DE LIT-JUMEAU,
vroolijk spel van étalage.
't Ding maakte gewoon furor.
Hélène Silva (eigenlijk heette ze Antje Bakhuis) trad er in op in
'n verrukkelijk déshabillé, dat door 't straatpubliek ten zeerste
gewaardeerd werd. Van der Stuyf vertoonde z'n meest hemelsblauwe
slaapkamer-dress en Daan Klops als politie-agent tuimelde over alle
stoelen heen van 't wel voorziene meubel-magazijn. De schoonste dagen
van Prot schenen te herleven. De toeschouwers drongen elkaar plat,
vochten om 'n plaatsje. 't Stond zwart tot op 't Rembrandtplein en
de queue slierde ver voorbij de Munt. Ieder moest 't étalage-spel
zien. Heel Amsterdam was er vol van.
Drie dagen ging 't goed. Toen kwamen de autoriteiten er aan te
pas. Er waren al ongelukken gebeurd. En 't tramverkeer was absoluut
gestaakt. Stuyf trok z'n haren uit z'n hoofd. «M'n fortuin, m'n
fortuin!» krijschte-ie als in 'n draak van zeer ouden stempel. Doch
't geluk was nog mèt 'm. Dienzelfden avond kreeg-ie bezoek van een
van Amsterdam's tooneeldirecteuren, die blijkbaar nog niet wist
van 't verbod, dat de «Lit jumeau» voorgoed van Stuyf's repertoire
verdrongen had.
«Meneer!» sprak de man van salarissen, boeten en contracten. «U
knakt onze mooie tonneelspeelkunst! Meneer, wij moeten, door den
drang der tijden, al voorstellingen geven ad 62 1/2 cent de plaats
éérste rang! En nu geeft u ze gratis! Meneer, denk om ons tonneel! Ik
engageer u! Ik engageer u, voor drie jaar. U krijgt 250 gulden in de
maand. Teeken, meneer!»
Stuyf teekende, met spoed. Ook Daan kreeg z'n deel van den voorspoed,
teekende. De directeur, in z'n nopjes--in zooverre 'n tooneeldirectie
dat ooit kan zijn--vertrok per snorrenden automobiel.
Stuyfs eerste optreden bij 't gezelschap werd geannonceerd als:
Début van Van der Stuyf,
den geliefden étalage-acteur.
't Fiasco, dat-ie maakte (zonder weerga in de geschiedenis van 't
«tonneel») bezorgde 'm 'n nieuwe vermaardheid.