Na een verblijf van vijf dagen te Keren, werd het tijd aan de terugreis
naar Massaoua te denken. Pater Stella deed mij uitgeleide tot aan de
boorden van de, Aïnsaba, waar wij gezamenlijk ons bivouac opsloegen,
en vanwaar hij den volgenden morgen naar Keren terugkeerde.--Wij
staken nu de fraaie vlakte over, waarin de kleine stam der Bedjouk
gevestigd is; bestegen den vrij steilen bergpas van Massalit, en
daalden in het bassin van de Lebqa af, dat wij eerst te Aïn, op twee
dagreizen afstands, weder verlieten. De uitgedroogde bedding van de
rivier diende ons tot weg, die terwederzijde door tamelijk hooge en
boschrijke bergen was omzoomd.
Aïn vormt de grens tusschen twee machtige stammen, de Mensa ten
zuiden, en de Habab ten noorden. Deze laatsten splitsen zich in
drie afdeelingen, die te zamen den naam voeren van de drie _Meflez_
(wilde zwijnen). Die titel van Meflez is zeer in aanzien in Sennaheit:
hij komt voor in de geslachtslijsten van de voornaamste familiën: een
bewijs te meer, bij zoovele anderen, dat deze stammen oorspronkelijk
geen Mohammedanen waren. De Habab zijn nomaden: en er bestaat eene
zekere verwantschap tusschen het nomadenleven en de islamitische
barbaarschheid; gaandeweg vielen zij dus van hun voorvaderlijk
christengeloof af, en hadden nu ook geen enkele reden meer om zich te
onttrekken aan het oppergezag van de grootere of kleinere muzelmansche
staten, die hen van alle zijden omgaven. Reeds in 1846 vorderde
Emin-Bey van de Habab schatting, in naam van den onderkoning van
Egypte. De _kantiba_ (opperhoofd) der Habab antwoordde op hoogen toon,
dat hij de souvereiniteit van Egypte niet erkende; maar, bevreesd voor
de soldaten van den bey, zond hij hem toch, echter voor dien enkelen
keer, een geschenk van vijftig koeien. Tegenwoordig tracht de porte
zelf aanspraken op de souvereiniteit over deze stammen te doen gelden.
De Mensa beweren van den zeeoever gekomen te zijn, en beroemen zich
op hun europeeschen oorsprong. Indien dit geen fabel is, dan hebben
zij tot zelfs hunne taal vergeten, want zij spreken thans tigré;
overigens is hun zuivere, bijkans klassieke type eene zijdelingsche
bevestiging van hunne beweerde afkomst. Zij splitsen zich in twee
clans: Beit-Ibrahé, wier dorp Gheled (schild) heet, en Beit-Echakan,
die te Hamham zijn gevestigd. Het eerste dorp werd in 1850 door
Hassan, naïb van Arkiko, overvallen; de kantiba Theodoros werd als
gevangene naar Massaoua gevoerd, waar hij verscheidene maanden bleef,
en waar men vergeefs alle pogingen aanwendde om hem tot den islam te
bekeeren. Hij werd niet ontslagen, dan nadat hij een zekeren losprijs
had betaald, en zijn kleinzoon als gijzelaar had achtergelaten.
Sommige reizigers hebben zich zeer ongunstig over de Mensa
uitgelaten; maar, op den keper beschouwd, komen die klachten toch
hoofdzakelijk hierop neer, dat de nieuwsgierigheid dezer onontwikkelde
bergbewoners den reizigers last veroorzaakte. Nu, laat ons rechtvaardig
zijn. Stellen wij eens dat een Mensa, in zijne fraaie witte shama,
die hij alleen op feestdagen draagt, gehuld, met zijne lange lans
in de hand, en de groote houten naald (waarop hij even trotsch is,
mevrouw, als gij op uwe kolossale oorbellen) door zijn gevlochten
haren gestoken;--stellen wij, dat zulk een Afrikaan zich op een goeden
dag in de straten van Parijs vertoont: zou hij niet het voorwerp der
algemeene nieuwsgierigheid, en erger, der spotternij, zijn? Wat mij
betreft, ik heb mij altijd zeer wel kunnen schikken in deze soort
van nieuwsgierige belangstelling, die mijne zwarte of koperkleurige
medemenschen mij betoonden: zoolang althans die belangstelling haar
karakter van kinderlijke naïveteit niet verloor, en geen dekmantel
werd voor kwaadwilligheid of hebzucht. Doorgaans vond ik er een waar
vermaak in, naar de gesprekken te luisteren, die om mij heen werden
gevoerd, en die op mijn persoon betrekking hadden.
"Hoe heet uw meester?" vroeg men aan mijn kawas Ahmed.
"Zijn naam doet niets ter zake. Hij is mijnheer de consul."
"Consul? Wat is dat? Is dat zooveel als een _choum_ (klein
districtshoofd)?"
"De duivel hale uw choums! Een consul, dat is zooveel als een dedjaz
(hertog of landvoogd). De negus heeft, hij zijne ontvangst te
Debra-Tabor, de kanonnen laten afvuren."
Dan nam men mijn persoon en mijne kleeding nauwkeurig op: alles leverde
stof tot vragen en opmerkingen. Somwijlen droeg ik, des morgens, als
de wind koel was, een vest van blauwe gebreide wol: dit kleedingstuk
vooral prikkelde de nieuwsgierigheid der inboorlingen. Een hunner,
die zich voor bijzonder knap hield vroeg mij: "of dat zijde was?"
"Neen, het is schapenwol."
"Heel vreemd!"--En de man verwijderde zich, brommende: "Nu, die Frank
denkt mij beet te kunnen nemen! Wie heeft ooit van zijn leven blauwe
schapen gezien?"
Een andermaal trok een bos kleine sleutels de aandacht mijner
bezoekers; na zich in allerlei gissingen verdiept te hebben, merkte
een hunner op, dat zij inwendig hol waren; hij gaf ze mij nu terug
zeggende:
"Ik ken dat: het zijn zakpistooltjes! Zijn ze geladen? De Franken
vinden toch wonderlijke dingen uit. Hoe jammer dat ze _turksch_
(mohammedaansch) zijn!"
"Wat praat ge van turksch? Evenmin turksch als gij."
"Zijt gij dan een christen?"
"Zeer zeker."
"Laat mij dan uw _mateb_ zien. (Een blauw zijden koord, dat alle
abyssinische christenen, bijwijze van herkenningsteeken, dragen.) Hebt
gij geen _mateb_? Ziet gij wel, dat ge dan ook geen christen zijt."
Ik keer tot mijn verhaal terug. De vlakke en bijna geheel naakte
streek, hier en daar door alleenstaande bergen afgewisseld, die ik van
Aïn tot Massaoua in schuine lijn moest doortrekken, heet Samhar. Deze
landstreek is, althans in de hoofdtrekken, vrijwel bekend, want
deze woestijn is de weg van de kust naar het schoone en vruchtbare
Abyssinië. Reeds in de oudheid, met name tijdens de Ptolomeërs,
die zoo ijverig den handel van de Roode-zee bevorderden, was Samhar
evengoed bij de reizigers bekend als heden ten dage. Ten bewijze zij
het mij vergund, de beschrijving aan te halen, die Artemidorus van deze
streek geeft; die beschrijving past nog tegenwoordig bijna volkomen,
zoowel wat de natuur als wat de menschen betreft.
Volgens onzen griekschen schrijver, jagen de nomaden dezer landstreek
de olifanten op deze wijze: "in hinderlaag op de boomen gezeten, en
eene kudde olifanten bemerkende, die het bosch doortrekt, laten zij
die ongemoeid voorbijgaan; maar zij trachten met behoedzaamheid de
achterblijvers te naderen, die hier en daar dwalen, en snijden hun
de pezen der pooten door. Somwijlen ook dooden zij hem met pijlen,
in de gal eener slang gedoopt; de pijl wordt door drie mannen tegelijk
afgeschoten: twee hunner, de beenen vooruitgestrekt, houden met alle
kracht den boog vast, de derde spant het koord. Nog anderen geven
acht op de boomen, waartegen de olifanten komen leunen om te slapen;
zij naderen nu van de tegenovergestelde zijde, en snijden den stam
dicht bij de aarde door; wanneer de olifant tegen den boom aanleunt,
valt deze om, en het dier stort mede ter aarde; dan springen de
jagers van de boomen op den grond, dooden den olifant en houwen hem
in stukken. De nomaden noemen deze jagers onrein.
"Boven deze elephantophagen (olifanteters) woont een niet zeer
talrijk volk van strouthophagen (vogeleters), in wier land men
vogels vindt zoo groot als herten, die, zoo zij niet vliegen kunnen,
ten minste zeer snel kunnen loopen, evenals de struisen; sommigen
dooden ze met pijlen; anderen nemen hunne toevlucht tot de volgende
list. Zij bedekken zich het lichaam met de huid van een dezer dieren;
zij steken hun rechterarm in den hals, en bewegen dien op zoodanige
wijze, dat zij de bewegingen van den vogel zelven nabootsen; met
hunne linkerhand nemen zij graankorrels uit een broodkorf, die aan
hunne zijde hangt, en strooien die vóór zich heen; de vogels worden
daardoor naar kuilen gelokt, waar jagers zijn gesteld, die hen met
stokken doodslaan. Deze strouthophagen bedienen, zich van de huiden
dezer vogels om zich te kleeden en ook als bed; zij leven in oorlog
met de Ethiöpiërs, die Siles worden genaamd, en als aanvalswapenen
hertehoornen gebruiken. Zij wonen in de nabuurschap van menschen,
zwarter van kleur en kleiner van gestalte, die ook minder lang leven
dan de anderen, want zij worden zelden ouder dan veertig jaar, omdat de
wormen zich in hun vleesch voortteelen. Deze menschen voeden zich met
de sprinkhanen, die door de zuid-westen- en westenwinden, welke in de
lente met groote hevigheid heerschen, naar hun land worden gevoerd. Om
deze sprinkhanen te vangen, werpen zij, in kuilen en droge grachten,
hout, dat, als het brandt, veel rook veroorzaakt; zij leggen daar
een weinig vuur boven op: de sprinkhanen, die daarover heen vliegen,
worden door den rook verblind en vallen ter aarde. Zij maken ze fijn,
vermengen ze met pekel, en bakken er koeken van, die zij eten."
Aldus Artemidorus. Vooral wat hij het laatst verhaalt, is geheel
overeenkomstig de waarheid, zooals mij nog op deze reis bleek. De
sprinkhanen daalden in dichte zwermen van Hamazene af, waar zij
waarschijnlijk den oogst van den armen abyssinischen landman
bijna geheel hadden vernield. Zij vlogen, naar ik meen, van het
west-zuidwesten, naar het noord-noordoosten. De boomen, de _khors_,
de hellingen der heuvelen, alles was overdekt met millioenen gele of
violette stippen: een waar festijn voor de roofvogels van allerlei
soort, wier aantal in deze streken zoo buitengemeen groot is. Maar
zij waren de eenigen niet, die op dien buit afkwamen: de lieden van
Aïlat, met _ghirbas_ (lederen zakken) beladen, kwamen ook in massa
opzetten, om mede hun aandeel te erlangen. Deze sprinkhaneneters,
hoewel inderdaad donkerder van kleur dan hunne buren, kwamen mij
voor krachtig en welgemaakt te zijn. Wat onze Griek vertelt van die
afschuwelijke ziekte en van hun korten levensduur, is een fabeltje,
en zal ook wel in zijn tijd niet waar zijn geweest.
Een paar dagen na ons vertrek van Aïn, kwamen wij te Desset, een
zeer boomrijk eiland, door een breeden, nu uitgedroogden stroom
gevormd, waar zich eenige grafheuvelen bevinden, en twee steenen
grafteekenen, onder den naam van _graven der Koningen_ bekend. Volgens
de overlevering der nomaden, zouden deze graven de overblijfselen
bevatten van de _Rôm_, een volk dat, tot straf voor zijne immer
toenemende goddeloosheid, door God onder een regen van steenen
bedolven werd.
Te Desset was ik te zeer in de nabijheid van Aïlat en zijne warme
bronnen, dan dat ik zou hebben mogen verzuimen, derwaarts een uitstapje
te maken. Een kleine marsch bracht mij naar dit groote dorp, waar ik
twee aangename dagen sleet, uitnemend goed ontvangen door een soort
van sheik, die, in naam van den toen afwezigen naïb, het bestuur over
deze herders voerde.
Ik had geene behoefte aan een badkuur, en was ook om die reden niet
naar Aïlat gekomen, maar ik zou mij geschaamd hebben, den omtrek
te verlaten, zonder die beroemde warme bronnen te hebben gezien,
waarvan alle reizigers gewag maken, en die bovendien gelegen zijn
in eene dier schilderachtig schoone valleien, die mij steeds zoo
verkwikten. Ik verliet dus het dorp, in gezelschap van Ahmed en een
inlandsch opperhoofd en bereikte, na eene wandeling van anderhalf uur,
den oever van eene beek, Maï Ooï (warm water) genaamd. Nog zeshonderd
el verder, en ik was bij de bronnen. Het water was zeer vuil; de reden
daarvan bleek mij spoedig, toen ik eene menigte schapen tegenkwam,
die, volgens de dagelijksche gewoonte, door hunne herders in de bron
waren gewasschen: eene operatie, die tijd en geduld vordert. Gelukkig
ontbreekt het deze bergbewoners noch aan het een noch aan het ander.
De eigenlijke bron ontspringt aan den voet van een tamelijk steilen
berg, Akowar geheeten, midden in een klein moerassig weiland, waaruit
eenige zwakke sprengen opwellen, van welke slechts eene enkele eene
hooge temperatuur heeft; al deze straaltjes vereenigen zich, eenige
schreden verder, in een reeks kleine vijvers of bassins; slechts
in een dezer vijvers, die de meeste diepte heeft, kan een volwassen
mensch, als hij namelijk op zijn hurken gaat zitten, een eenigszins
behoorlijk bad nemen. Toen ik nader kwam, zag ik vier of vijf mannen
en vrouwen in het bad gezeten; nadat er wat ruimte gekomen was, wilde
ik ook een bad in de Maï Ooï nemen, maar de temperatuur was mij te
hoog; half verbrand trok ik mij haastig terug en bepaalde mij tot een
voetbad. Na den naburigen heuvel beklommen, en het panorama genoten te
hebben der donkere, zonderling gevormde en boschrijke bergen, die ten
westen de vlakte van Aïlat begrenzen, keerde ik naar het dorp terug,
om vandaar onzen tocht voort te zetten.
Door eene zandige, dorre vlakte, bereikten wij eindelijk, zeer vermoeid
en bijna bezwijkende van dorst, het vrij aanzienlijke dorp M'Kullu, op
zes kilometers van Massaoua, te midden vau eene zand- en steenwoestijn
gelegen, maar toch in het bezit van een onwaardeerbaren schat: vijf of
zes putten met voortreffelijk water. Daar Massaoua geen bronnen heeft,
en alleen regenwaterbakken, die acht of negen maanden van het jaar
droog zijn, is het water van M'Kullu tot een handelsartikel geworden,
waarvan de gansche arbeidzame bevolking van het dorp leeft. Elken
morgen vroeg nemen de jonge meisjes van tien tot vijftien jaar, een met
water gevulden zak op hare schouders, wandelen daarmede naar de stad,
en keeren omstreeks negen uur in haar dorp terug; zij doen alzoo een
tocht van twaalf kilometers, waarmede zij niet meer dan een piaster
(ongeveer tien cent) verdienen. Dit harde leven benadeelt noch hare
gezondheid, noch haar schoonheid, noch haar goed humeur. Honderde malen
heb ik ze ontmoet; bij troepjes naar de stad trekkende, lachende,
pratende: aardige figuurtjes, met hare in wanorde over het hoofd
hangende krullen van glimmend zwart haar.
M'Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua,
die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen
avond naar M'Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor
zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit
wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen,
met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun
tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden,
en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche
wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het
eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun
oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent)
per hoofd bedraagt.