Sennaheit, dat juist op den weg van Khartoem naar Massaoua ligt, moest,
uit den aard der zaak, de begeerlijkheid prikkelen der egyptische
beys van de grenzen, met name van dien van Taka. In 1850 deed een
dezer heeren, Elias-Bey, een overigens bekwaam en energiek man, maar
berucht wegens zijn fanatieken haat tegen alle christenen, onverwacht
een inval in het land der Bogos; dezen, nog tijdig gewaarschuwd,
konden zich met hunne kudden aan de overzijde van de Aïnsaba in
veiligheid brengen. Elias drong door tot Ouasentet, een dorp van
den stam Bedjouk, op vier mijlen afstands van Keren; hij vond daar
slechts eenige oude vrouwen, die hij laaghartig liet vermoorden. Hij
wilde toen de Mensa aanvallen, wier eerste kampementen niet meer dan
vier of vijf uren verwijderd waren; maar een gids, die misschien de
bergbewoners wilde redden, maakte den bey, in de aardrijkskunde al
even weinig ervaren als al zijne confraters, wijs, dat het kamp der
Mensa wel acht dagreizen ver was; Elias keerde daarop naar Kassala
terug. De Bedjouk hadden hun behoud te danken aan eene omstandigheid,
die den egyptischen officier karakteriseert. Aan de oevers van de
Aïnsaba gekomen, had de bey de kanonnen laten afschieten, om den
herders, die hij overvallen wilde, en die hij anders ongetwijfeld in
hun kamp zou hebben verrast, den moed te doen ontzinken!
In 1855 had een tweede inval plaats, die bij de Bogos zoo treurige
herinneringen heeft achtergelaten. In vollen vrede vereenigde
Khosrew-Bey, een woeste Turk, die te Kassala bevel voerde, al de
roovers en bandieten van Barka met zijne geregelde soldaten, en
trok met dit legertje naar Sennaheit. De beide passen, die naar het
bergplateau voeren, werden bezet, zoodat de Bogos, wier hoofdplaats
destijds Mogareh, op een uur afstands van Keren, was, nergens een
uitweg hadden. Vijftig hunner manschappen sneuvelden in het gevecht;
Mogareh werd in de asch gelegd, en driehonderd-tachtig gevangenen,
meest vrouwen en kinderen, medegevoerd, benevens ongeveer zestig
_moktas_; daarna keerden de roovers haastig terug. Pater Stella was
afwezig; hij kwam den volgenden dag te Keren, vernam daar van de
beroofde bergbewoners wat er geschied was, spoedde zich naar Kassala,
en eischte van Khosrew volledige vergoeding. Deze weigerde, op de
meest onbeschofte wijze, den geestelijke als officiëel persoon te
erkennen; bovendien voerde hij hem te gemoet dat al de christenen van
Sennaheit rebellen waren, die de egyptische regeering het recht en
het vaste voornemen had, tot onderwerping te dwingen. De heer Stella
wendde zich daarop tot de consuls van Frankrijk en Engeland. Deze
laatste, de heer Plowden, een man van een doortastend karakter, een
helderen blik en groote diplomatieke talenten, begreep aanstonds,
welke partij van het voorval te trekken was, om het prestige van
Engeland in de oogen der Christenen en muzelmannen van oostelijk
Afrika te verhoogen. Hij ging in persoon naar Kassala, nam een
dreigenden toon aan, maar kon niets verkrijgen; daarop begaf hij
zich naar Alexandrië, met een adres van de Bogos aan de koningin van
Engeland; hier vond hij krachtige ondersteuning en medewerking bij den
franschen consul-generaal, den heer Sabatier, en verkreeg eindelijk
eene schitterende voldoening. Khosrew werd afgezet, en tevens bevel
gegeven, de gevangenen los te laten. Dit geschiedde dan ook onverwijld;
maar inmiddels had men er reeds een tiental naar Djeddah gezonden, de
groote stapelplaats van den slavenhandel aan de Roode-zee, eene stad,
befaamd wegens twee zaken, die, voor zoover mijne persoonlijke ervaring
reikt, steeds onafscheidelijk samengaan: een opgewonden muzelmansch
fanatisme en eene grenzenlooze zedeloosheid. Tien of twaalf andere
gevangenen waren in de harems van Kassala of de omstreken verstrooid
geraakt.
Daarop begon een onderzoek, dat, nu reeds acht jaren lang, de brave
huisvaders van Kassala rust noch duur laat. De heer Stella trekt
elk jaar derwaarts; hij luistert, ondervraagt, bespiedt, en bij
elk bezoek vindt hij het spoor van eene of andere achtergebleven
gevangene, die hij dan terugvordert, en die de divan hem niet durft
weigeren. Somwijlen geeft dit aanleiding tot komische tooneelen. Een
zekere Kopt, Mallem Todros genaamd, een gauwdief van het eerste water,
had twee meisjes in zijn harem verborgen; zijn buurman Kotzika,
schoonzoon van den Mallem Ghirghis, verklapte hem. De meisjes werden
teruggegeven; om zich te wreken, liet nu Todros bij Ghirghis de glazen
ingooien. Daarop nieuwe twist, en eindelooze processen tusschen deze
beide deftige heeren, die pater Stella eindelijk wist te verzoenen.
Op aandrang der consuls gaf de egyptische regeering, na lang talmen,
eene schadevergoeding van 17.000 francs, ongeveer een derde der
waarde van het gestolen vee. Mij werd opgedragen voor de verdeeling
dezer gelden te zorgen; ik liet mitsdien de voornaamste choumaglié
van Keren, Ona, Tantarwa, Achala, Djoufa en Deghi, die allen van
den rooftocht te lijden hadden gehad, naar Keren ontbieden, waar de
gelden onder de belanghebbenden werden verdeeld. Bij die gelegenheid
ontbrak het natuurlijk niet aan feesten en luidruchtig vreugdebetoon,
en menig lied werd ter mijner eere gezongen. Zeventienduizend franken
was voor deze arme lieden een meer dan vorstelijke schat!
Ik bleef eenige dagen te Keren, geene gelegenheid verzuimende om
de omstreken te doorkruisen, en bergen te beklimmen. Somwijlen had
ik zonderlinge ontmoetingen. Op zekeren dag had ik den Lala mba,
een fraaien, pyramidaalvormigen berg nabij Mogareh, bestegen en
daar geteekend, zonder mij te laten storen door het gekras van
een vervelenden raaf, die mij eerst een poos onbeschaamd had zitten
aankijken en toen luidkeels was gaan schreeuwen, als om te protesteeren
tegen deze inbreuk op zijn gebied. Vermoeid en verstrooid van gedachten
daalde ik den berg af, en wilde juist mijn voet zetten op een soort
van dooden tak, die in het hooge, dorre gras lag, toen mijne aandacht
eensklaps getrokken werd door de gladheid en den regelmatigen vorm van
dien stam; en werktuigelijk nader toekijkende, zag ik dat die gewaande
tak, eenige voeten verder, uitliep in een platten kop met twee zwarte
vurige oogen. Het was een groote slang, die waarschijnlijk even verrast
was door deze zonderlinge ontmoeting als ik zelf. Wij hadden trouwens
niet veel tijd elkander te bewonderen: want op eene beweging die ik
maakte, verdween het dier in de struiken, en ik tusschen de rotsen.
Een andermaal had ik den Aïtaber bestegen om van daar een blik te
werpen op de prachtige bergkloven, waaruit de Aïnsaba te voorschijn
treedt, en op de boschrijke hellingen der _rora_ (bergvlakte), waar de
stam der Beit-Andou in fiere onafhankelijkheid, eenzaam en afgezonderd,
leeft. Langs een steil rotspad afdalende, stootte ik eensklaps op
een fraaien, jongen luipaard, die zich in de zon lag te koesteren;
en hoewel ik geene andere wapenen bij mij had dan mijn kompas en mijn
teekenpen, werd hij toch bang, en vluchtte in twee of drie sprongen
naar eene opening tusschen de rotsen, waarin hij geheel verdween;
in zijn schrik vergetende, dat een gedeelte van zijn staart buiten
het gat uitstak. Ik van mijne zijde gevoelde evenwel niet den minsten
lust, hem verder te verontrusten; en daar het pad vlak langs zijne
schuilplaats heenliep, maakte ik eerbiedig een omweg van meer dan
een el in doorsnede.
Mijne bedienden dachten over deze uitstapjes, wat de veiligheid
betreft, geheel anders dan ik. Toen de kawas Ahmed, als naar gewoonte,
de abyssinische dienstmaagden wilde uitzenden om hout en water te
halen, weigerden zij, uit vreeze van opgelicht te worden, wanneer zij
zich op eenigen afstand buiten Keren waagden. Trouwens deze vrees was
niet zoo ongegrond. De meeste muzelmansche kooplieden langs de grenzen,
niet tevreden met de winsten van hun gewonen handel op Abyssinië,
leggen zich ook toe op kinderroof. Het stelen van christenkinderen is,
in de oogen der muzelmannen, een verdienstelijk werk; de ongelukkige
slachtoffers worden dan als slaven verkocht. De regeering doet niets
om dezen gruwelijken handel te beletten.