Ongeveer een paar honderd schreden kon de, als Spanjaard vermomde
vluchtelinge voortgegaan zijn, toen haar op eens de aanroep eener
vijandelijke schildwacht dicht in hare nabijheid als een doodvonnis
in de ooren klonk.
Wanneer Venavides drie dagen vroeger gezegd had: »geene schildwacht
zal u verder op dezen weg tot hinderpaal zijn,« dan had hij de
waarheid gezegd.
Maar twee dagen geleden had er in het uitzetten van posten gedurende
den nacht eene verandering plaats gehad. Don Frederik had in het begin
des jaars een aanvang laten maken met het graven van eene vaart,
nog heden het langs het kerkhof loopend Spaansch Vaartje geheeten,
ofschoon minder breed dan toen, doch nog altijd dienende, om bij hoogen
waterstand het water in het Spaarne uit te malen. Het moest strekken
om van het Huis Ter Kleef gemeenschap te hebben met het Spaarne,
en het ontlastte zich achterom het Huis Ter Kleef in den Delft. Op
ongeveer zeventig schreden van de tegenwoordige boerenhofstede
van R. W. Nelis, waarlangs het Spaansch Vaartje loopt, nabij den
zoogenaamden toenmaligen doolhof, had men een voetpad, dat naar de
Zandpoort geleidde. Daar had don Frederik een paar schildwachten
laten uitzetten, zonder dat zulks aan al zijne officieren bekend was,
eene handeling, tot zijn karakter behoorende en evenmin vreemd aan
den hertog, zijn vader. Dit voetpad naar de Zandpoort moest Magdalena
inslaan, dewijl zij onmisbaar verloren ware geweest, zoo zij haren weg
stadswaarts had willen nemen. Geenszins zulks vermoedende, klonk de
aanroep haar te vreeselijker in het oor; en de dichte nabijheid der
stem werd veroorzaakt, doordien de schildwacht achter de manteling
van eenig laag geboomte stond, dat, hoewel door den winter verdord,
nochtans dicht genoeg was om eene wacht aan anderer blik te onttrekken.
IJlings terug te wijken of weerstand te bieden, waren de twee
gedachten, die Magdalena even snel aangrepen; doch beide ware
vruchteloos of een nog onvermijdelijker verderf geweest. Den
hinderpaal voorbij te snellen, was onmogelijk; want die hinderpaal
was een slagboom; een oogenblikkelijke alarm, een schot, weergalmend
geschreeuw, zou schielijk anderen hebben doen aannaderen, en--van
verschillende zijden achtervolgd, ware de vlucht haar ten eenenmale
ondoenlijk geweest.
--»Vader in den Hemel, help, red mij!« was hare stille bede: en ter
zelfder tijd al hare vrouwelijke koenheid en tegenwoordigheid van
geest verzamelende, stond zij stil en antwoordde koelberaden, doch
niet zonder inwendige siddering:
--»Capitan!«--
--»Het wachtwoord!« zeide nu de schildwacht, terwijl hij, met de
lont tegen de pan, Magdalena zoo dicht naderde, dat beiden geen twee
schreden van elkander af stonden; en Magdalena, ofschoon ze zijne
woorden niet verstond, maar des te beter begreep, antwoordt onverwijld:
--»Valencia!«
Dan, de volgende woorden en de beweging van den soldaat deden
haar oogenblikkelijk zien, dat hare tegenwoordigheid van geest te
vergeefs, dat het lot haar vijandig was. Het is waar, wel had eens
in den Vlaamschen oorlog een krijgsman het wachtwoord geraden en was
daardoor geslaagd in het overrompelen van den vijand. Doch dit was
eene zeldzaamheid geweest. Eenmaal moge het geluk in zulke gevallen
de vriendelijke hand uitstrekken--duizendmaal blijft de hand kil en
onbewegelijk nederhangen.
--»Hoe, zegt gij?« vroeg de soldaat, op den toon van iemand die een
antwoord niet duidelijk verstaat.
En Magdalena bemerkende, dat hij haar niet goed gehoord, en zij het
bedoelde woord niet had, zeide nu:
--»Cuença.«
--»Gij kent het woord niet, en ik ken u niet,« sprak de Spanjaard,
in zijn landstaal, terwijl hij den loop van zijn musket dichter bij
Magdalena's borst bracht. »Wie zijt gij? een Hollander--een rebel:
gij zijt mijn gevangene.«
Ofschoon Magdalena het Spaansch niet verstond, begreep zij maar
al te zeer den zin der woorden, die een donderslag voor haar
waren. Plotselijk werd de liefelijke toekomst, die zij reeds gedroomd
had, met een sluier overtogen en elk aanminnig beeld, dat reeds voor
haar ziel zweefde, nam eene spookachtige gedaante aan. Nu dreigde de
moed haar te ontzinken, alle kracht van haar te wijken en zij sloeg
het oog naar den Hemel, als de eenige plaats van waar nog redding
kon komen. Onbewegelijk hield de soldaat den loop van zijn geweer op
hare borst gericht als eene schrikinboezemende waarschuwing, dat hij,
bij de minste poging tot ontvluchten, de brandende lont op de geopende
pan zou neerslaan, en het was wellicht die dreigende houding, welke
haar kracht gaf om nog staande te blijven.
--»Wie zijt gij?« herhaalde de schildwacht, die met zich zelven
in strijd scheen, hoe hij het zou aanleggen om op zijne gevangene
de overmacht te behouden; want er zou nog ruim een halfuur moeten
verloopen eer hij afgelost werd, en ofschoon hij wel zag, met geen
gevaarlijken persoon te doen te hebben, vermoedde hij echter nog niet,
dat de zoogenaamde capitan eene vrouw was.
--»Bij San-Jago! gij zijt een Hollander, een muiter,« sprak hij nu,
toen zij niet antwoordde, met een gebroken Hollandschen tongval. »Gij
zijt geen capitan; gij hebt u vermomd.«
Magdalena thans hoorende, dat de soldaat een weinig van hare landstaal
verstond, greep plotseling weer moed. Levendig besefte zij, dat alle
weerstand of de geringste poging om te ontvluchten ijdel zou zijn. Maar
nog eene flauwe hoop schemerde haar door den nacht tegemoet.
--»Ik ben uit Haarlem,« zeide zij, »en diep rampzalig, zoo gij mij
gevangenhoudt. Ik ben ontvlucht uit het Huis Ter Kleef, waar uw
bevelhebber mij gevangen hield. Wees mij tot hulp, en eene groote
rijkdom zal uw loon wezen.«
--»Dat liegt gij,« zeide de soldaat in gebroken doch tamelijk
verstaanbaar Hollandsch, »daar, uit dat huis gevlucht, waar gij
gevangen waart?.... dat is onmogelijk. Wie zijt gij dan? Bij de
heilige moeder Gods.... gij spreekt met eene vrouwenstem, gij capitan,
zonder baard....«
--»Ik wil mij niet redden door logentaal, soldenier!« zeide Magdalena,
»ik ben eene vrouw, en van deftigen staat. Mij naar Haarlem begevende,
werd ik overvallen, en hoewel niets euvels gebrouwen hebbende, in dit
huis bewaard: het geluk was mij gunstig ter ontkoming en nu bid ik u,
stort mij in geen dieper leed: ik zal uwe hulp vergelden door eene
wichtige som, door al den schat, dien ik heb.«
--»Als gij die Eefvrouwe (edelvrouw) zijt,« sprak de schildwacht,
»dan ontkomt gij mij niet, al gaaft gij mij een paar honderd kronen;
want bij mijne ziel! zoo ik verraden werd, zou señor Frederik mij voor
die kronen duizend dooden doen sterven. Ik weet, onder wat vaandel
ik dien.«
--»Die som zal ik u geven, soldenier!« hernam zij, »en gij hebt niet
te schromen, dat gij komen zult in ongelegenheid. Wie toch zou uw
verrader zijn?«
--»Twee honderd kronen!« mompelde de soldaat, »het is eene stevige som
in dezen tijd, maar om er mijn kop aan te wagen....« En hij peinsde
eenige seconden, eer hij hoorbaar antwoordde.
--»Verraden, zegt gij? verraadt tegenwoordig de broeder den broeder
niet? En zijt gij geene Hollandsche? Gij Hollanders haat de Spanjaards
als de pest. Wat zou u terughouden, als gij in veiligheid waart,
om señor Frederik te doen weten, hoe gij hem verschalkt en zijne
schildwacht omgekocht hebt? Neen, ik laat u niet gaan, ik ken mijn
plicht.«
--»Foei!« sprak Magdalena, »wie zou zoo snood wezen, te verraden,
wie hem redt? Daar leeft een God, die het zou straffen: en bij dien
God zweer ik, u nimmer te zullen verraden, door woord, of schrift,
of het minste gebaar.«
--»Neen! ik laat u niet gaan,« zeide de Spanjaard, terwijl hij den loop
van zijn musket nog eene handbreed dichter bij hare borst bracht,
als om meer kracht aan zijn woorden bij te zetten: de geringste
verdachte beweging en--het ware met haar leven gedaan.
--»Voor zoo groot eene som niet, onder zoo een eed?« vroeg Magdalena,
zich alle geweld aandoende om haren moed te behouden, »waardoor
verdiende de Hollander, dat gij zoo zwart van hem denkt? Het
vinnigst vuur van oorlog kan hem zoo laag niet doen wezen. Hoor mij,
soldenier! wees edel en doe mij niet vallen in diepen afgrond.«
--»Ik kan niet, want al word ik niet verraden door u.... toch ontging
ik den strop niet: gij kunt niet uit dat huis vluchten, of gij moet
dezen weg gaan, waar men posten heeft uitgezet, en schoon ik wel kans
zou zien, om u van hier in veiligheid te brengen, moest gij toch mij,
als de eerste schildwacht, voorbij; »gij hebt geslapen of gij zijt
omgekocht,« zou men mij tegemoet voeren, en bij Spanje's patroon! eer
het middag werd, zouden aan de galg de raven mij de oogen uitpikken.«
--»Peins toch, peins op een middel of gij u niet dekken kunt voor
straffe!« smeekte Magdalena.
--»Daar is er geen.«
--»Er moet toch nog een ander pad ter uitredding wezen.«
--»Neen! alle zijn met schildwachten bezet.«
--En nu stonden beiden weder een oogenblik zwijgend tegenover
elkander. Wel bleef het niet uit Magdalena's gedachten, hoe de
Spanjaard het toch zou kunnen wagen, haar de vrijheid te bezorgen,
wijl hij toch spoedig afgelost worden en het altijd moeilijk te
bewijzen zou zijn, op welk uur zij ontvlucht was. Doch te midden van
het dreigendst gevaar verloochende zij haar edel hart niet. Zij wilde
niet, dat een onschuldige, schoon dan ook een Spanjaard, voor haar
den dood zou ondergaan: zij wilde hare vrijheid niet ten prijs van
iemands verderf, die aan hare vlucht geen zweem van medeplichtigheid
hebben zou, en zij uitte die gedachte dan ook niet, schoon haar de
bangste toekomst voor den geest zweefde. Dan, zij behoefde zulks niet
te uiten. De soldaat, hoezeer ook weigerende haar behulpzaam te zijn,
berekende toch alles wat uit zijne handelwijze zou kunnen voortvloeien:
pijnbank, dood, geldelijke belooning; eer en misschien ook voordeel,
wanneer hij haar niet liet ontkomen, ofschoon dit laatste alsdan
nimmer zoo aanzienlijk zijn zou. Eer en voordeel! dat zijn machtige
kampvechters tegen hem, bij wien de schaal van het laatste zwaarder
is dan die van het eerste. Ook hier sloeg de balans tot het laatste
over, te meer, omdat dit zekerder scheen; doch het voordeel moest nog
grooter worden, en dat kon het alleen, door het gevaar nog zwarter
voor te stellen, dan het was; want dit toch had hij reeds gewogen
en getoetst, dat het gevaar minder groot voor hem was dan de hoop,
om den strop te ontgaan: eenmaal uit het Huis Ter Kleef zijnde, stond
toch nog de weg naar het huis Brederode ter ontvluchting open, en,
zoo al niet, waarom zou dan die vlucht hebben plaats gehad, juist in
den tijd, dat hij zich op dien post had bevonden?
--»Zoo ik den weg had genomen naar het huis Brederode,« zeide
Magdalena, »dan toch zou ik hier niet gestuit zijn, schoon ik dan
ook op onzekere baan ware gegaan.«
--»Onmogelijk!« sprak de Spanjaard, hoezeer wetende dat de veldzijde
naar dien kant wel te begaan was zonder op schildwachten te stuiten,
»geen vijftig schreden ver, of gij waart een veldpost in den mond
geloopen.«
--»Rest u dan geen middel, om mij tot hulp te wezen?« vroeg Magdalena
op smeekenden toon, »zonder dat gij of een uwer makkers in leed
komt? Och! peins er aan, wat lot mij toeft, zoo ik weder in de macht
val, die ik ontvlucht ben. De tijd vordert spoed: al wat ik bezit,
is het uwe; red mij slechts, red mij.«
--»Welaan!« zeide nu de Spanjaard, »ik waag er den kop aan, omdat
ik misschien Salamanca toch niet meer zal wederzien: ik zal de
soldateneer met den voet schoppen, u in veiligheid brengen en daarmede
zal ik mij zoeken te redden, dat niemand mijn post is voorbijgegaan,
wien het wachtwoord onbekend was. Maar de som, waarvoor ik het waag,
moet grooter zijn; tweehonderd is niet genoeg.«
--»Vorder, spreek, ik heb kleinooden van waarde bij mij,« zeide
Magdalena, »en wat gij meer wilt, zweer ik, dat u geworden zal,
zoo gij daartoe een middel aanwijst.«
En nu wilde zij hare kostbare gouden keten te voorschijn halen, terwijl
de Spanjaard echter nog scheen te aarzelen, toen er plotselijk bij
het Huis Ter Kleef een schot viel, hetwelk bijna tegelijkertijd door
een zelfden knal werd opgevolgd.
--»Dat is onraad! vervloekt! dat geldt u,« riep nu op eens de soldaat.
--»Mij?.... Almachtige God!« riep Magdalena sidderend, als trof dat
schot haar, »red mij, red mij, of het is te laat.«
--»Te laat is het nu reeds!« zeide de schildwacht, »men heeft uwe
vlucht ontdekt; dat is zeker en gewis.« En terwijl hij het laatste
woord uitte, klonken twee, drie schoten op verschillende afstanden,
vermengd met een luid geroep en geschreeuw, dat door de stilte van
den nacht een akeligen toon gaf en door de echo's van het veld niet
minder akelig teruggekaatst werd.
--»Dan ben ik verloren!« riep zij, terwijl ook reeds de naastbijzijnde
schildwacht zijn geweer afschoot en eenige verwarde stemmen plotselijk
naderbij kwamen.
Vergeefs deed de ongelukkige vrouw andermaal eene poging om zich
staande te houden; vruchteloos beproefde zij moedig te blijven:
hare krachten ontzonken haar. En geen wonder! Magdalena, hoe fier,
hoe kloek, was echter eene vrouw. Haar gevoel was, vooral op dien dag,
met te onafgebroken schokken aangerand. Het licht was opgegaan voor
haren geest, doch door schaduwen beneveld geworden. Die schaduwen waren
weder verdwenen en door een helderder licht vervangen geworden. Maar te
midden van dat licht had zich eensklaps eene duistere wolk vertoond, en
een bliksemstraal was er uitgeschoten. Die straal had haar getroffen,
al hare leden verlamd en het op eens donkerder voor haar doen worden
dan ooit; het bewustzijn was haar ontvloden.
Hetzij Frederik, in weerwil van Magdalena's eed, twijfelde, dat zij den
moed niet zou hebben, de haar bedreigende folteringen den volgenden
dag af te wachten, hetzij eenig wantrouwen, waarvan hij zich zelven
geen grond wist te geven, eensklaps in hem opgerezen was, of dat
hij wellicht door andere taal haar tot eenig besluit wilde nopen,
althans voordat hij zich ter slaap begaf, voelde hij zich gedrongen,
andermaal naar haar verblijf te gaan, en men kan zich zijne verbazing,
zijn schrik, zijne woede voorstellen, toen hij de vroegere bidcel
ledig vond. Driftig en sidderend van gramschap en teleurstelling,
was hij onderscheidene malen het vertrek, als het ware, doorgevlogen,
zonder vermoeden op te vatten over de wijze harer ontkoming. Hij zag
daar het vrouwengewaad, waarvan zij zich ontdaan had, verspreid op den
grond liggen, en in zijne verbittering schopte hij het verachtelijk
met den voet. Toen had hij met forsche stem haren naam geroepen, doch
niemand had geantwoord. Daarna had hij andermaal als een razende de cel
doorgezocht, geschreeuwd, getierd en gevloekt, doch haar niet gevonden,
wier ontvluchting hij geheel onmogelijk waande. Op zijn geroep waren
vervolgens Marco en de suppoost toegeschoten. De laatste was bij
het hooren van het gebeurde eensklaps zoozeer door angst en schrik
aangegrepen geworden, dat hij op don Frederik's onstuimige vragen
niet kon antwoorden, en zijne tong letterlijk als verstomd was. Marco
poogde te vergeefs de woede van zijn neef te beteugelen; deze luisterde
niet meer, en zonder dat men nog het middel der ontvluchting vermoed
had, was er in dat gedeelte van het Huis Ter Kleef een hevig rumoer
ontstaan. Op Frederik's bevel ijlde Marco aanstonds naar buiten, om
de wachten van het gebeurde te onderrichten en, zoo mogelijk nog de
verdere vlucht te verhinderen. In een oogenblik had zich dat bevel
langs de gansche linie van schildwachten herhaald: schoten knalden
als het gewone teeken van onraad, en men zou gewaand hebben, dat
er plotseling een uitval van de belegerden plaats greep, en dat de
Spanjaards aan verschillende kanten overrompeld werden. Verscheidene,
bijna de meeste officieren, waren toen insgelijks naar buiten gesneld,
en onder hen bevond zich ook Venavides, die zich echter geenszins
beangste, wijl hij niet twijfelde of Magdalena zou reeds lang in
veiligheid zijn.
Eenige minuten had rondom het Huis Ter Kleef reeds die ongewone
beweging voortgeduurd, en boven aller stem klonk die van don
Frederik uit; want niet slechts, dat hij in Magdalena's gevangenschap
grootelijks belang had gesteld, er was hem nu ook ten hoogste aan
gelegen om den schuldige te kennen, die in hare vlucht de hand had
geleend, en dezen zwoer hij, bij ontdekking, de zwaarste straf.
Intusschen waren een anspessado en drie soldaten bij de schildwacht
gekomen. Daar hadden zij den vermomden Spanjaard bewusteloos
gevonden, en in korte woorden had de schildwacht hun het gebeurde
medegedeeld. Een der soldaten had hem toen afgelost, en onder de
hoogste verbazing, doch geene mindere vreugd tevens, dat zij de
vluchtelinge in handen hadden, keerden zij van die plaats naar het
Huis Ter Kleef terug, Magdalena gezamenlijk dragende, zonder dat deze
eenig besef had van hetgeen er met haar plaats greep.
--»De vogel is gevangen!« riep de anspessado, eenige schreden
vooruitsnellende naar het voorplein, waar zich Frederik met de meeste
officieren bevond, nog altijd lucht gevende aan zijne gramschap,
onder dreigingen tegen den onbekenden handdadige van het feit.
--»Wat!« riepen eenige der bevelhebbers den anspessado als uit één mond
toe, en tegelijk werden diens woorden aan Frederik herhaald, terwijl
ook de soldaten met de bewustelooze vrouw inmiddels naderkwamen.
--»Vervloekt, wie hier den spot drijft!« zeide Frederik, »men heeft
haar gevangen?«
--»Zoo waarachtig als ik leef, señor!« zeide Marco, op wiens gezicht
men eene duivelsche vreugd zou gezien hebben, wanneer de duisternis
van den nacht dit had vergund; »daar is zij.«
--»Waar is de veldheer?« vroeg de anspessado.
--»Hier!« klonk het.
--»Señor!« sprak nu deze, terwijl hij naderkwam, en links en rechts
door officieren omringd, »de vluchteling is in handen;--aan de
schildwacht Gonzales al de eer!«
--»Dan zal hij beloond worden! Waar is hij?« Te gelijker tijd bracht
men eene toorts aan, die nu haar schijnsel op de geheele groep
wierp en aller verwondering tot de hoogste verbazing deed klimmen,
toen men in den bewusteloozen en gewaanden Spanjaard de trekken van
Magdalena herkende.
--»Zij is dood!« liet zich uit sommiger mond hooren.
--»Dat is een Spanjaard zooals wij!« hoorde men van eene andere zijde.
--»Wat klucht moet dat wezen?« riepen eenigen, en de Spaansche moedwil
en spotlust verloochende zich ook thans niet.
--»Stilte! ik beveel het,« zeide Frederik met eene zware stem, »hier
geen spot! en geen raadsel is deze zaak. Ik doorgrond haar; ik heb
haar doorzien. Onder het leger des konings schuilen verraders. De
dood aan den schuldige, eere voor den ontdekker van het verraad.«
--»Señor!« zeide Marco, terwijl zijn valsch oog iemand scheen te
zoeken, »dat is het gewaad van een Spanjaard; daar zou men hem spoedig
door kunnen ontdekken.«
De man, dien Marco zocht en tegen wien eensklaps zijn argwaan was
opgerezen, bevond zich op dat oogenblik achter Romero en De Auecia;
en die man was don Pedro de Venavides. Te edel en te groot om een
huichelaar te zijn, schreef de noodzakelijkheid toch Venavides voor,
dat hij allen schijn van zich moest weren. Bijna verplet stond hij
daar; want zulk eene rampzalige uitkomst had hij niet verwacht. Wat
moest hij thans niet vreezen? Een nog ijselijker lot over haar,
die hij gered had, eene schandelijke verguizing van zich zelven,
zoo Magdalena eens zwak genoeg zijn mocht, hem als haren redder te
vernoemen.... zoo Frederik haar eens de vrijheid mocht aanbieden,
wanneer ze den man--de oorzaak harer vlucht kenbaar maakte. En dat
zulk eene handeling was te verwachten, daartoe--al kende hij ook al
de plooien en groeven van dat karakter nog niet--daartoe kende hij
den zoon van Alva genoeg.
--»Dood!....« zeide Frederik, met eene schimpende verachting in
zijn stem. »Neen, die duif is niet dood, al heeft de havik haar in
den klauw gehad! Zij zal weer bijkomen, en scherper klauwen zullen
haar aangrijpen. Señor Marco! laat haar in de kooi terugbrengen; dat
vrouwengewaad, dat ik verschopt heb, zal dien mom weer vervangen. Zij
worde streng bewaakt. Gij zult er mij borg voor zijn.«
Eene buiging, met een veelbeteekenenden satanslach vergezeld, was
het antwoord. De bewustelooze werd naar de bidcel teruggevoerd.
--»Blijf!« zeide Frederik tot den schildwacht, die zich verwijderen
wilde.
Deze gehoorzaamde.
--»Hoe is uw naam?«
--»Lorenzo Gonzales, señor!«
--»Gij hebt haar gevat?«
--»Ja, señor! hij--ik meen zij, wist het woord niet.«
--»Wel gedaan: dat bewijst, dat gij een Spanjaard zijt, dat gij uw
plicht kent. Wie was bij haar?«
--»Zij was alleen.«
--»Van welken kant naderde zij?«
--»Van den boomgaard, señor!«
--»Hoe laat?«
--»Nu ruim een uur geleden.«
--»Ha! men wist dus niet, dat langs dien weg posten uitgezet waren?«
--»En zij liet zich grijpen, zonder wederstand?« vroeg hij verder,
»men heeft niet getracht, u, door omkooping een schurk te doen worden?«
--»Dat zou ik meenen, señor!« antwoordde de soldaat, »bidden en
smeeken, dat een steenklomp er bij gehuild zou hebben: »vijfhonderd
kronen zou het mij in den zak gejaagd hebben. Maar bij Onze Lieve
Vrouw! ik ben een Spanjaard van Salamanca.«
--»Is dat geene logentaal?« vroeg Frederik scherp.
--»'k Zweer het bij de heilige moeder Gods!« was het onbeschaamde
antwoord.
--»Dan geloof ik,« zeide Frederik, »en daarom zult gij van nu af
anspessado zijn. Gij kunt gaan.«
Dat was de Castiliaan, die ter handhaving van de eere Gods Nederland
kwam teisteren, voor wien een eed bij de vlekkelooze moeder van
Christus nog minder was dan eene waterbel.
--»Bij God en den koning, señores! dat herhaal ik, «zeide nu Frederik,
»dat er onder het leger van den hertog verraders schuilen. Daar zijn
er, die heulen met de rebellen, dat zweer ik. Die vrouw kon niet
vluchten, zoo de eene of andere ellendeling haar de hand niet geleend
had. Maar ik zal hem uitvorschen, zoo waarachtig als ik Maestro del
Campo ben, en al ware hij een ridder, al ware hij een prins, hij zal
den strop niet ontgaan.«
Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met trotsche schreden en
met dreigende gebaren. De officieren verspreidden zich vervolgens
insgelijks; doch ofschoon nog een groot gedeelte van den nacht
voorbijging met gesprekken over het gebeurde en gissingen wie
Magdalena's medehelper zijn mocht, bleef voor allen, slechts één
uitgezonderd, het raadsel onopgelost.