IV.

Van Bisha vertrokken, bereikten wij weldra eene reeks van dorre

heuvelen, Dunkuas genoemd. Ik besteeg een dier heuvelen, en stond

verrukt over het heerlijke panorama, dat zich daar voor mijne oogen

ontvouwde. Aan mijne voeten slingerde zich de breede bedding van de

rivier de Barka, de fraaiste rivier van geheel Nubië:--een reusachtig

wit lint met donkergroene randen omzoomd. De rivier lag droog,

gelijk dit in den regel het geval is, met uitzondering van de enkele

dagen, waarin de ontzettende watermassa's, die van de hoogvlakten

van Barea en Avla afstroomen, deze breede bedding vullen, waarin

zij toch weldra weder verdwijnen. De rivier--om nu aan deze baan van

driehonderd ellen breedte dien naam te blijven geven--vervolgde haar

loop, ter wederzijde omzoomd door eene dubbele reeks van doumpalmen,

de sierlijke getuigen harer vruchtbaarmakende kracht, en vereenigde

zich, zeven of acht dagreizen verder, te Falkaït, met de Aïnsaba,

die uit de landen der Bogos komt. De beide vereenigde rivieren loopen

vervolgens in de Langheb uit, die, minder belangrijk door hare lengte

dan wel door de massa water, die zij, altijd gedurende zekeren tijd van

het jaar, aanvoert, zich een weg naar het oosten baant, en op zestien

uren afstands van Souakin, de vlakte van Tokhar, vruchtbaarheid en

leven schenkt.

Ja inderdaad: de stroomen en rivieren zijn de aderen der aarde. Nooit

gevoelt ge beter de treffende juistheid van dit beeld, dan wanneer

ge van een of anderen berg eene uitgestrekte landstreek van het

dorre Afrika overziet. Van het punt waar ik nu stond, zag ik de

vereeniging van de rivier met een breeden khor, die van Bisha kwam;

met den blik volgde ik het dubbel spoor, in de vlakte geteekend door

een zoom van palmen en mimosa's, waartusschen de zilverige rookwolken

zweefden van een of ander nomadenkamp. Een woud van doumpalmen,

vooral wanneer het dicht begroeid en krachtig opgewassen is, heeft

steeds voor mij eene eigenaardige bekoorlijkheid. Bij den dadelboom

(deleb) vergeleken, is de doum (_crucifera thebaïca_) een welgedaan,

eenvoudig, burgerman, nevens dien slanken, fijn gebouwden, sierlijken

aristokraat; bovendien kleeft hem een wezenlijk gebrek aan: hij is

inproductief. Zijne vrucht, hard als hout, is zelfs voor den Bedoeïnen

ongenietbaar; ook deelt de arme doum in de algemeene minachting

van inlander en vreemdeling. Misschien ben ik wel de eenige, die

zijne partij opneemt. Ik ontmoet hem gaarne op mijn weg; zijn fraai

geteekend blad, de sierlijkste aller waaiers, geeft mij tegen de

heete middagzonnestralen eene vrij wat meer afdoende bescherming

dan de dunne, lange bladeren van den deleb. De hemel beware den

tot wanhoop gebrachten, geblakerden reiziger voor de schaduw van

een dadelboom! Het is bijna of de koninklijke boom opzettelijk zijn

bladerkroon wijd uiteen spreidt, opdat de verblindende stralen van den

zonnegod ongehinderd zouden kunnen doordringen! Wat heb ik daarentegen

menig kalm uur gesleten aan den zoom der wateren, onder het verkwikkend

lommer van een doum, mij geheel overgevende aan don weldadigen invloed

dier geheimzinnige, aangrijpende, afrikaansche natuur, waarvan zij,

die haar hebben leeren kennen, niet licht kwaad kunnen spreken! In die

uren had ik niets anders te doen dan, als aandachtig toeschouwer, een

of ander drama gade te slaan, in zijne soort niet minder treffend dan

de trojaansche krijg:--de verwoesting van een termitenterp door een

leger van zwarte mieren; de noodlottige dood van een onvoorzichtige

vloo, die, zich gewaagd hebbende op den rand van het hol van den

mierenleeuw, vlak op de borst getroffen was geworden door het geschut

van den behendigen eigenaar dier hinderlaag. Die kleine scherpschutter

was een mijner lievelingen, en wekte telkens op nieuw mijne bewondering

op: ja, meermalen gaf hij mij stof tot overpeinzingen, waarbij de

hooge voortreffelijkheid van den mensch mij bijna twijfelachtig

voorkwam. Had ik zelf wel, om de bronnen van den Nijl te vinden--die

ik niet gevonden heb--de helft van de energie en volharding aangewend,

die dit bijkans onzichtbare schepsel dagelijks ten toon spreidt om

in zijn onderhoud te voorzien? En daarbij wat misrekeningen, wat

teleurstellingen, wat onvoorziene rampen! Wie telt ze op, de honderde

toevallige omstandigheden, die in een oogwenk, de vrucht van langen

arbeid kunnen vernielen!... Voorwaar in dit kleine lichaam van twee

strepen lang schuilt nog iets anders dan een darmkanaal: daar huist een

wil, een wezen, dat werkt, dat lijdt, dat wellicht in zijne mate denkt.

De stam, die meestal te Dunkuas verblijf houdt, heet Koufit, en is eene

afdeeling van de Beni-Amer; tien jaren geleden woonde die stam meer

zuidwaarts, in eene vlakte tusschen Bisha en de bergen van Barea,

aan welke vlakte zij ook haar naam gegeven heeft. Omstreeks 1856

verschenen de Egyptenaren in de vlakte van Koufit, om de Barea met

geweerschoten tot den islam te bekeeren; zij hadden eenige dorpen

verwoest, een aantal gevangenen medegevoerd, en die vervolgens weder

in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden muzelmannen te zullen

worden. Daarom hebben slechts twee van al de dorpen der Barea, Mogolo

en nog een ander, beiden op de grenzen, den islam aangenomen.

Deze kruistocht was volstrekt niet naar den zin der abyssinische

regeering, die de Barea eenigermate als hare onderdanen

beschouwde. Theodoros had, als naar gewoonte, zijne handen te vol,

om tusschenbeiden te kunnen komen; maar gelukkig was de abyssinische

landvoogd van Addi-Abo een kloek en doortastend man, die besloot op

eigen verantwoordelijkheid te handelen, en met vijfhonderd ruiters de

Barea ter hulpe kwam. Hij legerde zich op twee of drie uren afstands

van de Egyptenaars, wien deze nabuurschap volstrekt niet beviel: want

de Abyssiniërs hadden nog de gewoonte, hunne verslagen of gevangen

vijanden, ten teeken der zegepraal, op bloedige wijze te verminken,

waarvoor de Egyptenaars uitermate bevreesd waren. Nu gebeurde het

op zekeren nacht, dat in het muzelmansche kamp een geweer omviel,

en daardoor van zelf afging. Op het hooren van het schot greep

een panische schrik de Turken aan, die in de uiterste verwarring

op elkander begonnen te vuren, luid roepende: _el Makada ghia!_

(de Abyssiniërs komen). Er vielen zeven of acht dooden; de nederlaag

was volkomen.

Acht jaren verliepen, eer de Egyptenaars zich weder in die streek

vertoonden: naar zij zeiden, hadden zij zich teruggetrokken, uithoofde

van de ongezondheid van het land. De door hen opgerichte gourbis

werden, na hun vertrek, door de Barea verbrand. De Koufit, die bij

hunne krijgshaftige naburen in ongenade waren gevallen, omdat zij

vriendschappelijke betrekkingen met de Turken hadden aangeknoopt,

trokken naar Barka, en het door hen verlaten grondgebied bleef een

soort van neutraal terrein tusschen de stammen der Barea en der

Beni-Amer.

In 1860 overviel Ato-Zadig, de toenmalige landvoogd van Addi-Abo, de

Barea, ontnam hun hunne vrouwen en kinderen, en leverde die niet weder

uit, dan nadat de stam het gezag van den landvoogd had erkend, en zich

verbonden hem eene schatting op te brengen. Ongeveer in denzelfden

tijd tastte de vorst der Beni-Amer, twee- of driemalen achtereen,

de ongelukkige Barea aan, en voerde telkens een aantal gevangenen en

vee mede. Dergelijke gebeurtenissen herhalen zich telkens, en bewijzen

overtuigend, in welk een onhoudbare toestand deze stammen verkeeren.

Over het algemeen houdt men de Barea voor een oorspronkelijken

negerstam, door de hooger ontwikkelde stammen die het abyssinische

rijk hebben gesticht uit zijne oorspronkelijke woonplaatsen verdreven

en naar het gebergte verdrongen. Toch schijnen mij de Barea, die ik

gezien heb, geen zuivere negers te zijn; veelmeer houd ik ze voor

een oorspronkelijk negervolk, maar sterk vermengd met de naburige

ethiopische bevolkingen. Hun eigenlijke volksnaam is, naar men mij

zeide, Egher of Eghir; de naam Barea is abyssinisch en beduidt zoowel

neger als slaaf, evenals _abid_ in het arabisch. Want hoewel de

abyssinische wetten de slavernij verbieden, maken de Abyssiniërs er

toch geen gewetenszaak van hunne woeste naburen tot slaven te maken;

waarover de anderen zich wreken door voortdurende strooptochten in

de aangrenzende christelijke streken.

De abyssinische soldaat, hoewel zeer moedig, is werkelijk bevreesd voor

den Barea, waar het een gevecht van man tegen man geldt; wederkeerig

is de Barea niet minder bang voor vuurwapenen. Hij gaat bijna geheel

naakt ten strijde, met geene andere bescherming dan een klein rond

schild, waarvan de kleur tamelijk wel overeenkomt met die van zijne

schitterend zwarte huid; zijn geduchtste wapen is de _seif_, een zware

rechte degen, die met twee handen wordt gebruikt en veel gelijkt op

een middeleeuwsch slagzwaard.

Evenals de meeste Nubiërs, gaan ook de Barea half naakt: wat hen van

dezen onderscheidt, zijn enkele sieraden, waaraan de negers over het

algemeen zeer gehecht zijn, zooals halskettingen, armbanden, ringen,

enz. Men vindt in hun land eene soort van zeer fraaie groene torren,

die zij aan een draad rijgen en als een ketting om den hals hangen.

De naam Barea doet onwillekeurig denken aan de _Bari_ van den

Witten-Nijl; en inderdaad vindt men bij de eersten eenige gebruiken,

die zoodanige verwantschap schijnen aan te duiden. Ook de Barea hebben

hunne toovenaars, die regen kunnen veroorzaken, en _bounit_ worden

genoemd; en het is licht te begrijpen dat bij deze eenvoudige, nog in

patriarchale groepen gesplitste volksstammen, het opperste gezag van

zelf berusten moet bij den man, die de geduchte macht bezit om over

den vruchtbaarmakenden regen te beschikken, zonder welken alles van

gebrek zou omkomen. De toovenaars der Barea behoorden tot dusverre

allen tot dezelfde familie; hunne macht was geheel afhankelijk van

den uitslag hunner tusschenkomst. Kwam er regen, dan werden zij

overladen met geschenken in geld, in granen en vee; bleef het droog,

dan werden zij door twee _Fadab_ (sterke mannen, een soort van adel)

aangegrepen, naar een afgezonderde plek op den berg gevoerd en daar

vermoord. Dit lot had ook den laatsten toovenaar getroffen. Zijne zonen

en bloedverwanten hadden daarop van hun recht en hoogen rang afstand

gedaan, verklarende dat zij niet langer telkens nieuwe slachtoffers

wilden leveren, en dat het goddeloos was, te beweren dat men over

den regen kon beschikken, want de regen hing van God alleen af.

Een in mijne oogen onwederlegbaar bewijs, dat de Barea hooger staan

dan de andere negervolken, vind ik hierin, dat zij een vrij zuivere

voorstelling van de Godheid hebben, en dat de kanker der slavernij

bij hen onbekend is. Wanneer men hun naar de reden van dit laatste

verschijnsel vraagt, antwoorden zij op ernstigen toon: "Wij zijn

allen de slaven van God." De krijgsgevangenen worden niet verkocht;

zij moeten op het land werken, en wanneer zij sterk, welgemaakt en

dapper zijn, gebeurt het zeer dikwijls, dat zij de dochters hunner

meesters huwen. Ook hieruit verklaart zich de sterke vermenging,

die bij dit volk zoo duidelijk merkbaar is en zoo gunstig op hunne

physieke en intellectueele ontwikkeling gewerkt heeft. Ik heb een

zeer sterk vermoeden, dat de Barea in vroeger eeuwen christenen zijn

geweest; de redenen voor dit gevoelen kan ik echter, zonder al te

wijdloopig te worden, hier niet ontwikkelen.

Wij hadden te Dunkuas geen water medegenomen, omdat wij er zeker

op rekenden, tien kilometer verder, te Balaghinda water te zullen

vinden. Balaghinda is de naam van twee fraaie meren, nabij den rechter

oever van de Barka, en die alleen gedurende een zekeren tijd des jaars

van water zijn voorzien; den overigen tijd ziet men niets dan een

bruinachtigen bodem van alluviaalgrind, die zeker zeer vruchtbaar is,

en geheel begroeid met eene kleine plant, waarvan de naam mij ontgaan

is. Wij bereikten het eerste der beide meren, waarnevens zich een

fraaie heuvel verheft, dien ik beklom om de streek te overzien. Welk

eene teleurstelling! Geen enkele droppel water; en het was reeds

middag: wij waren reeds zeer vermoeid, en moesten nu nog een marsch

van drie uren afleggen eer wij de putten van Deghi konden bereiken! Ons

restte nog een flauwe hoop: het was namelijk mogelijk, dat het tweede

meer water bevatte. Wij zonden er iemand heen om zich daarvan te

overtuigen, en na verloop van een kwartier kwam onze bode terug met

eene goede tijding, die wij zelf niet hadden durven verwachten.

Wij spoedden ons naar het meer, waarvan de bodem nog vochtig en zacht

was, en overal bedekt met de zeer zichtbare sporen van olifanten,

allen uitloopende op twee plassen, die er nu juist op het oog niet

zeer smakelijk uitzagen. Maar wie in Afrika reist, moest zich niet

storen aan de kleur van het water, dat hij drinkt: of dit bruin,

groen of zwart is, maakt geen verschil. In dit water hadden tallooze

scharen kleine schelpdieren geleefd; waar de bodem droog was geworden,

gingen zij reeds bij hoopen tot verrotting over. Wij kampeerden in

een kreupelboschje, tusschen de twee plassen, en met de wapenen bij

de hand. Deze voorzorg was niet overtollig; want den volgenden morgen,

toen wij het kamp opbraken en bezig waren met het opladen der kameelen,

klonk ons eensklaps, uit een boschje van doornen en struiken, op geen

vijftien pas afstands van ons, het gebrul van een leeuw te gemoet. Het

was omstreeks zonsopgang: waarschijnlijk het gewoon uur, waarop de

koning der wildernis aan den plas zijn dorst kwam lesschen, waarin hij

nu door onze tegenwoordigheid verhinderd werd. Blijkbaar durfde hij

niet doorgaan--wat hij toch gerust had kunnen doen--om zijn vijver te

bereiken; en zijn luid gebrul, dat onze kameelen en muilezels geheel

van hun stuk bracht en hun een huivering door merg en been joeg,

bewees duidelijk zijn ongenoegen over onze vrijpostigheid. Ons volk

hield zich goed, en veroorloofde zich zelfs enkele spotternijen,

die echter niet zeer van harte gingen; ik mag niet verzwijgen, dat

zij met het opladen bijzonder veel haast maakten.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 12 题