III.

Mijne taak te Kassala was afgeloopen; ik begaf mij op weg naar

Massoua, en hield mijn eerste halt te Sabterat, zes uur ten oosten

van Kassala. Mijne kleine karavaan was nu vermeerderd met het

gezelschap van pater Stella, een hoogst achtenswaardig en ook in

Europa welbekend italiaansch zendeling; van een hongaarsch officier,

en nog een twaalftal inlandsche kooplieden, voor wie de bescherming

van onze acht geweren zeer welkom was.

Sabterat bestaat uit drie dorpen, waarvan het grootste, Karaïat

genoemd, misschien driehonderd toekoels telt, en tegen de steile

hellingen van den berg Horat is gebouwd. Tegenover Karaïat, op den

linkeroever van de Aohé, staat een groep van veertig of vijftig hutten,

Sherefa genaamd; tusschen de beide dorpen ligt een langwerpig eiland,

geheel met dadelpalmen bedekt; ook de andere eilanden in de meestal

droge rivierbedding zijn, evenals de rechteroever, goed bebouwd.

Kort voor mijne komst in deze streek, had eene tragische gebeurtenis

de gemoederen der bevolking in beweging gebracht. De oude sheikh

Mohammed-Nour was gestorven; zijn oudste zoon was hem opgevolgd

en had de investituur van de egyptische regeering ontvangen, tot

groote ergernis van den jongsten, die, om zich te wreken, voor

geen broedermoord was teruggedeinsd. Op zekeren dag, toen zijn

broeder naar Kassala ging, zette hij hem na, haalde hem onderweg

in en doodde hem. De egyptische regeering liet hem gevangen nemen,

en tijdens mijn verblijf zat hij in den kerker te Kassala; maar naar

alle waarschijnlijkheid zal hij daar niet langer blijven dan noodig

is om een duizend talaris bijeen te brengen, die hij aan Mouça-Pasja

kan aanbieden: dan zal het hem vrijstaan, in alle veiligheid de plaats

van zijn verslagen broeder te gaan innemen. De voorloopige sheikh van

Sabterat is een jong mensch van achttien jaren, de jongste broeder van

den vermoorden sheikh. Volgens de overleveringen van hun stam zijn

de Sabterat van het oosten, van de oevers van de Aïnsaba, gekomen:

zouden zij de _Soboridae_ van Ptolomaeus zijn?

Uit deze streek is mij de herinnering bijgebleven aan een avontuur, dat

ernstige gevolgen had kunnen hebben. Men had mij vooruit gewaarschuwd,

dat hier, evenals in alle streken van Opper-Nubië, waar water gevonden

wordt en dus kudden zijn, eene menigte leeuwen huisvesten. Reeds in

den eersten nacht ondervond ik de waarheid van dit bericht. Wij hadden

ons kamp opgeslagen in een fraai palmboschje, waarvan de schaduw ons

zeer welkom was, en ons deed vergeten dat zulke bosschages ook de

geliefkoosde verblijfplaatsen zijn van wilde dieren. Zoodra de zon was

ondergegaan, kwamen honderde runderen naar de waterputten; en even

daarna verkondigde een luid gebrul ook de nabijheid des vijands. De

runderen stoven verschrikt uiteen, en liepen al loeiende weg; naar

het schijnt, werd er geen door de leeuwen gegrepen, maar de hyena's,

die bijna altijd het spoor van de koningen des wouds volgen, doodden

eene koe.

Twee uren later had ik, na het avondeten te hebben gebruikt, mij te

rusten gelegd op mijn _angareb_, waar ik weldra indommelde, in slaap

gewiegd door het murmelend gefluister in ons klein bivouac. De meeste

bedienden waakten nog bij de vuren, op weinige schreden afstands van

mij tusschen de boomen aangelegd. De last- en rijdieren lagen rustig

rondom een palmboom gegroept. Eensklaps werd ik door eene hevige

beweging gewekt: de verschrikte muildieren waren opgesprongen, en

trachtten zich met geweld los te rukken. Ik vroeg wat er gebeurd was,

en vernam nu dat een prachtige leeuw, die op de muildieren loerde,

eensklaps, bij het schijnsel der vuren, in de struiken zichtbaar

was geworden. Een jonkman van ons gevolg had haastig een brandend

hout gegrepen en naar den leeuw geworpen, die, aan het voorhoofd

geraakt, zijn kop had geschud, en met een korten kreet zich had

verwijderd. Men weet, dat de wilde dieren in het algemeen, en vooral

ook de leeuwen, van twee zaken een geweldigen afkeer hebben: van vuur

en van geraas. Ook dit laatste bleef onzen bezoeker niet gespaard,

want verscheidene geweerschoten werden hem achterna gezonden. Gelukkig

trof hem geen enkele kogel: ware hij gewond geworden, dan zou hij

ons waarschijnlijk last genoeg hebben veroorzaakt.

Weldra begonnen wij nu de steile berghellingen te beklimmen, die

naar het vlek Algheden voeren, door eene naar het schijnt tamelijk

welvarende, verstandige en werkzame bevolking van ongeveer vijfhonderd

zielen bewoond. Den top des bergs bereikt hebbende, daalde ik langs

slingerende paden af naar eene met gras begroeide vlakte; toen moest

ik de kronkelende bedding van een uitgedroogden bergstroom volgen;

en zoo, beurtelings rijzende en dalende, langs zeer vermoeiende en

dikwijls gevaarlijke wegen, waar onze karavaan niet dan bezwaarlijk

vorderde, bereikten wij eindelijk den bergpas van Feradebob, die de

vlakte van Bisha beheerscht.

Deze vlakte, evenals de meeste andere van Opper-Nubië, met

onsamenhangende, wonderlijk gevormde, rotsige hoogten bezaaid en door

_khors_ (uitgedroogde beddingen van bergstroomen) doorsneden, behoort

voor het grootste gedeelte aan den stam der Barea, die hier in den

regentijd hunne kudden heendrijven. Aan de oostzijde wordt de vlakte,

door de laatste uitloopen van het Koufitgebergte, van de vlakten van

Deghi en Kassa gescheiden; aan de berghelling ligt het dorp Bisha,

dat minstens driehonderd woningen telt, en gemeenschappelijk door de

Beni-Amer en de Barea bezeten wordt. Bisha staat onder het gezag van

den deglel of vorst der Beni-Amer; het heeft eenige beteekenis, als

station voor de karavanen van Massoua; er zijn sommige kooplieden

gevestigd, en het voorkomen van het vlek teekent eene mate van

welvaart, die hier inderdaad zeldzaam is. Toch verzekerde men mij, dat

de geest der bevolking er niet beter op geworden was, sedert zich hier

ook eenige Barea gevestigd hadden, en de andere inwoners hadden besmet

met die zucht voor rooverij, die bij dezen stam onuitroeibaar schijnt.

De toestand van deze stammen is dan ook inderdaad zeer treurig. Zij

zijn als het ware ingeklemd tusschen Abyssinië, dat schatting van

hen vordert, zonder hen te kunnen beschermen tegen de Egyptenaren,

en de mudirs van Kassala, die evenzeer schatting eischen, maar

niets doen om de abyssinische strooptochten te keer te gaan. Een

enkel voorbeeld zal eenig denkbeeld van dien toestand geven. De

abyssinische gouverneur van Addi-Abo, aan het hem van hooger hand

gegeven bevel gehoorzamende, was met eenige honderde soldaten, of

liever slecht gewapende vagebonden, in Barka gevallen, alles te vuur

en te zwaard verwoestende. De mudir van Kassala, aan wien Mouça-Pasja

de verdediging der grenzen had toevertrouwd, trok naar Barka met

eene legermacht, alleszins voldoende om de Abyssiniërs te verslaan:

maar hij trok met de uiterste langzaamheid voort, en toen de deglel

er bij hem op aandrong, dat hij zijn marsch wat verhaasten zou om den

vijand niet te laten ontsnappen, antwoordde de mudir heel kalmpjes:

_Chouïa-chouïa_ (zachtjes aan). Natuurlijk hadden de Abyssiniërs al

den tijd om zich met hun buit terug te trekken.

Het is hier de plaats, eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent

den oorsprong van enkele stammen van Opper-Nubië, die bijna allen

uit het abyssinische hoogland afkomstig zijn, en eerst in later tijd,

door een samenloop van noodlottige omstandigheden, tot het islamisme

zijn overgegaan.

De Hallenga komen uit Hamazene; zij vlechten nog hun haar op de

wijze der Abyssiniërs: maar dat is ook bijna alles, wat zij van

hun voormalig vaderland hebben overgehouden. Een klein bergplateau

nabij Ad-Namen, aan den voet van den Melezenai, draagt nog hun naam;

hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar een tijd lang hunne woonplaats

gehad.

De Habab zijn afkomstig van Kollo-gouzay (Tigré); zij hebben hun

vaderland verlaten onder aanvoering van een zekeren Asgade, die

zich vestigde op de plaats thans onder den naam van Asgade-Bakla (de

muilezel van Asgade) bekend: een naam naar men zegt ontleend aan den

eigenaardigen vorm van den heuvel, waarop het dorp is gebouwd. Asgade

had drie zoons: Abil, Tekles en Tamariam. Volgens de overlevering is de

eerste de stamvader der eigenlijke Habab; van de beide anderen stammen

de twee minder aanzienlijke stammen van Ad-Tekles en Ad-Tamariam af.

Belau, Kelau en Hafara waren drie broeders. Zij kwamen waarschijnlijk

uit Seraoué, waar men u nog tegenwoordig de zoogenaamde graven der

Belaus wijst. Kelau bezat de bergen en weiden, die tegenwoordig

aan de Beit-Gabhru behooren, tot aan Chotel. Langzamerhand heeft

zich deze stam, ik weet niet ten gevolge van welke omstandigheden,

verstrooid en opgelost; de meesten der overgeblevenen hebben zich

bij de Beit-Gabhru aangesloten, die uit dien hoofde van de aloude

landstreek der Kelau bezit hebben genomen.

De Belaus splitsten zich reeds vroeg in onderafdeelingen. Het gros

des volks bleef in de streek nabij de samenvloeiing van de Barka

en den Khor-el-Ardeb, waar men hen heden nog vindt, trotsch op hun

afkomst, maar tot eenige weinige familiën geslonken; de anderen,

betere weilanden voor kunne kudden zoekende, vestigden zich nabij de

Roode-zee, in Samhar, en omhelsden het islamisme. Als muzelmannen

trokken zij de aandacht van de turksche regeering, die zich in

de zestiende eeuw, van Massoua meester maakte, en wier verdere

veroveringen in het binnenland door de Belaus krachtig werden

bevorderd. Zij zijn tegenwoordig zeer in verval.

De Hafara hebben zich te Terefat gevestigd; zij werden in 1859 bijna

geheel uitgeroeid. De weinigen, die aan de algemeene slachting zijn

ontkomen, zijn naar hun dorp teruggekeerd, en trachten zooveel mogelijk

hun stam van den geheelen ondergang te redden.

De Ad-Sheikh houden zich gewoonlijk in de omstreken van Sulib

op. Tijdens de verovering van Nubië door de Egyptenaars, begaf zich

een der voornaamste opperhoofden van dien stam, Sheikh Mohammed,

die zich aan de nieuwe orde van zaken niet wilde onderwerpen, naar

Samhar, om de bescherming van den sultan in te roepen. Hij liet,

ten behoeve van zijne stamgenooten die in Barka gebleven waren,

naar Konstantinopel schrijven: op welk schrijven echter geen

antwoord volgde. Inmiddels beviel het Sheikh Mohammed te Massoua,

waar hij zich nedergezet en waar hij als een heilige werd vereerd;

hij vestigde zich voor goed in de nabijheid, te Beraïmi, waar hij een

dorp stichtte, dat weldra door een aantal uitgewekenen werd bevolkt,

die tot heden vrijdom van alle belastingen genieten. Beraïmi is aldus

een soort van Mekka in het klein geworden: Mohammed, thans (1864)

een zeventigjarige grijsaard, zond zijne twee zonen naar Samhar en

Barka, naar de Bedjouk en de Bogos, om daar het islamisme te prediken:

welke prediking niet zonder gevolg bleef.

De Beit-Bidel zijn mede uit Hamazene afkomstig, waar hunne herinnering

nog voortleeft in den naam Bidel, die door een der aanzienlijke

familiën van Tsazega wordt gedragen. Hunne verhuizing dagteekent

waarschijnlijk eerst van omstreeks 1800; eerst sedert een dertigtal

jaren zijn zij muzelmannen, en hun tegenwoordige sheikh, Ibraïm Djaoui,

heeft nog langen tijd den _mateb_ of het koord der abyssinische

christenen gedragen; ook spreekt hij gaarne van de dagen, toen zijn

stam nog de christelijke godsdienst beleed. De Beit-Bidel hebben zelfs

van hunne vroegere godsdienst nog een gebed overgehouden, waarmede

zij in droge tijden regen afsmeeken: "_Egzio marenna Christos!_"--"de

Heere Christus erbarme zich onzer!"--Doorgaans houden zij zich te

Chegled op. Aanvankelijk vrij, werden zij later onderhoorig aan den

deglel van de Beni-Amer, die beweerde dat zij in eene landstreek

waren gevestigd, welke aan zijn gezag was onderworpen.

Van al deze en de met hen verwante stammen, zijn de Hallenga de

eenigen, bij wie eene volstrekte maatschappelijke gelijkheid heerscht:

geheel overeenkomstig het in Abyssinië geldende beginsel, volgens

hetwelk allen gelijk zijn en het eenige onderscheid bestaat in het al

of niet bezitten van een leengoed _(goult);_ terwijl daarentegen, naar

de zienswijze der Nubiërs, de adel in het bloed zit en niet afhankelijk

is van het leen. Bij al de andere stammen, de Beni-Amer, de Habab,

de Bogos, enz. wordt de adel gevormd door de _choumaglie_ (oudsten),

waarvan elke familie een zeker aantal vazallen, _tigré_ genaamd, onder

zich heeft. Deze inrichting heeft eenige gelijkenis met die van het

romeinsche patriciaat met zijne cliënten. De naam tigré schijnt te

danken aan de omstandigheid dat de meeste abyssinische uitgewekenen,

die naar Nubië de wijk hebben genomen en zich tot vazallen der nubische

stammen gemaakt, uit de provincie Tigré afkomstig waren.

Intusschen is de toestand dezer vazallen alleszins dragelijk. De tigré

is metterdaad niet veel anders dan een pachter: is hij met zijn heer

niet tevreden, dan staat het hem vrij, zich een anderen te kiezen. Hij

betaalt eene zeer matige schatting, waarvan het bedrag, sedert

onheugelijke tijden, door de gewoonte is vastgesteld. Daarentegen

heeft hij het recht te eischen, dat zijn choumaglie hem, in geval

van schade aan lijf of goed, bescherme en zijn beleediger vervolge en

straffe. In iederen stam vormen de tigrés het armste en werkzaamste

gedeelte; men herkent ze gemakkelijk aan hun donkerder gelaatskleur,

aan hunne magerheid, aan hun ruwer voorkomen en armoedige kleeding.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 5 / 12 题