VII.

Na een verblijf van vijf dagen te Keren, werd het tijd aan de terugreis

naar Massaoua te denken. Pater Stella deed mij uitgeleide tot aan de

boorden van de, Aïnsaba, waar wij gezamenlijk ons bivouac opsloegen,

en vanwaar hij den volgenden morgen naar Keren terugkeerde.--Wij

staken nu de fraaie vlakte over, waarin de kleine stam der Bedjouk

gevestigd is; bestegen den vrij steilen bergpas van Massalit, en

daalden in het bassin van de Lebqa af, dat wij eerst te Aïn, op twee

dagreizen afstands, weder verlieten. De uitgedroogde bedding van de

rivier diende ons tot weg, die terwederzijde door tamelijk hooge en

boschrijke bergen was omzoomd.

Aïn vormt de grens tusschen twee machtige stammen, de Mensa ten

zuiden, en de Habab ten noorden. Deze laatsten splitsen zich in

drie afdeelingen, die te zamen den naam voeren van de drie _Meflez_

(wilde zwijnen). Die titel van Meflez is zeer in aanzien in Sennaheit:

hij komt voor in de geslachtslijsten van de voornaamste familiën: een

bewijs te meer, bij zoovele anderen, dat deze stammen oorspronkelijk

geen Mohammedanen waren. De Habab zijn nomaden: en er bestaat eene

zekere verwantschap tusschen het nomadenleven en de islamitische

barbaarschheid; gaandeweg vielen zij dus van hun voorvaderlijk

christengeloof af, en hadden nu ook geen enkele reden meer om zich te

onttrekken aan het oppergezag van de grootere of kleinere muzelmansche

staten, die hen van alle zijden omgaven. Reeds in 1846 vorderde

Emin-Bey van de Habab schatting, in naam van den onderkoning van

Egypte. De _kantiba_ (opperhoofd) der Habab antwoordde op hoogen toon,

dat hij de souvereiniteit van Egypte niet erkende; maar, bevreesd voor

de soldaten van den bey, zond hij hem toch, echter voor dien enkelen

keer, een geschenk van vijftig koeien. Tegenwoordig tracht de porte

zelf aanspraken op de souvereiniteit over deze stammen te doen gelden.

De Mensa beweren van den zeeoever gekomen te zijn, en beroemen zich

op hun europeeschen oorsprong. Indien dit geen fabel is, dan hebben

zij tot zelfs hunne taal vergeten, want zij spreken thans tigré;

overigens is hun zuivere, bijkans klassieke type eene zijdelingsche

bevestiging van hunne beweerde afkomst. Zij splitsen zich in twee

clans: Beit-Ibrahé, wier dorp Gheled (schild) heet, en Beit-Echakan,

die te Hamham zijn gevestigd. Het eerste dorp werd in 1850 door

Hassan, naïb van Arkiko, overvallen; de kantiba Theodoros werd als

gevangene naar Massaoua gevoerd, waar hij verscheidene maanden bleef,

en waar men vergeefs alle pogingen aanwendde om hem tot den islam te

bekeeren. Hij werd niet ontslagen, dan nadat hij een zekeren losprijs

had betaald, en zijn kleinzoon als gijzelaar had achtergelaten.

Sommige reizigers hebben zich zeer ongunstig over de Mensa

uitgelaten; maar, op den keper beschouwd, komen die klachten toch

hoofdzakelijk hierop neer, dat de nieuwsgierigheid dezer onontwikkelde

bergbewoners den reizigers last veroorzaakte. Nu, laat ons rechtvaardig

zijn. Stellen wij eens dat een Mensa, in zijne fraaie witte shama,

die hij alleen op feestdagen draagt, gehuld, met zijne lange lans

in de hand, en de groote houten naald (waarop hij even trotsch is,

mevrouw, als gij op uwe kolossale oorbellen) door zijn gevlochten

haren gestoken;--stellen wij, dat zulk een Afrikaan zich op een goeden

dag in de straten van Parijs vertoont: zou hij niet het voorwerp der

algemeene nieuwsgierigheid, en erger, der spotternij, zijn? Wat mij

betreft, ik heb mij altijd zeer wel kunnen schikken in deze soort

van nieuwsgierige belangstelling, die mijne zwarte of koperkleurige

medemenschen mij betoonden: zoolang althans die belangstelling haar

karakter van kinderlijke naïveteit niet verloor, en geen dekmantel

werd voor kwaadwilligheid of hebzucht. Doorgaans vond ik er een waar

vermaak in, naar de gesprekken te luisteren, die om mij heen werden

gevoerd, en die op mijn persoon betrekking hadden.

"Hoe heet uw meester?" vroeg men aan mijn kawas Ahmed.

"Zijn naam doet niets ter zake. Hij is mijnheer de consul."

"Consul? Wat is dat? Is dat zooveel als een _choum_ (klein

districtshoofd)?"

"De duivel hale uw choums! Een consul, dat is zooveel als een dedjaz

(hertog of landvoogd). De negus heeft, hij zijne ontvangst te

Debra-Tabor, de kanonnen laten afvuren."

Dan nam men mijn persoon en mijne kleeding nauwkeurig op: alles leverde

stof tot vragen en opmerkingen. Somwijlen droeg ik, des morgens, als

de wind koel was, een vest van blauwe gebreide wol: dit kleedingstuk

vooral prikkelde de nieuwsgierigheid der inboorlingen. Een hunner,

die zich voor bijzonder knap hield vroeg mij: "of dat zijde was?"

"Neen, het is schapenwol."

"Heel vreemd!"--En de man verwijderde zich, brommende: "Nu, die Frank

denkt mij beet te kunnen nemen! Wie heeft ooit van zijn leven blauwe

schapen gezien?"

Een andermaal trok een bos kleine sleutels de aandacht mijner

bezoekers; na zich in allerlei gissingen verdiept te hebben, merkte

een hunner op, dat zij inwendig hol waren; hij gaf ze mij nu terug

zeggende:

"Ik ken dat: het zijn zakpistooltjes! Zijn ze geladen? De Franken

vinden toch wonderlijke dingen uit. Hoe jammer dat ze _turksch_

(mohammedaansch) zijn!"

"Wat praat ge van turksch? Evenmin turksch als gij."

"Zijt gij dan een christen?"

"Zeer zeker."

"Laat mij dan uw _mateb_ zien. (Een blauw zijden koord, dat alle

abyssinische christenen, bijwijze van herkenningsteeken, dragen.) Hebt

gij geen _mateb_? Ziet gij wel, dat ge dan ook geen christen zijt."

Ik keer tot mijn verhaal terug. De vlakke en bijna geheel naakte

streek, hier en daar door alleenstaande bergen afgewisseld, die ik van

Aïn tot Massaoua in schuine lijn moest doortrekken, heet Samhar. Deze

landstreek is, althans in de hoofdtrekken, vrijwel bekend, want

deze woestijn is de weg van de kust naar het schoone en vruchtbare

Abyssinië. Reeds in de oudheid, met name tijdens de Ptolomeërs,

die zoo ijverig den handel van de Roode-zee bevorderden, was Samhar

evengoed bij de reizigers bekend als heden ten dage. Ten bewijze zij

het mij vergund, de beschrijving aan te halen, die Artemidorus van deze

streek geeft; die beschrijving past nog tegenwoordig bijna volkomen,

zoowel wat de natuur als wat de menschen betreft.

Volgens onzen griekschen schrijver, jagen de nomaden dezer landstreek

de olifanten op deze wijze: "in hinderlaag op de boomen gezeten, en

eene kudde olifanten bemerkende, die het bosch doortrekt, laten zij

die ongemoeid voorbijgaan; maar zij trachten met behoedzaamheid de

achterblijvers te naderen, die hier en daar dwalen, en snijden hun

de pezen der pooten door. Somwijlen ook dooden zij hem met pijlen,

in de gal eener slang gedoopt; de pijl wordt door drie mannen tegelijk

afgeschoten: twee hunner, de beenen vooruitgestrekt, houden met alle

kracht den boog vast, de derde spant het koord. Nog anderen geven

acht op de boomen, waartegen de olifanten komen leunen om te slapen;

zij naderen nu van de tegenovergestelde zijde, en snijden den stam

dicht bij de aarde door; wanneer de olifant tegen den boom aanleunt,

valt deze om, en het dier stort mede ter aarde; dan springen de

jagers van de boomen op den grond, dooden den olifant en houwen hem

in stukken. De nomaden noemen deze jagers onrein.

"Boven deze elephantophagen (olifanteters) woont een niet zeer

talrijk volk van strouthophagen (vogeleters), in wier land men

vogels vindt zoo groot als herten, die, zoo zij niet vliegen kunnen,

ten minste zeer snel kunnen loopen, evenals de struisen; sommigen

dooden ze met pijlen; anderen nemen hunne toevlucht tot de volgende

list. Zij bedekken zich het lichaam met de huid van een dezer dieren;

zij steken hun rechterarm in den hals, en bewegen dien op zoodanige

wijze, dat zij de bewegingen van den vogel zelven nabootsen; met

hunne linkerhand nemen zij graankorrels uit een broodkorf, die aan

hunne zijde hangt, en strooien die vóór zich heen; de vogels worden

daardoor naar kuilen gelokt, waar jagers zijn gesteld, die hen met

stokken doodslaan. Deze strouthophagen bedienen, zich van de huiden

dezer vogels om zich te kleeden en ook als bed; zij leven in oorlog

met de Ethiöpiërs, die Siles worden genaamd, en als aanvalswapenen

hertehoornen gebruiken. Zij wonen in de nabuurschap van menschen,

zwarter van kleur en kleiner van gestalte, die ook minder lang leven

dan de anderen, want zij worden zelden ouder dan veertig jaar, omdat de

wormen zich in hun vleesch voortteelen. Deze menschen voeden zich met

de sprinkhanen, die door de zuid-westen- en westenwinden, welke in de

lente met groote hevigheid heerschen, naar hun land worden gevoerd. Om

deze sprinkhanen te vangen, werpen zij, in kuilen en droge grachten,

hout, dat, als het brandt, veel rook veroorzaakt; zij leggen daar

een weinig vuur boven op: de sprinkhanen, die daarover heen vliegen,

worden door den rook verblind en vallen ter aarde. Zij maken ze fijn,

vermengen ze met pekel, en bakken er koeken van, die zij eten."

Aldus Artemidorus. Vooral wat hij het laatst verhaalt, is geheel

overeenkomstig de waarheid, zooals mij nog op deze reis bleek. De

sprinkhanen daalden in dichte zwermen van Hamazene af, waar zij

waarschijnlijk den oogst van den armen abyssinischen landman

bijna geheel hadden vernield. Zij vlogen, naar ik meen, van het

west-zuidwesten, naar het noord-noordoosten. De boomen, de _khors_,

de hellingen der heuvelen, alles was overdekt met millioenen gele of

violette stippen: een waar festijn voor de roofvogels van allerlei

soort, wier aantal in deze streken zoo buitengemeen groot is. Maar

zij waren de eenigen niet, die op dien buit afkwamen: de lieden van

Aïlat, met _ghirbas_ (lederen zakken) beladen, kwamen ook in massa

opzetten, om mede hun aandeel te erlangen. Deze sprinkhaneneters,

hoewel inderdaad donkerder van kleur dan hunne buren, kwamen mij

voor krachtig en welgemaakt te zijn. Wat onze Griek vertelt van die

afschuwelijke ziekte en van hun korten levensduur, is een fabeltje,

en zal ook wel in zijn tijd niet waar zijn geweest.

Een paar dagen na ons vertrek van Aïn, kwamen wij te Desset, een

zeer boomrijk eiland, door een breeden, nu uitgedroogden stroom

gevormd, waar zich eenige grafheuvelen bevinden, en twee steenen

grafteekenen, onder den naam van _graven der Koningen_ bekend. Volgens

de overlevering der nomaden, zouden deze graven de overblijfselen

bevatten van de _Rôm_, een volk dat, tot straf voor zijne immer

toenemende goddeloosheid, door God onder een regen van steenen

bedolven werd.

Te Desset was ik te zeer in de nabijheid van Aïlat en zijne warme

bronnen, dan dat ik zou hebben mogen verzuimen, derwaarts een uitstapje

te maken. Een kleine marsch bracht mij naar dit groote dorp, waar ik

twee aangename dagen sleet, uitnemend goed ontvangen door een soort

van sheik, die, in naam van den toen afwezigen naïb, het bestuur over

deze herders voerde.

Ik had geene behoefte aan een badkuur, en was ook om die reden niet

naar Aïlat gekomen, maar ik zou mij geschaamd hebben, den omtrek

te verlaten, zonder die beroemde warme bronnen te hebben gezien,

waarvan alle reizigers gewag maken, en die bovendien gelegen zijn

in eene dier schilderachtig schoone valleien, die mij steeds zoo

verkwikten. Ik verliet dus het dorp, in gezelschap van Ahmed en een

inlandsch opperhoofd en bereikte, na eene wandeling van anderhalf uur,

den oever van eene beek, Maï Ooï (warm water) genaamd. Nog zeshonderd

el verder, en ik was bij de bronnen. Het water was zeer vuil; de reden

daarvan bleek mij spoedig, toen ik eene menigte schapen tegenkwam,

die, volgens de dagelijksche gewoonte, door hunne herders in de bron

waren gewasschen: eene operatie, die tijd en geduld vordert. Gelukkig

ontbreekt het deze bergbewoners noch aan het een noch aan het ander.

De eigenlijke bron ontspringt aan den voet van een tamelijk steilen

berg, Akowar geheeten, midden in een klein moerassig weiland, waaruit

eenige zwakke sprengen opwellen, van welke slechts eene enkele eene

hooge temperatuur heeft; al deze straaltjes vereenigen zich, eenige

schreden verder, in een reeks kleine vijvers of bassins; slechts

in een dezer vijvers, die de meeste diepte heeft, kan een volwassen

mensch, als hij namelijk op zijn hurken gaat zitten, een eenigszins

behoorlijk bad nemen. Toen ik nader kwam, zag ik vier of vijf mannen

en vrouwen in het bad gezeten; nadat er wat ruimte gekomen was, wilde

ik ook een bad in de Maï Ooï nemen, maar de temperatuur was mij te

hoog; half verbrand trok ik mij haastig terug en bepaalde mij tot een

voetbad. Na den naburigen heuvel beklommen, en het panorama genoten te

hebben der donkere, zonderling gevormde en boschrijke bergen, die ten

westen de vlakte van Aïlat begrenzen, keerde ik naar het dorp terug,

om vandaar onzen tocht voort te zetten.

Door eene zandige, dorre vlakte, bereikten wij eindelijk, zeer vermoeid

en bijna bezwijkende van dorst, het vrij aanzienlijke dorp M'Kullu, op

zes kilometers van Massaoua, te midden vau eene zand- en steenwoestijn

gelegen, maar toch in het bezit van een onwaardeerbaren schat: vijf of

zes putten met voortreffelijk water. Daar Massaoua geen bronnen heeft,

en alleen regenwaterbakken, die acht of negen maanden van het jaar

droog zijn, is het water van M'Kullu tot een handelsartikel geworden,

waarvan de gansche arbeidzame bevolking van het dorp leeft. Elken

morgen vroeg nemen de jonge meisjes van tien tot vijftien jaar, een met

water gevulden zak op hare schouders, wandelen daarmede naar de stad,

en keeren omstreeks negen uur in haar dorp terug; zij doen alzoo een

tocht van twaalf kilometers, waarmede zij niet meer dan een piaster

(ongeveer tien cent) verdienen. Dit harde leven benadeelt noch hare

gezondheid, noch haar schoonheid, noch haar goed humeur. Honderde malen

heb ik ze ontmoet; bij troepjes naar de stad trekkende, lachende,

pratende: aardige figuurtjes, met hare in wanorde over het hoofd

hangende krullen van glimmend zwart haar.

M'Kullu is het geliefkoosde verblijf van de kooplui van Massaoua,

die den geheelen dag in den bazar der stad doorbrengen, maar iederen

avond naar M'Kullu terugkeeren, om zich des morgens, een uur voor

zonsopgang, weder naar Massaoua te begeven. Zoo vaak ik dien kant uit

wandelde, kon ik er zeker van zijn, troepen Massaouanis tegen te komen,

met hun geel en beenig gelaat, hunne lange helderwitte kaftans, hun

tulbanden, om een met veelkleurig borduursel versierd kapje gewonden,

en hun bonten zakdoek op den schouder. Deze vervelende dagelijksche

wandeling getroosten zij zich uit zuinigheid, want het leven op het

eiland is zeer duur; en de eenige uitgaaf die deze verplaatsing hun

oplegt, is het veergeld, dat niet meer dan drie paras (anderhalve cent)

per hoofd bedraagt.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 9 / 12 题