Mijne taak te Kassala was afgeloopen; ik begaf mij op weg naar
Massoua, en hield mijn eerste halt te Sabterat, zes uur ten oosten
van Kassala. Mijne kleine karavaan was nu vermeerderd met het
gezelschap van pater Stella, een hoogst achtenswaardig en ook in
Europa welbekend italiaansch zendeling; van een hongaarsch officier,
en nog een twaalftal inlandsche kooplieden, voor wie de bescherming
van onze acht geweren zeer welkom was.
Sabterat bestaat uit drie dorpen, waarvan het grootste, Karaïat
genoemd, misschien driehonderd toekoels telt, en tegen de steile
hellingen van den berg Horat is gebouwd. Tegenover Karaïat, op den
linkeroever van de Aohé, staat een groep van veertig of vijftig hutten,
Sherefa genaamd; tusschen de beide dorpen ligt een langwerpig eiland,
geheel met dadelpalmen bedekt; ook de andere eilanden in de meestal
droge rivierbedding zijn, evenals de rechteroever, goed bebouwd.
Kort voor mijne komst in deze streek, had eene tragische gebeurtenis
de gemoederen der bevolking in beweging gebracht. De oude sheikh
Mohammed-Nour was gestorven; zijn oudste zoon was hem opgevolgd
en had de investituur van de egyptische regeering ontvangen, tot
groote ergernis van den jongsten, die, om zich te wreken, voor
geen broedermoord was teruggedeinsd. Op zekeren dag, toen zijn
broeder naar Kassala ging, zette hij hem na, haalde hem onderweg
in en doodde hem. De egyptische regeering liet hem gevangen nemen,
en tijdens mijn verblijf zat hij in den kerker te Kassala; maar naar
alle waarschijnlijkheid zal hij daar niet langer blijven dan noodig
is om een duizend talaris bijeen te brengen, die hij aan Mouça-Pasja
kan aanbieden: dan zal het hem vrijstaan, in alle veiligheid de plaats
van zijn verslagen broeder te gaan innemen. De voorloopige sheikh van
Sabterat is een jong mensch van achttien jaren, de jongste broeder van
den vermoorden sheikh. Volgens de overleveringen van hun stam zijn
de Sabterat van het oosten, van de oevers van de Aïnsaba, gekomen:
zouden zij de _Soboridae_ van Ptolomaeus zijn?
Uit deze streek is mij de herinnering bijgebleven aan een avontuur, dat
ernstige gevolgen had kunnen hebben. Men had mij vooruit gewaarschuwd,
dat hier, evenals in alle streken van Opper-Nubië, waar water gevonden
wordt en dus kudden zijn, eene menigte leeuwen huisvesten. Reeds in
den eersten nacht ondervond ik de waarheid van dit bericht. Wij hadden
ons kamp opgeslagen in een fraai palmboschje, waarvan de schaduw ons
zeer welkom was, en ons deed vergeten dat zulke bosschages ook de
geliefkoosde verblijfplaatsen zijn van wilde dieren. Zoodra de zon was
ondergegaan, kwamen honderde runderen naar de waterputten; en even
daarna verkondigde een luid gebrul ook de nabijheid des vijands. De
runderen stoven verschrikt uiteen, en liepen al loeiende weg; naar
het schijnt, werd er geen door de leeuwen gegrepen, maar de hyena's,
die bijna altijd het spoor van de koningen des wouds volgen, doodden
eene koe.
Twee uren later had ik, na het avondeten te hebben gebruikt, mij te
rusten gelegd op mijn _angareb_, waar ik weldra indommelde, in slaap
gewiegd door het murmelend gefluister in ons klein bivouac. De meeste
bedienden waakten nog bij de vuren, op weinige schreden afstands van
mij tusschen de boomen aangelegd. De last- en rijdieren lagen rustig
rondom een palmboom gegroept. Eensklaps werd ik door eene hevige
beweging gewekt: de verschrikte muildieren waren opgesprongen, en
trachtten zich met geweld los te rukken. Ik vroeg wat er gebeurd was,
en vernam nu dat een prachtige leeuw, die op de muildieren loerde,
eensklaps, bij het schijnsel der vuren, in de struiken zichtbaar
was geworden. Een jonkman van ons gevolg had haastig een brandend
hout gegrepen en naar den leeuw geworpen, die, aan het voorhoofd
geraakt, zijn kop had geschud, en met een korten kreet zich had
verwijderd. Men weet, dat de wilde dieren in het algemeen, en vooral
ook de leeuwen, van twee zaken een geweldigen afkeer hebben: van vuur
en van geraas. Ook dit laatste bleef onzen bezoeker niet gespaard,
want verscheidene geweerschoten werden hem achterna gezonden. Gelukkig
trof hem geen enkele kogel: ware hij gewond geworden, dan zou hij
ons waarschijnlijk last genoeg hebben veroorzaakt.
Weldra begonnen wij nu de steile berghellingen te beklimmen, die
naar het vlek Algheden voeren, door eene naar het schijnt tamelijk
welvarende, verstandige en werkzame bevolking van ongeveer vijfhonderd
zielen bewoond. Den top des bergs bereikt hebbende, daalde ik langs
slingerende paden af naar eene met gras begroeide vlakte; toen moest
ik de kronkelende bedding van een uitgedroogden bergstroom volgen;
en zoo, beurtelings rijzende en dalende, langs zeer vermoeiende en
dikwijls gevaarlijke wegen, waar onze karavaan niet dan bezwaarlijk
vorderde, bereikten wij eindelijk den bergpas van Feradebob, die de
vlakte van Bisha beheerscht.
Deze vlakte, evenals de meeste andere van Opper-Nubië, met
onsamenhangende, wonderlijk gevormde, rotsige hoogten bezaaid en door
_khors_ (uitgedroogde beddingen van bergstroomen) doorsneden, behoort
voor het grootste gedeelte aan den stam der Barea, die hier in den
regentijd hunne kudden heendrijven. Aan de oostzijde wordt de vlakte,
door de laatste uitloopen van het Koufitgebergte, van de vlakten van
Deghi en Kassa gescheiden; aan de berghelling ligt het dorp Bisha,
dat minstens driehonderd woningen telt, en gemeenschappelijk door de
Beni-Amer en de Barea bezeten wordt. Bisha staat onder het gezag van
den deglel of vorst der Beni-Amer; het heeft eenige beteekenis, als
station voor de karavanen van Massoua; er zijn sommige kooplieden
gevestigd, en het voorkomen van het vlek teekent eene mate van
welvaart, die hier inderdaad zeldzaam is. Toch verzekerde men mij, dat
de geest der bevolking er niet beter op geworden was, sedert zich hier
ook eenige Barea gevestigd hadden, en de andere inwoners hadden besmet
met die zucht voor rooverij, die bij dezen stam onuitroeibaar schijnt.
De toestand van deze stammen is dan ook inderdaad zeer treurig. Zij
zijn als het ware ingeklemd tusschen Abyssinië, dat schatting van
hen vordert, zonder hen te kunnen beschermen tegen de Egyptenaren,
en de mudirs van Kassala, die evenzeer schatting eischen, maar
niets doen om de abyssinische strooptochten te keer te gaan. Een
enkel voorbeeld zal eenig denkbeeld van dien toestand geven. De
abyssinische gouverneur van Addi-Abo, aan het hem van hooger hand
gegeven bevel gehoorzamende, was met eenige honderde soldaten, of
liever slecht gewapende vagebonden, in Barka gevallen, alles te vuur
en te zwaard verwoestende. De mudir van Kassala, aan wien Mouça-Pasja
de verdediging der grenzen had toevertrouwd, trok naar Barka met
eene legermacht, alleszins voldoende om de Abyssiniërs te verslaan:
maar hij trok met de uiterste langzaamheid voort, en toen de deglel
er bij hem op aandrong, dat hij zijn marsch wat verhaasten zou om den
vijand niet te laten ontsnappen, antwoordde de mudir heel kalmpjes:
_Chouïa-chouïa_ (zachtjes aan). Natuurlijk hadden de Abyssiniërs al
den tijd om zich met hun buit terug te trekken.
Het is hier de plaats, eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent
den oorsprong van enkele stammen van Opper-Nubië, die bijna allen
uit het abyssinische hoogland afkomstig zijn, en eerst in later tijd,
door een samenloop van noodlottige omstandigheden, tot het islamisme
zijn overgegaan.
De Hallenga komen uit Hamazene; zij vlechten nog hun haar op de
wijze der Abyssiniërs: maar dat is ook bijna alles, wat zij van
hun voormalig vaderland hebben overgehouden. Een klein bergplateau
nabij Ad-Namen, aan den voet van den Melezenai, draagt nog hun naam;
hoogstwaarschijnlijk hebben zij daar een tijd lang hunne woonplaats
gehad.
De Habab zijn afkomstig van Kollo-gouzay (Tigré); zij hebben hun
vaderland verlaten onder aanvoering van een zekeren Asgade, die
zich vestigde op de plaats thans onder den naam van Asgade-Bakla (de
muilezel van Asgade) bekend: een naam naar men zegt ontleend aan den
eigenaardigen vorm van den heuvel, waarop het dorp is gebouwd. Asgade
had drie zoons: Abil, Tekles en Tamariam. Volgens de overlevering is de
eerste de stamvader der eigenlijke Habab; van de beide anderen stammen
de twee minder aanzienlijke stammen van Ad-Tekles en Ad-Tamariam af.
Belau, Kelau en Hafara waren drie broeders. Zij kwamen waarschijnlijk
uit Seraoué, waar men u nog tegenwoordig de zoogenaamde graven der
Belaus wijst. Kelau bezat de bergen en weiden, die tegenwoordig
aan de Beit-Gabhru behooren, tot aan Chotel. Langzamerhand heeft
zich deze stam, ik weet niet ten gevolge van welke omstandigheden,
verstrooid en opgelost; de meesten der overgeblevenen hebben zich
bij de Beit-Gabhru aangesloten, die uit dien hoofde van de aloude
landstreek der Kelau bezit hebben genomen.
De Belaus splitsten zich reeds vroeg in onderafdeelingen. Het gros
des volks bleef in de streek nabij de samenvloeiing van de Barka
en den Khor-el-Ardeb, waar men hen heden nog vindt, trotsch op hun
afkomst, maar tot eenige weinige familiën geslonken; de anderen,
betere weilanden voor kunne kudden zoekende, vestigden zich nabij de
Roode-zee, in Samhar, en omhelsden het islamisme. Als muzelmannen
trokken zij de aandacht van de turksche regeering, die zich in
de zestiende eeuw, van Massoua meester maakte, en wier verdere
veroveringen in het binnenland door de Belaus krachtig werden
bevorderd. Zij zijn tegenwoordig zeer in verval.
De Hafara hebben zich te Terefat gevestigd; zij werden in 1859 bijna
geheel uitgeroeid. De weinigen, die aan de algemeene slachting zijn
ontkomen, zijn naar hun dorp teruggekeerd, en trachten zooveel mogelijk
hun stam van den geheelen ondergang te redden.
De Ad-Sheikh houden zich gewoonlijk in de omstreken van Sulib
op. Tijdens de verovering van Nubië door de Egyptenaars, begaf zich
een der voornaamste opperhoofden van dien stam, Sheikh Mohammed,
die zich aan de nieuwe orde van zaken niet wilde onderwerpen, naar
Samhar, om de bescherming van den sultan in te roepen. Hij liet,
ten behoeve van zijne stamgenooten die in Barka gebleven waren,
naar Konstantinopel schrijven: op welk schrijven echter geen
antwoord volgde. Inmiddels beviel het Sheikh Mohammed te Massoua,
waar hij zich nedergezet en waar hij als een heilige werd vereerd;
hij vestigde zich voor goed in de nabijheid, te Beraïmi, waar hij een
dorp stichtte, dat weldra door een aantal uitgewekenen werd bevolkt,
die tot heden vrijdom van alle belastingen genieten. Beraïmi is aldus
een soort van Mekka in het klein geworden: Mohammed, thans (1864)
een zeventigjarige grijsaard, zond zijne twee zonen naar Samhar en
Barka, naar de Bedjouk en de Bogos, om daar het islamisme te prediken:
welke prediking niet zonder gevolg bleef.
De Beit-Bidel zijn mede uit Hamazene afkomstig, waar hunne herinnering
nog voortleeft in den naam Bidel, die door een der aanzienlijke
familiën van Tsazega wordt gedragen. Hunne verhuizing dagteekent
waarschijnlijk eerst van omstreeks 1800; eerst sedert een dertigtal
jaren zijn zij muzelmannen, en hun tegenwoordige sheikh, Ibraïm Djaoui,
heeft nog langen tijd den _mateb_ of het koord der abyssinische
christenen gedragen; ook spreekt hij gaarne van de dagen, toen zijn
stam nog de christelijke godsdienst beleed. De Beit-Bidel hebben zelfs
van hunne vroegere godsdienst nog een gebed overgehouden, waarmede
zij in droge tijden regen afsmeeken: "_Egzio marenna Christos!_"--"de
Heere Christus erbarme zich onzer!"--Doorgaans houden zij zich te
Chegled op. Aanvankelijk vrij, werden zij later onderhoorig aan den
deglel van de Beni-Amer, die beweerde dat zij in eene landstreek
waren gevestigd, welke aan zijn gezag was onderworpen.
Van al deze en de met hen verwante stammen, zijn de Hallenga de
eenigen, bij wie eene volstrekte maatschappelijke gelijkheid heerscht:
geheel overeenkomstig het in Abyssinië geldende beginsel, volgens
hetwelk allen gelijk zijn en het eenige onderscheid bestaat in het al
of niet bezitten van een leengoed _(goult);_ terwijl daarentegen, naar
de zienswijze der Nubiërs, de adel in het bloed zit en niet afhankelijk
is van het leen. Bij al de andere stammen, de Beni-Amer, de Habab,
de Bogos, enz. wordt de adel gevormd door de _choumaglie_ (oudsten),
waarvan elke familie een zeker aantal vazallen, _tigré_ genaamd, onder
zich heeft. Deze inrichting heeft eenige gelijkenis met die van het
romeinsche patriciaat met zijne cliënten. De naam tigré schijnt te
danken aan de omstandigheid dat de meeste abyssinische uitgewekenen,
die naar Nubië de wijk hebben genomen en zich tot vazallen der nubische
stammen gemaakt, uit de provincie Tigré afkomstig waren.
Intusschen is de toestand dezer vazallen alleszins dragelijk. De tigré
is metterdaad niet veel anders dan een pachter: is hij met zijn heer
niet tevreden, dan staat het hem vrij, zich een anderen te kiezen. Hij
betaalt eene zeer matige schatting, waarvan het bedrag, sedert
onheugelijke tijden, door de gewoonte is vastgesteld. Daarentegen
heeft hij het recht te eischen, dat zijn choumaglie hem, in geval
van schade aan lijf of goed, bescherme en zijn beleediger vervolge en
straffe. In iederen stam vormen de tigrés het armste en werkzaamste
gedeelte; men herkent ze gemakkelijk aan hun donkerder gelaatskleur,
aan hunne magerheid, aan hun ruwer voorkomen en armoedige kleeding.