V.

Te Tshaghié nam ik afscheid van de laatste palmen: in Afrika zou ik

mijne geliefde cruciferen niet wederzien. De tamarisk, met zijne fijne,

gelede twijgen, zijn wonderlijk verwrongen stam, en zijne gelijkenis

op den treurwilg, bleef mij langer getrouw; en ondanks zijn weinig

opwekkend voorkomen, was deze boom mij steeds welkom, omdat hij

de nabijheid van water verkondigde. Te Karovel, waar wij drie uren

na ons vertrek van Tshaghié aankwamen, vond ik gansche wouden van

tamarisken, die, naar men zeide, de geliefkoosde schuilplaats waren van

stroopende benden der Barea. De plaats stond dan ook in een zeer kwaden

naam. Het vorige jaar was mijn britsche collega, de heer Cameron,

hier bijna in eene hinderlaag gevallen, en deze herinnering had ons

zeker tot voorzichtigheid moeten stemmen. Wij vertrouwden evenwel op

ons aantal, op onze lansen en onze geweren, en trokken onbekommerd

en in tamelijke wanorde voort. Toen de zon ter kimme was gedaald,

maakten wij ons gereed ons nachtleger op te slaan; maar eensklaps

werden wij verrast door drie of vier schoten, op zeer korten afstand

van het hoofd onzer kolonne. Een verward geschreeuw volgde; ik greep

mijn geweer en spoedde mij naar de plek, waar de geweerschoten waren

gevallen. Daar vond ik Stella, in onderhandeling met den vijand,

die ongeveer dertig man sterk was. Weldra bleek het, dat wij met een

gezelschap vreedzame kooplieden van Massaoua te doen hadden, die,

nog meer ongerust dan wij, ons voor een troep roovers hadden aangezien.

Wij bereikten nu eene wijde, prachtige hoogvlakte, aan alle zijden

door bergen ingesloten, waarvan de Takaïl de voornaamste is. Om een

overzicht van de streek te hebben, beklom ik, niet zonder moeite,

een geheel alleenstaanden berg, op ongeveer achthonderd el afstands

ten westen van de putten van Adardé, de gewone pleisterplaats der

karavanen. In het wijde landschap, dat zich van deze hoogte voor

mijne blikken uitstrekte, trok eene bijzonderheid bovenal mijne

aandacht: in het zuidoosten zag ik een fraai gevormd tafelland,

in gelijke vakken verdeeld, en, naar het scheen, aan de linkerzijde

samenhangende met de bergen van Bogos: dat was de beroemde Zadamba,

een der twee heilige bergen van Sennaheit, waar nog sporen zijn

overgebleven van het abyssinische christendom. Ik heb geen tijd

kunnen vinden om den Zadamba te bezoeken; maar ik heb gepoogd,

mij voor dit gemis schadeloos te stellen, door de inboorlingen te

ondervragen. Ziehier wat ik te weten kwam.

De eigenlijke Zadamba is eene kleine vlakte, niet grooter dan een

paar bunders, aan het zuidwestelijke uiteinde van het tafelland,

waarvan ik zooeven sprak, en daarmede door eene zeer smalle

landtong verbonden. Een abyssinische negus heeft, naar ik meen

voor omstreeks vier eeuwen, daar een klooster gebouwd, en de

opbrengst van een dorp in Tigré aangewezen om in het onderhoud

van dat heiligdom te voorzien. Nadat de provincie Barka, die aan

drie zijden den Zadamba omgeeft, tot den islam was overgegaan,

verkeerden de zes of zeven monniken, die het klooster bewoonden,

in voortdurend gevaar van overvallen en vermoord te worden. Om zich

daartegen te beveiligen, maakten zij zelven het smalle pad, dat naar

het convent leidde, door afgraving ontoegankelijk; zoodat een tocht

naar den Zadamba, voor ieder, die niet de verwonderlijke bekwaamheid

der Abyssiniërs in het bestijgen van rotsen en klippen bezit, eene

uiterst gevaarvolle onderneming is. Van tijd tot tijd verlaat een der

monniken het klooster, om aalmoezen in te zamelen of de sobere rente

_in natura_, die hun is toegewezen, te gaan ontvangen; en ondanks

hunne bekendheid met de plek, is het toch enkele malen gebeurd, dat

zij in de onpeilbare afgronden tuimelden, die het gevaarlijke pad

ter wederzijde omzoomen. Toch durf ik den minnaars der ethiopische

geschiedenis een tocht naar den Zadamba zeer aanraden: naar het

schijnt bezit het klooster eene boekerij, waarin zich vijf of zes

belangrijke handschriften bevinden, en misschien ook een geschreven

kroniek van Sennaheit.

De bergachtige streek, welker grenzen ik nu weldra overschreden had,

wordt door de inboorlingen met zekeren ophef _Sennaheit_ genoemd, dat

wil zeggen het _schoone land_ bij uitnemendheid. Er is iets treffends

in deze vooringenomenheid: zij getuigt van de warme liefde voor een

vaderland, dat niet altijd even weldadig is voor zijne eenvoudige,

weinig eischende zonen. Maar, indien Sennaheit al de vergelijking niet

kan doorstaan met het prachtige bergland van Abyssinië, verdient het

toch, in alle opzichten, de voorkeur zelfs boven de merkwaardigste

streken van Nubië; en ik kan mij dan ook de ingenomenheid, niet alleen

der inboorlingen, maar ook van vreemde bezoekers, wel begrijpen. Onder

deze bezoekers behoorde ook hertog Ernst van Saksen-Koburg, die zich,

in 1862, met zijne gemalin en een klein gevolg, voor eenigen tijd

te Keren vestigde, om aan de oevers van de Aïnsaba op de leeuwen- en

tijgerjacht te gaan. Eer hij Sennaheit weder verliet, achtte hertog

Ernst zich verplicht, als dank voor de ondervonden gastvrijheid, het

grootkruis van zijne ridderorde aan Theodoros te zenden. Natuurlijk

wachtte de geduchtte "zoon van David" zich wel, deze onderscheiding te

dragen. Naar de zienswijze toch der Abyssiniërs, wordt hij, die eene

vreemde ridderorde aanneemt, daardoor de vazal van den souverein, die

hem de orde geschonken heeft. In de middeleeuwen, toen eene ridderorde

nog iets anders dan een speelgoed en een middel tot bevrediging der

kinderachtigste ijdelheid was, toen zij nog inderdaad eene hooge

en edele beteekenis had, dacht men er bij ons even zoo over. Maar

onze nuchtere, praktische eeuw begrijpt niets meer van de idealen en

symbolen der riddertijden!

Het dorp Keren, dat ik daar noemde, is de hoofdplaats der Bogos,

die sedert vier eeuwen in Sennaheit gevestigd zijn. Het ligt

schilderachtig, aan den voet van een prachtigen berg, in eene fraaie

hooge vlakte; pater Stella is hier gevestigd. Toen wij het dorp,

dat uit ongeveer tweehonderd rieten hutten bestaat, naderden, kwamen

ons eenige schoone knapen tegemoet, die ons zwijgend de hand kusten,

en daarna haastig naar het dorp terugliepen om onze komst aan te

kondigen. Tien minuten later werden wij door de gansche mannelijke

bevolking, met de grootste hartelijkheid verwelkomd; zelfs werden ter

onzer eere de weinige geweren afgevuurd, die in het vlek te vinden

waren. Wij zouden hier een poos vertoeven.

De Bogos of Mogos zijn afkomstig uit Lasta, eene bergachtige landstreek

in het hart van Abyssinië; zij behooren tot den krijgshaftigen stam der

Agau, die de oorspronkelijke bewoners des lands zijn. Hun stamvader,

Guevra Terké, had het ongeluk zijn broeder of een zijner naaste

bloedverwanten te dooden; om zich aan de bloedwraak te onttrekken, week

hij met zijne beide zonen, Seguina en Korsokor, ten lande uit. Omtrent

deze vlucht bestaat nog eene andere legende, die een sterk sprekend

bijbelsch karakter draagt, en blijkbaar is ontleend aan de geschiedenis

van de aartsvaders Jacob en Josef. Volgens deze legende dan, vatte eene

der begunstigde slavinnen van den ouden vader van Guevra Terké eene

vurige liefde op voor den schoonen, edelen jongeling, die echter koel

bleef voor hare verleidingen en haar daardoor tot zijne onverzoenlijke

vijandin maakte. De vader van Terké nu was blind, hij zelf zeer harig,

als Esau; de slavin maakte daarvan gebruik om hem op dezelfde wijze

van den vaderlijken zegen te berooven, als Rebecca weleer ten aanzien

van Esau deed. Terké, ten behoeve van zijn jongeren broeder onterfd,

kwam daartegen niet in verzet, maar ging het land uit.--Dit verhaal

verdient niet het minste geloof: reeds daarom niet omdat het blijkbaar

eene navolging is. Bovendien zijn er in Abyssinië geen harige mannen:

althans, ik heb ze nooit gezien.

De Bogos, die zich zelven Bilèn noemen, tellen tegenwoordig

omstreeks achttienduizend zielen, verspreid in zeventien dorpen

langs de beide oevers van de Aïnsaba. Zij zijn in twee takken

verdeeld, wier namen zijn ontleend aan de beide zonen van Terké:

de Ad-Seguina ten noordoosten, de Ad-Korsokor ten zuiden en ten

westen. Het is een volk van landbouwers en herders; maar de landbouw

is van niet veel beteekenis en maar nauwelijks voldoende om in de

behoeften te voorzien. De wezenlijke rijkdom en de trots der Bogos,

is hun veestapel. Men schat iemands rijkdom naar het getal _moktas_

die hij bezit: een _mokta_ is eene kudde van vijftig runderen. Twee

moktas staan ongeveer gelijk met wat men in Frankrijk een burgerlijk

vermogen zou noemen; die vier moktas bezit, is een rijk man.

Ook bij de Bogos bestaat de adellijke instelling der _choumaglié_,

waarvan ik reeds vroeger sprak; daarmede gaat natuurlijk het

recht van eerstgeboorte gepaard. Als een choumaglié sterft, erft

zijn oudste zoon de roerende goederen, de voorvaderlijke degen,

de witte koeien der kudde, de tigrés, en, in sommige gevallen,

ook de weduwe. Dit laatste gebruik, dat voor een christelijk volk

vrij zonderling is, vereischt eenige toelichting. Komt een gehuwd

man te overlijden, dan hebben zijne bloedverwanten, of zelfs zijne

kinderen uit een ander huwelijk, het recht, de weduwe te trouwen;

in sommige gevallen, zijn zij daartoe zelfs verplicht. Niemand vindt

daarin iets onbetamelijks; integendeel, zoowel de christelijke Bogos

als de muzelmansche Beni-Amer, zien daarin eene ridderlijke daad tot

bescherming der vrouw en eene zekere hulde aan de nagedachtenis van

den overledene. De overige zonen ontvangen van hun oudsten broeder

zooveel als zij noodig hebben, om zich elders te gaan vestigen. De

jongste zoon erft het ouderlijk huis: eene zeer opmerkelijke bepaling,

die van fijn gevoelige teederheid getuigt. Hij toch wordt geacht de

herinnering aan zijn vader en de liefde voor de woning, waar hij is

opgevoed, dieper in het harte te dragen dan de anderen, die het leven

reeds meer van het ouderlijk dak heeft vervreemd.

De dochters kunnen op niets aanspraak maken; doorgaans echter

trouwen zij zeer vroeg. Bijna allen zijn fijngevormd en zeer schoon,

met een lichte zweem van zekere wildheid in haar voorkomen; niets

evenaart het vuur van haar zwarte oogen, zoo uitnemend getemperd

door de lichte bronskleur van haar huid. Maar, hoewel de vrouwen

geene maatschappelijke rechten bezitten, rust toch op haar dikwijls

eene zeer zware verantwoordelijkheid. Te Keren zag ik eene zeer

achtenswaardige familie, waarvan het hoofd, bij zijn overlijden,

schulden had nagelaten. De schuldeischers lieten nu zijne twee

dochters, beiden nog kinderen, als slavinnen verkoopen, om zoodoende

de schulden van den vader te vereffenen. De oudste trok de aandacht

van een aanzienlijk man uit die streek, die haar voor vier-en-twintig

talaris (126 francs) vrijkocht, om haar te huwen.

Ook in Sennaheit heerscht de beruchte gewoonte van den _bloedprijs:_

eene gewoonte trouwens, die bij elk volk gevonden wordt, waar het idee

van den staat nog niet tot ontwikkeling gekomen is, en de overheid

nog niet als de waarborg en handhaver der algemeene veiligheid wordt

beschouwd. Dit recht van bloedwraak, dat de solidariteit der familie

of van den stam bij de aanrading van lijf of goed vertegenwoordigt,

draagt bij de Bogos den naam van _dem_. Zij maken onderscheid tusschen

den heelen en den halven bloedprijs. De eerste is verschuldigd bij

moedwilligen doodslag, onverschillig of het slachtoffer een man,

eene vrouw, een kind, een choumaglié of een trigé is. Verleiding

staat gelijk met manslag, en, in vele gevallen, ook het verbreken

der huwelijksgelofte.

De halve bloedprijs wordt gevorderd voor elke verwonding, die

bloedstorting ten gevolge heeft gehad, of eene ernstige verminking

veroorzaakt; voorts voor elken onwillekeurigen manslag door een wapen

of eenig ander snijdend werktuig, zonder opzet van den eigenaar. Als

een man zijne vrouw doodt, is hij daarvan aan niemand rekenschap

schuldig; maar hij moet aan zijn schoonvader den halven bloedprijs

betalen. Het _bloed_ van een choumaglié wordt op honderd-twee-en-dertig

koeien geschat, benevens een muilezel en een mat; dat van een trigé,

op drie-en-negentig koeien, waarvan een derde aan zijn heer toekomt.

De Bogos noemen zich bij erfelijke overlevering, Christenen; maar zij

bezaten noch kerken, noch priesters, toen, omstreeks 1854, een toeval,

zoo men wil, hen in aanraking bracht met een jongen piëmonteeschen

missionaris, Pater Giovanni Stella, die, weinig opgewektheid

gevoelende voor de missie in het binnenland van Abyssinië, zich

te Keren vestigde; waar hij eene uitnemende gelegenheid meende te

vinden om met vrucht werkzaam te zijn. Even ijverig als verstandig en

bedachtzaam, begreep Pater Stella, dat het onderwijs in de dogmatiek

gevoeglijk tot later kon worden uitgesteld, en beijverde hij zich

in de eerste plaats, om de Bogos in zedelijken zin op te heffen,

en hen daardoor vatbaarder te maken om de verheven waarheden van het

Christendom te begrijpen. Hij trachtte eerst de twisten en veeten,

die dorp tegen dorp en stam tegen stam de wapens deden voeren en zoo

schromelijke verwoestingen aanrichtten, bij te leggen; langzamerhand

wist hij de Bogos te bewegen om de rooverijen en strooptochten,

die maar al te zeer bij hen in zwang waren, vaarwel te zeggen;

hij bezocht de huisgezinnen, en vermaande de fiere, onafhankelijke

bergbewoners meer eerbied te betoonen voor de banden des huwelijks,

voor het leven en de bezittingen van hun medemenschen, en niet zoo

spoedig toe te geven aan de inblazingen van een eergevoel, dat in

beginsel lofwaardig mocht zijn, maar zich op zoo noodlottige en

verderfelijke wijze openbaarde. Een paar jaren lang was zijne stem

als die eens roependen in de woestijn; maar nadat hij den Bogos een

zeer wezenlijke dienst bewezen had, had hij hun vertrouwen gewonnen,

en nu werd hij in weinige jaren, alleen door zijn zedelijken invloed,

de oppermachtige gebieder en scheidsrechter van de zeventien dorpen

der Bogos en van een tiental naburige vlekken of stammen. Hij maakte

vooral zijn werk van de uitroeiing der openbare rooverij: een zware

taak, want in het gebergte werd het ambt van roover als eene eervolle

betrekking beschouwd, een man van moed ten volle waardig. Hij had

eindelijk persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met al de voorname

roovers van Samhar, Sennaheit en Barka; en wanneer hier of daar

gewelddadigheid was gepleegd, wist hij doorgaans den schuldige te

ontdekken en vergoeding te verkrijgen.

Deze dictatuur, de vrucht van onvermoeide toewijding en

zelfverloochening, wekte den argwaan op van den negus, die zich

heer van Sennaheit noemt. Hij wenschte _Abounu Johannès_ (Vader Jan,

de gemeenzame naam van Pater Stella) te zien, en noodigde hem; in de

vriendelijkste bewoordingen, tot een bezoek uit in zijne residentie te

Debra-Tabor; de negus noemde hem zijn zoon, en beloofde hem de meest

hartelijke ontvangst. De heer Stella antwoordde de gezanten van den

negus met groote wellevendheid, wist voorloopig tijd te winnen, en toen

geen langer uitstel mogelijk was, vertrok hij haastig naar Massaoua,

het minder raadzaam achtende, zich in het hol van den leeuw te wagen.

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was te Massaoua, twee maanden

voor ik de reis aanvaardde, waartoe dit verhaal betrekking heeft. Naar

hetgeen ik omtrent hem gelezen had, stelde ik mij Pater Stella voor

als een soort van Sint-Franciscus Xaverius met grijze haren. Groot was

dan ook mijne verwondering, toen ik een welgedanen jongen man zag,

met een blozend, open gelaat, waaruit een paar levendige, geestige

oogen mij aanstaarden, en met een zeer weelderigen haardos. Een

_bouri_, groote inlandsche pijp, die hij nooit uit den mond legde en

die een deel van zijn persoon scheen uit te maken, voltooide deze

geheel eigenaardige, maar zeer innemende figuur. Reeds dadelijk

voelde ik mij tot hem getrokken, en bij nadere kennismaking leerde

ik den beminnelijken, beschaafden, klassiek ontwikkelden man te

meer waardeeren en bewonderen. De diensten, die hij, in deze bijkans

onbekende streken, aan de zaak der beschaving en van het Christendom

heeft bewezen, geven hem volle recht op aller hulde en erkentelijkheid.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 7 / 12 题