Van Bisha vertrokken, bereikten wij weldra eene reeks van dorre
heuvelen, Dunkuas genoemd. Ik besteeg een dier heuvelen, en stond
verrukt over het heerlijke panorama, dat zich daar voor mijne oogen
ontvouwde. Aan mijne voeten slingerde zich de breede bedding van de
rivier de Barka, de fraaiste rivier van geheel Nubië:--een reusachtig
wit lint met donkergroene randen omzoomd. De rivier lag droog,
gelijk dit in den regel het geval is, met uitzondering van de enkele
dagen, waarin de ontzettende watermassa's, die van de hoogvlakten
van Barea en Avla afstroomen, deze breede bedding vullen, waarin
zij toch weldra weder verdwijnen. De rivier--om nu aan deze baan van
driehonderd ellen breedte dien naam te blijven geven--vervolgde haar
loop, ter wederzijde omzoomd door eene dubbele reeks van doumpalmen,
de sierlijke getuigen harer vruchtbaarmakende kracht, en vereenigde
zich, zeven of acht dagreizen verder, te Falkaït, met de Aïnsaba,
die uit de landen der Bogos komt. De beide vereenigde rivieren loopen
vervolgens in de Langheb uit, die, minder belangrijk door hare lengte
dan wel door de massa water, die zij, altijd gedurende zekeren tijd van
het jaar, aanvoert, zich een weg naar het oosten baant, en op zestien
uren afstands van Souakin, de vlakte van Tokhar, vruchtbaarheid en
leven schenkt.
Ja inderdaad: de stroomen en rivieren zijn de aderen der aarde. Nooit
gevoelt ge beter de treffende juistheid van dit beeld, dan wanneer
ge van een of anderen berg eene uitgestrekte landstreek van het
dorre Afrika overziet. Van het punt waar ik nu stond, zag ik de
vereeniging van de rivier met een breeden khor, die van Bisha kwam;
met den blik volgde ik het dubbel spoor, in de vlakte geteekend door
een zoom van palmen en mimosa's, waartusschen de zilverige rookwolken
zweefden van een of ander nomadenkamp. Een woud van doumpalmen,
vooral wanneer het dicht begroeid en krachtig opgewassen is, heeft
steeds voor mij eene eigenaardige bekoorlijkheid. Bij den dadelboom
(deleb) vergeleken, is de doum (_crucifera thebaïca_) een welgedaan,
eenvoudig, burgerman, nevens dien slanken, fijn gebouwden, sierlijken
aristokraat; bovendien kleeft hem een wezenlijk gebrek aan: hij is
inproductief. Zijne vrucht, hard als hout, is zelfs voor den Bedoeïnen
ongenietbaar; ook deelt de arme doum in de algemeene minachting
van inlander en vreemdeling. Misschien ben ik wel de eenige, die
zijne partij opneemt. Ik ontmoet hem gaarne op mijn weg; zijn fraai
geteekend blad, de sierlijkste aller waaiers, geeft mij tegen de
heete middagzonnestralen eene vrij wat meer afdoende bescherming
dan de dunne, lange bladeren van den deleb. De hemel beware den
tot wanhoop gebrachten, geblakerden reiziger voor de schaduw van
een dadelboom! Het is bijna of de koninklijke boom opzettelijk zijn
bladerkroon wijd uiteen spreidt, opdat de verblindende stralen van den
zonnegod ongehinderd zouden kunnen doordringen! Wat heb ik daarentegen
menig kalm uur gesleten aan den zoom der wateren, onder het verkwikkend
lommer van een doum, mij geheel overgevende aan don weldadigen invloed
dier geheimzinnige, aangrijpende, afrikaansche natuur, waarvan zij,
die haar hebben leeren kennen, niet licht kwaad kunnen spreken! In die
uren had ik niets anders te doen dan, als aandachtig toeschouwer, een
of ander drama gade te slaan, in zijne soort niet minder treffend dan
de trojaansche krijg:--de verwoesting van een termitenterp door een
leger van zwarte mieren; de noodlottige dood van een onvoorzichtige
vloo, die, zich gewaagd hebbende op den rand van het hol van den
mierenleeuw, vlak op de borst getroffen was geworden door het geschut
van den behendigen eigenaar dier hinderlaag. Die kleine scherpschutter
was een mijner lievelingen, en wekte telkens op nieuw mijne bewondering
op: ja, meermalen gaf hij mij stof tot overpeinzingen, waarbij de
hooge voortreffelijkheid van den mensch mij bijna twijfelachtig
voorkwam. Had ik zelf wel, om de bronnen van den Nijl te vinden--die
ik niet gevonden heb--de helft van de energie en volharding aangewend,
die dit bijkans onzichtbare schepsel dagelijks ten toon spreidt om
in zijn onderhoud te voorzien? En daarbij wat misrekeningen, wat
teleurstellingen, wat onvoorziene rampen! Wie telt ze op, de honderde
toevallige omstandigheden, die in een oogwenk, de vrucht van langen
arbeid kunnen vernielen!... Voorwaar in dit kleine lichaam van twee
strepen lang schuilt nog iets anders dan een darmkanaal: daar huist een
wil, een wezen, dat werkt, dat lijdt, dat wellicht in zijne mate denkt.
De stam, die meestal te Dunkuas verblijf houdt, heet Koufit, en is eene
afdeeling van de Beni-Amer; tien jaren geleden woonde die stam meer
zuidwaarts, in eene vlakte tusschen Bisha en de bergen van Barea,
aan welke vlakte zij ook haar naam gegeven heeft. Omstreeks 1856
verschenen de Egyptenaren in de vlakte van Koufit, om de Barea met
geweerschoten tot den islam te bekeeren; zij hadden eenige dorpen
verwoest, een aantal gevangenen medegevoerd, en die vervolgens weder
in vrijheid gesteld, nadat zij beloofd hadden muzelmannen te zullen
worden. Daarom hebben slechts twee van al de dorpen der Barea, Mogolo
en nog een ander, beiden op de grenzen, den islam aangenomen.
Deze kruistocht was volstrekt niet naar den zin der abyssinische
regeering, die de Barea eenigermate als hare onderdanen
beschouwde. Theodoros had, als naar gewoonte, zijne handen te vol,
om tusschenbeiden te kunnen komen; maar gelukkig was de abyssinische
landvoogd van Addi-Abo een kloek en doortastend man, die besloot op
eigen verantwoordelijkheid te handelen, en met vijfhonderd ruiters de
Barea ter hulpe kwam. Hij legerde zich op twee of drie uren afstands
van de Egyptenaars, wien deze nabuurschap volstrekt niet beviel: want
de Abyssiniërs hadden nog de gewoonte, hunne verslagen of gevangen
vijanden, ten teeken der zegepraal, op bloedige wijze te verminken,
waarvoor de Egyptenaars uitermate bevreesd waren. Nu gebeurde het
op zekeren nacht, dat in het muzelmansche kamp een geweer omviel,
en daardoor van zelf afging. Op het hooren van het schot greep
een panische schrik de Turken aan, die in de uiterste verwarring
op elkander begonnen te vuren, luid roepende: _el Makada ghia!_
(de Abyssiniërs komen). Er vielen zeven of acht dooden; de nederlaag
was volkomen.
Acht jaren verliepen, eer de Egyptenaars zich weder in die streek
vertoonden: naar zij zeiden, hadden zij zich teruggetrokken, uithoofde
van de ongezondheid van het land. De door hen opgerichte gourbis
werden, na hun vertrek, door de Barea verbrand. De Koufit, die bij
hunne krijgshaftige naburen in ongenade waren gevallen, omdat zij
vriendschappelijke betrekkingen met de Turken hadden aangeknoopt,
trokken naar Barka, en het door hen verlaten grondgebied bleef een
soort van neutraal terrein tusschen de stammen der Barea en der
Beni-Amer.
In 1860 overviel Ato-Zadig, de toenmalige landvoogd van Addi-Abo, de
Barea, ontnam hun hunne vrouwen en kinderen, en leverde die niet weder
uit, dan nadat de stam het gezag van den landvoogd had erkend, en zich
verbonden hem eene schatting op te brengen. Ongeveer in denzelfden
tijd tastte de vorst der Beni-Amer, twee- of driemalen achtereen,
de ongelukkige Barea aan, en voerde telkens een aantal gevangenen en
vee mede. Dergelijke gebeurtenissen herhalen zich telkens, en bewijzen
overtuigend, in welk een onhoudbare toestand deze stammen verkeeren.
Over het algemeen houdt men de Barea voor een oorspronkelijken
negerstam, door de hooger ontwikkelde stammen die het abyssinische
rijk hebben gesticht uit zijne oorspronkelijke woonplaatsen verdreven
en naar het gebergte verdrongen. Toch schijnen mij de Barea, die ik
gezien heb, geen zuivere negers te zijn; veelmeer houd ik ze voor
een oorspronkelijk negervolk, maar sterk vermengd met de naburige
ethiopische bevolkingen. Hun eigenlijke volksnaam is, naar men mij
zeide, Egher of Eghir; de naam Barea is abyssinisch en beduidt zoowel
neger als slaaf, evenals _abid_ in het arabisch. Want hoewel de
abyssinische wetten de slavernij verbieden, maken de Abyssiniërs er
toch geen gewetenszaak van hunne woeste naburen tot slaven te maken;
waarover de anderen zich wreken door voortdurende strooptochten in
de aangrenzende christelijke streken.
De abyssinische soldaat, hoewel zeer moedig, is werkelijk bevreesd voor
den Barea, waar het een gevecht van man tegen man geldt; wederkeerig
is de Barea niet minder bang voor vuurwapenen. Hij gaat bijna geheel
naakt ten strijde, met geene andere bescherming dan een klein rond
schild, waarvan de kleur tamelijk wel overeenkomt met die van zijne
schitterend zwarte huid; zijn geduchtste wapen is de _seif_, een zware
rechte degen, die met twee handen wordt gebruikt en veel gelijkt op
een middeleeuwsch slagzwaard.
Evenals de meeste Nubiërs, gaan ook de Barea half naakt: wat hen van
dezen onderscheidt, zijn enkele sieraden, waaraan de negers over het
algemeen zeer gehecht zijn, zooals halskettingen, armbanden, ringen,
enz. Men vindt in hun land eene soort van zeer fraaie groene torren,
die zij aan een draad rijgen en als een ketting om den hals hangen.
De naam Barea doet onwillekeurig denken aan de _Bari_ van den
Witten-Nijl; en inderdaad vindt men bij de eersten eenige gebruiken,
die zoodanige verwantschap schijnen aan te duiden. Ook de Barea hebben
hunne toovenaars, die regen kunnen veroorzaken, en _bounit_ worden
genoemd; en het is licht te begrijpen dat bij deze eenvoudige, nog in
patriarchale groepen gesplitste volksstammen, het opperste gezag van
zelf berusten moet bij den man, die de geduchte macht bezit om over
den vruchtbaarmakenden regen te beschikken, zonder welken alles van
gebrek zou omkomen. De toovenaars der Barea behoorden tot dusverre
allen tot dezelfde familie; hunne macht was geheel afhankelijk van
den uitslag hunner tusschenkomst. Kwam er regen, dan werden zij
overladen met geschenken in geld, in granen en vee; bleef het droog,
dan werden zij door twee _Fadab_ (sterke mannen, een soort van adel)
aangegrepen, naar een afgezonderde plek op den berg gevoerd en daar
vermoord. Dit lot had ook den laatsten toovenaar getroffen. Zijne zonen
en bloedverwanten hadden daarop van hun recht en hoogen rang afstand
gedaan, verklarende dat zij niet langer telkens nieuwe slachtoffers
wilden leveren, en dat het goddeloos was, te beweren dat men over
den regen kon beschikken, want de regen hing van God alleen af.
Een in mijne oogen onwederlegbaar bewijs, dat de Barea hooger staan
dan de andere negervolken, vind ik hierin, dat zij een vrij zuivere
voorstelling van de Godheid hebben, en dat de kanker der slavernij
bij hen onbekend is. Wanneer men hun naar de reden van dit laatste
verschijnsel vraagt, antwoorden zij op ernstigen toon: "Wij zijn
allen de slaven van God." De krijgsgevangenen worden niet verkocht;
zij moeten op het land werken, en wanneer zij sterk, welgemaakt en
dapper zijn, gebeurt het zeer dikwijls, dat zij de dochters hunner
meesters huwen. Ook hieruit verklaart zich de sterke vermenging,
die bij dit volk zoo duidelijk merkbaar is en zoo gunstig op hunne
physieke en intellectueele ontwikkeling gewerkt heeft. Ik heb een
zeer sterk vermoeden, dat de Barea in vroeger eeuwen christenen zijn
geweest; de redenen voor dit gevoelen kan ik echter, zonder al te
wijdloopig te worden, hier niet ontwikkelen.
Wij hadden te Dunkuas geen water medegenomen, omdat wij er zeker
op rekenden, tien kilometer verder, te Balaghinda water te zullen
vinden. Balaghinda is de naam van twee fraaie meren, nabij den rechter
oever van de Barka, en die alleen gedurende een zekeren tijd des jaars
van water zijn voorzien; den overigen tijd ziet men niets dan een
bruinachtigen bodem van alluviaalgrind, die zeker zeer vruchtbaar is,
en geheel begroeid met eene kleine plant, waarvan de naam mij ontgaan
is. Wij bereikten het eerste der beide meren, waarnevens zich een
fraaie heuvel verheft, dien ik beklom om de streek te overzien. Welk
eene teleurstelling! Geen enkele droppel water; en het was reeds
middag: wij waren reeds zeer vermoeid, en moesten nu nog een marsch
van drie uren afleggen eer wij de putten van Deghi konden bereiken! Ons
restte nog een flauwe hoop: het was namelijk mogelijk, dat het tweede
meer water bevatte. Wij zonden er iemand heen om zich daarvan te
overtuigen, en na verloop van een kwartier kwam onze bode terug met
eene goede tijding, die wij zelf niet hadden durven verwachten.
Wij spoedden ons naar het meer, waarvan de bodem nog vochtig en zacht
was, en overal bedekt met de zeer zichtbare sporen van olifanten,
allen uitloopende op twee plassen, die er nu juist op het oog niet
zeer smakelijk uitzagen. Maar wie in Afrika reist, moest zich niet
storen aan de kleur van het water, dat hij drinkt: of dit bruin,
groen of zwart is, maakt geen verschil. In dit water hadden tallooze
scharen kleine schelpdieren geleefd; waar de bodem droog was geworden,
gingen zij reeds bij hoopen tot verrotting over. Wij kampeerden in
een kreupelboschje, tusschen de twee plassen, en met de wapenen bij
de hand. Deze voorzorg was niet overtollig; want den volgenden morgen,
toen wij het kamp opbraken en bezig waren met het opladen der kameelen,
klonk ons eensklaps, uit een boschje van doornen en struiken, op geen
vijftien pas afstands van ons, het gebrul van een leeuw te gemoet. Het
was omstreeks zonsopgang: waarschijnlijk het gewoon uur, waarop de
koning der wildernis aan den plas zijn dorst kwam lesschen, waarin hij
nu door onze tegenwoordigheid verhinderd werd. Blijkbaar durfde hij
niet doorgaan--wat hij toch gerust had kunnen doen--om zijn vijver te
bereiken; en zijn luid gebrul, dat onze kameelen en muilezels geheel
van hun stuk bracht en hun een huivering door merg en been joeg,
bewees duidelijk zijn ongenoegen over onze vrijpostigheid. Ons volk
hield zich goed, en veroorloofde zich zelfs enkele spotternijen,
die echter niet zeer van harte gingen; ik mag niet verzwijgen, dat
zij met het opladen bijzonder veel haast maakten.