiging, dat hij het niet wage,
een voet dichter te naderen.
--»De Maestro del Campo gebiedt het, señor! ik moet mijn last
volbrengen,« roept Vallos, zonder het nochtans te wagen, Venavides
uit den weg te dringen; maar deze woorden worden niet ten halve
gehoord; want met de strengheid van een despoot, die een gegeven bevel
wederstreefd ziet, staart don Frederik hem met toornig vlammend oog
aan, terwijl hij dreigend uitroept:
--»Hel en dood! wat wilt gij?«
--»Dat deze onschuldige vrouw niet worde bezoedeld door de aanraking
van een beul; dat wil ik niet, neen, dat smeek ik u, señor! bij de
eer eens ridders van Castilië, bij de eer van een krijgsman Zijner
Majesteit.«
--»Wat zou die eer?« riep don Frederik. »In tegenwoordigheid dezer
ridders en edellieden verklaar ik u schuldig aan weerstreving van mijne
bevelen, aan weerspannigheid tegen een Toledo. Pedro de Venavides,
leg uw degen af: gij zijt overgeleverd aan den krijgsraad.«
Oogenblikkelijk sloeg Venavides de hand aan het prachtig met een gouden
leeuwenkop versierd gevest, en na zijn wapen van den geborduurden
gordel te hebben losgegespt, reikte hij met smartelijk gevoel doch
fieren blik tevens den zoon des hertogs zijne kling over.
--»Ziedaar, señor!« sprak hij, »een wapen, waarop geene vlek van oneer
ooit kleefde: meer dan eens werd het in 's vijands bloed gedoopt;
nooit drong het in de borst van weerlooze vrouwen en kinders. Doch
schoon ik thans ophoud, krijgsman te zijn, ben ik nochtans ridder en
edelman, en het is in dien rang, dat ik den Maestro del Campo voor
Haarlem verzoek, mij te woord te staan.«
--»Dat zij zoo!« sprak Frederik streng.
--»Señor!« hernam nu Venavides, terwijl er eene doodsche, slechts nu
en dan door musketgeknal afgebrokene, stilte heerschte en Magdalena
zich in eene geweldige spanning bevond. »Gij hebt deze vrouw leven
en vrijheid willen schenken, zoo zij u den man noemde, die aan hare
vlucht medeplichtig is geweest. Zij weigert dit echter, en bij
de heilige maagd! dit verraadt eene grootheid van ziel, die elks
bewondering verdient. Maar ik, señor, ik ken den man, die haar de
reddende hand bood.«
--»Wat! gij zoudt hem kennen?....« riep Frederik, en nieuwe gramschap
begon in zijn oog te fonkelen, »dan verklaar ik, zoo waarachtig als
ik leef, gij zijt die man.«
--»Nadat ik den lafhartigen Marco voor zijne onbeschaamde aantijging
gestraft heb,« hernam Venavides stout, »kan een dergelijk vermoeden
mijn toorn niet meer opwekken. Ik spreek duidelijk, naar ik meen: ik
ken den man, die haar hulpe bood, en dien gij tot vijand des konings,
tot samenzweerder met de muiters verklaard hebt.«
--»Ja,« riep Frederik! »dat is hij, een verrader, een rebel: maar
wat wilt gij?«
--»U vragen, señor! u vragen in tegenwoordigheid dezer ridders en
capitanes, of aan deze vrouw leven en vrijheid zijn zal, zoo in plaats
van haar mond de mijne u den man noemt?«
--»Dat is eene stoutheid, eene vermetelheid zonder grenzen!« riep
Frederik, »hoe! mij, den zoon des hertogs, mij den veldheer van 's
konings leger voor Haarlem, de wet te willen stellen! Mij als een
koopman voorwaarden voor te leggen: mij een verrader, een muiter
niet kenbaar te willen maken, zonder de gunst te weten, die er
de prijs van moet zijn. Bij St.-Peter! dat is eene trotschheid,
die aan razernij grenst.« En terwijl er thans onder de aanwezige
officieren gefluister en gemompel plaats greep, wendde Frederik
zich driftig nu naar dezen, dan naar genen kant van de legertent:
met verbittering en gramschap stampte hij zoo heftig op den grond,
dat zijne zware gouden sporen een kletterend geluid gaven; men kon
hem duidelijk aanzien, dat het in zijn binnenste woelde en stormde,
en dat zijne Spaansche hoovaardij en trotschheid een diepe krenking
hadden ondergaan. »Mij!« sprak hij halfluid, »den hertog van Osca,
den Groot-kommandeur der ridderorde van Calatrava! en wie is het,
die van mij eischt, die mij voorwaarden oplegt?--een weerspannige,
dien ik ontwapend en overgeleverd heb aan een krijgsraad, en die
het zich tot genade moet rekenen, nog met mijne toespraak te worden
vereerd. Zooveel vermetelheid beging nog geen graaf Van Bossu, geen don
Ferdinand zelfs.« Driftig trad hij nu op de officieren aan, en wierp
een blik, die van gekrenkte eigenwaarde getuigde; dan weder keerde
hij zich onstuimig tot Magdalena en Venavides, stampt andermaal met
den voet, alsof eene wesp hem gestoken had, en scheen op het punt,
om Vallos te bevelen, met de pijniging voort te gaan. »Maar wat zal
dat mij baten?« sprak hij in zich zelven, »de muiters van Haarlem
bekreunen zich toch niet om haar; smart, dood noch schande kan hen
bewegen, den hardnekkigen hals te buigen. Wat stook ik dan het vuur
der verbittering nog feller aan?«
Opeens keerde hij zich thans tot Venavides, die inmiddels aan vrouwe
Van Duivenvoorde een teeken had gegeven, hetwelk aan de blikken
van allen ontsnapt was, en hem nu met een vlammend oog aanziende,
zeide hij:
--»Wie hij ook zijn moge, als verrader en als rebel zal hij gestraft
worden, die aan hare vlucht medeplichtig was.«
--»En zij, die onschuldig is, zal leven, vrij zijn, zonder dat de
beul eene hand naar haar uitstrekt?« vroeg Venavides.
--»Dit zeg ik!« riep nu Frederik, in hevige verbittering, »pijn
noch dood zal zij ondergaan, doch slechts deze genade schenk ik, zoo
waarachtig helpen mij God en de heiligen!--Is dit u genoeg,--zeg dan,
dat gij de verrader zijt.«
En op onbevreesden, nadrukkelijken toon, antwoordde nu Venavides:
--»Niet de verrader, maar de medeplichtige aan hare vlucht, staat
hier voor u,--ik Pedro de Venavides.«
Niet als van den donder getroffen over eene verklaring, die zoowel
Frederik als elk der aanwezigen verwacht had, maar schier verstomd
over de daad zelve, over de fiere stoutheid, stond Toledo eenige
seconden zwijgend; want het kookte, het bruiste in zijne ziel; en
toen hij niet sprak, verhief zich andermaal Venavides, en zich tot
Magdalena wendende, zeide hij:
--»Edele vrouw! gij hebt het gehoord. De bevelhebber van 's konings
leger voor Haarlem heeft mij zijn woord verpand, dat gij geene
foltering ondergaan, dat gij leven zult.«
--»Grootmachtige God!« riep nu Magdalena met een overstelpt gevoel,
»dat zal mij in 't geheugen blijven voor altoos. Maar het is als nacht
voor mijn oog. Gij, Spanjaard, zoo groot, wat zal het u nu--wat zal
het einde zijn?«
Zij zou nog meer hebben gesproken, zoo Frederik het toegelaten had;
maar deze, thans vatbaarder voor het gevoel van verbittering, dan voor
het besef eener tweevoudige grootheid, brak op eens ruw en grimmig
hare woorden af.
--»Zwijg!« sprak hij, »mijn woord zal ik gestand zijn; maar dat zweer
ik, van nu af zal uwe gevangenis een hol zijn, van waar de vlucht
zoo onmogelijk zal wezen, als dat mijne hand aan de sterren reikt.«
--»Ik zal mijn lot trotseeren,« sprak Magdalena met moed en
vastberadenheid, »maar aanhoor mij eene korte wijl.«
Met doffe stem gebood hij haar echter andermaal, te zwijgen, terwijl
Venavides haar een teeken gaf, dat zij zou gehoorzamen en vol goeden
moed zijn. Onstuimig en haastig schreef Frederik intusschen een
paar regels, en het geschrift toen aan een der soldaten overgevende,
zeide hij:
--»Breng haar van hier, naar don Marco; dit papier meldt hem mijn
last.«
Zwijgend gehoorzamende, gaf de Spanjaard aan Magdalena het norsche
bevel, hem te volgen en terwijl zij een laatsten gevoelvollen blik
op haren redder wierp en Frederik met hare vrouwelijke fierheid en
vastheid onder de oogen zag, verwijderde zij zich uit de tent, om
een lot te gemoet te gaan, dat slechts aan den hemel bekend was.
--»Verrader en muiter!« zeide nu Frederik, nadat Magdalena vertrokken
was, tot Venavides, »nog heden zal de krijgsraad uw vonnis uitspreken.«
--»En zoo dat vonnis rechtvaardig is,« antwoordde Venavides, »dan
zal ik noch verrader, noch muiter heeten: dan voorzeker zal ik,
als de redder dier vrouw zonder straf zijn.«
--»Señores!« sprak Frederik, zich tot de aanwezige officieren wendende,
»gij zijt getuige geweest, hoe don Pedro de Venavides verklaard
heeft, eene gevangene der rebellen in hare vlucht de hand te hebben
geleend. Ook hebt gij gehoord, hoe hij 's konings krijgsraad in
staat acht tot een onrechtvaardig vonnis: van wien uwer men deze
verklaring moge eischen, hij verzuime niet zich te laten vinden,
waar de krijgsraad vergaderd zal zijn.«
--»Vergun mij, señor!« sprak Valdez--de latere belegeraar van
Leiden. »Ik geloof niet, dat señor Venavides de eerste verklaring zal
herroepen, mocht dit echter zoo zijn, dan zal ze door mij gelogenstraft
worden. Wat nochtans het tweede punt betreft, als man van eer, gevoel
ik mij verplicht, reeds thans te zeggen, dat señor Venavides niet
aldus gesproken heeft. Zijne woorden luidden: »»En zoo dit vonnis
rechtvaardig is, dan voorzeker zal ik, als de redder dier vrouw,
zonder straf zijn.«« Aan de uitlegging van één woord, señor! hangt
niet zelden de vrijheid of de dood.«
--»Bij St.-Peter!« sprak Frederik, »het schijnt dat men samengespannen
heeft, mij te tarten en dat señor Venavides een voorspraak in u
gevonden heeft: maar men neme zich in acht! men vreeze den leeuw,
wiens geduld ten einde wordt gesard; het staat u vrij, señor! aan
zijne woorden den zin te geven, die u het meest behaagt.«--Dit laatste
gedeelte werd op een toon uitgesproken, zooals men dien over het
algemeen uit Frederik's mond liefst niet vernam; want sommigen hadden
maar al te zeer ondervonden, hoe die leeuw reeds te vreezen was,
zelfs zonder dat hij gesard werd.
Op bevel van Frederik, die aan niemand verder een woord toestond, werd
nu Venavides, nadat hem zijn wapen was ontnomen, door Auecia naar het
huis Ter Kleef geleid, en eene schildwacht stond met zijn leven borg,
dat hij niet ontsnappen zou. Toen Marco hem derwaarts zag voeren,
kwam er een duivelslach op zijn gelaat; want duizend dooden wenschte
hij hem te doen sterven, en wel met eigene hand, zoo er slechts geen
gevaar voor zijn eigen leven aan verbonden ware geweest. Nu hoopte
hij, zich weldra gewroken te zien, en die gedachte deed den lach op
zijn aangezicht thans valschaardiger wezen dan ooit. Venavides zag ook
hem, doch zijne verachting voor Frederik's bloedverwant was te groot,
om hem zelfs met den aanblik dier verachting te verwaardigen. Wel
voelde hij zich bitter gegriefd over het verlies van zijn degen;
maar die gedachte werd ruimschoots gelenigd door het besef, dat geen
geweld ooit de kern der eer rooft.