TWEEDE HOOFDSTUK.

Wie kan, wie durft ooit Haarlem naadren,

En voelt niet, dat zijn boezem trilt?

Hier hebben Holland's groote Vaadren

Hun dierbaar hartebloed gespild;

Hier stierven zij, om 't ware leven,

De vrijheid, aan hun kroost te geven.

Helmers.

Nauwelijks was de Vrijdagmorgen van den zestienden Januari aangebroken,

of in don Frederik's legerplaats heerschte een luidruchtig gewoel. Wel

had dit iederen ganschen dag plaats, doch het was altijd op te merken,

wanneer er, behalve het telkens wederkeerend krijgsgejoel, nog iets

buitengewoons gebeurde of tegemoet werd gezien, en vooral wanneer

Vallos, een lange Spanjaard, zich in de nabijheid der schansen

vertoonde en de soldaten grijnzend toelachte.

Dit was ook thans het geval: doch het hatelijke wezen, dat wij den

lezer voor oogen moeten stellen, scheen den soldaten thans meer te

willen schenken dan dien bekenden grijnzenden lach, hoe veelbeteekenend

reeds op zich zelven; heden had hij ook woorden voor hen veil,

waarvan een enkel reeds genoeg was om al de overige, al hadde hij

die niet geuit, te doen raden, en dat ééne woord was: »de galg!«

Wat een Vargas in den bloedraad was, kon Vallos in het leger genoemd

worden. Men stelle zich een man voor, die behalve de helroode kleur van

zijn haar, al het afschuwelijke van een beul in zich vereenigde. Dien

ijskouden satanslach om zijne lippen; die opgezette wangen, als

de zichtbare getuigen zijner schier onafgebrokene dronkenschap;

die oogen, een helschen glans om zich heen spreidende en toch als

eene ijsschots rustende op het slachtoffer, dat in zijne handen was

gesteld--bewijzende, hoe hij onder het martelen, nog spotten kon en

voor eeuwig verdoemd rekende, hen, welke als ketters de eeuwigheid

ingingen; die lange gestalte, zich steeds verheffende boven de prooi,

welke zij aangreep; en die zekerheid in zijne houding, dat de aan hem

overgeleverde te vergeefs trachten zou, den dood om te koopen. En

dan naast deze gestalte dien verschrikkelijken dog, een tweeden

Cerberus uit de fabelleer,--dien hoogpootigen, langharigen hond,

wiens tong eene handbreed uit den muil hing; die naar de oogen zijns

meesters omzag als een slaaf naar den heer, welke dood en leven in

zijne hand heeft; die op het eerste teeken, met de woede van een

tijger zou aanvliegen op dengene, dien zijn meester hem aanwees, en

die den kloeksten Spanjaard als een kind zou hebben doen sidderen,

wanneer hij hem op eene eenzame plaats ontmoet had,--dien hond,

welke het bloed dronk, dat Vallos vergoot, en aan die monsters deed

denken, welke de ongelukkige Mexicanen verscheurden. Zoo stelle men

zich Vallos voor oogen, als den meest geschikten man om te folteren,

die zelf reeds in zijne vroegste jeugd, op de markt van Madrid onder

scherprechtershanden was geweest,--die in losgelatene drift zijn eigen

broeder had vermoord, en op wien de vlek der eerloosheid kleefde,

doch die nog eerlijk genoeg werd gekeurd voor de legerbenden van Alva,

omdat hij voor het ambt van beul zoo uitmuntend geschikt was.

Eenige minuten lang had Vallos, nu bij de eene dan bij de andere

verschansing doorgebracht en menigen soldaat doen lachen en huiveren

tevens over 't verhaal der zonderlinge rechtspleging, waarvan zij

dien dag getuigen zouden zijn, toen men een twintigtal met speren en

musketten gewapende Spanjaarden van het Huis Ter Kleef zag naderen

en de richting nemen naar de verschansing tegenover de Kruispoort,

waar eenigen reeds met het krieken van den dag eene hooge galg hadden

opgericht. In het midden dier gewapenden zag men drie gevangenen,

zwaar geboeid, van welke twee de blijken droegen, dat zij reeds

geruimen tijd gebrek en ellende hadden verduurd. Het waren de twee

hoplieden Baptist van Trier en Johan Kellenaar, welke bij Lumey's

mislukking tot Haarlem's ontzet, op den twaalfden December, in 's

vijands handen waren geraakt. Vergeefs had de graaf Lumey voor Van

Trier twee duizend kronen en de vrijheid van negentien Spaansche

krijgsgevangenen tot losgeld geboden; want Van Trier was niet

slechts een ervaren en onverschrokken krijgsman, maar stond ook in

blakende gunst bij Lumey. Doch het was den Spanjaard niet onbekend,

dat Van Trier, niet minder dan Lumey zelf, al wat Spanjaard was, den

doodelijksten haat toedroeg en geene genade gaf, wanneer een vijand in

zijne handen viel. Ofschoon in mindere mate, was dit ook met Kellenaar

het geval, en daarom had Frederik besloten, hen op eene wreedaardige

wijze om te brengen, terwijl ieder verwonderd was, dat hij hen nog

zoolang gevangen had gehouden. De andere was Phillippus de Koning, een

hopman, welke in den nacht van den tienden Januari met de twee duizend

soldaten van Boisot tot Haarlem's ontzet afgezonden, doch verdwaald

geraakt en in de macht des Spanjaards gevallen was. Ook dezen knelden

zware koorden, als het bewijs, dat men niet voornemens was, hem de

geringste kans tot ontvluchting te geven. Maar men zou zich bedriegen,

zoo men dat drietal gevangenen zich voorstelde met den doodsangst en de

verplettering op het gelaat. Zooals zij daar stonden, leverden allen

het bewijs, hoe de Nederlander van die dagen niet slechts dapper was

in den strijd, maar ook moedig, ook onverschrokken bij den hardsten

dood. Zie Van Trier! Hoe vermagerd en bleek wegens het gebrek en de

doorgeworstelde dagen in een gevangenhok--toch heeft lijden en smart

den heldentrek niet van zijn gelaat gewischt. Dreigend was voorheen

zijn oogopslag; dreigend is hij nog, en de forschheid, de ruwheid, die

er mede gepaard was, schijnt nog toegenomen met den aangroei van zijn

knevelbaard, die ordeloos en lang op zijne borst nederhangt. Schoon

thans ouder schijnende, heeft hij nog slechts dertig jaren bereikt,

en die dertig lente's zullen afgesneden worden. Dat weet hij; hij

weet, dat er geene genade voor hem zijn zal, en echter ziet hij de

gewapenden dreigend aan, als wilde hij zeggen: »vandaag zal ik vrij

zijn, en beef, Spanjaard! mijne vijf laatste levensjaren waren aan uwe

vernieling gewijd, maar van nu af zal ik de verderfengel voor u zijn.«

En Kellenaar!.... Ook hij schijnt ouder, ofschoon hij nog jonger

is; want ook zijn ongeschoren baard hangt verward op zijne borst;

ook zijn aangezicht is ingevallen en muurbleek, en bij hem komt dit

te meer uit, wijl hij een rank en tenger jongeling is, geenszins

verradende, hoe die tengere hand in onderscheidene vroegere gevechten

zoo menigen Spanjaard gedood heeft. In Delft aan eene geliefde uit

den deftig-gegoeden burgerstand verbonden; ontgloeid van liefde voor

zijn land en voor eene aangebedene bruid, zal die tweevoudige liefde

thans met zijn leven uitgebluscht worden. Nog zoo jong, eene zoo

rijke toekomst in het verschiet, en--al dat aanstaand geluk op eens

te zullen derven. Die gedachte is wreed, is zielverscheurend. Toch

ziet hij den dood niet angstig tegemoet; men ontwaart slechts in een

pijnlijken trek om zijn mond, dat het hem grieft, daar weerloos te

staan, geboeid te zijn met den schandkoord van den booswicht; dat

hij niet eervol sterven zal met het staal in de vuist.

Maar wie daar, als krijgsman, niet de geringste menschelijke zwakheid

verried, was Philippus de Koning. Men stelle zich iemand voor van zes

en dertig jaren, dien leeftijd, waarin bij den man, de krachten van

lichaam en geest de hoogste ontwikkeling hebben bereikt. Zijn gelaat

is noch ingevallen, noch bleek; de weinige dagen, die hij slechts

gevangen was, hebben den stempel der ontbering nog niet op zijn

aangezicht gedrukt. Dat aangezicht is schoon; een zachte blos smelt

met de bruine, mannelijke verf en het goudgele haar ineen. Binnen

Gouda's muren treurt zijne vrouw over het lot, dat hem wacht;

binnen Gouda schreien twee jeugdige kinderen, niet om den dood,

die hunnen vader toeft; want zij zijn er nog onbewust van, maar zij

schreien, omdat zij hunne moeder zien schreien; omdat zij haar nu

en dan wanhopend de oogen ten hemel zien slaan. Dat weet De Koning

wel niet, maar toch vermoedt hij het, en zijne ziel wordt bij dat

vermoeden vaneengereten, maar op dat mannelijk gelaat is er geen zweem

van te lezen; zijne sterke ziel wil zijn vijand geen oogenblik den

triomf gunnen, dat hij hem lijden doet. Want zie dien stouten mond,

vast gesloten, stom als het graf, het onwrikbaar besluit dragende,

dat geene smart hem openen, dat hij hem slechts ontsluiten zal, ter

verachting zijns vijands. En dan dat oog! Zoo bliksemend en toch zoo

donker, zoo hoogmoedig en zoo versmadend, zoo onverschrokken en met

zooveel minachting om zich heen starende; dat oog, zooveel levendiger

dan de duidelijkste taal sprekende: »beulen! ik braveer u te midden

van den dood! gij kunt mij moorden, maar mijn haat, mijn moed niet

uitblusschen. Mijn krijgsdoel tot Haarlem's ontzet is verijdeld,

maar na mij zal een ander het doen; niet ongewroken zal ik sterven

en dat doet mij vol hope, vol troost zijn.«

Ginds naderen vier andere Spanjaarden, met don Frederik bij hen,

en zij, die zich in hun midden bevindt, is niet geboeid.

Het is Magdalena. Den vorigen avond in hare gevangenis teruggevoerd,

was zij spoedig tot haar bewustzijn wedergekeerd. Zij had zich toen

in het bijzijn eener vrouw en van eene schildwacht bevonden; want zoo

verre had de hatelijke Marco de kieschheid niet met voeten getreden,

dat hij haar in haren toestand de hulp eener vrouw onttrok. Toen had

zij een zichtbaarder besef gekregen van het lot, dat haar wachtte,

doch met het terugkeeren van haar bewustzijn scheen ook haar moed

weder hersteld: want van dat oogenblik af was geene enkele klacht haar

ontgaan; zij scheen te gelatener, te fierder, naarmate de toekomst

donkerder voor haar geworden was. Nadat haar suppoost bij al de

heiligen der kerk gezworen had, niet medeplichtig aan hare vlucht te

zijn geweest, hadden Frederik en Marco de bidcel scherper onderzocht

en toen eerst had de laatste het opgereten behangsel en vervolgens de

geheime deur ontdekt. Toen hadden zij ook den nauwen gang onderzocht,

en ook de in Venavides' vertrek uitkomende deur was hun niet verborgen

gebleven. Dit had Marco's argwaan bijna tot zekerheid doen rijzen, en

hij had niet verzuimd, den neef zijn vermoeden mede te deelen. Maar

Frederik, ofschoon niet zelden de ooren neigende tot de woorden van

zijn neef en gunsteling, was echter de man niet, om door hem zijn

verstand te laten beheerschen of benevelen. Hoezeer ook hij niet vrij

bleef van het vermoeden van Venavides' medeplichtigheid, meende hij

nog geenszins de zekerheid te hebben, wijl Magdalena's ontdekking

dezer deur en hare vlucht er door, zeer wel zonder Venavides'

tusschenkomst konden plaats hebben gehad. Echter twijfelde hij niet,

wanneer er schuld op hem kleefde, of ze zou dan ook wel aan het licht

komen. Het eerste wat hij intusschen deed, was een scherp ondervragen

van Magdalena zelve; doch vergeefs waren list en bedreiging om haar

iets te doen bekennen, dat zij besloten had, met zich in het graf

te nemen, en toen niets baatte, had hij de bidcel verlaten met de

bedreiging, dat hem dien dag de middelen niet zouden ontbreken,

om hare hardnekkigheid te doen buigen.

Terwijl nu de gevangenen daar stonden, en ook zij naderde, die de

getuige van een tooneel zijn zou, waardoor al de verschrikkingen

van den oorlog nog te donkerder werden, schoolden de soldaten meer

en meer op één punt samen. Hier zag men een paar priesters, welke in

hun geestelijk gewaad, en met het heilig kruis in de hand, zich naar

de strafplaats begaven; daar eenige glippers, of verraders, terwijl

zich weer wat verder eenig geschreeuw liet hooren, dat maar al te zeer

getuigde, hoe de wreede Spanjaard zich over een schouwspel verheugde,

dat hen gold, van wie zij dagelijks afbreuk ondervonden.

--»Eerwaarde vader in Christus!« zeide don Frederik tot een der

geestelijken, met al den eerbied, welken hij veinsde, dezen toe te

dragen, »zijn uur is gekomen: dat hij niet sterve zonder den troost,

waarop de heilige godsdienst hem aanspraak geeft!«

Nu begaf zich de priester tot Johan Kellenaar, van wien men wist,

dat hij de roomsche godsdienst beleed.

--»Mijn zoon!« sprak hij, door de soldaten, die eerbiedig plaats

maakten, heengaande en den jongeling op zijde komende, »deze dag zal

uw laatste zijn; de veldheer wil u de vertroostingen der heilige

kerk niet ontzeggen.« En hem dichter naderende, hield hij hem het

lijdensbeeld voor oogen. Kellenaar scheen bewogen te worden; want

ijverig in de leer van Rome opgevoed, had het woelig krijgsmansleven

de godsdienstige zaden in zijn gemoed nooit verstikt. Maar hij

werd geslingerd door eenige begrippen der nieuwe leer; hij werd ook

teruggehouden door de gedachten aan een priester van Alva; hij had

eerbied voor de geestelijken, maar voor dezen huiverde hij terug.

--»En toch, de dood wacht mij,« sprak hij, »ik ben een zondaar

geweest.... de troost van den godsdienst....«

Doch toen de priester hem het kruis nog dichter voor oogen hield,

kon hopman Van Trier zijne verbittering niet onderdrukken.

--»Kellenaar!« sprak hij, »zoudt gij afvallig zijn van uw woord? Denk

aan wat gij gezegd hebt, dat gij ten einde toe vastaard zoudt zijn.«

--»Ja, weg van mij, priester!« zeide nu de jongeling, met den

plotselijk aangroeienden moed van een wankelbare, wien door den

onbezwekene zijne belofte herinnerd wordt, »uwe hulp kan mij niet

baten of tot borg zijn; wijk van mij.«

--»Goddelooze! Wat wilt gij dien jongeling hinderlijk wezen in het

heil zijner ziel?« sprak nu de geestelijke, zich met verontwaardiging

tot Van Trier, wendende.

--»Wat ik wil!« barstte deze los, »ik wil hem vermanen, dat hij zich

niet door u laat behippen, dat hij sterve als een moedig man, zooals

hij geleefd heeft. Wat wilt gij daar met dat crucifix, waarmee gij

hem als een bloedzuiger te lijf valt? Scheer u voort met uw ellendig

propoost! Dat is nuttig tot niets.«

--»Heilige moeder Gods!« riep de priester, de handen vouwende en

de oogen ten hemel slaande, »wat gruwel! wat smaad. Het Kruis van

Christus te lasteren! een priester te hoonen!.... Soldaten! voert

dien heiligschender van hier.«

--»Wie kan u schenden, als gij een Sant zijt?« vroeg Van Trier,

rondom wien verscheidene soldaten een kruis maakten, terwijl anderen

de oogen op den anspessado sloegen, als deze een teeken zou geven, om

den lasteraar op den mond te slaan, »maar een Sant, bij mijn ziel! dat

zijt gij op verre na niet: gij zijt een slecht konterfeitsel van

een goed dienaar. Wijk, satan! want voor een brave borst zijt gij

stinkend kruid....«

Nog wilde Van Trier meer zeggen, toen op eens een tweetal vuisten

hem aangrepen en de beul Vallos hem een geweldigen slag toebracht,

onder den uitroep: »Vervloekte ketter! dat snoere u den mond.«

--»Neen, beul!« riep Van Trier, van pijn op de tanden knarsende en

vlammende blikken schietende, »om mij te doen zwijgen, moet gij mij

muilbanden of den adem verhinderen. Wat slaat gij, schandpest van

een soldaat! de strop en de palei--dat is uw werk; maar uwe hand zal

rotten, zoo ge mij nog eens slaat.«

--»Dan zal ik u muilbanden!« riep Vallos, en nu drukte hij de

linkerhand onstuimig op den mond des geboeiden hopmans. Maar ruwe

onverschilligheid, krijgsmansverbittering en gramschap gaven opeens

aan diens kaakspieren eene ongewone kracht. Nauwelijks lag Vallos

hand op den mond van Van Trier, of, terwijl diens oogen als in hunne

kassen omdraaiden, hij opende dien mond en--het gelukte hem, de pink

van Vallos tusschen zijne tanden te klemmen.

--»Hond!» riep de beul met een verschrikkelijken gil, de hand door

een ruk tot zich halende; maar terwijl hij dit deed, was het reeds

te laat. Evenals een stuk glas, tusschen eenen schroef gebracht, bij

de minste toedraaiing knapt, evenzoo kraakte het kraakachtig been;

bloedend haalde Vallos zijne hand tot zich; in den kleinsten vinger

stonden de tanden, en verachtelijk spuwde Van Trier, het uit de pink

gevloeide bloed voor de voeten van den Spanjaard, terwijl hij met

eene van woede sidderende stem uitriep:

--»Heb dat, schurk, tot eeuwige gedachtenis van mij!«

Ternauwernood echter had Van Trier deze woorden gesproken, of de hond

van Vallos toonde, hoe een dier trouw en zelfs de beschermer van

den verachtelijksten meester kan zijn; want eensklaps dof grommend

en de bloeddorstige tong in den muil terughalende, vloog hij op

Van Trier aan, sloeg de scherp genagelde pooten om diens hals en

scheen nu het teeken te verwachten, om den besprongene de tanden in

de keel te slaan. Dat was een ontzettend gezicht; die vervaarlijke

dog, aanvallende op een geboeid man,--deze blootgesteld, om op het

minste teeken verscheurd te worden. Maar het lag niet in Vallos'

plan, om dit teeken te geven.

--»Los, Carlos!« riep hij forsch, en de hond oogenblikkelijk

gehoorzamende, liet af van zijne prooi en kroop huilend en gedwee

voor de voeten zijns meesters, die alle geweld deed om de pijn te

verkroppen, terwijl hij brullend uitriep:

--»Die dood zou te zacht wezen. Vallos zal een andere beul voor

u zijn!«

--»Ik veracht u, soldaat zonder eer!« riep Van Trier, »of gij mij al

foltert, ik zal toonen, dat een geus de pijn weet te tarten. En een

geus ben ik, maar een eerlijke geus, die 't Spaansch gebroed haat

tot in den dood. Kellenaar!« riep hij tot dezen, toen de priester de

soldaten wenkte om eenige schreden van daar met hem te gaan, »houd

u kloek, en versmaad hem, die uwe ziel aan den duivel verkoopt.«

--»Mijn zoon!« zeide de geestelijke, »sluit uwe ooren voor dien

verworpen ketter, en hoor naar de woorden van Christus' dienaar. Hij

zal een bangen dood sterven, en zoo gij blijft volharden, wacht u een

gelijk lot. Biecht uwe zonden, en gij zult voorzeker door de moeder

Gods gebenedijd worden.«

--»Neen, neen!« sprak Kellenaar, »geen troost van uw mond kan mij

tot soulaas zijn. Weg, priester! er kleeft bloed aan u, en dat is

een gruwel voor God.«

--»Welaan dan, verstokte! zoo kome de verdoeming uwer ziel over

u zelven,« zeide de geestelijke, terwijl hij den jonkman den rug

toekeerde, »ik heb mijn plicht gedaan; soldaten! gij moogt den

uwen doen.«

En weder door het midden der gewapende en eerbiedig plaats makende

Spanjaarden heengaande, begaf hij zich naar don Frederik, die een

vijftig schreden van daar stond, door verscheidene zijner officieren

omringd.

--»Hij versmaadt den troost en de hulp der Heilige Kerk!« sprak hij,

»zijn gemoed is niet te buigen, na de godslasterlijke woorden door den

ketter Van Trier gesproken. In den aanvang scheen hij zich te neigen;

doch thans is alles vergeefs.«

--»Dat hij dan sterve zonder dien troost, en in de ongenade van

St.-Peter valle!« sprak de veldheer, »wij hebben onzen plicht gedaan:

maar daar hij toch aan de alleen-zaligmakende Kerk behoort, zoo zal

hij den hardsten ketterdood niet ondergaan.«

--»Maar wat den heiligschender betreft,« zeide de priester, »om hem

kan onze Heer Christus niet verzoend worden dan door den geweldigsten

dood. Hij heeft de moeder Gods tot toorn verwekt. Hij heeft een

heiligen dienaar onteerd, over de soldaten des konings eene zee van

verachting uitgestort, en als een dolle hond gebeten, wie ter straffe

gesteld is over den muiter.«

--»Dat heeft mij de anspessado gemeld,« zeide Frederik, »ja, eerwaarde

vader! hoe meer zijn mond de heilige moeder Gods heeft gelasterd, te

zwaarder zal zijne straf zijn. Señor Marco!« zeide hij nu tot dezen,

»zeg aan Vallos, dat hij aanvange.«

Eenige minuten waren verloopen, en--nu had de wreede Castiliaan het oog

op een schouwspel, waarbij de Haarlemmers van den wal huiverden. Het

is waar, de roomsche godsdienst, die Kellenaar beleed, bevrijdde hem

van een harden dood: dra had men een einde aan zijn leven gemaakt; maar

die zelfde godsdienst mocht hem niet vrijwaren voor een hoon, waarbij

een eergevoelig krijgsman van verontwaardiging gloeide. Opgesleurd

hing hij daar aan het schandhout, met het hoofd naar omlaag, en eene

siddering bekruipt ons bij de gedachte, hoe menig Spaansch soldaat

dit spottend een schouwspel noemde, hetwelk hem in het leger voor

Haarlem nog niet was vertoond geworden.

En nauwelijks hing daar de jongeling, of eene rilling beving Van Trier,

toen op Vallos bevel, vier handlangers ook hem aangrepen, terwijl

Vallos met eene verwoede en van pijn bevende stem hem tegemoet voerde:

--»Ellendige ketter! uw dood zal niet zoo zacht zijn.«

Een schimpende blik was het antwoord op deze toespraak, zonder dat er

een zweem van des hopmans huivering op zijn gelaat te voorschijn kwam.

--»Gij zult daar hangen, totdat gij sterft,« zeide Vallos, »en als

de roofvogels niet op u aanvallen, dan leeft gij morgen en overmorgen

nog.«

Op een teeken van den beul strekten nu de handlangers zich naar den

hopman uit, om door zware koorden, ook zijne voeten te knevelen en er

den strik om te slaan, aan welken hij levend aan de galg zou worden

opgesleurd. Doch verbittering over den hoon, dien hij lijden zou,

ontstak het vuur der grimmigheid in zijn gemoed, en--eer de soldaten

hem nog aangrepen, deed hij een hunner door een krachtigen schop

ruggelings op den grond tuimelen, terwijl deze beweging met den

uitroep vergezeld ging:

--»Laat af, schurken! een eerlijk hopman met de hand aan te tasten:

wat wilt gij? doorboor mijn been, beul! en hang mij daaraan: maar weg

met die schandkoorden, die mij reeds de handen binden, omdat gij de

felheid van een wakker geus vreest.«

Maar door meer geweld besprongen, is iedere tegenstand verder

vruchteloos: weldra ligt hij op den grond geworpen, en zijn hevigste

pogingen kunnen niet verhinderen, dat de zware koorden zijne voeten

omknellen. Toch zwijgt hij niet; de ruwe mond, die vroeger, naar het

voorbeeld van den woesten grave Lumey, elken verdachten roomschgezinden

huisman deed beven; de mond, waarmede hij in zoovele vroegere gevechten

het: »leven de Geuzen! de dood aan den Spanjaard!« aanhief--die mond

kan ook thans niet stom zijn; tot het laatste oogenblik toe moet hij

getuigen, met wat gloeienden haat hij tegen de Spanjaards vervuld is.

--»Dat kunt gij, gespuis!« schreeuwt de overweldigde krijgsman, »gij

weet niet dan van hangen en stelen, omdat gij uit een rooversland

zijt: dat land stinkt van rakkers en henkers. Waagt het, geboefte! de

ruggen te ontblooten, en ik zweer, dat zij allen den geeselstriem of

't brandmerk dragen. Dat zijn me de soldeniers, die het volk van

Lumey zoo wakker afgeklopt heeft. Maakt dien arm eens los, en ik

zal u toonen, hoe 't mij nog niet mangelt aan kracht om 'tzelfde te

doen. Maar gij huivert er voor, voetknechten zonder eer! Tsa! gij

durft den kamp niet aan met Baptist van Trier....«

Maar wat baatte het den ongelukkige, zijne verbittering aldus lucht

te geven? Ook hij ondervond de waarheid van hetgeen Hooft schreef:

»De wraakgierigheid der gemisconteerden diende tot blaasbalg om

't vuur der Spaansche wreedheid te meer op te hitsen.« Met kracht

worden hem de voeten, waaraan men hem zal doen hangen, gebonden; ruw

en gewelddadig wordt hij de ladder opgesleurd, en--eenige seconden

later zagen Haarlem's verdedigers het schouwspel, waarvan zich ieder

al het verschrikkelijke kan voorstellen.

Doch wat men van den wal aanschouwde, dat zag de vrouwe Van

Duivenvoorde, dat zag Philippus de Koning van nabij; het tooneel

vertoonde zich bijna vlak voor hun oog. Eene vrouw zag het, zij, de

aanzienlijke, de moedige, de fiere, maar toch altijd de zwakke--de

vrouw. Geen geweld echter kon haar dwingen te zien; en haar oog sloot

zich dan ook. Wel hoorde zij het rumoer en spottend, ruw gelach;

wel hoorde zij, hoe iemand, wiens stem een hollen toon had, en die

uit eene beëngde borst scheen voort te komen, tartend schreeuwde en

schold en nu en dan uit de hoogte de kreten aanhief: »leve de dappere

Geus! dood en wraak over Spanje's gespuis!«--Maar zij zag niet, hoe

de ongelukkige daar hangend, door de kramptrekkingen zijner spieren

en zenuwen heen en weer werd bewogen; hoe het bloed uit al zijne

aderen met geweld naar het hoofd werd gedrongen; hoe het daar gestuit

werd, als een stroom door een dam, terwijl het aan den doodsbleeken

gelaatstint eene met paarsche strepen dooraderde vermiljoenkleur gaf,

en hoe de brandende oogen als uit hunne kassen werden gedrongen.

Zij zag het niet, en het was ook geen schouwspel voor eene vrouw, hoe

moedig, hoe onverschrokken. Maar De Koning zag het, en hij aanschouwde

het met alle stoïcijnsche koelheid en onversaagdheid. Tot nog toe had

hij gezwegen,--had hij met verachting het oog van de hem bewakende

soldaten afgewend en het strak en stijf op zijn rampzaligen makker doen

rusten. Maar nu zag hij ook Vallos tot zich naderen,--zag opnieuw de

toebereidselen der schandkoord, en weldra stond de beul met zijn te

vergeefs verkropt pijnlijk gevoel en zijn echt duivelsgezicht voor hem.

--»Zijne beurt, mannen!« zeide deze op krassenden toon, en nu wilden

de zoogenaamde krijgslieden hem insgelijks knevelen; doch De Koning

hun doel ziende, zeide bevelend:

--»Waar is don Frederik? Ik moet hem spreken.«

--»Dat is te laat,« antwoordde Vallos, »de galg wacht u.«

--»Te laat!« hernam de hopman, »gij hebt niet bang te zijn, dat ik

uwe bloedgierigheid zal ontslippen. Gij zult, met uwe noodhelpers,

uw beulsambt ook aan mij toonen: maar ik herzeg het--ik moet spreken

met don Frederik.«

--»Neen, ketter! wij hebben nog meer te doen; gij moet sterven:

soldaten, grijpt hem.«

Een der krijgslieden fluisterde nu aan Vallos iets in het oor; doch

luid en gramstorig antwoordde deze:

--»Wat gaat dat mij aan? Ik ken mijn plicht,--doet wat ik beveel.«

Nu staken eenigen de hand uit.

--»Neen!« zeide De Koning, »ik moet hem spreken; ik wil. Beulen of

soldeniers! want dat is hier één woord: zoo gij uw veldheer niet zegt,

wat ik wil, dan zult gij allen het boeten, zoo 't hem bekend wordt

uit den mond van een uwer.--Het is eene gewichtige zaak; dat zweer ik.«

--»Wat zoudt gij zweren, geus?« zeide Vallos, »denkt gij mij eene

kap om te hangen?--Voor het laatst, mannen! bindt hem.«

--»Bij mijne ziel! ik waag het niet,« zeide nu echter de een.

--»En ik niet,« liet een ander hooren.

--»Het is señor Frederik licht te zeggen, wat hij wil,« sprak een

derde, »hij is toch geen mijl van hier.«

En de een zag beurtelings op den anderen. Het was een wantrouwende

blik, dien zij opsloegen. Als het eens zoo ware, wat de gevangene

zeide, en als een hunner het zich eens liet ontvallen. Allen kenden

Frederik: van Vallos hadden zij weinig te vreezen; van hem alles.

--»Vervl...., ga dan tot hem, Lopes!« zeide nu Vallos, wrevelig en

kwaadaardig, »maar wee u, ketter! zoo gij uwe straf slechts hebt

willen vertragen: dan zal ik het wreken op uw vleesch en been.«

Een blik, die de hoogste verachting en tevens fierheid uitdrukte, was

het antwoord, en De Koning wendde nu dien blik naar dien kant heen,

waar zich Frederik bevond.

--»Mij spreken? wat wil hij? heeft het hem daartoe gisteren en

eergisteren aan tijd ontbroken?«

--»Het zal eene rilling voor den doodstrijd wezen,« merkte Marco,

ijskoud grimlachende, aan, »dat zijn muiterstreken, waarbij niets te

winnen valt.«

--»Het laatste kon mogelijk zijn,« sprak Francisco de Valdes, die

evenmin Marco's vriend was, en waar hij kon, de gelegenheid niet

liet slippen, om hem die gezindheid te doen gevoelen, »maar wat het

eerste betreft, geloof ik, dat weinigen den dood zoo zeer verachten,

als deze hopman,--ik bedrieg mij zelden in eenig gelaat.«

--»'t Kan zijn,« antwoordde Marco, die alles begreep, wat er in dit

gezegde lag opgesloten, »ja, misschien hebt gij het in die kunst wel

het verst gebracht.«

--»Men brenge hem hier,« zeide nu Frederik, »maar neen, señor Marco! ga

gij tot hem en hoor, wat hij te zeggen heeft.«

Deze gehoorzaamde ijlings, en nauwelijks was hij bij den gevangene

gekomen, of op den toon van iemand, die al zijn overwicht gevoelt,

vroeg hij barsch:

--»Wat wilt gij?«

--»Zijt gij don Frederik?« vroeg De Koning, met eene trotschheid,

welke niet den ter dood veroordeelde, maar den vrijen man kenmerkte.

--»Wat waagt gij het, rebel! op dien toon van 's hertogs veldheer

te spreken. Señor don Frederik, mijn machtige neef, zendt mij. Wat

wilt gij?«

--»Wagen....« herhaalde de hopman op een toon, zoo spottend en stout,

dat Marco verbleekte, »wat waagt iemand, dien de dood toeft?.... Maar

of ik ook in vrijheid ware, ik zou geen anderen toon kennen. Don

Frederik is de veldheer van duizenden Spanjaards; Philippus de

Koning was het van honderden Nederlanders. En die don Frederik zijt

gij niet?....«

--»Carajo! wat wilt gij, rebel?....«

--»Ik wil spreken met don Frederik, en weigert hij, zoo zal 't hem

tot nadeel zijn.«

--»Hel en dood over hem!« riep Marco, terwijl hij hem ijlings den

rug toewendde, en zich weder naar zijn neef begaf.

--»Zulk een hoon, señor!« zeide hij, van woede bevende, »waagde nog

nooit een Spanjaard. Trots, smaad, spot!.... Bij de heilige maagd! voor

zulk een ketter en muiter is de wreedste dood nog genadig.«

--»En wat wil hij?«

--»U spreken, señor! niemand dan u; dat eischt hij trotsch en

onbeschaamd, en acht u met zich gelijk.«

--»Welnu, verhit u niet te zeer,« zeide Frederik, met den hem eigen

geveinsden glimlach, dien sommigen het meest duchtten, »zulk een

machtig man moet men niet voor het hoofd stooten. Men geleide hem in

den kring dezer ridders en edelen van Spanje.«

De hopman, door de soldaten vergezeld, verscheen.

--»Ik ben don Frederik,« zeide deze, »wat wilt gij van mij?«

--»Ik moet sterven,« was het antwoord, »dat is mij aangekondigd,

en gij weet dat een Hollander niet vreest voor den dood. Maar ik heb

eene vrouw, en de gedachte aan haar pijnt mij zwaar. 't Valt mij te

bitter, mijn vijand eene gunst af te vragen, en daarom wil ik die

koopen. Spreek, bevelhebber! zijt gij tot zulk een handel gezind?«

--»Welnu, laat eens hooren,« zeide Frederik, met dien zelfden glimlach,

»zoo er een goede koop valt te sluiten, dan moet men niet zien of de

man ketter, jood of Hollander is; en men zegt immers, dat de Hollander

bij elken koop of verkoop goede verzekering geeft?«

Verzengend was de blik, dien De Koning bij deze woorden op den

Spanjaard sloeg. Men kon het hem aanzien, dat er eene verterende vlam

in hem blaakte; doch nog sloeg ze niet in laaien gloed naar buiten;

nog bedwong hij zich.

--»Die vrouw heb ik kennis van iets te geven,« hernam hij, »en met

vijfhonderd kronen zal zij het betalen, zoo ge mij gelegenheid schaft,

dat ik een der mannen van Haarlem tot haar zend.«

--»Dat aanbod is niet kwaad,« zeide Frederik; »want wij hebben meer

dan één Haarlemmer in het leger, bijvoorbeeld: den eerwaardigen,

aanzienlijken heer deken der Kanunniken, Joris van Geervliet; of

zoo gij aan een achtbaar regeeringslid der stad de voorkeur geeft,

dan beveel ik u meester Van Groeneven aan. Hij heeft ons reeds

voortreffelijke diensten gedaan; zijn trouw is ons al meermalen

gebleken.«

Die sarcastische versmading was te groot, was te duldeloos voor De

Koning, bij het lot, waarin hij verkeerde, Adriaan van Groeneven! Niet

slechts bij de Haarlemmers--bij schier al de Nederlanders stond vooral

die naam geschandvlekt. Dat was eene felle verguizing. De Koning

zou geëischt hebben, dat op vrijgeleide, een eerlijk Haarlemmer uit

de stad naar het leger ware ontboden geworden. Dezen zou hij dan

den last aan zijne vrouw, tegen eene goede belooning, opgedragen

hebben, en de vijfhonderd kronen voor Frederik, zouden, in Gouda,

vooraf uitbetaald zijn geworden. Maar kon hij, na zulk een spot,

na zulk eene verguizing, thans dezen voorslag nog doen?

Dreigend sloeg De Koning eenige seconden lang het oog op don Frederik;

toen nam zijn mannelijk schoon gelaat eenige plooien aan, door de

werking van al zijne spieren en zenuwen teweeggebracht; toen sloeg

de blakende vlam naar buiten en met eene stem, waaraan hij vergeefs

de trilling zocht te ontnemen, zeide hij:

--»Ja, Spanjaard zonder eer! dat antwoord had ik moeten voorzien; maar

de grootste booswicht is wel eens geneigd tot iets goeds. Daar dacht ik

aan; maar ik heb mij bedrogen. Hier is het een altijddurend broeinest

van snoodheid; eeuwig loert hier de satan met valschheid en verraad.«

--»Bij St. Petrus! dat hij gepijnigd worde zonder eind,« sprak Marco,

ten halve hoorbaar.

--»Bij de heiligen, señor! dat gaat te ver,« riep de Portugees Lorenzo

Perea tot Frederik, »zulk een hoon van zulk een hond!«

Verscheidene der andere officieren gaven door houding en gelaat

hetzelfde te kennen.

--»Hoe, señores! dat beleedigt u?« zeide Frederik, »en het kan mij

niet beleedigen, hoezeer gij van den zoons des hertogs toch genoeg

weet, dat er eergevoel in hem woont. Laat den Hollandschen koopman nog

een oogenblik van spijt razen, omdat ik naar zijn zin, niet begeerig

schijn, een koop met hem te sluiten. Laat hem nog eene poos bijten

in den harden steen; zijne tanden zullen spoedig genoeg stomp zijn.«

--»Gij lacht, lafaard!« riep De Koning, »maar dit is de lach van

den booze tegen een kloek en rustig man. Spot te werpen op hem,

die in banden is, dat is armzalig en laag. Maar, aanvoerder van eene

talrijke moordbende! waag het eens, den aanvoerder van eene handvol

Hollanders vrij te maken van deze koord; geef hem zijn rapier eens

terug en stel u dan tegen hem: bij Oranje en bij Ripperda! zoo gij

dan niet van hem leert, wat een dapper man is....«

--»Dat zou mij misschien behagen,« zeide Frederik, zonder op de

driftige gebaren van Romero en Perea acht te slaan, »wanneer wij niet

reeds zoo dikwijls hadden doen blijken, dat, in het vrije veld, de

Spanjaard een hoop geuzen niet alleen overwinnen, maar ook verslaan

kan: en zoo het ons niet aan tijd ontbrak, zou ik door het opnoemen

der namen uw geheugen daarin te hulp komen.«

--»Vergeet dan ook Loevestein, den Briel en Bergen niet,« zeide De

Koning trotsch en fier. »Stel Mechelen, Zutfen en Naarden er tegen; of

sta ik hier niet voor Frederik en Romero, die in Naarden blijk gaven,

hoe de dapperheid in hun moordgeweer bestond? Foei, lafaard! dat gij

schroomt, u met een braven Hollander te meten; dappere moordhelden

van Naarden! Philippus de Koning tart u beiden; hij daagt u uit,

twee tegen een.«

Toen hij dit zeide, namen zijne oogen zulk eene vlammende, uittartende

uitdrukking, en zijne houding zooveel waardigheid aan, dat Valdez hem

met eene soort van bewondering gadesloeg. Maar Romero kon zijne woede

niet langer bedwingen. Bevend van gramschap, greep hij zijn rapier

aan, en toen met een paar forsche sprongen op den geboeiden hopman

aanstuivende, wilde hij hem zijn staal in de borst stooten. Maar

Frederik, de drift van den aanvoerder van het groene vendel kennende,

en zijne klimmende verbittering gadeslaande, had dit voorzien. IJlings

sprong hij tusschen hem en den hopman, en te gelijker tijd zijn

gebiedenden toon weer aannemende, zeide hij forsch:

--»Terug, señor! niet aldus.«

--»Gij duldt het dan, señor!« riep Romero, »dat 's konings officieren

door zulk een ellendigen hond gehoond worden....«

--»Als gij dat voor hoon acht,« zeide Frederik, »dan kleeft de zwaarste

wel op mij. En gesteld, dat gij het aldus rekenen kondt, wat schrale

wraak ware het dan, hem dood voor uwe voeten te zien vallen. Onze

wakkere hopman,« ging hij op zijn vroegeren toon voort, »zou wel

wenschen, dat de zon vandaag op die wijze voor hem onderging.--Ha,

ha! maar zoo zal het niet zijn.«

--»Dan dulde hij den schimp, die het wil,« sprak Romero, terwijl hij

het, door de drift losgeschoven verband van het uitgeschoten oog weder

op de plaats bracht, »bij Spanje's patroon! mij lust het niet, dien

voor scherts te verkroppen.« En gramstorig en met den voet stampende,

verwijderde hij zich uit den kring van officieren, terwijl Lorenzo

Perea van inwendige verbittering gloeide.

--»Romero!« riep nu De Koning hem achterna; »lafaard! wat gaat gij

daarheen? Bekruipt u de vrees voor een onweerbaar man? Kunt gij zijn

woord niet kroppen, zijn blik niet harden? Ha, booswicht! vlucht maar;

't verwijt van dien klank gaat u toch na. Een lafaard zijt gij,

een moorder....«

Zichtbaar ongeduld heerschte er intusschen onder de soldaten, welke

zich links en rechts in Vallos' nabijheid bevonden. Dat hoorde men

aan het rumoer, in den omtrek der verschansingen; dat vertoonde

zich het duidelijkst op de grimmige trekken van Vallos zelven,

die vergeefs den pijn aan zijn vinger poogde te verbergen. Opeens

echter werden aller oogen, naar den kant van Frederik gericht, tot

de galg heengetrokken. Verscheidene voeten boven den grond hingen

de hoofden van Kellenaar en Van Trier; doch dat van den laatste werd

gedurig heen en weder bewogen, en nu zag men van den eenen, dan van

den anderen kant eene kei aansnorren, met den blijkbaren toeleg, om

den ongelukkige te treffen, die nog niet afliet, zijne verbittering

en zijn haat in luide kreeten bot te vieren. En rondom de galg liep de

vervaarlijke dog van Vallos, met woeste sprongen heen en weder, nu en

dan bassende, of den aanrander zijns meesters nog de tanden toonende,

en dan weder wild naar hem opspringende, en telkens huilende, bij de

onmogelijkheid om den rampzalige te bereiken.

Terwijl De Koning daar nog in dezelfde houding stond, en slechts het

oogenblik tegemoet zag, dat aan de soldaten het teeken zou gegeven

worden, hem weg te leiden, beval Frederik aan Marco, dat hij Romero tot

hem zou terugroepen. Eenige seconden scheen deze te aarzelen bij de

batterij, waarheen hij zich begeven had, doch gewoon te gehoorzamen,

zooals hij wilde, dat men ook hem deed, volgde hij Marco, en nu weder

op de vorige plaats teruggekomen, zeide de bevelhebber:

--»Señor Romero! het wordt tijd, om aan dit tooneel een einde te maken;

gevoelt gij lust, u met den ketter te meten, en alvorens hij ter dood

ga, zijne laffe snorkerij te beschamen?«

--»Nooit, señor! was het antwoord, »eerder kruiste ik mijn rapier

met een mijner geringste soldaten; mijne kling zou voor eeuwig

bevlekt zijn.«

--»Moorder!« riep De Koning, »al uwe Santen kunnen haar in eeuwigheid

niet schoonwasschen: 't bloed van Naarden zal er op hechten tot in

den oordeelsdag.«

--»Wat mij betreft,« zeide Frederik op een tergenden toon en als

scheen hij op de woorden van den hopman geen acht meer te slaan,

»wanneer ik meer tijd had, zou ik uit dankbaarheid voor zijne fraaie

taal, hem de deugd mijner Toledosche kling eens doen gevoelen: maar

thans, señor Romero! draag ik die dankbaarheid op u over; ook gij,

señor Perea! schijnt er naar te haken:--welnu, ik stel den geus in

uwe handen: gij kunt hem uw dank doen gevoelen, op wat wijze gij wilt.«

--»Den hond in mijne macht, señor! gij hebt het gezegd,« riep Romero,

met vlammenden blik, »op mijne eer! dan zal hij eerst nu leeren,

wie Romero is.«

--»Binden wij hem aan de paarden mijner ruiters!« riep de wreede

Portugees Perea, »zij scheuren hem de leden vaneen.«

--»Dat is recht en gerechtigheid betoond,« riep Marco, om zijn neef

te vleien, »leve de Maestro del Campo, die aan gehoonde capitanes

wraak verschaft.«

--»Hij sterve als een hond!« riep Romero; »soldaten! voert hem

van hier.«

--»Laffe moordenaar!....« sprak De Koning; »ik vrees u niet....« En

hij wilde nog meer zeggen; doch zijne woorden werden door het woest

rumoer der soldaten overschreeuwd.

--»Mijne ruiters!« riep Perea.

--»Neen!« zeide Romero, »zóó moet hij niet sterven. Ik heb hem een

anderen dood toegedacht. Soldaten, voort!«

--»Mijne ruiters, zeg ik!« sprak Perea, »dat zij hem de leden

vaneenrukken!«

--»De bevelhebber gaf hem in mijne macht,« liet Romero hooren.

--»En in de mijne,« hernam Perea, »onze rechten staan gelijk.« En

bijna ware er tusschen hen nog twist ontstaan over het hun wederzijdsch

toegestane recht. Bloedig denkbeeld! nog twist over de wijze, om iemand

den wreedsten dood te doen sterven, evenals gold het de verdeeling

van een kostbaren, door twee menschen gevonden schat. Evenwel, dit

verschil duurde niet lang. Volgens de gewoonte der Spanjaarden, om

sommige twistpunten door een muntstuk te vereffenen, besliste hier

een bisschopsgulden en--het lot van den gevangene was in Perea's hand.

--»Mijne ruiters!« riep hij nu op driftigen, bevelenden toon, en

stapte haastig naar de verschansing, terwijl hij en Romero, zooals

zij daar gingen, de wraakdemons voorstelden, van welke Vondel in zijn

Lucifer ons een tafereel geeft.

--»Wraak!« riep Baptist van Trier, toen men ter zijde van de galg

voortstapte, waar hij met pijnlijke trekkingen, de leden wrong,

»wraak voor Haarlem, voor Holland! de dood aan den beul!«

--»Die razende koorts zal nog lang duren,« sprak Perea, »maar 't is

jammer, dat hij niet zien zal, hoe het dat muitersnest zal vergaan.«

--»Een tweede Naarden,« grijnsde Romero, »dat zweer ik.«

--»Zoo waarachtig als er een God leeft!« liet De Koning hooren,

»voor u, Spaansch gebroed! zal dat Haarlem het kerkhof zijn.«

Op dit oogenblik voegde zich Vallos bij het geleide der soldaten, en

men kon de pijnlijke gramschap op zijn afschuwelijk gelaat zien--de

gramschap, dat hem een offer, hetwelk hij reeds in zijn klauw

gehad had, ontscheurd werd. Maar zoo hij al zelf deze strafoefening

niet plegen zou, dan toch wilde hij bij de uitvoering door anderen

tegenwoordig zijn, en--bij zich zelven vloekende, snelde hij mede

naar de plaats van het tooneel.

--»Wat wilt gij señor?« vroeg hij, alsof hij het eigenlijke voornemen

van Perea nog niet volkomen had doorzien.

--»Gij zult het zien,« was het antwoord; en Perea vervolgens eenige

zijner ruiters toeroepende, beval hij twee hunner, op wreed laconieken

toon, het lichaam van De Koning door middel hunner paarden van elkander

te rukken.

--»Par los Santos, (Bij de heiligen) señor! daartoe zullen twee paarden

niet genoeg zijn,« sprak Pedro, een hunner, »de ketter schijnt hard

van been en sterk van spieren te zijn.«

--»Neem er dan vier!« zeide Perea, »sterven moet de ellendige muiter;

maak spoed, ik beveel het.«

In een oogenblik hadden de ruiters van den Portugees zich van

koorden voorzien, om den hopman op de gewelddadigste wijze te

doen sterven. Perea was opgetreden als wreker van al de gehoonde

Spaansche officieren--Perea had het bevolen; en wanneer bevelvoerders

aan hunne soldaten den vrijen teugel geven, dan zijn deze aan de

ontvonkte kruitslang gelijk, waarvan het vuur, in allerlei bochten

en kronkelingen, van den kop tot aan den staart des ondiers voortloopt.

--»Par los Santos! gij zult hem de ribben hooren kraken,« zeide Pedro,

»mijn Andalusiër springt het vuur uit den neus.«

--»De dood aan de rebellen!« klonk het, terwijl sommigen zich reeds

in een kring groepeerden, om de toebereidselen tot de strafoefening

te aanschouwen. De paarden trappelden en brieschten, en dit geluid

klonk als dat van het wilde ros van Mazeppa in de woestijn; het

was, alsof de edele dieren terugsteigerden voor het gruwelijk werk,

waartoe zij zouden gebezigd worden.

Reeds maken een paar ruiters zich gereed, om De Koning aan te grijpen,

en de koord aan zijne ledematen vast te snoeren.

--»Eervergeten booswichten!« sprak hij, »zóó zult gij mij doen

sterven! Het zij zoo: ik sidder niet voor dien dood; maar ik huiver,

dat er op de wereld zulke monsters bestaan, als gij zijt. God, dien

gij niet kent, zal u straffe zenden; en dit voorspel ik: de mannen

van Haarlem zullen mij wreken, eer morgen de zon ondergaat.«

--»Zwijg, ketterhond!« sprak Perea, »wat zouden die rebellen

zich wreken? En wat doen zij anders dan hangen, die zij in handen

krijgen? Dat hebben zij nog korts aan den soldenier Van Frundsberger

getoond, nadat zij hem verraderlijk binnen de poort hadden gelokt. Het

is, zooals de Schrift zegt: oog om oog, tand om tand.«

Wat Perea daar zeide, was niet gelogen. Een soldaat der Duitschers

namelijk, in den nacht van den tienden Januari, verdwaald zijnde,

kwam aan de Spaarnwouderpoort, en meenende, dat hij bij Amsterdam

was, werd hem zulks op zijne vraag bevestigd, waarna hij de poort

binnengelaten werd, doch zijne lichtgeloovigheid reeds den volgenden

dag met den hals boeten moest. Het was door Adriaan van Groeneven,

dat dit voor Frederik's soldaten geen geheim gebleven was.

--»Ja, Nombre de Dios! (In den naam van God!) zóó moet hij sterven,--de

ellendige geus.« riep Lorenzo Perea, en vervolgens zijne stem

verheffende, beval hij: »Gaat voort, ruiters van Perea!«

Thans grijpen een paar hunner den hopman aan, en het oogenblik schijnt

gekomen, dat men diens leden krakend vaneen zal zien scheuren. Maar

een machtiger Wezen dan de mensch scheen wel een droevig levenseind,

echter niet dit lot over De Koning besloten te hebben. Opeens doet

zich van Haarlem's wal eene losbranding hooren; de busschieter Leonard

Joosten heeft ze bestuurd en--een zware ijzeren kogel wordt onder

het midden der beulen geworpen. Onder een rauwen kreet tuimelen twee

der handlangers zwaar gewond neder, en aan Pedro wordt letterlijk het

hoofd weggenomen, zonder dat De Koning, dien hij reeds had aangevat,

door de uitwerking van het schot in het minst beschadigd wordt. Uit

het midden der Spanjaarden laat zich een kreet van schrik en uit den

mond der ruiters een zware vloek hooren: doch geen tien seconden zijn

verloopen of eene tweede losbranding van den wal doet andermaal een

der ruiters nedertuimelen, en nu klinkt het eenparig, dat dit tot

straf is voor den ontmenschten dood, dien men den geus wil aandoen.

--»Gaat voort,« beveelt Perea; doch allen weigeren te gehoorzamen en

verklaren uit één mond, dat het herhaald treffen van het vijandelijk

geschut een waarschuwend teeken is, om niet met deze strafoefening

voort te gaan.--Niet slechts fanatiek, maar ook bijgeloovig in den

hoogsten graad, schijnt nu Perea zelf met dit gevoelen in te stemmen;

althans hij beveelt niet andermaal, met het vonnis voort te gaan; maar

terwijl hij van toorn op den grond stampt, roept hij met verbitterde

krachtige stem: »Dan sterve de muiter een anderen dood!«

--»Ja, sterven moet de hond!« liet Romero hooren, »dat zweer ik,

en de muiters in Haarlem moeten weten, hoe het den aanleider van het

ontzet vergaan is.«

Nu riep hij Vallos tot zich, en na eenige woorden met den beul te

hebben gesproken, verwijderde zich deze, terwijl hij halfluid de

woorden mompelde: »ik dacht wel, dat het zonder mij tot geen eind

komen zou.«

Op zijn bevel, door Romero bevestigd, volgden nu een viertal soldaten,

met den gevangene in hun midden, den beul, die zich thans naar de

plaats begaf, waar hij het leven van den ongelukkige meer bepaald

in zijn handen had.--Wij volgen hem niet derwaarts; want Perea's

en Romero's handeling toont duidelijk genoeg, welk schouwspel thans

daarginds plaats greep.

--»Pizarro!« zeide de Portugees, na met Romero gesproken te hebben,

tot een zijner ruiters, »haal mij uit de tent van capitan Mugnos

spoedig schrijftuig.«

Gezwind werd aan dezen last voldaan, en nu schreef Romero, die,

wegens zijn lang verblijf in de Nederlanden, het Hollandsch vrij

duidelijk sprak en schreef, het volgende neder:

»Dit is het hoofd van kapitein Philippus de Koning, den

ongelukkigen aanvoerder zijner soldaten, tot ontzet van de stad.«

Geen kwartieruurs was na het verrichten dezer taak verloopen, toen

de walverdedigers zagen, hoe een Spanjaard, op het blokhuis twee

voorwerpen in de hand hield, en sommigen ontwaarden duidelijk, dat

het eene een slinger was. In dien slinger zagen zij hem een voorwerp

leggen, en hem vervolgens eene honende beweging maken, met den

uitroep vergezeld, »daar, geuzengebroed!«--IJlings richt men eenige

musketten op hem; doch in plaats, dat de Spanjaard getroffen wordt,

maakt deze andermaal eene forsche beweging met den arm; toen giert er

een voorwerp, met eene krachtige hand weggeworpen, door de lucht heen;

opnieuw laat zich eene honende kreet hooren, en een paar seconden

later valt, bij de Kruispoort, het weggeslingerde voorwerp voor de

voeten der Haarlemmers neder: dat was het hoofd van den ongelukkigen

aanvoerder van het ontzet.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 3 / 21 题