Vroeg in den morgen braken wij van M'Kullu op en trokken naar de
vlakte van Gherar, vanwaar een kano mij in drie minuten naar het
eiland Massaoua overvoerde. Op dien weg vond ik geene andere planten
dan mimosa's, dwergachtige struiken en wortelvijgeboomen (_chora_),
die het strand bedekken. Die bosschen van _chora_ van verre gezien
maken een zeer eigenaardigen indruk: dicht begroeid, van eene zacht
groene kleur, hunne fijne takken en twijgen in de zee dompelende, en
hunne fraaie bladeren, aan die van den laurier niet ongelijk, in het
water weerspiegelende, lokken die wonderlijke boomen den vermoeiden
reiziger, om een weinig adem te scheppen van de brandende zonnehitte,
en in hun lommer zijne oogen te verkwikken, die vermoeid zijn van het
staren op het harde geel der verweerde en verscheurde rotsen langs
de kust. Eenmaal heb ik mij laten verlokken, en ben het dichte bosch
ingegaan: maar nimmer heb ik de proef herhaald. De bodem, deels door
de wateren der zee overdekt, is niets anders dan eene groote poel,
vol slijk en zandbanken, waaruit de boomen, dicht opeengedrongen, zich
in grillige vormen verheffen; en onder dit bijkans ondoordringbaar
loofdak heerscht eene zoo benauwende, verstikkende hitte, in zoo
hooge mate met vochtige, ongezonde dampen bezwangerd, dat, bij deze
atmospheer vergeleken, het verblijf buiten op de brandende zandvlakte
u eene verkwikking schijnt.
De bodem van het eiland Massaoua bestaat uit koralen en eene
verzameling van alle mogelijke soorten van versteende vegetatie, die
aan de Roode-zee een zoo bijzonder karakter geven. Ik heb reeds met een
enkel woord van de waterbakken gesproken: deze bakken beslaan ongeveer
een derde van de oppervlakte van het eiland. Volgens de overlevering
zouden zij door de _Parsis_ (de Perzen) zijn aangelegd: waarin
niets onwaarschijnlijks is, want ten tijde van Khosroës waren deze
kustlanden van de Roode-zee, naar wij mogen aannemen, aan de perzische
heerschappij onderworpen. Alles wat in deze streken niet ontwijfelbaar
van muzelmanschen of misschien abyssinischen oorsprong is, wordt aan
de _Parsis_ toegeschreven; natuurlijk maakt zich de overlevering,
ook in dit opzicht, aan hare gewone fout van overdrijving schuldig.
Maar wie dan ook de waterbakken van Massaoua moge hebben aangelegd,
hij heeft eer van zijn werk: zij verdienen wel alleszins de aandacht,
niet alleen om hunne afmetingen, om de moeilijkheden die bij den
aanleg te overwinnen waren, maar vooral om de schoone bewerking,
waarvan men zich eenig denkbeeld kan vormen, als men de drie of vier,
die nog bijna ongeschonden zijn, wat meer van nabij beziet. De bakken
zijn gedekt door een soort van klein gewelf, uit koraalfragmenten
gemetseld; de binnenwanden zijn glad, en de randen zoo gemaakt, dat bij
den minsten regen, het water in de bakken moet afloopen. Deze fraaie
en nuttige werken hadden het wel verdiend, dat de turksche regeering,
steeds zoo haastig bij de hand als er eene of andere nieuwe methode van
knevelarij valt in te voeren, zich wat meer om hun behoud bekommerd
had: maar aangezien de gouverneur en zijne lieden alle morgens hun
versch water van M'Kullu ontvangen, is het hun natuurlijk volkomen
onverschillig, of het arme volk van dorst vergaat. Do waterbakken
in het binnenste van het eiland vallen in puin, zonder dat iemand
eene hand uitsteekt om ze te herstellen; de bakken nabij het strand
bezwijken voor den aandrang der zee, die de wanden doet barsten en
bij iederen vloed de ledige ruimte vult.
Omtrent den oorsprong van Massaoua verkeert men in het
onzekere. Sommige geleerden zijn van meening, dat het tegenwoordig
Massaoua ongeveer zou overeenkomen met eene zekere stad Saba, waarvan
de oude geografen melding maken: in hoever die meening gegrond is,
durf ik niet beslissen. Het eiland is zeer arm aan gedenkteekenen: men
vindt er slechts een twaalftal gewijde gebouwen, waaronder eene moskee,
die wel de opmerkzaamheid verdient, en waarschijnlijk dezelfde is,
waarin de Portugeezen, omstreeks 1520, de mis lieten bedienen, nadat
zij de muzelmannen uit Massaoua verdreven hadden. Dit was trouwens
slechts eene wedervergelding, want de muzelmannen hadden op hun beurt
dit heiligdom aan de abyssinische christenen ontweldigd.
De bevolking van Massaoua is zeer gemengd. De merkwaardigste, en uit
een commerciëel oogpunt wel de gewichtigste kolonie, is ongetwijfeld
die der Banians, die welbekende indische kooplieden, in wier handen
sedert eeuwen reeds de handel op de Roode-zee berust. De wijk der
Banians is zeer stil; er zijn zeer weinig winkels, en te ieder uur
van den dag ziet ge er weinig anders dan _angarebs_, rustbanken,
tegen de muren geplaatst, en waarop groote, welgevormde, half-naakte
mannen rustig liggen uitgestrekt. Hunne geschoren kruinen, hunne dunne
knevels, hunne prachtige zwarte oogen, hunne eenigszins vrouwelijke
trekken, geheel hun voorkomen doet u denken aan eene straat van Delhi
of Bombay. Als de Banian uitgaat, draagt hij een prachtigen tulband
van roode of gele zijde, met goud geborduurd, en een zware zilveren
keten om de lendenen.
De europeesche bevolking te Massaoua is nooit zeer talrijk geweest;
zij bestaat doorgaans uit een consulairen agent (zelden zijn er twee),
uit een paar kooplui en eenige zendelingen. Over deze laatsten een
enkel woord.
De eerste missionarissen, die zich hier vestigden, waren
Kapucijner-monniken; zij woonden te M'Kullu in een nederig huis, waar
men hun niet dan na veel moeite het verblijf vergunde. De turksche
regeering, die hier het nauwlettend oog der europeesche diplomatie
niet had te duchten, toonde zich, aan deze uiterste grens van haar
gebied, in al hare brutale onbeschaamdheid. De generaal der orde, die
wist met wie hij te doen had, stuurde op deze onbeschofte en steeds
half beschonken turksche gouverneurs een piemonteeschen monnik af,
door geheel den omtrek wel bekend, pater Giuseppe S...; iemand, die
veeleer geboren scheen om voor komiek op te treden dan als apostel
in Nubië werkzaam te zijn; een grappenmaker, wiens onuitputtelijke en
gansch niet altijd fijne vroolijkheid echter eene zeer degelijke kennis
en een onbedwingbaren moed verborg. Telkens lag hij met den turkschen
gouverneur overhoop; maar eindelijk wist hij hem te temmen: op zekeren
dag daagde hij den Turk uit tot een duel met den sabel; een andermaal
dreigde hij den landvoogd uit het raam te gooien, en zichzelf, in zijne
plaats, tot kaïmakan te doen uitroepen. Dergelijke praktijken waren
zeker niet bij uitnemendheid apostolisch: maar tegenover de lieden,
met wie hij te doen had, troffen ze toch doel. Ongelukkig kwam pater
Giuseppe in het eind op de noodlottige gedachte om "zaken" te gaan
doen: hij hing zijn pij aan den kapstok, en zette te Massaoua een
handelshuis op, dat al vrij spoedig failliet ging. Pater Giuseppe
begaf zich daarop naar Florence, waar hij, naar men mij zeide,
tegenwoordig als redacteur van een liberaal dagblad werkzaam is.
Na de Kapucijners verschenen de Lazaristen, toen zij, in 1855 uit
Abyssinië verdreven, zich te Massaoua kwamen vestigen, onder de leiding
van den voortreffelijken prelaat monsgr. de Jacobis. Onder het bestuur
van zijn opvolger, monsgr. Biancheri (overleden 17 September 1864),
werd ten behoeve der missie aan de oostpunt van het eiland, tegenover
de stad, een ruim gebouw opgericht met eene kerk en eene drukkerij
voor de abyssinische boeken. Tegenwoordig wordt de missie bestuurd door
pater Delmonte, een Genuees van geboorte, en een zeer bekwaam man, die
waarschijnlijk als opvolger van monsignor Biancheri zal worden benoemd.
Een anglo-indisch spreekwoord zegt: "Pondichery is een warm bad, Aden
een fornuis, Massaoua een hel." Dit is tamelijk overdreven. Massaoua
is niet ongezonder dan eenig ander punt langs het beneden gedeelte der
Roode-zee, en is zeker veel minder vervelend, dank zij de nabijheid
van het bergland en de uitmuntende gelegenheid tot jagen. Dit neemt
niet weg dat de hitte het iemand benauwd genoeg maken kan. Ik had
mij daartegen zooveel mogelijk gewaarborgd. Mijne woning werd aan
drie zijden door de zee omspoeld; en heerlijke uren heb ik, ook bij
de grootste hitte, doorgebracht in mijn vierkant vertrek, dat met
drie groote vensters aan zee uitkwam. Het uitzicht, het is waar,
was tamelijk eentonig. Voor mij zag ik de gele en naakte rotsen
van kaap Gherar, de reede, en nu en dan eene of andere boot van
Dahlak, met hare zware matten zeilen en haar lading van steenen,
langzaam voortzwoegende. Aan mijne linkerhand verhieven zich de drio
verdiepingen of terrassen der bergen van Abyssinië en Samhar: namelijk,
vooreerst de roodachtige lage heuvels van Arkiko en M'Kullu; dan
daarachter de bergen van Waï-Negus, en eindelijk aan den horizon, hoog
boven alles uitstekende, de rotsmuur van de abyssinische hoogvlakte,
waarboven zich, in trotsche majesteit, de koepel van Devra-Bizan,
in schemerende omtrekken, welfde.
Massaoua heeft voor den toerist al zeer weinig aantrekkelijks; maar
hij kan zich daarvoor schadeloos stellen door eenige uitstapjes in de
omstreken te gaan doen. Reeds meermalen was mijne aandacht getrokken
door een fraai gevormden berg, die Massaona beheerscht en den schipper
in zee tot baken strekt: den Ghedem, ongeveer 1200 meters hoog,
een ontzagwekkende, vulkanische kegel. Met de mededeeling van mijn
uitstapje derwaarts, wil ik ditmaal mijn reisverhaal besluiten.
Op zekeren dag huurde ik eene boot met twee man, en liet mij naar een
kleinen inham aan de kust roeien, vanwaar ik nog ruim een uur door
de stekelige mimosa's moest wandelen, eer ik de rotsachtige hoogten
bereikte, die ik langzaam begon te bestijgen. Na drie kwartier
klimmens, had ik een piek bereikt, die ongeveer tweederde van de
totale hoogte des bergs mat; maar de eigenlijke top was stellig nog zes
kilometers verwijderd, en ik begreep dadelijk, dat, zoo ik niet boven
wilde overnachten--waar ik, met het oog op een zeer mogelijk bezoek
van leeuwen, luipaarden of hyena's, volstrekt niet op gesteld was;--het
beter was, maar niet verder te gaan. Ik had geen reden om mij over dit
besluit te beklagen, want een prachtig panorama breidde zich voor mij
uit. Aan mijne voeten, de vlakte, die ik zooeven was doorgetrokken,
met eene reeks lage heuvelen, die van den berg tot aan de zee liepen;
verder, de fraaie open reede van Massaoua, rustig, blauw, in hare
kalme wateren de witte huizen der stad weerspiegelende, en de dichte
_choras_ der beide eilanden van Tau-el-hud en Shekh-Saïd. Aan het
uiteinde der baai lag de kleine stad Arkiko, vroeger de hoofdstad
van het gansche omliggende land, de patrimoniale residentie der
naïbs, die sedert naar Aïlat zijn verhuisd. Wat daartoe aanleiding
gaf, verdient wel eene korte vermelding, ook omdat daardoor een
eigenaardig licht valt op de toestanden in deze streken. In 1846 had
de turksche gouverneur van Massaoua, eene schuldvordering van een
honderd talaris ten laste van den naïb van Arkiko; en zag geen kans
dat geld te krijgen. Dit ware nu nog te vergeven geweest; maar niet te
lijden was de beleedigende hoogmoed, waarmede die inlandsche vorsten
de gezaghebbenden te Massaoua behandelden. Op zekeren dag voegde
de driftige naïb Hassan, in den vollen raad, den gouverneur toe:
"Hassan heeft hier te bevelen, zoogoed als de sultan te Stamboel, of
de onderkoning te Masr (Kaïro)!"--Bij de minste oneenigheid verbood de
naïb zijn onderdanen, de stad van water of levensmiddelen te voorzien,
waardoor de inwoners aanstonds aan het gevaar waren blootgesteld, van
honger en dorst om te komen. De gouverneur, wiens geduld eindelijk
uitgeput raakte, zond toen zijne Arnauten naar de stad, die Arkiko
verbrandden, en de turksche kanonnen mede namen, die het voornaamste
sieraad van den divan der naïbs uitmaakten.
De stad bleef eenige maanden verlaten liggen; toen werd zij
langzamerhand herbouwd, en tevens van een slecht fort voorzien,
waarin de turksche gouverneur bezetting legde. De naïb, die een
vazal van den negus van Abyssinië was, riep nu de tusschenkomst
in van Oubiëh, den onderkoning van Tigreh, die bij den kaïmakan
op vergoeding en herstelling van den naïb in zijne vroegere positie
aandrong. De kaïmakan schold en dreigde en weigerde iedere voldoening,
tot eindelijk op zekeren dag de gansche bevolking der omliggende
dorpen, door schrik bevangen, naar de stad vlood, en daar algemeene
ontsteltenis verwekte door de mare: _El Kostan ghia!_ de christenen
komen!--Het was het abyssinische leger, aangevoerd door Belatta
Kokobiëh, een der krijgsoversten van Oubiëh, tusschen de vijftien en
twintigduizend man sterk, en overal de schrikkelijkste verwoestingen
aanrichtende. M'Kullu werd geplunderd en verwoest; het garnizoen
van Arkiko verslagen en onder de muren van het armzalige fort in de
pan gehakt; Massaoua, dat het getal zijner inwoners eensklaps van
zes tot vijftien duizend zag klimmen, die aan alles gebrek hadden,
moest onfeilbaar in handen van den vijand vallen. Maar de onbesuisde
vernielzucht der Abyssiniërs droeg voor hen zelf de noodlottigste
vruchten: het gansche omliggende land was tot een woestijn geworden,
en Kokobiëh zag zich welhaast verplicht, zijne stroopende ruiterbenden
weder bijeen te roepen en naar het noorden, naar het land der Bogos,
terug te trekken. Zoo bleef alles bij het oude: Arkiko hield zijne
turksche bezetting, en de morrende naïbs brachten hunne residentie
over naar Aïlat.