Omdat 'k, door de algemeene malaise, toch niets te doen had, belde
'k bij m'n vriend Jos aan.
Dat is m'n noodlot. Ieder heeft zoo z'n buitenissigheidjes, z'n zwak,
z'n zonde. De een houdt er 'n villa op na, waar-ie nooit komt, 'n ander
'n «stoom»-fiets, waar-ie niet op terecht kan, 'n derde 'n meisje,
dat-ie niet meer bezoekt. Ik heb m'n vriend Jos. Ofschoon 'k weet,
dat-ie me nooit anders dan onaangenaamheid bezorgt en 't me altijd, hoe
't ook draait, geld kost, kan 'k toch de verleiding niet weerstaan,
'm nu en dan weer eens te bezoeken. M'n heiligste voornemens zelfs
zijn daar niet tegen bestand. 't Is de drang naar zelfvernietiging,
welke in elk mensch schuilt. 'k Vecht er maar niet langer tegen.
'k Belde dus aan bij m'n vriend Jos. Er werd niet opengedaan. Dit wist
'k van te voren. Bij Jos wordt nooit opengedaan. Dat is systeem. 't
Leven leidt soms tot wrange consequenties.
'k Deed 'n stap naar achter, door de ramen van z'n benedenhuis
te turen. Die zijn ondoordringbaar, wijl bijkans tot 't plafond
dicht-begordijnd. «Dat is 't eenige, waarom je blij moet zijn, als
je schilder bent» had Jos me wel eens gezegd. «Ze kunnen tenminste
niet zien, of je thuis bent!»
'k Stond besluiteloos. Alle geheime teekens hadden indertijd op den
duur gefaald. Zelfs 't driemaal zacht tikken, gevolgd door 'n luide
kuch, was door schuldeischers afgekeken en had Jos in de grootste
moeilijkheid gebracht. En 't werd lastig, telkens weer 'n nieuwe
krijgslist te bedenken.
Daar schoot me 'n ouwe truc te binnen. 'k Belde nog eens, deed dan
m'n kaartje glijden in de busklep--ook die «doorkijk» was hermetisch
gesloten: er flapperde 'n gordijntje achter, naar 't heette voor den
tocht--en kuierde langzaam op. Als Jos er nu maar op inging! Want
ook met kaartjes was al gefraudeerd, zoodat Jos niets of niemand
meer vertrouwde. Doch hoe zou een van z'n schuldeischers nu aan mijn
visite-kaartje komen?
'k Keerde op m'n schreden terug. Gelukkig, 't had geholpen! Jos' deur
kierde en, toen 'k er weer voor stond, werd 'k ijlings naar binnen
getrokken door 'n energiek rukkenden, manchetloozen arm. 'k Raakte
bijna van den voet. Met 'n bons sloeg de deur achter me dicht. 'k
Was in de vesting!
Jos keek me verwilderd aan. «Goddank, dat je d'r bent!» fluisterde-ie
me toe met 'n voor hem ongekende hartelijkheid. «We snakken naar
afleiding. 'k Word gek van de eenzaamheid. We zitten hier als op
'n fort. 't Is verschrikkelijk!»
'k Drukte 'm de hand, begrèèp 'm. «Ja» zei 'k, «'k had al eerder plan
gehad. Maar omstandigheden, hè? Vrouw en kinderen wel?»
Weer zag Jos me verbijsterd aan, alsof 'n langbegeerde prooi eindelijk
in z'n macht was geraakt. «Hm» mompelde-ie dan, «vrouw en kin.... Laten
we liever over wat prèttigs praten. Maar.... kom binnen.»
'k Trad in z'n voorkamer, waar 't er zeer «gemobiliseerd» uitzag. En
aan 't hand-dikke stof op lamp, schoorsteen en de weinige stoelen,
bemerkte 'k dadelijk, dat er van 'n dagmeisje sinds weken geen sprake
meer was.
Rondziend, ontwaarde 'k op de sofa bij 't raam 'n beweeglijk pakket,
dat zuchten in mijn richting afzond. Dat kon niet anders dan Co
zijn, begreep 'k. En m'n hand weer uitstekend, zei 'k op goed geluk:
«Dag, Co.»
't Pakket, in 'n eens zalm-kleurigen lap gewikkeld, welke desnóóds
voor peignoir kon doorgaan, richtte zich half op van de krakende
sofa. Twee doffe oogen bestaarden me, vijf slappe vingers raakten
me even aan. Daarop zonk alles weer ineen, tot niet. Onwillekeurig
dacht 'k aan 't beeld van de kaars, welke nog eenmaal flappert,
vóór ze........ Ach!
«Wat scheelt er aan?» vroeg 'k, niet gerust. «Wat heb je?»
Er kwam geen antwoord. Slechts 'n verwijderd gekreun, dat ook 'n
gesmoord snorken kon zijn, drong tot me door.
'k Herhaalde m'n vraag. Toen, na nog 'n pauze, welke 'n eeuwigheid
scheen, verzuchtte, wat daar nog leefde op de rheumatische sofa,
molto ritardando:
«Ik...... sl...... aap.»
Verlucht richtte 'k me weer op. Er was dus nog geen gevaar!
«Ja,» venijnde Jos, langs me heen slungelend, terwijl-ie z'n broek zóó
hoog optrok, dat 'k niet begreep, hoe-ie nog vóórt kon. «Ze doet niet
anders. Lollig voor mij! Maar je kómt er hier wel toe. Zelfs geen krant
krijgen we. (Ze willen me niet meer als abonné, de geldknijpers!) 'k
Weet nauwlijks, of d'r nog oorlog is! Nona! 't Eenige, wat er voor
ons op zit!»
Hier loosde Jos 'n geeuw, welke als 'n gat in de ruimte sloeg. Ook
ik sperde m'n mond, van den weeromstuit. En 't werd hoogst hoorbaar,
hoe Co, zooal niet de ééuwige, dan toch 'n zeer langdurige rust was
ingegaan. Gezellige boel!
«Maar hoe leven jullie hier dan?» belangstelde 'k nog,
beleefdheidshalve.
«We leven heelemààl niet» knarste Jos, moeilijk verstaanbaar. «We
zitten hier opgesloten. Gevangenen, man, gevangenen! Ze hebben de bel
uit de deur getrokken. Wat de menschen toch koppig zijn, om nù nog
met kwitanties te komen! Dat wordt gewoon 'n manie van ze. Maar wie
er komen moet, blijft weg: de bakker, de kruienier. Tusschen licht
en donker moet 'k er als 'n misdadiger op uit, om brood, boter. En
altijd zie 'k nijdige gezichten van lui, van wie 'k al jàrenlang
klant ben, de ondankbaren! En deurwaarders, o, o! Maar dat zal ook
niet lang meer duren. 'k Heb nog precies 12-1/2 cent. Dan gaan we maar
allemaal liggen, naast Co. En ze zullen ons later vinden, ontbonden,
met verstarde gelaatstrekken, 'n artistentragedie. Ha ha!»
Wild stiet Jos 'n piep-geluid uit en z'n haren wàpperden.
't Koude zweet brak me uit. Had 'k maar weer nièt aangebeld!
In 't atelier, achter, klonk geritsel, hardnekkig. 'k Luisterde.
«Wat is dat?» vroeg 'k, nieuwsgierig.
«Muizen!» fluisterde Jos met 'n stem, die al zwakker en zwakker
werd. «Dag en nacht gaan ze te keer. Ze vinden niets meer, geen
kruim. Straks beginnen ze nog aan m'n stillevens. Haha! Als ik ze
niet voor ben!»
In Jos' oogen flikkerde iets, dat op krankzinnigheid wees. Verteerde
de innerlijke vlam 't broze omhulsel?
«Spreek toch wat harder» zei 'k. «'k Versta je haast niet. Ben je
verkouwen? Je praat zoo heesch.»
Jos sloeg 'n zonderlingen blik naar 't plafond. Dan blies-ie
geheimzinnig in m'n oor:
«De boven-buren! Ssst! Als d'r gebeld wordt, waarschuwen diè, dat
'k thuis ben. Ellendelingen! Omdat 'k eens 'n pakje voor ze heb
aangenomen, dat we maar opgegeten hebben. Rolham, stel je voor! Wie
laat zoo iets staan, in deze tijden! Die lui hebben geen hersens».
Weer trok Jos verwoed z'n broek op. 'k Werd bang, dat er op die manier
weinig van dat kleedingstuk zou overblijven.
Opeens voelde 'k 'n schrijnende pijn in 't meest rechtsche mijner
beenen. 'k Keek omlaag. Er stak 'n pijl in m'n broekspijp.
«Au!» deinsde 'k onwillekeurig terug. Onder tafel zat Joop, de
«aardige» oudste van de twee kleine Henkeman's, met opnieuw geladen
boog. Schielijk week 'k nog op zij. En 'n tweede pijl vloog geruchtig
tusschen m'n beenen door.
«Ze zijn niet vergiftig» lachte Jos satanisch. Hij scheen er bepaald
plezier in te hebben, dat z'n jongen me vrees aanjoeg. 't Scheelde
weinig, of hij hitste 'm aan met 'n: «Pak ze! Ks, Ks!»
Nu 'k z'n schuilplaats echter ontdekt had, was de aardigheid voor
Jopie er af. Hij kroop onder de tafel vandaan en vermaakte zich 't
verdere van de visite met voortdurend om me heen te draaien en me
daarbij aan te gapen, of 'k 'n soort Boschjesman was. 't Was dan ook
waar: de jongen was menschen ontwend.
'k Wou gaan zitten. «Pas op!» waarschuwde Jos met 'n gebaar, dat 'n
trein tot stilstand zou hebben gebracht. «Die stoel niet! Dàar! Dàt
is de goeie».
IJlings richtte 'k me weer op. In den huize Henkeman ontsnapte je
elk oogenblik aan gevaren.
'k Zette me nu, volgens aanwijzing, dicht bij de schuifdeur, waardoor
je in 't atelier kwam. 'k Keek er meteen binnen.
Daar hingen, stonden, lagen de mij welbekende studies, stillevens,
krabbels, wonderlijke mensch-, ver- en andere gezichten. D'r kwam
maar geen schot in den voorraad.
«Je moest eens iets actueels maken,» raadde 'k met de beste
bedoeling. «Dat is 't eenige, wat op 't oogenblik pakt.»
Jos stoof op me af. 'k Dacht, dat 'k alweer op 'n verkeerden stoel zat!
«Schei uit!» raasde-ie, in spijt van de buren boven. «'t Heeft me al
dol gemaakt. Iets actueels! 'k Heb 'n pracht-ding geteekend. Niet
waar, Co? O, ze slaapt. Làat 'r. --'n Pracht-ding! De kanonnen
reden door de lucht. Wat? Nee, ze renden, rolden, donderden. 't
Was verschrikkelijk. Je hield je hart vast. Elk oogenblik dacht
je: ze komen naar beneden. Kan 't spannender? Laat één me dat
maar nadoen! En Co lag tegen 'n heuvel, handen voor 't gezicht,
als schreiende vredes-maagd. Ze heeft me nog nooit zoo ontroerd. 'k
Wist niet, dat m'n eigen vrouw zoo'n pracht-maagd was! En gewonden en
vluchtelingen, voor alles had 'k gezorgd. 'k Ga er mee naar den Nieuwen
Kunsthandel. 'k Denk: dàt neemt-ie zeker. Wat zegt de vent? «Neem weg
dat ding! U ruïneert m'n zaak. U jaagt de menschen m'n winkel uit. Ze
willen geen narigheid. Die lezen ze in de kranten al genoeg.» En ik met
m'n kanonnen weer naar huis. 'k Verzeker je, dat ze me zwaar wogen.»
Jos streek z'n haren uit z'n voorhoofd, wat 'n heel werk was. Dan
stak-ie z'n handen weer zoo diep in z'n broekzakken, dat 'k niet
begreep, hoe-ie ze ooit weer terugvond en stapte als 'n opgejaagde
kievit z'n atelier door. Werkelijk, de kerel behield toch altijd
iets geniaals.
'k Volgde 'm, òòk om 'n oogenblik van Jopie bevrijd te zijn. De jongen
maakte me bepaald verlegen.
«Waar zijn ze?» informeerde 'k, rondziend.
«Wie?» vroeg Jos, met z'n blik minstens bij 'n vergruizelde ster.
«Wel, de kanonnen!»
«O, die! Kapot. Verscheurd. Jammer genoeg. Maar 'k was ook zóó
nijdig. En dan, 't maakte me beroerd, Co altijd vlak onder dat
oorlogstuig te zien. Of je wou of niet, je kreeg 'n gevoel: straks
gebeurt er wat! Dat houdt geen mensch uit.--Maar, 'k zal je verder
vertellen. De menschen willen geen akeligheid, denk ik? Goed,
dan maar wat lolligs. En 'k heb me daar 'n karikatuur op den
oorlog geleverd.... ik ben d'r zelf drie dagen ziek van geweest;
van 't lachen! Om bij dood te gaan! Soldaten met 'n kiespijn-doek
achter 'n boterton, de vluchtende vijand op steigerende ezels,
'n generaal onder 'n paraplu; enfin, je kan 't je voorstellen. Ik
er mee naar 'n zekeren--hoe heette-ie ook weer?.... o ja, van
Haersten tot Vleujen. Die was me nog wel aanbevolen als 'n eerste
collectionneur! Tot Vleujen ontvangt me aan 'n stevige kip met compote
en meer van die sausnegerij. Hij ziet m'n teekening niet, of-ie vliegt
op, razend, smijt servet, mes en vork over de tafel en hij brùlt: «M'n
huis uit! Schaam u, meneer, in deze benarde tijden den spot te drijven
met de onnoemlijke ramp, welke Europa teistert. Foei, foei!» De man
werd zoo rood, dat 'k voor 't ergste bij 'm vreesde. «Eet smakelijk»,
zeg 'k en 'k laat 'm met z'n benarde tijen bij z'n lunch, die er wezen
mocht, hoor! Maar je begrijpt, de liefhebberij bij mij was er af».
Jos lachte bitter. «Multatuli!» dacht 'k. Daarop deed-ie me 't ergste
aan, dat-ie maar bedenken kon: hij stak z'n steenen pijpje op.
'k Draaide me om, hoestte. Joop verdween naar de voorkamer.
«Oorlogs-tabak!» grinnikte Jos. 't Was 'n onbeschrijflijke lucht. Of-ie
z'n pijp met 'n stukje heel oude zool had gestopt! En m'n sigaren-koker
lag thuis. In zóóverre hielp z'n tactiek 'm dus niet.
'k Begreep, dat 't met Jos op z'n ergst gesteld was. Wie dàt
rookte! Daar móést verandering in komen.
«Hou 'n expositie van je volledige werken», verzon ik. «Tegen 'n heel
lagen prijs. 't Is toch noodtoestand».
Jos schudde halsstarrig van «nee». En na 'n paar rookwolken, waartegen
ik bepaald meende te moeten protesteeren, knorde-ie:
«Kán niet. Heb 't al geprobeerd».
'k Keek 'm vragend aan.
«Helpt toch niet», ging-ie verder. Nog wou 'k aandringen. Toen sprak-ie
één vreeslijk woord, dat alles expliceerde:
«Deurwaarders».
Daar zàt 'k met m'n idee. Jos' pijpje begon gootig te slobberen.
«Is d'r geen mouw aan te passen?» vroeg 'k nog.
«Hoè?» knerste Jos.
'k Peinsde.
«Als», kwam 't er langzaam bij me uit en 'k begon waarlijk al wat aan
de oorlogs-tabak te wennen, «als die schilderijen van 'n ander waren,
zoogenáámd. Hm, ja. Maar dan moeten ze vóór alles hier uit huis. Zou
de kunsthandel niet....»
Jos deed 'n verwoeden trek, wat me haastig deed zwijgen.
«De uitzuigers?» barstte-ie los en àl z'n haren trilden. «Liever snij
'k m'n vingers af».
Dat wou 'k natuurlijk niet op m'n geweten hebben. Om 'm af te leiden,
opperde 'k ondoordacht:
«Bij 'n particulier dan. Iemand wil je toch wel helpen?!»
«Wie?» vroeg Jos weer en z'n oogen boorden diep in de mijne.
'k Voelde me als op 'n hellend vlak. Er groeide 'n benauwende
stilte. Wat had 'k aangehaald?
«Wie?» herhaalde Jos, bijna dreigend.
Daar ontstond leven op de sofa. 'n Vreeslijk gekraak van 't trotsche
meubel bewees, dat de vredes-maagd ontwaakte. Of had ze heel niet
geslapen? Spoedig moest 'k 't haast wel denken, want Co, in al 'r
bekoorlijkheid van schilderseega, die gewend is te poseeren, met losse
haren, lossen peignoir (of wat daarvoor doorging) en zóó losse muilen,
dat ze er een van verloor, stevende recht op me toe en, met 'n stem,
die geen tegenspraak duldde, zei ze:
«Jij natuurlijk! Onze vriend! Je hebt zoo'n mooi bovenhuis en je
woont alleen. Voor 't Steuncomité, zeggen we. Als dat niet helpt!»
'k Zat geslagen. Dat er ook in die slaperige Co zoo'n listige Eva stak!
Jos stiet 'n Indianengehuil uit. Hàdden z'n haren overeind gekund,
ze waren omhoog gegaan als duin-helm, van vreugde. Nu wàpperde-ie er
slechts mee, hartstochtelijk.
«Vrouw! Co! Engel!» kreet-ie en van enthousiasme duwde-ie 'r bijna 'n
oog uit. «Wat 'n begrip! Wat 'n verstand! Waar haalt ze 't vandaan? O,
vrouwen hooren in den hemel! Co, laat 'k voor je knielen».
«Pas op die punaise», waarschuwde Co practisch. Dan noemde ze 'm nog
«lummel», omdat-ie 'r oog zóó fel geraakt had, dat 't bepaald begon
te tranen. Een en ander weerhield 'm van verdere exaltische uitingen.
Ik maakte bezwaar tegen 't plan. Vooral dat «Steun-comité» had
allerminst m'n goedkeuring. Doch Jos, door z'n atelier dravend,
alsof-ie 'n jacht-akte veroverd had, sloeg al m'n bedenkingen
breed-geniaal een voor een den kop in. Hij wees zelfs op 't morééle
van 't geval. Diende in dezen moeilijken tijd ieder niet z'n eigen
steuncomité te zijn? «En dan», deed-ie royaal, «ze kunnen voor mijn
part 50 pCt. krijgen».
«Zou 20 niet voldoende zijn?» vroeg Co, wier slaperigheid geheel
geweken was.
«Of 10,» krabbelde Jos terug, die zich de lapjes van vijf en twintig
al bij bundeltjes ontrukt zag. «Enfin, dat regelen we allemaal wel. 't
Voornaamste is nu: aanpakken! Morgen hang 'k den boel bij je op. M'n
volledige werken, haha! Als je maar plaats hebt! M'n uitbouw staat
nog vol. 't Zal 'n evenement zijn!»
Zalig staarde Jos, dwars door de kast, waarin waarschijnlijk de muizen
zaten, naar 'n toekomst, welke ik nog niet bespeurde. Hij zag zich
al beróémd. Mocht 'k die illusie verstoren?
Plots hief de jongste der Henkeman's, die, ergens achter,
'r middagslaapje gedaan had, 'n vervaarlijk geschreeuw aan. Co,
nu zonder één enkele muil, snelde (of ze ook wakker was!) naar 'r
kind. Opnieuw snorde 'n pijl door de lucht: Jopie, die zich weer
verdekt had opgesteld, heropende de vijandelijkheden. Hoe ontsnapte
'k aan zooveel bedreiging? Daar stopte Jos ten tweede male z'n
pijp. 'k Voelde dat 'k wijken moest. En onmiddellijk! Met vele zware
handdrukken nam 'k afscheid, m'n hoofd slechts vervuld van één ding:
de nood-expositie. 't Deed er pìjn van.
Den volgenden morgen (Jos was voor zijn doen bijzonder vroeg uit
de veeren) hielden drie wagens voor m'n deur stil. Mannen van
den Volksbond zeulden 'n uur lang m'n trappen op en af. Toen er
volstrekt niets meer bij kon, hielden ze er eindelijk mee op. Het
waren hardnekkige lieden.
Jos, die met 'n stralend gezicht van m'n beste sigaren zat te
rooken--hoe-ie die zoo dadelijk gevonden had?--zei gedachteloos:
«Ach, betaal jij even?» en 'k voldeed de stoere werkers.
«Je hebt ze toch gefooid?» vroeg-ie nog, achter 'n dichte wolk.
«Ja», zei 'k kort. «'k Dacht, dat je dat wel goed vond».
Jos knikte grootmoedig. Dan sprong-ie elastisch op en riep:
«Komaan, laten we maar dadelijk gaan ophangen!»
«Hang», meende 'k vriendelijk.
Er is tot 's avonds laat in m'n huis verwoed geklopt, geprikt,
getimmerd. Jos is boven op m'n piano geklommen--z'n hakken zaten
met spijkers--en heeft twee vazen gebroken en maar één aschbak. Niet
één stoel, of hij heeft er op gestaan, gedanst, gezwengeld. Al mijn
schilderijen, behalve 'n merkwaardig stilleven, dat 'n Henkeman was,
zijn afgehaald en vervangen door de volledige werken van Jos. Waar 'k
ook keek, overal gaapten z'n binnen- en buitenhuizen, z'n sinaasappels
met en zonder ui, z'n portret-studies, z'n mystische krabbels van Co
me triomfantelijk aan. Zelfs in de gang hingen ze, boven de trap. Ze
waren niet te ontloopen.
«Waar laten we de meubels?» zwoegde Jos met aan elk zijner haren
'n druppel.
'k Keek 'm verbijsterd aan.
«Moeten die ook al weg?» vroeg 'k angstig.
Hij wierp me 'n blik toe, of-ie me opeten wou. Doch voorloopig begon-ie
maar weer aan m'n sigaren.
«De menschen moeten toch kunnen lóópen», expliceerde-ie nog tamelijk
bedaard. «'t Is hier 'n ex-po-si-tie! Die spiegel moet er ook af. Daar
kan nog wat hangen».
Met dien spiegel heb 'k 'm geholpen. 'k Dacht aan m'n vazen en den
aschbak. Daarop hebben we ons weer tot den Volksbond gewend en de drie
zelfde stoere werkers hebben andermaal met zwaar bemodderde schoenen
'n vol uur door m'n huis gezworven, tot ze alles, wat hinderde, op
den zolder, de bovengang en in m'n slaapkamer hadden geplaatst. Hoe
'k 's nacht in m'n bed moest komen, begreep 'k niet. Doch 't leven
hééft nu eenmaal moeilijkheden.
«'t Begint er al aardig uit te zien», wreef Jos vergenoegd z'n
handen. 'k Keek eens rond. 'k Zag enkel Henkeman's.
Toen is Jos met sjaals gaan drapeeren en doeken en oud lappen-goed en
op de meest geheimzinnige plaatsen stelde-ie onverwacht 'n gemberpot
op, waarvan-ie 'n onbeschrijflijke hoeveelheid bij zich had. Hier en
daar kwam ook 'n lampion te bungelen, zoodat m'n huis langzamerhand
min of meer 'n Oostersch aanzien kreeg. 'k Hoopte, dat 'k er aan
wennen zou.
«Hoe heb 'k dat opgeknapt?» vroeg Jos, weer stralend.
'k Knikte, sprakeloos. 'k Had geen hoofd meer. 't Duizelde me en m'n
ooren suisden. Ook vond 'k 't niet strikt noodzakelijk, dat al m'n
Havana's in één dag werden opgerookt.
«Ja, neem me niet kwalijk», zei 'k dan met toonlooze stem, «maar
'k wou nu wel 'n stukje gaan eten».
«Uitstekend!» wreef Jos zich andermaal de handen. «Waar gaan we
naar toe?»
'n Oogenblik dacht 'k er over, of 'k maar niet dadelijk naar bed zou
gaan, hoeveel moeite me dat misschien ook zou geven. Daarop heb 'k
'm echter toch maar mee naar «Riche» genomen. 'n Dineetje had-ie met
z'n zwoegen werkelijk wel verdiend.
Hij heeft 't zich heel goed laten smaken. En den wijn, daar was-ie
ook kolossaal handig mee. 'k Dacht tenminste, dat we nog aan de
tweede flesch waren, toen de derde al op tafel stond. Hij werd erg
spraakzaam en drong er sterk op aan, dat 'k 't «geval» mooi zou
aankleeden. De tentoonstelling moest niet van mij uitgaan, 'n gewoon
particulier, doch van 'n naamlooze vennootschap. Hij zocht al naar
'n naam. Eindelijk vond-ie iets. «Artis Pictura» leek 'm bijzonder
fraai. 'k Twijfelde eraan, of dat vloeiend Latijn was. Ook herinnerde
't me te sterk aan 'n welbekenden dierentuin. Doch Jos, koppig als-ie
bij den wijn zit, hield voet bij stuk. Zoo werd m'n huis, of wat
daarvan was overgebleven, onder 'n Triple Sec «Artis Pictura» gedoopt.
Hij is weer met me mee terug gegaan (Jos was àltijd aan me
gehecht). Bij me thuis is-ie nog wat aan den timmer geslagen, doch
met onvaste hand. Toen z'n eene duim heelemaal blauw was, hield-ie
er mee op. We hebben ons daarop onder de whisky gezet. Dat maakte
'm weer zoo fiksch, dat-ie opnieuw bovenop m'n piano wou. Dat heb 'k
'm echter krachtig belet. 'k Vind, leelijke gewoontes moet je niet
in de hand werken.
«Breng me dan maar naar bed», gaf-ie gewillig toe. «Waar slaap 'k?»
«Dat weet 'k niet», bracht 'k aan z'n verstand, «maar hièr niet».
't Scheelde weinig, of-ie begon te huilen.
«Niet in Arti Pictus?» drijnde-ie.
«Nee», zette 'k door. «'k Heb momenteel maar één bed. En of 'k daar
in kan komen, valt nog te bezien. In elk geval, 'n logé kan 'k niet
hebben. En.... denk aan Co!»
«Daarom juist», bekende-ie kinderlijk. Maar hij is dan toch gegaan,
met onder elken arm 'n gemberpot. Hij schijnt nu eenmaal gek op die
dingen te zijn.
De eerste dagen kreeg Artis Pictura niet één enkelen bezoeker. En
'k had toch flink geadverteerd. Uit deurwaarders-overwegingen had ik
den naam «Henkeman» maar weggelaten. Ook op de helft der geëxposeerde
werken ontbrak die. Dat kon echter al niet anders dan 'n aanbeveling
zijn. Waarin zat 't 'm dus?
't Begon er somber uit te zien. Jos liep den heelen dag heen en
weer als 'n gekerkerde leeuw. Alleen gedurende den lunch ging-ie
zitten en stond dan voorloopig niet op. Z'n goede eetlust, zei-ie,
was z'n redding.
«Hebben we den prijs misschien toch nog wat te hoog gesteld?» vroeg
'k voorzichtig.
Jos, die juist 'n blikje zalm bewerkte, sprong woedend op.
«Wou je ze den arbeid van m'n leven dan heelemaal cadeau doen?»
riep-ie, zich verslikkend. «Vijf gulden! Jij met je eenheidsprijs! 'k
Gooi m'n naam toch al te grabbel. Je bent al net zoo'n uitzuiger als
die anderen».
'k Zweeg. En 'k zag, hoe 't blikje totaal verdween.
«Je moet ook 'n bord aan je huis slaan», beweerde Jos met vollen mond,
«En de deur moet àànstaan. De menschen bèllen liever niet. En zet
'n aardigen groom of 'n livrei-knechtje in 't portaal onder de tweede
lampion. Zoo iets klèèdt».
'k Ging er maar niet op in. 'k Had al groote onaangenaamheid gehad
met de vrouw, die 's morgens bij me werkte. Ze verkoos niet langer te
komen, wanneer de voordeur open bleef. Ze was gewoon, in fátsoenlijke
huizen te werken, zei ze.
Intusschen legden we de laatste hand aan den uitgebreiden catalogus. 'k
Had de lijst persoonlijk met m'n fraaiste letter in elkaar gezet en
't ding zag er goed uit. Alleen deed 't wellicht wat eentonig aan. Er
zat dan ook weinig afwisseling in 't oeuvre van Jos. 't Was maar:
Appelen met ui, Stemming, Ui met appelen, Appelen met peer, Stemming,
Peer met ui, Ui met boek, Boek met appelen, Stemming. 't Begon op
't laatst voor je te dansen. Daardoor heb 'k me bij de nummering wel
eens vergist. 'n Studie tenminste, welke als Ui, met 'k weet niet
meer wat, stond aangeduid, leek van dichtbij vaag op Co, wanneer ze
langzaam van 'r merkwaardige sofa verrijst. Ook waren er verschillende
krabbels, waaruit Jos zelf niet meer wijs kon. Die werden dan maar
weer «Stemming» gedoopt. En ongeveer 'n vijftal doeken hingen onderste
boven. Doch dat merkte je zoo gauw niet. Door een en ander kwam 'k
echter tot 't begrip, dat kunsthandel 'n apart en zéér moeilijk vak is.
Den vierden dag van de expositie «ten bate van 't Steuncomité»
verschenen er twee bezoekers. Jos was juist even uit. 'k Trad ze
minzaam tegemoet. En leidde ze rond.
De heeren deden wat gereserveerd. Maar 'k dacht: «Komt er niet op
aan. Als jullie maar kóópen». En 'k prees 't oeuvre Henkeman's aan
als 't werk van eenige jeugdige, veel-belovende artisten, die zich
gedrongen hadden gevoeld, in deze tijden, enzoovoort. «Je bent 'n
flesschentrekker» signaalde m'n geweten. En 'k stond er zelf versteld
van, dat 'k zoo liegen kon. Doch 'k deed 't voor 'n ànder.
«En wil 't nogal?» informeerde dan hoogjes een van 't tweetal.
«Beroerd» wou 'k zeggen. Maar 'k bedacht me, dat men in zaken nooit
te eerlijk moet zijn. Onverschillig sneed 'k daarom op:
«Langzaam aan, heeren, langzaam aan. Er is tot heden voor 'n vijftig
gulden verkocht».
«Ha! Vijftig gulden?» riep m'n ondervrager verrast uit. Daarop
haalde-ie 'n opschrijfboekje te voorschijn en teekende er iets in aan.
'k Keek verwonderd toe. Iemand van de pers misschien?
M'n bezoeker hielp me echter uit den brand.
«Mag 'k me eens voorstellen?» kraakte-ie correct. «Van Haersten tot
Vleujen». (Te drommel, waar had 'k dien naam meer gehoord?) «Lid van
't Steuncomité hier ter stede. We stellen 't natuurlijk zeer op prijs,
dat u zoo ijvert voor de goede zaak. Maar, u houde 't mij ten goede:
als u eens wist, op hoeveel manieren onder ónze vlag 't eigen voordeel
wordt gediend! Ze exploiteeren ons maar, ze exploiteeren ons maar! Ja,
ja! Vijftig gulden dus! Mooi! We zullen van onzen kant wat menschen
aanmoedigen, de expositie te bezoeken. U beseft, dat helpt enorm. En
dan, sta ons toe, dat we uw taak wat verlichten. Wij willen niet,
dat u alles alleen doet. Elken dag van tien tot vier hier te staan,
dat mogen we niet van u vergen. Meneer hier, die, om zoo te zeggen,
een van onze inspecteurs is, zal u bij den verkoop behulpzaam zijn. Hij
is 'n zeer werkzame en vertrouwde kracht. 'k Wil intusschen ook mijn
steentje bijdragen tot 't goede doel».
'k Boog. De spiegel hing er niet meer. Anders had ik waarschijnlijk
kunnen constateeren, dat 'k er ongewoon bleek uitzag. De inspecteur
keek me doordringend aan. 'k Moest me dus goed houden. En glimlachte.
't «Steentje» van 't comité-lid werd een van de ontelbare uien,
ditmaal «met banaan». Vijf gulden werden op m'n tafel gedeponeerd
('k zie ze nòg schitteren) en dadelijk geboekt. Met 'n zorgvuldige
buiging nam de heer van Haersten tot Vleujen afscheid. De ander bleèf.
Toen Jos terugkwam, heb 'k 'm mee naar boven genomen, naar
zolder. Daar, tusschen de opgestapelde meubels, heb 'k 'm de situatie
uitgelegd. 'k Deed nogal zenuwachtig. Jos staarde me wezenloos
aan. Daarop begon-ie aan al z'n haren te rukken. Met z'n elleboog
stiet-ie 'n pendule van 'n soort console en hij raasde:
«M'n werk! M'n kostbare werk! Sluit de tentoonstelling. Direct! Ben
ik in de wieg gelegd voor filantroop? Hoe kan 'n vriend je zoo iets
aandoen!»
'k Trachtte 'm te kalmeeren. En wees er op, dat sluiting op 't moment
onmogelijk was. Wat moest 't comité er wel van denken?
«Maar m'n arbeid van jaren dan!» huilde-ie met weer 'n pluk aan z'n
haar. «Straat-arm maak je me, 'n bedelaar!»
«In 's hemelsnaam, spreek wat zachter» smeekte 'k, met m'n gedachten
bij den «inspecteur». Werktuiglijk tastte 'k naar m'n zak. 'k Leende
Jos 'n tientje. En 's middags nam 'k 'm weer mee naar «Riche».
De volgende dagen belde er nu en dan iemand aan bij «Artis Pictura». De
heer Tot Vleujen had nogal connecties. Er werd gekocht, al was 't
niet veel. 'n Tiental rijksdaalders verdwaalden «tijdelijk» naar
m'n portemonnaie.
Al die vreemde menschen in m'n huis, 't werd me 'n gruwel. Op 'n
dag kneep 'k er 's morgens vroeg al tusschen uit. Tegen sluitingsuur
kwam 'k thuis. De «inspecteur» zag er hoogst vergenoegd uit. 'k Keek
'm vragend aan.
«De verkoop stijgt» zei-ie verheugd. «Heden twaalf stuks verkocht».
'k Zocht op de tafel.
«O» hielp m'n zaalwachter me uit den droom, «die heeft die andere
meneer, die vriend van u, onder z'n beheer. Of 'k u maar groeten wou».
't «Beheer» van Jos! De toestand werd onhoudbaar. Hoe meer succes
de tentoonstelling kreeg, hoe meer 't me zou kosten. 'k Zat in
'n labyrint.
't Einde kwam zeer onverwachts. De expositie was zoowat twee
weken geopend. Ze kreeg steeds meer toeloop. De kranten schreven
er sympathiek over en meldden, op verzoek, niet den naam van den
schilder. Deze bescheidenheid werd 'm als 'n extra verdienste
aangerekend. Hij kreeg 'n anonieme vermaardheid.
Ik zelf voelde me als dakloos. 'k Sliep niet meer thuis. Die uien
met en zonder, die appelen, 'k had ze tegengegeten. 'k Kon ze niet
meer zien.
Eens, nadat ik 2 maal 24 uur onder water was gebleven, belandde
'k weer in Artis Pictura. Nauwelijks boven, werd er gebeld. Jos,
vol-ijverig (z'n oogen kregen langzamerhand de schittering van 'n
dubbelen rijksdaalder) deed open. Plots hoorde 'k 'm echter de trap
opstuiven, in vlucht. 'k Trad naar 'm toe. Hij duwde me op zij, rende
de zoldertrap op. «Deurwaarder!» fluisterde-ie me nog toe. Daarop
hoorde 'k boven 'n sleutel tweemaal in 't slot draaien.
'n Dik heer hijgde zich naar de expositie-zaal. Schuin over z'n
buikglobe betuurde-ie m'n wanden. Bij den eersten blik echter reeds
keek-ie verrast. Dan ontsnapte 'm 'n verbaasd «tsjs, tsjs». 't Was
precies, of 'n ketel stoom uitliet.
«'k Had--'t--moeten--begrijpen», stuwde-ie moeizaam
uit. «Natuurlijk! Hen--ke--man! O, maar--dat--gaat--zóó--niet!»
Hij koerste op me af. 'k Besefte ten volle 't gevaar, waarin 'k
verkeerde. Onversaagd moest 'k er me doorheen slaan.
«Me-neer!» begon de deurwaarder en hij gaf me 'n breed exposé van
z'n verhouding tot J. Henkeman, kunstschilder.
«Pardon!» hoopte 'k 'm te overrompelen. «De heele collectie is sinds
kort m'n eigendom».
«Ha ha!» lachte de vreeslijke man en 'k kreeg de gewaarwording,
dat m'n «Artis» met 'n nijlpaard verrijkt was. «Dat kennen we. Jawel!»
«Ach, neemt u mij niet kwalijk, wat zei u, uw eigendom?»
'k Dacht zóó bij m'n beneden-buren terecht te komen: de grond onder
me wankelde. Waar kwam die meneer van Haersten tot Vleujen opeens
vandaan? 'k Had 'm nog niet opgemerkt.
«Doorgestoken kaart, meneer» lucht-exploosde de gevreesde man van
dagvaardingen en andere gruwlijkheid. «We hebben dat--meer--bij de
hand gehad».
«Ach, laat u mij even uitspreken, hè?» kriegelde Tot Vleujen met
z'n gewoon aplomb, waarvoor zelfs het wettelijke, monster, dat
mijn salon bestookte, moest wijken. En zich tot mij wendend, ging
't comité-lid verder:
«U zei.... Hm! En de jeugdige, talentvolle kunstenaars, die zoo
belangeloos.... Expliceert u mij dat eens».
'k Heb den heer van Haersten terzijde genomen en alles uitgelegd. 't
Was 't eenigste, wat er voor me opzat. Dat kwartier uit m'n leven
vergeet 'k nooit.
M'n toehoorder wond zich 'n oogenblik zóó op, dat-ie z'n correctheid
bijna verloor. Daarop begon-ie 't geval echter wat menschelijker te
bezien en 't eind was, dat iets van 'n glimlach over z'n welgedaan
uiterlijk toog. Toch bleef-ie zakelijk.
«Enfin» besloot-ie. «U draagt 't Steuncomité 50 pCt. af. Dan zullen
we er niet meer van spreken. Men exploiteert ons maar, men exploiteert
ons maar! En we sluiten vandaag de expositie».
«Graag!» stemde 'k van harte toe. Eindelijk zou 'k dus weer 'n
huis hebben!
«Sluiten?» vroeg de deurwaarder, die nog steeds als 'n Atlas z'n
globe stond te torsen. «Enne....»
Toen heb 'n lange explicatie met hèm gehad. Met z'n visch-oogen
keek-ie me wantrouwend aan. En telkens als er 'n adem-stoot kwam,
was 'k bang, dat 'k weggeblazen werd.
Ten slotte was-ie er achter.
«Dan ìk de andere 50 pCt. Of--'k maak 't bekend».
'k Protesteerde. 't Hielp niet. 'k Vocht tegen 'n walvisch.
We zijn gaan rekenen. De inspecteur had alles onaangenaam nauwkeurig
geboekt. Een en vijftig Stemmingen, Appelen met dit en met dat,
tegen 'n eenheidsprijs van vijf gulden, maakte.... 't Was heel
eenvoudig. Op de tafel lag niets. En persoonlijk had 'k slechts
'n tientje opgestreken, want, hòe 't ook ging, aan Jos' «beheer»
was niet te ontkomen. 'k Betaalde dus twee honderd vijf en veertig
gulden. En annonces, «zaal-huur», alles was voor mij. Vervolgens is
de nood-expositie zonder woord van dank gesloten.
'k Heb boven 'n hartig woordje met Jos gewisseld, hij àchter, ik vóór
de zolderdeur. Op 't laatst werd-ie driest, kwam er uit en verweet me,
dat al z'n bèste werk voor 'n appel en 'n ei gegaan was.
«Ja, appelen en uien!» maakte 'k me driftig. «Hou maar op! Dat is je
dank. Haal die rommel dadelijk weg. Geen dag langer wil ik 't in huis
hebben. 't Verslindt kapitalen. Artis Pictura!»
De Volksbond is er weer aan te pas gekomen. Het is merkwaardig,
hoe doorzettend deze lieden zijn. En niets vergaten ze, zelfs geen
gember-pot.
Jos heeft me 'n heel boozen brief geschreven. En Co krabbelde er nog
'n regeltje onder, dat lang niet slaperig was. Vrouwen laten zich nu
eenmaal door haar echtgenoot verblinden.
Wanneer 'k weer eens langs de Henkeman's kom, bel 'k nièt aan.