«'t Is 'n toestand», verzuchtte Van der Stuyf.
«'n Toestand», beaamde ten volle Daan.
Weer zwegen beiden 'n heele poos. Buiten speelde 't herfstzonnetje
animeerend door 't gelende loover.
Daan, met z'n wat logge, onbehouwen lichaam, verrees van de punt van
den stoel, waarop-ie visite-achtig plaats genomen had en begon met
beren-beenen door 't niet onruime vertrek te sjouwen. Van der Stuyf,
op z'n divan, meesterstuk van zelfvervaardiging--'t meubel bestond uit
twee schragen, 'n baar en 'n los daarheen geworpen draperie--werd er
tureluursch van. Maar daar de tijden toch al zoo hard waren, liet-ie
'm begaan.
Met weer 'n zucht, welke ongetwijfeld van dramatisch talent getuigde,
wierp de divan-bewoner zich met veronachtzaming van 't eigen brooze
lichaam, van den rechter- op den linker elleboog en z'n stem klonk
stalles-door-huiverend van vlijmend sarcasme, toen-ie zei:
«We moeten vandaag aan de kat beginnen».
Heel 't gevaarte van den rug-gekromden, zak-gevuisten Daan hield
stil. Naar 't uiterlijk 'n «kwaaie», 'n jongen van sta-vast, die enkel
voor 't uitdeelen van aankomende opstoppers voelde, was-ie van binnen
'n kind. Hij schrikte voor Van der Stuyf.
«Paardelever is óók goedkoop», merkte-ie basstemmig op.
Van der Stuyf lachte, hóóg, als 'n «graef», die zich «vermaekt». Dan
zei-ie droog:
«Niet te krijgen. Alle paarden gemobiliseerd.»
Deze geestigheid beapplaudisseerde Daan met woest gegrinnik. Ja,
Van der Stuyf was toch maar de man van den fijnen kwinkslag! Daar
kon hij niet bij. Daarop zette-ie zich weer op z'n stoel, als altijd
op den rand. Dat had-ie zich op 't tooneel zoo aangewend. Aangewezen
voor knechtsrollen en typen uit de volksklas, voelde-ie zich in elke
kamer slechts «tijdelijk», nooit recht op z'n gemak, al woonde-ie er,
zooals hier, al maanden. Neen, hij bewoog zich niet gemakkelijk. Stelde
daartegenover eens 'n Stuyf, zooals-ie daar làg, in 'n pose.... 'n
schilderij! Dat zóó'n man over katten-pastei moest piekeren!
«Waarom ga je niet naar Verkade?» vroeg Daan. «Die wil juist heeren.»
«Ik spéél te sterk», antwoordde Stuyf en hij blikte grimmig vóór zich.
«Heijermans?» wierp Daan nog op.
«Ben ik nu 'n man voor 't bùrgerlijk drama?» hoon-lachte Stuyf,
terwijl-ie zich op den rug wierp. Z'n elleboog hield 't niet uit. De
divan was geen Oostersche.
Daan zweeg. Hij wist, hoe Stuyf overal was teleurgesteld. Hij
begreep er niets van, want z'n eerbied voor den kamergenoot was
onbegrensd. Och, je zag 't meer! Echt talent.... 't Tooneel was
tegenwoordig soep.
«De kat!» siste Stuyf weer door de tanden.
Daan voelde 'n rilling over z'n rug. Dat werd 'n idée fixe van
Stuyf. Meer lui waren op die manier gek geworden. Welk 'n talent zou
hier verloren gaan!
«Probeer 't nog eens als conférencier.»
Stuyf maakte 'n beweging, dat de draperie onder 'm tot 'n vaatdoekige
verwrongenheid samenkrimpte.
«Nooit!» blies-ie bleek.
Hij wàs als zoodanig in 'n zooveelste-rangs-theatertje werkzaam
geweest. Hij zag zich nog opkomen met de hem eigen ongedwongenheid. Hij
maakte z'n bekende, losse gestes, z'n haar zat in aangenaamsten
polka-stijl en 't aanmoedigende rouge op z'n wangen had-ie niet
gespaard. Hij sprak. De eerste twee zinnen hadden Schwung (die had-ie
van te voren bedacht), de derde wou niet goed meer, de vierde en
vijfde kwamen heelemáál niet. In de zaal was tumult ontstaan, gelach,
gefluit. En de directeur had 'm verzocht, z'n inrichting niet langer
te blameeren.
Dat was z'n debuut geweest als «pratend» tooneelist. Daarop had-ie 't
als moppen-verteller geprobeerd in 'n café-met-strijkje. 't Publiek zag
'm echter voor 'n dronken student aan en verzocht den chef, meneer er
uit te gooien. Voor dien drang was Stuyf gezwicht. Nu zàt-ie, met Daan,
dien ze op 't oogenblik ook nergens konden gebruiken. 'n Toestand!
't Herfst-zonnetje zette 't stervende loover in gulden schijn. Helaas
was dit goud niet inwisselbaar.
«Ze bèllen niet eens meer», sprak Daan dof.
«Nee», floot Stuyf nu tusschen de lippen. «Ze hebben ons
opgegeven. Zelfs die vent met z'n schoenrekening heeft
gestaakt. Kolendamp! 't Eenige wat er voor ons overblijft.»
Daan zweeg.
«Als we kolen hàdden», ging Stuyf voort, wiens sarcasme vandaag
onuitputtelijk leek. «Veel te duur! Met gas ben je goedkooper uit. Maar
dat is afgesneeën. Je moet tegenwoordig in goeien doen zijn, om er
tusschenuit te kunnen gaan.»
Daan knorde onrustig. Straks kwam Stuyf weer met z'n kat. En dat
wou-ie vermijden.
Hij stond op.
«Kom», bromde-ie goeiig. «Hier hebben we toch niks. Laten we gaan
wandelen.»
Bij uitzondering verzette Stuyf, die anders altijd z'n eigen idee had,
zich eens niet. Ach ja, frissche lucht! Dat hield je wakker èn.... 't
kostte niets. Alleen maakte 't je hongerig.
Stuyf wipte van z'n stellage. Daar kwam balanceerkunst aan te pas,
want 't ding stond wankel. Daan leverde 't tenminste nooit zonder
dat schraag of baar 'n onrustbarenden hoek beschreef. Doch Stuyf,
met z'n élégance!
«De borstel!» zocht Stuyf. Daan vònd 't gehavende haar-hout, gaf 't
aan. Helaas, de ander kon niet in den spiegel zien. Oome Jan eischte
in deze tijden zware offers!
«Hoe zie 'k er uit?» vroeg Stuyf, afhankelijk. Daan, die z'n vereerden
vriend kènde, verwonderde zich niet over die vraag. Stuyf wàs nu
eenmaal erg op z'n kleeren. «Dat moèt 'k wel», zei-ie dikwijls met iets
van beklag. «Directies zijn en blijven stommeriken. Ze kijken alleen
naar 't uiterlijk. En waar ze mij altijd de salon-rollen geven....!»
«Uitstekend!» forceerde Daan zich.
Maar Stuyf wist, dat z'n collega ditmaal onoprecht was. 't Pak,
dat-ie droeg, was vóór jaren misschien correct geweest, 't zat nu als
'n rimpel. De plooi uit z'n pantalon was weg en de snit van vest
en colbert leek wel heelemaal zoek. Als de dalles je eenmaal te
pakken had!
«Vooruit!» zette Stuyf zich heldhaftig over z'n wrakkige verschijning
heen. «Ja, als Bolman nog beren wou! Maar kom daar op 't oogenblik
eens mee aan!--Nee, sluiten hoeft niet. We hebben den boel zelf al
leeggehaald. Ze kunnen hier alleen maar brèngen.»
Lusteloos zeulden ze de krakerige trap af van de étage, welke ze
broederlijk deelden. 't Leven zonder engagement was 'n doodkist.
Ze hadden de halve stad doorgestapt. 'n Enkele maal groette Stuyf
met z'n «graeflijk» handgebaar 'n collega, die voorbijkwam. Doch
meest zag-ie 'm maar niet, te veel geknakt door z'n verfrommeld jeune
premier-tenue. Daan, practisch man, die alle idealen verre van zich
hield, bleef telkens staan voor 'n spekslagerij. Preskop en zure
zult waren nu eenmaal dingen, waar-ie z'n zaligheid voor gaf. «Kom!»
fluisterde Stuyf dan verwoed. Hoe kon men z'n hongerigheid zoo ten
toon stellen! Ook zijn maag rammelde als kar-gedaver. Doch hij gedroeg
zich als man van den salon!
In de Utrechtschestraat echter bleef ook Stuyf staan. Ze stonden
voor Bolman.
Stuyf kneep één oog dicht, deed 'n stap achteruit en keurde als 'n
kenner. Hij genóót, wist niets meer van de platte, alledaagsche wereld,
bevond zich in den hemel. O, die étalage van Bolman! Welk 'n keur van
costuums, welk 'n verscheidenheid, welk 'n verrassende vondsten! Z'n
gestreelde tooneelspelers-fantasie deed de gedurfdste sprongen. Hij
zag zichzelf, dàn in jaquet, dàn in smoking, dàn in jachtbroek. Alle
rollen, welke-ie wel eens gespeeld had of hoopte te zùllen spelen,
trokken z'n geest voorbij, in 't pak gestoken door Bolman, le roi
de la confection! En die dassen, die vesten, die souspieds, ah! O,
als Bolman wilde! De kleer-kunstenaar kon 'n groot man van 'm maken.
«Ga mee», drong Daan, wien 't begon te vervelen. Verderop wist-ie nog
'n spekslagerij.
Maar Stuyf schudde van nee. Hoe kon-ie z'n dag beter besteden dan
hier voor die aanschouwelijke les? Dan werd-ie weer cynisch, grijnsde:
«Die etalage-poppen schijnen 't beter te hebben dan wij. Kijk ze eens
'n kleur hebben!»
Inderdaad, de poppen zagen er uit als kool. Hun wassen wangen hadden
'n verlokkenden jonge-rols-blos en heel hun figuur was aangenaam
gevuld. Dat begon Stuyf te tergen. Ze waren 'n beleediging zooals
ze daar een voor een stonden in Bolman's allerlaatste creaties. En
hìj, de man voor 't salonwerk, liep er bij als 'n klerk van 't jaar
nul. Hij kon 't niet langer aanzien.
«Vooruit!» zei-ie gehaast en de onafscheidelijken stapten 't
Rembrandtplein op, waar ze 'n kwartiertje bleven paradeeren. 't Was
altijd goed, dat je je eens vertoonde, vond Stuyf. Dan wisten ze
tenminste, dat je nog bestond.
Daarop echter verzeilden ze weer in de Utrechtschestraat. En telkens
en telkens keerde Stuyf terug tot Bolman.
«Wat hèb je?» vroeg Daan, die iets bijzonders aan z'n vriend merkte.
«'n Idee!» zei die geheimzinnig. «Komaan, 'k waag 't er op. Als
't lùkt!»
En vóór de ander wist, wat 'm overkwam, bevonden beiden zich in de
groote confectiezaak.
«Meneer Bolman zèlf!» ordonneerde Stuyf met al z'n graeflijk aplomb.
De chef werd met veel moeite ergens achter uit 't magazijn
opgediept. Zoodra zag-ie echter niet z'n klanten, of hij zei:
«Pardon, heeren. In deze tijden geen crediet. 't Spijt me wel,
maar....»
«Pardon», gaf Stuyf dadelijk hoog terug met 'n air, alsof-ie de groote
scène speelde uit een of andere derde acte. «Ik kom zaken met u doen.»
Bolman keek perplex. Hij kènde den acteur, had 'm, uit liefde tot de
kunst, wel eens 'n costuum verkocht op zeer langen termijn. Doch als
zakenman had-ie 'm nog niet ontmoet.
«Was 't maar waar!» verzuchtte Bolman. «D'r gaat niets om. Zoo slapjes
heb ik 't nog nooit meegemaakt.»
«Dat kom ik veranderen!» annonceerde Stuyf breed en maakte met den
rechterwijsvinger 'n prikbeweging naar z'n borst.
Bolman glimlachte. Komedianten waren wel vermakelijke lui!
«U luistert?» vroeg Stuyf, alsof-ie 't tegen den pachter van een
zijner aanzienlijke landgoederen had.
«Wel zeker», glimlachte Bolman opnieuw.
«Kijk eens», legde Stuyf uit met 'n losheid van beweging, welke Daan
ten zooveelste maal met bewondering sloeg. «Die etalage van u! Daar
deugt niets van, meneer! Dat is geen arrangement, geen regie. Dat
zegt me absoluut niets, meneer! Geen diepte, geen atmosfeer, geen
massabeweging, geen verdeeling van eerste en tweede plan. Dat is dood,
als 'n pier.»
Stuyf haalde adem, zooals-ie dat op de Tooneelschool geleerd had. Daan
wilde bijna applaudisseeren. Bolman begreep nog steeds niet, waar
z'n «klant» heen wou.
«Herinnert u zich mij als Lord Foxhall in «De slapende Wintertuin»?»
vroeg Stuyf.
Le roi de la confection herinnerde zich niet.
«Ik heb toen 'n jaquet van u gedragen, dat enorm de aandacht trok»,
sprak Stuyf met nadruk. «Enfin, maar u zag me als Baron Du Sablé in
«De listige ontvoering»?»
Bolman betwijfelde, of-ie die zeer zeker merkwaardige creatie
aanschouwd had.
«Ik bracht u toch vrijkaarten!» riep Stuyf uit met fausset.
«O, jawel, toch! Dat is waar ook», deed Bolman welwillend.
«Nu dan, meneer», vervolgde Stuyf, geheel in actie. «Zooals ik die
smoking van u droeg! Dàt is etaleeren, 't publiek boeien. Als ik m'n
pantalon optrek, ziet men de plooi, den snit. Die poppen, ze leven
niet, meneer!»
Er ging Bolman 'n licht op.
«Wou ù in de étalage gaan staan?» vroeg-ie snel.
«Pardon, ik figureer niet», vlijmde Stuyf met 'n gebaar, dat
't 'm dééd. «Maar 'k weet beter. U draagt mij de regie op van uw
vitrine. Die poppen, daar breng 'k leven in. Ik arrangeer, groepeer
ze, tweede en derde plan, los, wààr. Dat is de figuratie. Reinhardt,
meneer! Alleen wordt 't 'n salonstuk, natuurlijk. En ik treed er in
op, als 'n soort film-acteur. 'k Steek de handen in m'n piqué-vest,
'k ga zitten, 'k loop, leun achteloos achterover, steek 'n sigaret
op, strek me op 'n chaise longue (heeft u die? Requisiet, meneer!),
enfin, 'k breng licht en schaduw aan, doe uw pantalons, uw jaquets,
uw colberts spreken. En om 't kwartier verwissel 'k van costuum--achter
de schermen, dat spreekt. M'n vriend, hier, meneer Klops, die meer in
'n, h'm, ander genre uitblinkt, vult m'n actie aan als livrei-knecht,
als jager, chauffeur, groom. Dat zal 'n geheel geven, magnifique! 'n
Reclame voor uw zaak, meneer, niet te vertellen! 't Zal stroomen,
geloof me.»
Stuyf was uitgepraat. Hij verzamelde opnieuw 'n enormen voorraad adem
en wachtte af.
Bolman peinsde. Gekker voorstel hadden ze 'm z'n leven niet
gedaan. Maar toch, er zat iets in. In deze dagen van algemeene
dépressie kon alleen iets heel bijzonders er den loop weer in
brengen. Als-ie 't eens probeerde?
Stuyf stamp-teende ongeduldig.
«U belooft me, geen grappen te zullen maken?» conditionneerde de
confectie-man nog voorzichtig.
«'k Ben 'n sérieus artist, meneer», verklaarde Stuyf met grooten
eenvoud.
«Toegeslagen dan!» besloot Bolman opeens. «God geef, dat 't helpt!»
En ze spraken af, dat morgen reeds de voorstellingen begonnen.
't Succes was verbazend. De Utrechtschestraat werd bestormd. Geen
enkele winkel werd meer aangezien. Alleen de zaak van Bolman had
publiek. En in welk 'n aantal!
Stuyf jongejande onvermoeibaar met de élégance, welke z'n specialiteit
was. Hij was onuitputtelijk in losse gestes en hij trok alle broeken
op, dat men 't eind van z'n sokken zag. Daan stond 'm stevig ter
zijde. Als knecht was die onovertrefbaar.
Den tweeden dag van den groeienden bijval zat 't ingénieuse
artistenpaar 's avonds bij «Mast» achter 'n sterkend souper. Stuyf
spaarde spijs- nog wijnkaart. De kellner vloog. Collega's maakten
Stuyf hun compliment. Zóó vol hadden zìj 't nog niet gehad. De
Utrechtschestraat was uitverkocht geweest.
Juist toen Stuyf 'n extra dure Havana opstak, naderde 'm 'n zeer
correct heer. Hij stelde zich voor. «Van Prützen, in bedartikelen
en meubels.»
«Meneer», stak die dadelijk van wal. «M'n affaire is schuin over
Bolman. U ruïneert me. Geen sterveling komt meer m'n deur binnen. Ik
wil u koopen. Wat kost u? 'k Heb er alles voor over. M'n eenige
voorwaarde is: 'n algeheel nieuwe en schitterende attractie.»
Stuyf brandde zich aan z'n Havana. 't Lang verwachte fortuin! En hij
noemde 'n prijs, waarvan Daan schrikte. Van Prützen accepteerde.
Bolman werd smadelijk verlaten. Stuyf «engageerde» 'n actrice--hij
was nu directèur, droeg ringen, 'n vergulden wandelstok en 'n vest
met halve maantjes--en zette met behulp van 'n zeer vlug journalist 'n
alleraardigste nouveauté in elkaar. «Niet te gewaagd!» had Van Prützen
nog geconditionneerd. «U begrijpt, bedden zijn 'n delicaat artikel!»