EERSTE HOOFDSTUK.

Ongeveer een paar honderd schreden kon de, als Spanjaard vermomde

vluchtelinge voortgegaan zijn, toen haar op eens de aanroep eener

vijandelijke schildwacht dicht in hare nabijheid als een doodvonnis

in de ooren klonk.

Wanneer Venavides drie dagen vroeger gezegd had: »geene schildwacht

zal u verder op dezen weg tot hinderpaal zijn,« dan had hij de

waarheid gezegd.

Maar twee dagen geleden had er in het uitzetten van posten gedurende

den nacht eene verandering plaats gehad. Don Frederik had in het begin

des jaars een aanvang laten maken met het graven van eene vaart,

nog heden het langs het kerkhof loopend Spaansch Vaartje geheeten,

ofschoon minder breed dan toen, doch nog altijd dienende, om bij hoogen

waterstand het water in het Spaarne uit te malen. Het moest strekken

om van het Huis Ter Kleef gemeenschap te hebben met het Spaarne,

en het ontlastte zich achterom het Huis Ter Kleef in den Delft. Op

ongeveer zeventig schreden van de tegenwoordige boerenhofstede

van R. W. Nelis, waarlangs het Spaansch Vaartje loopt, nabij den

zoogenaamden toenmaligen doolhof, had men een voetpad, dat naar de

Zandpoort geleidde. Daar had don Frederik een paar schildwachten

laten uitzetten, zonder dat zulks aan al zijne officieren bekend was,

eene handeling, tot zijn karakter behoorende en evenmin vreemd aan

den hertog, zijn vader. Dit voetpad naar de Zandpoort moest Magdalena

inslaan, dewijl zij onmisbaar verloren ware geweest, zoo zij haren weg

stadswaarts had willen nemen. Geenszins zulks vermoedende, klonk de

aanroep haar te vreeselijker in het oor; en de dichte nabijheid der

stem werd veroorzaakt, doordien de schildwacht achter de manteling

van eenig laag geboomte stond, dat, hoewel door den winter verdord,

nochtans dicht genoeg was om eene wacht aan anderer blik te onttrekken.

IJlings terug te wijken of weerstand te bieden, waren de twee

gedachten, die Magdalena even snel aangrepen; doch beide ware

vruchteloos of een nog onvermijdelijker verderf geweest. Den

hinderpaal voorbij te snellen, was onmogelijk; want die hinderpaal

was een slagboom; een oogenblikkelijke alarm, een schot, weergalmend

geschreeuw, zou schielijk anderen hebben doen aannaderen, en--van

verschillende zijden achtervolgd, ware de vlucht haar ten eenenmale

ondoenlijk geweest.

--»Vader in den Hemel, help, red mij!« was hare stille bede: en ter

zelfder tijd al hare vrouwelijke koenheid en tegenwoordigheid van

geest verzamelende, stond zij stil en antwoordde koelberaden, doch

niet zonder inwendige siddering:

--»Capitan!«--

--»Het wachtwoord!« zeide nu de schildwacht, terwijl hij, met de

lont tegen de pan, Magdalena zoo dicht naderde, dat beiden geen twee

schreden van elkander af stonden; en Magdalena, ofschoon ze zijne

woorden niet verstond, maar des te beter begreep, antwoordt onverwijld:

--»Valencia!«

Dan, de volgende woorden en de beweging van den soldaat deden

haar oogenblikkelijk zien, dat hare tegenwoordigheid van geest te

vergeefs, dat het lot haar vijandig was. Het is waar, wel had eens

in den Vlaamschen oorlog een krijgsman het wachtwoord geraden en was

daardoor geslaagd in het overrompelen van den vijand. Doch dit was

eene zeldzaamheid geweest. Eenmaal moge het geluk in zulke gevallen

de vriendelijke hand uitstrekken--duizendmaal blijft de hand kil en

onbewegelijk nederhangen.

--»Hoe, zegt gij?« vroeg de soldaat, op den toon van iemand die een

antwoord niet duidelijk verstaat.

En Magdalena bemerkende, dat hij haar niet goed gehoord, en zij het

bedoelde woord niet had, zeide nu:

--»Cuença.«

--»Gij kent het woord niet, en ik ken u niet,« sprak de Spanjaard,

in zijn landstaal, terwijl hij den loop van zijn musket dichter bij

Magdalena's borst bracht. »Wie zijt gij? een Hollander--een rebel:

gij zijt mijn gevangene.«

Ofschoon Magdalena het Spaansch niet verstond, begreep zij maar

al te zeer den zin der woorden, die een donderslag voor haar

waren. Plotselijk werd de liefelijke toekomst, die zij reeds gedroomd

had, met een sluier overtogen en elk aanminnig beeld, dat reeds voor

haar ziel zweefde, nam eene spookachtige gedaante aan. Nu dreigde de

moed haar te ontzinken, alle kracht van haar te wijken en zij sloeg

het oog naar den Hemel, als de eenige plaats van waar nog redding

kon komen. Onbewegelijk hield de soldaat den loop van zijn geweer op

hare borst gericht als eene schrikinboezemende waarschuwing, dat hij,

bij de minste poging tot ontvluchten, de brandende lont op de geopende

pan zou neerslaan, en het was wellicht die dreigende houding, welke

haar kracht gaf om nog staande te blijven.

--»Wie zijt gij?« herhaalde de schildwacht, die met zich zelven

in strijd scheen, hoe hij het zou aanleggen om op zijne gevangene

de overmacht te behouden; want er zou nog ruim een halfuur moeten

verloopen eer hij afgelost werd, en ofschoon hij wel zag, met geen

gevaarlijken persoon te doen te hebben, vermoedde hij echter nog niet,

dat de zoogenaamde capitan eene vrouw was.

--»Bij San-Jago! gij zijt een Hollander, een muiter,« sprak hij nu,

toen zij niet antwoordde, met een gebroken Hollandschen tongval. »Gij

zijt geen capitan; gij hebt u vermomd.«

Magdalena thans hoorende, dat de soldaat een weinig van hare landstaal

verstond, greep plotseling weer moed. Levendig besefte zij, dat alle

weerstand of de geringste poging om te ontvluchten ijdel zou zijn. Maar

nog eene flauwe hoop schemerde haar door den nacht tegemoet.

--»Ik ben uit Haarlem,« zeide zij, »en diep rampzalig, zoo gij mij

gevangenhoudt. Ik ben ontvlucht uit het Huis Ter Kleef, waar uw

bevelhebber mij gevangen hield. Wees mij tot hulp, en eene groote

rijkdom zal uw loon wezen.«

--»Dat liegt gij,« zeide de soldaat in gebroken doch tamelijk

verstaanbaar Hollandsch, »daar, uit dat huis gevlucht, waar gij

gevangen waart?.... dat is onmogelijk. Wie zijt gij dan? Bij de

heilige moeder Gods.... gij spreekt met eene vrouwenstem, gij capitan,

zonder baard....«

--»Ik wil mij niet redden door logentaal, soldenier!« zeide Magdalena,

»ik ben eene vrouw, en van deftigen staat. Mij naar Haarlem begevende,

werd ik overvallen, en hoewel niets euvels gebrouwen hebbende, in dit

huis bewaard: het geluk was mij gunstig ter ontkoming en nu bid ik u,

stort mij in geen dieper leed: ik zal uwe hulp vergelden door eene

wichtige som, door al den schat, dien ik heb.«

--»Als gij die Eefvrouwe (edelvrouw) zijt,« sprak de schildwacht,

»dan ontkomt gij mij niet, al gaaft gij mij een paar honderd kronen;

want bij mijne ziel! zoo ik verraden werd, zou señor Frederik mij voor

die kronen duizend dooden doen sterven. Ik weet, onder wat vaandel

ik dien.«

--»Die som zal ik u geven, soldenier!« hernam zij, »en gij hebt niet

te schromen, dat gij komen zult in ongelegenheid. Wie toch zou uw

verrader zijn?«

--»Twee honderd kronen!« mompelde de soldaat, »het is eene stevige som

in dezen tijd, maar om er mijn kop aan te wagen....« En hij peinsde

eenige seconden, eer hij hoorbaar antwoordde.

--»Verraden, zegt gij? verraadt tegenwoordig de broeder den broeder

niet? En zijt gij geene Hollandsche? Gij Hollanders haat de Spanjaards

als de pest. Wat zou u terughouden, als gij in veiligheid waart,

om señor Frederik te doen weten, hoe gij hem verschalkt en zijne

schildwacht omgekocht hebt? Neen, ik laat u niet gaan, ik ken mijn

plicht.«

--»Foei!« sprak Magdalena, »wie zou zoo snood wezen, te verraden,

wie hem redt? Daar leeft een God, die het zou straffen: en bij dien

God zweer ik, u nimmer te zullen verraden, door woord, of schrift,

of het minste gebaar.«

--»Neen! ik laat u niet gaan,« zeide de Spanjaard, terwijl hij den loop

van zijn musket nog eene handbreed dichter bij hare borst bracht,

als om meer kracht aan zijn woorden bij te zetten: de geringste

verdachte beweging en--het ware met haar leven gedaan.

--»Voor zoo groot eene som niet, onder zoo een eed?« vroeg Magdalena,

zich alle geweld aandoende om haren moed te behouden, »waardoor

verdiende de Hollander, dat gij zoo zwart van hem denkt? Het

vinnigst vuur van oorlog kan hem zoo laag niet doen wezen. Hoor mij,

soldenier! wees edel en doe mij niet vallen in diepen afgrond.«

--»Ik kan niet, want al word ik niet verraden door u.... toch ontging

ik den strop niet: gij kunt niet uit dat huis vluchten, of gij moet

dezen weg gaan, waar men posten heeft uitgezet, en schoon ik wel kans

zou zien, om u van hier in veiligheid te brengen, moest gij toch mij,

als de eerste schildwacht, voorbij; »gij hebt geslapen of gij zijt

omgekocht,« zou men mij tegemoet voeren, en bij Spanje's patroon! eer

het middag werd, zouden aan de galg de raven mij de oogen uitpikken.«

--»Peins toch, peins op een middel of gij u niet dekken kunt voor

straffe!« smeekte Magdalena.

--»Daar is er geen.«

--»Er moet toch nog een ander pad ter uitredding wezen.«

--»Neen! alle zijn met schildwachten bezet.«

--En nu stonden beiden weder een oogenblik zwijgend tegenover

elkander. Wel bleef het niet uit Magdalena's gedachten, hoe de

Spanjaard het toch zou kunnen wagen, haar de vrijheid te bezorgen,

wijl hij toch spoedig afgelost worden en het altijd moeilijk te

bewijzen zou zijn, op welk uur zij ontvlucht was. Doch te midden van

het dreigendst gevaar verloochende zij haar edel hart niet. Zij wilde

niet, dat een onschuldige, schoon dan ook een Spanjaard, voor haar

den dood zou ondergaan: zij wilde hare vrijheid niet ten prijs van

iemands verderf, die aan hare vlucht geen zweem van medeplichtigheid

hebben zou, en zij uitte die gedachte dan ook niet, schoon haar de

bangste toekomst voor den geest zweefde. Dan, zij behoefde zulks niet

te uiten. De soldaat, hoezeer ook weigerende haar behulpzaam te zijn,

berekende toch alles wat uit zijne handelwijze zou kunnen voortvloeien:

pijnbank, dood, geldelijke belooning; eer en misschien ook voordeel,

wanneer hij haar niet liet ontkomen, ofschoon dit laatste alsdan

nimmer zoo aanzienlijk zijn zou. Eer en voordeel! dat zijn machtige

kampvechters tegen hem, bij wien de schaal van het laatste zwaarder

is dan die van het eerste. Ook hier sloeg de balans tot het laatste

over, te meer, omdat dit zekerder scheen; doch het voordeel moest nog

grooter worden, en dat kon het alleen, door het gevaar nog zwarter

voor te stellen, dan het was; want dit toch had hij reeds gewogen

en getoetst, dat het gevaar minder groot voor hem was dan de hoop,

om den strop te ontgaan: eenmaal uit het Huis Ter Kleef zijnde, stond

toch nog de weg naar het huis Brederode ter ontvluchting open, en,

zoo al niet, waarom zou dan die vlucht hebben plaats gehad, juist in

den tijd, dat hij zich op dien post had bevonden?

--»Zoo ik den weg had genomen naar het huis Brederode,« zeide

Magdalena, »dan toch zou ik hier niet gestuit zijn, schoon ik dan

ook op onzekere baan ware gegaan.«

--»Onmogelijk!« sprak de Spanjaard, hoezeer wetende dat de veldzijde

naar dien kant wel te begaan was zonder op schildwachten te stuiten,

»geen vijftig schreden ver, of gij waart een veldpost in den mond

geloopen.«

--»Rest u dan geen middel, om mij tot hulp te wezen?« vroeg Magdalena

op smeekenden toon, »zonder dat gij of een uwer makkers in leed

komt? Och! peins er aan, wat lot mij toeft, zoo ik weder in de macht

val, die ik ontvlucht ben. De tijd vordert spoed: al wat ik bezit,

is het uwe; red mij slechts, red mij.«

--»Welaan!« zeide nu de Spanjaard, »ik waag er den kop aan, omdat

ik misschien Salamanca toch niet meer zal wederzien: ik zal de

soldateneer met den voet schoppen, u in veiligheid brengen en daarmede

zal ik mij zoeken te redden, dat niemand mijn post is voorbijgegaan,

wien het wachtwoord onbekend was. Maar de som, waarvoor ik het waag,

moet grooter zijn; tweehonderd is niet genoeg.«

--»Vorder, spreek, ik heb kleinooden van waarde bij mij,« zeide

Magdalena, »en wat gij meer wilt, zweer ik, dat u geworden zal,

zoo gij daartoe een middel aanwijst.«

En nu wilde zij hare kostbare gouden keten te voorschijn halen, terwijl

de Spanjaard echter nog scheen te aarzelen, toen er plotselijk bij

het Huis Ter Kleef een schot viel, hetwelk bijna tegelijkertijd door

een zelfden knal werd opgevolgd.

--»Dat is onraad! vervloekt! dat geldt u,« riep nu op eens de soldaat.

--»Mij?.... Almachtige God!« riep Magdalena sidderend, als trof dat

schot haar, »red mij, red mij, of het is te laat.«

--»Te laat is het nu reeds!« zeide de schildwacht, »men heeft uwe

vlucht ontdekt; dat is zeker en gewis.« En terwijl hij het laatste

woord uitte, klonken twee, drie schoten op verschillende afstanden,

vermengd met een luid geroep en geschreeuw, dat door de stilte van

den nacht een akeligen toon gaf en door de echo's van het veld niet

minder akelig teruggekaatst werd.

--»Dan ben ik verloren!« riep zij, terwijl ook reeds de naastbijzijnde

schildwacht zijn geweer afschoot en eenige verwarde stemmen plotselijk

naderbij kwamen.

Vergeefs deed de ongelukkige vrouw andermaal eene poging om zich

staande te houden; vruchteloos beproefde zij moedig te blijven:

hare krachten ontzonken haar. En geen wonder! Magdalena, hoe fier,

hoe kloek, was echter eene vrouw. Haar gevoel was, vooral op dien dag,

met te onafgebroken schokken aangerand. Het licht was opgegaan voor

haren geest, doch door schaduwen beneveld geworden. Die schaduwen waren

weder verdwenen en door een helderder licht vervangen geworden. Maar te

midden van dat licht had zich eensklaps eene duistere wolk vertoond, en

een bliksemstraal was er uitgeschoten. Die straal had haar getroffen,

al hare leden verlamd en het op eens donkerder voor haar doen worden

dan ooit; het bewustzijn was haar ontvloden.

Hetzij Frederik, in weerwil van Magdalena's eed, twijfelde, dat zij den

moed niet zou hebben, de haar bedreigende folteringen den volgenden

dag af te wachten, hetzij eenig wantrouwen, waarvan hij zich zelven

geen grond wist te geven, eensklaps in hem opgerezen was, of dat

hij wellicht door andere taal haar tot eenig besluit wilde nopen,

althans voordat hij zich ter slaap begaf, voelde hij zich gedrongen,

andermaal naar haar verblijf te gaan, en men kan zich zijne verbazing,

zijn schrik, zijne woede voorstellen, toen hij de vroegere bidcel

ledig vond. Driftig en sidderend van gramschap en teleurstelling,

was hij onderscheidene malen het vertrek, als het ware, doorgevlogen,

zonder vermoeden op te vatten over de wijze harer ontkoming. Hij zag

daar het vrouwengewaad, waarvan zij zich ontdaan had, verspreid op den

grond liggen, en in zijne verbittering schopte hij het verachtelijk

met den voet. Toen had hij met forsche stem haren naam geroepen, doch

niemand had geantwoord. Daarna had hij andermaal als een razende de cel

doorgezocht, geschreeuwd, getierd en gevloekt, doch haar niet gevonden,

wier ontvluchting hij geheel onmogelijk waande. Op zijn geroep waren

vervolgens Marco en de suppoost toegeschoten. De laatste was bij

het hooren van het gebeurde eensklaps zoozeer door angst en schrik

aangegrepen geworden, dat hij op don Frederik's onstuimige vragen

niet kon antwoorden, en zijne tong letterlijk als verstomd was. Marco

poogde te vergeefs de woede van zijn neef te beteugelen; deze luisterde

niet meer, en zonder dat men nog het middel der ontvluchting vermoed

had, was er in dat gedeelte van het Huis Ter Kleef een hevig rumoer

ontstaan. Op Frederik's bevel ijlde Marco aanstonds naar buiten, om

de wachten van het gebeurde te onderrichten en, zoo mogelijk nog de

verdere vlucht te verhinderen. In een oogenblik had zich dat bevel

langs de gansche linie van schildwachten herhaald: schoten knalden

als het gewone teeken van onraad, en men zou gewaand hebben, dat

er plotseling een uitval van de belegerden plaats greep, en dat de

Spanjaards aan verschillende kanten overrompeld werden. Verscheidene,

bijna de meeste officieren, waren toen insgelijks naar buiten gesneld,

en onder hen bevond zich ook Venavides, die zich echter geenszins

beangste, wijl hij niet twijfelde of Magdalena zou reeds lang in

veiligheid zijn.

Eenige minuten had rondom het Huis Ter Kleef reeds die ongewone

beweging voortgeduurd, en boven aller stem klonk die van don

Frederik uit; want niet slechts, dat hij in Magdalena's gevangenschap

grootelijks belang had gesteld, er was hem nu ook ten hoogste aan

gelegen om den schuldige te kennen, die in hare vlucht de hand had

geleend, en dezen zwoer hij, bij ontdekking, de zwaarste straf.

Intusschen waren een anspessado en drie soldaten bij de schildwacht

gekomen. Daar hadden zij den vermomden Spanjaard bewusteloos

gevonden, en in korte woorden had de schildwacht hun het gebeurde

medegedeeld. Een der soldaten had hem toen afgelost, en onder de

hoogste verbazing, doch geene mindere vreugd tevens, dat zij de

vluchtelinge in handen hadden, keerden zij van die plaats naar het

Huis Ter Kleef terug, Magdalena gezamenlijk dragende, zonder dat deze

eenig besef had van hetgeen er met haar plaats greep.

--»De vogel is gevangen!« riep de anspessado, eenige schreden

vooruitsnellende naar het voorplein, waar zich Frederik met de meeste

officieren bevond, nog altijd lucht gevende aan zijne gramschap,

onder dreigingen tegen den onbekenden handdadige van het feit.

--»Wat!« riepen eenige der bevelhebbers den anspessado als uit één mond

toe, en tegelijk werden diens woorden aan Frederik herhaald, terwijl

ook de soldaten met de bewustelooze vrouw inmiddels naderkwamen.

--»Vervloekt, wie hier den spot drijft!« zeide Frederik, »men heeft

haar gevangen?«

--»Zoo waarachtig als ik leef, señor!« zeide Marco, op wiens gezicht

men eene duivelsche vreugd zou gezien hebben, wanneer de duisternis

van den nacht dit had vergund; »daar is zij.«

--»Waar is de veldheer?« vroeg de anspessado.

--»Hier!« klonk het.

--»Señor!« sprak nu deze, terwijl hij naderkwam, en links en rechts

door officieren omringd, »de vluchteling is in handen;--aan de

schildwacht Gonzales al de eer!«

--»Dan zal hij beloond worden! Waar is hij?« Te gelijker tijd bracht

men eene toorts aan, die nu haar schijnsel op de geheele groep

wierp en aller verwondering tot de hoogste verbazing deed klimmen,

toen men in den bewusteloozen en gewaanden Spanjaard de trekken van

Magdalena herkende.

--»Zij is dood!« liet zich uit sommiger mond hooren.

--»Dat is een Spanjaard zooals wij!« hoorde men van eene andere zijde.

--»Wat klucht moet dat wezen?« riepen eenigen, en de Spaansche moedwil

en spotlust verloochende zich ook thans niet.

--»Stilte! ik beveel het,« zeide Frederik met eene zware stem, »hier

geen spot! en geen raadsel is deze zaak. Ik doorgrond haar; ik heb

haar doorzien. Onder het leger des konings schuilen verraders. De

dood aan den schuldige, eere voor den ontdekker van het verraad.«

--»Señor!« zeide Marco, terwijl zijn valsch oog iemand scheen te

zoeken, »dat is het gewaad van een Spanjaard; daar zou men hem spoedig

door kunnen ontdekken.«

De man, dien Marco zocht en tegen wien eensklaps zijn argwaan was

opgerezen, bevond zich op dat oogenblik achter Romero en De Auecia;

en die man was don Pedro de Venavides. Te edel en te groot om een

huichelaar te zijn, schreef de noodzakelijkheid toch Venavides voor,

dat hij allen schijn van zich moest weren. Bijna verplet stond hij

daar; want zulk eene rampzalige uitkomst had hij niet verwacht. Wat

moest hij thans niet vreezen? Een nog ijselijker lot over haar,

die hij gered had, eene schandelijke verguizing van zich zelven,

zoo Magdalena eens zwak genoeg zijn mocht, hem als haren redder te

vernoemen.... zoo Frederik haar eens de vrijheid mocht aanbieden,

wanneer ze den man--de oorzaak harer vlucht kenbaar maakte. En dat

zulk eene handeling was te verwachten, daartoe--al kende hij ook al

de plooien en groeven van dat karakter nog niet--daartoe kende hij

den zoon van Alva genoeg.

--»Dood!....« zeide Frederik, met eene schimpende verachting in

zijn stem. »Neen, die duif is niet dood, al heeft de havik haar in

den klauw gehad! Zij zal weer bijkomen, en scherper klauwen zullen

haar aangrijpen. Señor Marco! laat haar in de kooi terugbrengen; dat

vrouwengewaad, dat ik verschopt heb, zal dien mom weer vervangen. Zij

worde streng bewaakt. Gij zult er mij borg voor zijn.«

Eene buiging, met een veelbeteekenenden satanslach vergezeld, was

het antwoord. De bewustelooze werd naar de bidcel teruggevoerd.

--»Blijf!« zeide Frederik tot den schildwacht, die zich verwijderen

wilde.

Deze gehoorzaamde.

--»Hoe is uw naam?«

--»Lorenzo Gonzales, señor!«

--»Gij hebt haar gevat?«

--»Ja, señor! hij--ik meen zij, wist het woord niet.«

--»Wel gedaan: dat bewijst, dat gij een Spanjaard zijt, dat gij uw

plicht kent. Wie was bij haar?«

--»Zij was alleen.«

--»Van welken kant naderde zij?«

--»Van den boomgaard, señor!«

--»Hoe laat?«

--»Nu ruim een uur geleden.«

--»Ha! men wist dus niet, dat langs dien weg posten uitgezet waren?«

--»En zij liet zich grijpen, zonder wederstand?« vroeg hij verder,

»men heeft niet getracht, u, door omkooping een schurk te doen worden?«

--»Dat zou ik meenen, señor!« antwoordde de soldaat, »bidden en

smeeken, dat een steenklomp er bij gehuild zou hebben: »vijfhonderd

kronen zou het mij in den zak gejaagd hebben. Maar bij Onze Lieve

Vrouw! ik ben een Spanjaard van Salamanca.«

--»Is dat geene logentaal?« vroeg Frederik scherp.

--»'k Zweer het bij de heilige moeder Gods!« was het onbeschaamde

antwoord.

--»Dan geloof ik,« zeide Frederik, »en daarom zult gij van nu af

anspessado zijn. Gij kunt gaan.«

Dat was de Castiliaan, die ter handhaving van de eere Gods Nederland

kwam teisteren, voor wien een eed bij de vlekkelooze moeder van

Christus nog minder was dan eene waterbel.

--»Bij God en den koning, señores! dat herhaal ik, «zeide nu Frederik,

»dat er onder het leger van den hertog verraders schuilen. Daar zijn

er, die heulen met de rebellen, dat zweer ik. Die vrouw kon niet

vluchten, zoo de eene of andere ellendeling haar de hand niet geleend

had. Maar ik zal hem uitvorschen, zoo waarachtig als ik Maestro del

Campo ben, en al ware hij een ridder, al ware hij een prins, hij zal

den strop niet ontgaan.«

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met trotsche schreden en

met dreigende gebaren. De officieren verspreidden zich vervolgens

insgelijks; doch ofschoon nog een groot gedeelte van den nacht

voorbijging met gesprekken over het gebeurde en gissingen wie

Magdalena's medehelper zijn mocht, bleef voor allen, slechts één

uitgezonderd, het raadsel onopgelost.

Het beleg en de verdediging van Haarlem, in 1572-1573 (deel 2 van 3) · 第 2 / 21 题