VIII.

Vroeg in den morgen braken wij van M'Kullu op en trokken naar de

vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het

eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten

dan mimosa's, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (_chora_),

die het strand bedekken. Die bosschen van _chora_ van verre gezien

maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht

groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en

hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het

water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden

reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte,

en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het

staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs

de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch

ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door

de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel,

vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich

in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar

loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo

hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze

atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte

u eene verkwikking schijnt.

De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene

verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die

aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een

enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer

een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering

zouden zij door de _Parsis_ (de Perzen) zijn aangelegd: waarin

niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze

kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische

heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar

van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan

de _Parsis_ toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering,

ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.

Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd,

hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht,

niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den

aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking,

waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier,

die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken

zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten

gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij

den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie

en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering,

steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van

knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd

had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun

versch water van M'Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen

onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken

in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand

eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand

bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en

bij iederen vloed de ledige ruimte vult.

Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het

onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig

Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan

de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is,

durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men

vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee,

die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is,

waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat

zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens

slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt

dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.

De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit

een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld

die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen

sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der

Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur

van den dag ziet ge er weinig anders dan _angarebs_, rustbanken,

tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte

mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne

knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke

trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi

of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband

van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren

keten om de lendenen.

De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest;

zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee),

uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een

enkel woord.

De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren

Kapucijner-monniken; zij woonden te M'Kullu in een nederig huis, waar

men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche

regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie

niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar

gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die

wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds

half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af,

door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die

veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel

in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en

gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis

en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen

gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren

dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal

dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne

plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren

zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden,

met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater

Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om "zaken" te gaan

doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een

handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe

begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide,

tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.

Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit

Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding

van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur

van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864),

werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover

de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij

voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door

pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die

waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.

Een anglo-indisch spreekwoord zegt: "Pondichery is een warm bad, Aden

een fornuis, Massaoua een hel." Dit is tamelijk overdreven. Massaoua

is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der

Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid

van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt

niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had

mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan

drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij

de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met

drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar,

was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen

van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van

Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen,

langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio

verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk,

vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M'Kullu; dan

daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog

boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte,

waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan,

in schemerende omtrekken, welfde.

Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar

hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de

omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken

door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper

in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog,

een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn

uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.

Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een

kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door

de stekelige mimosa's moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten

bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier

klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de

totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes

kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven

wilde overnachten--waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek

van leeuwen, luipaarden of hyena's, volstrekt niet op gesteld was;--het

beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit

besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij

uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken,

met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen;

verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare

kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte

_choras_ der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het

uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad

van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der

naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding

gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een

eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had

de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een

honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans

dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te

lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten

de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde

de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe:

"Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of

de onderkoning te Masr (Kaïro)!"--Bij de minste oneenigheid verbood de

naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien,

waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van

honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk

uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko

verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste

sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.

De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij

langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien,

waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een

vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst

in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan

op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie

aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening,

tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende

dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene

ontsteltenis verwekte door de mare: _El Kostan ghia!_ de christenen

komen!--Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta

Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en

twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen

aanrichtende. M'Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen

van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de

pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van

zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden,

moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde

vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste

vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden,

en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden

weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos,

terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne

turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie

over naar Aïlat.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 10 / 12 题