Te Tshaghié nam ik afscheid van de laatste palmen: in Afrika zou ik
mijne geliefde cruciferen niet wederzien. De tamarisk, met zijne fijne,
gelede twijgen, zijn wonderlijk verwrongen stam, en zijne gelijkenis
op den treurwilg, bleef mij langer getrouw; en ondanks zijn weinig
opwekkend voorkomen, was deze boom mij steeds welkom, omdat hij
de nabijheid van water verkondigde. Te Karovel, waar wij drie uren
na ons vertrek van Tshaghié aankwamen, vond ik gansche wouden van
tamarisken, die, naar men zeide, de geliefkoosde schuilplaats waren van
stroopende benden der Barea. De plaats stond dan ook in een zeer kwaden
naam. Het vorige jaar was mijn britsche collega, de heer Cameron,
hier bijna in eene hinderlaag gevallen, en deze herinnering had ons
zeker tot voorzichtigheid moeten stemmen. Wij vertrouwden evenwel op
ons aantal, op onze lansen en onze geweren, en trokken onbekommerd
en in tamelijke wanorde voort. Toen de zon ter kimme was gedaald,
maakten wij ons gereed ons nachtleger op te slaan; maar eensklaps
werden wij verrast door drie of vier schoten, op zeer korten afstand
van het hoofd onzer kolonne. Een verward geschreeuw volgde; ik greep
mijn geweer en spoedde mij naar de plek, waar de geweerschoten waren
gevallen. Daar vond ik Stella, in onderhandeling met den vijand,
die ongeveer dertig man sterk was. Weldra bleek het, dat wij met een
gezelschap vreedzame kooplieden van Massaoua te doen hadden, die,
nog meer ongerust dan wij, ons voor een troep roovers hadden aangezien.
Wij bereikten nu eene wijde, prachtige hoogvlakte, aan alle zijden
door bergen ingesloten, waarvan de Takaïl de voornaamste is. Om een
overzicht van de streek te hebben, beklom ik, niet zonder moeite,
een geheel alleenstaanden berg, op ongeveer achthonderd el afstands
ten westen van de putten van Adardé, de gewone pleisterplaats der
karavanen. In het wijde landschap, dat zich van deze hoogte voor
mijne blikken uitstrekte, trok eene bijzonderheid bovenal mijne
aandacht: in het zuidoosten zag ik een fraai gevormd tafelland,
in gelijke vakken verdeeld, en, naar het scheen, aan de linkerzijde
samenhangende met de bergen van Bogos: dat was de beroemde Zadamba,
een der twee heilige bergen van Sennaheit, waar nog sporen zijn
overgebleven van het abyssinische christendom. Ik heb geen tijd
kunnen vinden om den Zadamba te bezoeken; maar ik heb gepoogd,
mij voor dit gemis schadeloos te stellen, door de inboorlingen te
ondervragen. Ziehier wat ik te weten kwam.
De eigenlijke Zadamba is eene kleine vlakte, niet grooter dan een
paar bunders, aan het zuidwestelijke uiteinde van het tafelland,
waarvan ik zooeven sprak, en daarmede door eene zeer smalle
landtong verbonden. Een abyssinische negus heeft, naar ik meen
voor omstreeks vier eeuwen, daar een klooster gebouwd, en de
opbrengst van een dorp in Tigré aangewezen om in het onderhoud
van dat heiligdom te voorzien. Nadat de provincie Barka, die aan
drie zijden den Zadamba omgeeft, tot den islam was overgegaan,
verkeerden de zes of zeven monniken, die het klooster bewoonden,
in voortdurend gevaar van overvallen en vermoord te worden. Om zich
daartegen te beveiligen, maakten zij zelven het smalle pad, dat naar
het convent leidde, door afgraving ontoegankelijk; zoodat een tocht
naar den Zadamba, voor ieder, die niet de verwonderlijke bekwaamheid
der Abyssiniërs in het bestijgen van rotsen en klippen bezit, eene
uiterst gevaarvolle onderneming is. Van tijd tot tijd verlaat een der
monniken het klooster, om aalmoezen in te zamelen of de sobere rente
_in natura_, die hun is toegewezen, te gaan ontvangen; en ondanks
hunne bekendheid met de plek, is het toch enkele malen gebeurd, dat
zij in de onpeilbare afgronden tuimelden, die het gevaarlijke pad
ter wederzijde omzoomen. Toch durf ik den minnaars der ethiopische
geschiedenis een tocht naar den Zadamba zeer aanraden: naar het
schijnt bezit het klooster eene boekerij, waarin zich vijf of zes
belangrijke handschriften bevinden, en misschien ook een geschreven
kroniek van Sennaheit.
De bergachtige streek, welker grenzen ik nu weldra overschreden had,
wordt door de inboorlingen met zekeren ophef _Sennaheit_ genoemd, dat
wil zeggen het _schoone land_ bij uitnemendheid. Er is iets treffends
in deze vooringenomenheid: zij getuigt van de warme liefde voor een
vaderland, dat niet altijd even weldadig is voor zijne eenvoudige,
weinig eischende zonen. Maar, indien Sennaheit al de vergelijking niet
kan doorstaan met het prachtige bergland van Abyssinië, verdient het
toch, in alle opzichten, de voorkeur zelfs boven de merkwaardigste
streken van Nubië; en ik kan mij dan ook de ingenomenheid, niet alleen
der inboorlingen, maar ook van vreemde bezoekers, wel begrijpen. Onder
deze bezoekers behoorde ook hertog Ernst van Saksen-Koburg, die zich,
in 1862, met zijne gemalin en een klein gevolg, voor eenigen tijd
te Keren vestigde, om aan de oevers van de Aïnsaba op de leeuwen- en
tijgerjacht te gaan. Eer hij Sennaheit weder verliet, achtte hertog
Ernst zich verplicht, als dank voor de ondervonden gastvrijheid, het
grootkruis van zijne ridderorde aan Theodoros te zenden. Natuurlijk
wachtte de geduchtte "zoon van David" zich wel, deze onderscheiding te
dragen. Naar de zienswijze toch der Abyssiniërs, wordt hij, die eene
vreemde ridderorde aanneemt, daardoor de vazal van den souverein, die
hem de orde geschonken heeft. In de middeleeuwen, toen eene ridderorde
nog iets anders dan een speelgoed en een middel tot bevrediging der
kinderachtigste ijdelheid was, toen zij nog inderdaad eene hooge
en edele beteekenis had, dacht men er bij ons even zoo over. Maar
onze nuchtere, praktische eeuw begrijpt niets meer van de idealen en
symbolen der riddertijden!
Het dorp Keren, dat ik daar noemde, is de hoofdplaats der Bogos,
die sedert vier eeuwen in Sennaheit gevestigd zijn. Het ligt
schilderachtig, aan den voet van een prachtigen berg, in eene fraaie
hooge vlakte; pater Stella is hier gevestigd. Toen wij het dorp,
dat uit ongeveer tweehonderd rieten hutten bestaat, naderden, kwamen
ons eenige schoone knapen tegemoet, die ons zwijgend de hand kusten,
en daarna haastig naar het dorp terugliepen om onze komst aan te
kondigen. Tien minuten later werden wij door de gansche mannelijke
bevolking, met de grootste hartelijkheid verwelkomd; zelfs werden ter
onzer eere de weinige geweren afgevuurd, die in het vlek te vinden
waren. Wij zouden hier een poos vertoeven.
De Bogos of Mogos zijn afkomstig uit Lasta, eene bergachtige landstreek
in het hart van Abyssinië; zij behooren tot den krijgshaftigen stam der
Agau, die de oorspronkelijke bewoners des lands zijn. Hun stamvader,
Guevra Terké, had het ongeluk zijn broeder of een zijner naaste
bloedverwanten te dooden; om zich aan de bloedwraak te onttrekken, week
hij met zijne beide zonen, Seguina en Korsokor, ten lande uit. Omtrent
deze vlucht bestaat nog eene andere legende, die een sterk sprekend
bijbelsch karakter draagt, en blijkbaar is ontleend aan de geschiedenis
van de aartsvaders Jacob en Josef. Volgens deze legende dan, vatte eene
der begunstigde slavinnen van den ouden vader van Guevra Terké eene
vurige liefde op voor den schoonen, edelen jongeling, die echter koel
bleef voor hare verleidingen en haar daardoor tot zijne onverzoenlijke
vijandin maakte. De vader van Terké nu was blind, hij zelf zeer harig,
als Esau; de slavin maakte daarvan gebruik om hem op dezelfde wijze
van den vaderlijken zegen te berooven, als Rebecca weleer ten aanzien
van Esau deed. Terké, ten behoeve van zijn jongeren broeder onterfd,
kwam daartegen niet in verzet, maar ging het land uit.--Dit verhaal
verdient niet het minste geloof: reeds daarom niet omdat het blijkbaar
eene navolging is. Bovendien zijn er in Abyssinië geen harige mannen:
althans, ik heb ze nooit gezien.
De Bogos, die zich zelven Bilèn noemen, tellen tegenwoordig
omstreeks achttienduizend zielen, verspreid in zeventien dorpen
langs de beide oevers van de Aïnsaba. Zij zijn in twee takken
verdeeld, wier namen zijn ontleend aan de beide zonen van Terké:
de Ad-Seguina ten noordoosten, de Ad-Korsokor ten zuiden en ten
westen. Het is een volk van landbouwers en herders; maar de landbouw
is van niet veel beteekenis en maar nauwelijks voldoende om in de
behoeften te voorzien. De wezenlijke rijkdom en de trots der Bogos,
is hun veestapel. Men schat iemands rijkdom naar het getal _moktas_
die hij bezit: een _mokta_ is eene kudde van vijftig runderen. Twee
moktas staan ongeveer gelijk met wat men in Frankrijk een burgerlijk
vermogen zou noemen; die vier moktas bezit, is een rijk man.
Ook bij de Bogos bestaat de adellijke instelling der _choumaglié_,
waarvan ik reeds vroeger sprak; daarmede gaat natuurlijk het
recht van eerstgeboorte gepaard. Als een choumaglié sterft, erft
zijn oudste zoon de roerende goederen, de voorvaderlijke degen,
de witte koeien der kudde, de tigrés, en, in sommige gevallen,
ook de weduwe. Dit laatste gebruik, dat voor een christelijk volk
vrij zonderling is, vereischt eenige toelichting. Komt een gehuwd
man te overlijden, dan hebben zijne bloedverwanten, of zelfs zijne
kinderen uit een ander huwelijk, het recht, de weduwe te trouwen;
in sommige gevallen, zijn zij daartoe zelfs verplicht. Niemand vindt
daarin iets onbetamelijks; integendeel, zoowel de christelijke Bogos
als de muzelmansche Beni-Amer, zien daarin eene ridderlijke daad tot
bescherming der vrouw en eene zekere hulde aan de nagedachtenis van
den overledene. De overige zonen ontvangen van hun oudsten broeder
zooveel als zij noodig hebben, om zich elders te gaan vestigen. De
jongste zoon erft het ouderlijk huis: eene zeer opmerkelijke bepaling,
die van fijn gevoelige teederheid getuigt. Hij toch wordt geacht de
herinnering aan zijn vader en de liefde voor de woning, waar hij is
opgevoed, dieper in het harte te dragen dan de anderen, die het leven
reeds meer van het ouderlijk dak heeft vervreemd.
De dochters kunnen op niets aanspraak maken; doorgaans echter
trouwen zij zeer vroeg. Bijna allen zijn fijngevormd en zeer schoon,
met een lichte zweem van zekere wildheid in haar voorkomen; niets
evenaart het vuur van haar zwarte oogen, zoo uitnemend getemperd
door de lichte bronskleur van haar huid. Maar, hoewel de vrouwen
geene maatschappelijke rechten bezitten, rust toch op haar dikwijls
eene zeer zware verantwoordelijkheid. Te Keren zag ik eene zeer
achtenswaardige familie, waarvan het hoofd, bij zijn overlijden,
schulden had nagelaten. De schuldeischers lieten nu zijne twee
dochters, beiden nog kinderen, als slavinnen verkoopen, om zoodoende
de schulden van den vader te vereffenen. De oudste trok de aandacht
van een aanzienlijk man uit die streek, die haar voor vier-en-twintig
talaris (126 francs) vrijkocht, om haar te huwen.
Ook in Sennaheit heerscht de beruchte gewoonte van den _bloedprijs:_
eene gewoonte trouwens, die bij elk volk gevonden wordt, waar het idee
van den staat nog niet tot ontwikkeling gekomen is, en de overheid
nog niet als de waarborg en handhaver der algemeene veiligheid wordt
beschouwd. Dit recht van bloedwraak, dat de solidariteit der familie
of van den stam bij de aanrading van lijf of goed vertegenwoordigt,
draagt bij de Bogos den naam van _dem_. Zij maken onderscheid tusschen
den heelen en den halven bloedprijs. De eerste is verschuldigd bij
moedwilligen doodslag, onverschillig of het slachtoffer een man,
eene vrouw, een kind, een choumaglié of een trigé is. Verleiding
staat gelijk met manslag, en, in vele gevallen, ook het verbreken
der huwelijksgelofte.
De halve bloedprijs wordt gevorderd voor elke verwonding, die
bloedstorting ten gevolge heeft gehad, of eene ernstige verminking
veroorzaakt; voorts voor elken onwillekeurigen manslag door een wapen
of eenig ander snijdend werktuig, zonder opzet van den eigenaar. Als
een man zijne vrouw doodt, is hij daarvan aan niemand rekenschap
schuldig; maar hij moet aan zijn schoonvader den halven bloedprijs
betalen. Het _bloed_ van een choumaglié wordt op honderd-twee-en-dertig
koeien geschat, benevens een muilezel en een mat; dat van een trigé,
op drie-en-negentig koeien, waarvan een derde aan zijn heer toekomt.
De Bogos noemen zich bij erfelijke overlevering, Christenen; maar zij
bezaten noch kerken, noch priesters, toen, omstreeks 1854, een toeval,
zoo men wil, hen in aanraking bracht met een jongen piëmonteeschen
missionaris, Pater Giovanni Stella, die, weinig opgewektheid
gevoelende voor de missie in het binnenland van Abyssinië, zich
te Keren vestigde; waar hij eene uitnemende gelegenheid meende te
vinden om met vrucht werkzaam te zijn. Even ijverig als verstandig en
bedachtzaam, begreep Pater Stella, dat het onderwijs in de dogmatiek
gevoeglijk tot later kon worden uitgesteld, en beijverde hij zich
in de eerste plaats, om de Bogos in zedelijken zin op te heffen,
en hen daardoor vatbaarder te maken om de verheven waarheden van het
Christendom te begrijpen. Hij trachtte eerst de twisten en veeten,
die dorp tegen dorp en stam tegen stam de wapens deden voeren en zoo
schromelijke verwoestingen aanrichtten, bij te leggen; langzamerhand
wist hij de Bogos te bewegen om de rooverijen en strooptochten,
die maar al te zeer bij hen in zwang waren, vaarwel te zeggen;
hij bezocht de huisgezinnen, en vermaande de fiere, onafhankelijke
bergbewoners meer eerbied te betoonen voor de banden des huwelijks,
voor het leven en de bezittingen van hun medemenschen, en niet zoo
spoedig toe te geven aan de inblazingen van een eergevoel, dat in
beginsel lofwaardig mocht zijn, maar zich op zoo noodlottige en
verderfelijke wijze openbaarde. Een paar jaren lang was zijne stem
als die eens roependen in de woestijn; maar nadat hij den Bogos een
zeer wezenlijke dienst bewezen had, had hij hun vertrouwen gewonnen,
en nu werd hij in weinige jaren, alleen door zijn zedelijken invloed,
de oppermachtige gebieder en scheidsrechter van de zeventien dorpen
der Bogos en van een tiental naburige vlekken of stammen. Hij maakte
vooral zijn werk van de uitroeiing der openbare rooverij: een zware
taak, want in het gebergte werd het ambt van roover als eene eervolle
betrekking beschouwd, een man van moed ten volle waardig. Hij had
eindelijk persoonlijke betrekkingen aangeknoopt met al de voorname
roovers van Samhar, Sennaheit en Barka; en wanneer hier of daar
gewelddadigheid was gepleegd, wist hij doorgaans den schuldige te
ontdekken en vergoeding te verkrijgen.
Deze dictatuur, de vrucht van onvermoeide toewijding en
zelfverloochening, wekte den argwaan op van den negus, die zich
heer van Sennaheit noemt. Hij wenschte _Abounu Johannès_ (Vader Jan,
de gemeenzame naam van Pater Stella) te zien, en noodigde hem; in de
vriendelijkste bewoordingen, tot een bezoek uit in zijne residentie te
Debra-Tabor; de negus noemde hem zijn zoon, en beloofde hem de meest
hartelijke ontvangst. De heer Stella antwoordde de gezanten van den
negus met groote wellevendheid, wist voorloopig tijd te winnen, en toen
geen langer uitstel mogelijk was, vertrok hij haastig naar Massaoua,
het minder raadzaam achtende, zich in het hol van den leeuw te wagen.
De eerste keer dat ik hem ontmoette, was te Massaoua, twee maanden
voor ik de reis aanvaardde, waartoe dit verhaal betrekking heeft. Naar
hetgeen ik omtrent hem gelezen had, stelde ik mij Pater Stella voor
als een soort van Sint-Franciscus Xaverius met grijze haren. Groot was
dan ook mijne verwondering, toen ik een welgedanen jongen man zag,
met een blozend, open gelaat, waaruit een paar levendige, geestige
oogen mij aanstaarden, en met een zeer weelderigen haardos. Een
_bouri_, groote inlandsche pijp, die hij nooit uit den mond legde en
die een deel van zijn persoon scheen uit te maken, voltooide deze
geheel eigenaardige, maar zeer innemende figuur. Reeds dadelijk
voelde ik mij tot hem getrokken, en bij nadere kennismaking leerde
ik den beminnelijken, beschaafden, klassiek ontwikkelden man te
meer waardeeren en bewonderen. De diensten, die hij, in deze bijkans
onbekende streken, aan de zaak der beschaving en van het Christendom
heeft bewezen, geven hem volle recht op aller hulde en erkentelijkheid.