II.

Ik had Kassala tot uitgangspunt gekozen voor de onderscheidene

onderzoekingstochten, die ik naar verschillende zijden, voornamelijk

naar het oosten en zuiden, ondernam. De berg Kassala-el-Louz was bijna

altijd het einddoel van deze uitstapjes. Deze berg bestaat uit eene

massa granietrotsen, in de prachtigste en schilderachtigste wanorde,

door en over en boven elkander geworpen, en waaruit zes hooge toppen,

als koepels afgerond, glad, ontoegankelijk, zich trotsch en fier

ten hemel verheffen. De naam van den berg is aan dien eigenaardigen

vorm ontleend: in de bidja-taal beteekent _louz_ ontoegankelijk. De

Arabieren hebben dien naam zeer dwaselijk vertaald met Abrikozenberg,

omdat _louz_ in het arabisch de naam dier vrucht is.--Te midden der

granietrotsen, waarvan ik zooeven sprak, merkte ik onderscheidene

zonderlinge steenformaties op, die in Bretagne ongetwijfeld voor

monumenten uit den tijd der druïden zouden worden aangezien, en

waaraan zich ook hier wel waarschijnlijk eene of andere legende van

_djinns_, _afrid_, of dergelijke half bovennatuurlijke wezens hechten

zal. Jammer dat mijne onbekendheid met de taal van de afstammelingen

der Troglodyten mij de gelegenheid benam, met deze traditiën der

woestijn nader bekend te worden.

De hellingen van den berg Kassala boden eene uitnemende gelegenheid

aan, om de topographie der streek te bestudeeren. Op eene hoogte

van twee of driehonderd ellen, lag het gansche land als eene groote

kaart voor mij uitgespreid, tot ver in het noorden voorbij Fillik. De

geheele oasis bestaat uit alluviaalgronden, bij uitnemendheid geschikt

voor bebouwing van allerlei vruchten en gewassen; maar uithoofde

van de schaarschte der bevolking--een gevolg van de dwingelandij

der egyptische regeering--is geen veertigste gedeelte van de vlakte

werkelijk bebouwd. Deze vruchtbare grond, die ook de geringste

inspanning van den landman zoo rijkelijk loonen zou, levert nu niets

op dan een weinig katoen en wat graan.

Deze laag van alluviaalgrond, waaruit bijna de geheele oasis bestaat,

heeft men te danken aan de regelmatige overstroomingen van de rivier de

Gash, waaromtrent ik het een en ander heb mede te deelen. De Gash of

Gach ontspringt in het hoogland van Abyssinië, waar zij den naam van

Mareb voert; beschrijft een wijden kring rondom de provincie Seraoué,

en stroomt dan door eene lage en boschrijke streek, ten oosten door

Abyssiniërs, ten westen door negers van den stam Basen bewoond. In

Seraoué is de Gash niet veelmeer dan een breede beek, die hare zeer

ondiepe wateren over een met blauwachtige steentjes bezaaide bedding

voortstuwt; ik kan niet juist zeggen waar deze beek ophoudt en de

bedding van fijn zand begint, die door het land Basen tot de Atbara

reikt. Tien of twaalf mijlen boven Kassala treedt de Gash uit de

bergen te voorschijn, en buigt zich in schilderachtige kromming naar

het noordwesten en dan naar het noorden. In den regentijd voert de

rivier eene ontzaglijke massa geel en slijkerig water mede, dat overal

langs de oevers een vette sliblaag achterlaat. Zoo heeft ook hier

de rivier de oasis geschapen; en op de hoogte van den berg el-Louz

staande, overziet men met een enkelen blik de gansche topographie

der streek. Langs de boorden der rivier strekt zich een breede zoom

uit van palmbosschen, katoenplantages, bebouwde velden, dorpen,

kampen der nomaden; scherp teekent zich deze bebouwde en bevolkte

streek af tegen den geelachtig-grijzen achtergrond der woestijn,

waar, op den lichten, steenachtigen bodem, zoo ver het oog reiken

kan, uitgestrekte bosschen van mimosa's groeien. Nog verder nemen de

steenen geheel de overhand, en houdt de plantengroei op; de naakte

bodem wordt dan eene aaneenschakeling van geulen en spleten, die het

voortgaan ontzaglijk moeilijk maken.--Naar het mij voorkomt, bereikt

de Gash hare grootste breedte onder de muren van Kassala, waar zij

een der bolwerken besproeit. De rivier heeft daar eene breedte van

vijfhonderd-tien el; het is inderdaad een prachtige stroom, vooral

in de maand Juli, wanneer de hoog gezwollen gele wateren gansche

boomstammen medevoeren, die langs de oevers ontworteld zijn.

In gewone jaren wordt de rivier in haar loop gestuit door de dijken van

Dabab, vijf uren ten noorden van Kassala; zij verliest dan hare wateren

in de vlakte, en komt niet verder dan dit dorp; maar is de rijzing

belangrijk, dan baant het water zich een doortocht naar het noorden,

naar bebouwde landstreken, door nomaden bewoond. De rivier stroomt

dan oostwaarts nabij den berg Touèz, en eindigt, eenige uren verder

haar loop in eene bebouwde streek, aan de Hadendoa behoorende. In

buitengewone jaren eindelijk stort de rivier zich in de Atbara uit,

nabij Om-Handel, op omstreeks 17° 8' noorderbreedte.

Op zekeren dag vatte ik het voornemen op, de Gash ongeveer tien mijlen

op te varen, om een bezoek te gaan brengen aan den berg Aboe-Gamel

(de vader van den kameel)--een fraaie, geheel op zich zelf staande

kegel, vanwaar ik de gansche vlakte kon overzien. Als gids had ik

op dien tocht een jong inboorling, zeer vriendelijk en voorkomend

van aard, die zich vrijwillig aanbood om mij door het gansche land

rond te leiden, met uitzondering van Algheden, zijn geboorteland,

waar hij, volgens zijn zeggen, om een kleinigheid, een manslag in

eerlijke veete begaan, met de overheid overhoop lag.

Wij verlieten dan te zamen Kassala, en volgden aanvankelijk den

karavanenweg, maar sloegen weldra links af, om een klein meer

te bezoeken, nabij het dorp Ahmed-Sherif, dat, volgens den heer

Beurmann, door zijne schilderachtige ligging moest uitmunten. Wij

gingen langs een tamelijk moeilijk pad; ter linkerzijde verhief

zich de kolossale rotsmassa van den Kassala-Louz; ter rechterzijde

een groep van schilderachtige heuvelen, die allerlei zonderlinge

gedaanten vertoonden. Toen wij dien pas achter ons hadden, bereikten

wij het dorp, dat tegen een dicht bosch van mimosa's aanlennt,

waarin ik, na eenig zoeken, het bewuste meer vond. Doch, welk eene

teleurstelling! Het was niets meer dan een vuile poel van geelachtig,

stilstaand water, met een zwarten slijkerigen bodem. Ik had geen moed

om van dit water te drinken, en haastte mij den fraaien weg weder op

te zoeken, dien ik verlaten had. Een weinig verder voerde deze weg

mij door een prachtig bosch van doumpalmen, hier en daar met frissche

groene grasperken afgewisseld. De weelderige, krachtige plantengroei

verkondigde de nabijheid der rivier: en het duurde ook niet lang of

wij daalden in de bedding van fijn wit zand af, ter plaatse waar de

stroom den voet bespoelt van een steilen, gladden berg. De weg loopt

nu verder door de bedding voort, waar het fijne zand het voortgaan

voor de muilezels en ook voor de kameelen zeer bezwaarlijk maakt;

en weldra stuit ge op een of ander nomadenkamp, dat, in het droge

jaargetijde in het bed der rivier is opgeslagen. De nomaden hebben

daarvoor hunne goede redenen: vooreerst vinden zij hier overal water;

ten andere leveren de doornhagen, waarmede zij hunne kampen omringen,

eene afdoende bescherming op tegen de wilde dieren en de nachtelijke

stroopers, wier nadering bovendien op den witten, helderen zandbodem

kwalijk verborgen kan blijven.

Ik sprak daar van water: alle reizigers, die de Sahara en de omliggende

streken bezocht hebben, weten bij ondervinding, dat naarmate zulk eene

uitgedroogde rivierbedding meer omvang heeft, ook de kans grooter is,

dat men, gravende, op eene diepte van twee tot acht voet water zal

vinden, dat na den regen in het zand is overgebleven. Echter is dit

geen regel zonder uitzondering. Sommige dier rivieren, die op zich

zelf een vrij aanzienlijk profiel hebben, maar ver van de bergen of de

hooglanden verwijderd zijn, hebben alleen dan water, wanneer de was

buitengewoon sterk is geweest: daartoe behoort ook de Gash, althans

in het benedenste gedeelte van haar loop. Daarentegen zult ge andere,

oogenschijnlijk onaanzienlijke spleten vinden, maar die door hare

ligging als tot vergaarbak van de van boven komende wateren dienen,

en die dan ook altijd een overvloed van zuiver water bevatten. De

nomade kent al deze bijzonderheden uit langdurige ervaring, en weet

de waterhoudende _wadis_ of _khors_ aan allerlei bijkans onmerkbare

teekenen te herkennen; de vreemde reiziger, die het land niet kent

en geen vertrouwde gidsen heeft, kan zich daartegen zeer dikwijls in

noodlottige verlegenheid bevinden.

Na een tocht van een paar dagen bereikte ik den Abou-Gamel, die echter

niet, zooals ik mij had voorgesteld, een enkele berg was, maar uit

vier geweldige granietmassa's bestond, die uit eene geheel effen,

maar onvruchtbare en steenachtige vlakte oprezen. Het was mijn plan,

den Aboe-Gamel te bestijgen, althans den voornaamsten berg van de

groep; maar ik moest daarvan afzien, toen ik die wilde verzameling

van reusachtige rotsblokken aanschouwde, in de onbegrijpelijkste

wanorde boven elkander gestapeld. Na eene vruchtelooze poging om

een doortocht te vinden, bepaalde ik mij tot de beklimming van een

naburigen berg, waarvan de kruin gemakkelijker te bereiken viel,

hoewel ook hier het opstijgen nog met vele moeilijkheden gepaard ging,

en zelfs niet zonder gevaar was. Maar het panorama, dat ik van den top

overzag, loonde rijkelijk de moeite: de blik reikte tot aan de Atbara,

en omvatte eene onmetelijke boschrijke vlakte, die zich tot Koroteb,

op den weg naar Gondar, uitstrekte; ten zuidoosten onderscheidde men

zeer duidelijk, te midden der lage bergen en heuvelen van het land

der Basen, den breeden en statig kronkelenden loop van de Gash.

Ik noemde daar den weg van Gondar; dit herinnert mij aan eene episode

uit de geschiedenis dezer streek, die niet van belang ontbloot is.

Van Kassala voert een zijweg--eigenlijk alleen door smokkelaars

gebruikt--in zes dagen naar Kabthia of Kafta, hoofd- en residentiestad

van Oued-Nimr; een tocht van zeven dagen brengt u vandaar naar

Gondar. Oued-Nimr (de zoon van den luipaard) is een zeer opmerkelijk

personage; en vroeger heb ik meermalen het plan opgevat, hem een

bezoek te gaan brengen. Hij is de zoon van den beruchten Melek-Nimr

(de koning-luipaard); vorst van Shendy, die in 1822 Ismaël-Pasja

levend liet verbranden, en toen met zijne aanhangers de wijk nam

naar Mai-Gogoa, op de grenzen van Abyssinië, waar hij zich, ten

koste der egyptische regeering, een soort van onafhankelijken staat

stichtte. Zijn naam is daar zeer populair gebleven, en het volk weet

nog allerlei van hem te verhalen. Toen Nimr oud geworden was, werd bij

blind; maar tot aan zijn dood zette hij zijn guerilla-oorlog en zijne

stroop- en plundertochten tegen de Egyptenaren en hunne onderdanen

voort. De engelsche reiziger Mansfield Parkyns ging hem bezoeken, en

werd zeergoed ontvangen. Nimr had den eed van trouw gedaan aan Oubiëh,

den onderkoning van Tigré, van wien bij Kabthia in leen had ontvangen;

als een getrouw leenman volgde hij zijn heer in den krijg. Op zekeren

dag kwam een der Arabieren van Nimr zich bij Oubiëh beklagen over

een Abyssiniër, die een zijner bloedverwanten verraderlijk verslagen

had. Oubiëh leverde hem den man uit, om met hem te handelen naar

zijn welgevallen. De Arabier trok zijn tweesnijdende _seïf_, hieuw

den moordenaar met een enkelen slag in twee stukken, en vertrok,

na Oubiëh gegroet te hebben, die zelf over deze uiterst lakonische

wijze van rechtspleging verbaasd stond.

Oued-Nimr heeft het handwerk van zijn vader voortgezet, en staat hoog

aangeschreven bij de Soedaneezen, altijd uitgezonderd de lieden,

die van zijne rooverijen te lijden hebben en dus uit den aard

der zaak minder gunstig over hem denken. Tot dusver werden zijne

krijgsbehoeften hem geleverd door de kooplieden van Kassala, hetgeen

alleen mogelijk was door de geheime medewerking van den mudir van Taka,

wien deze verboden handel geen onaardige winst opleverde. De egyptische

regeering drong er bij den negus opaan, dat hij Oued-Nimr straffen zou;

deze antwoordde op dien eisch door zijn gunsteling tot dedjaz (hertog)

van Wolkaït te verheffen. De nieuwe dedjaz dreef de onbeschaamdheid

zoover, dat hij in 1860, in naam van den negus, schatting eischte

van Gouedaref en van het gansche land tot Khartoem.

Dat was te veel voor den mudir Hassan-Bey, en vooral voor den

gouverneur-generaal Mouça-Pasja; er werden troepen afgezonden tegen

den zoon van den luipaard; hij werd geslagen; Mai-Gogoa werd verbrand,

en Nimr moest naar Kabthia terugtrekken. Sedert heeft hij weinig van

zich laten hooren.

De landstreek, waardoor deze weg van Kassala naar Kabthia voert, is

bekend onder den naam van de _Mazaga_ van Nubië: het is een laagland,

geheel met ondoordringbare bosschen bedekt, zeer ongezond, bijkans

geheel verlaten, en alleen nu en dan bezocht door stroopende benden

van de naburige stammen, die op roof uitgaan. Bijna de eenige bewoners

dezer streek zijn leeuwen, luipaarden, olifanten, rhinocerossen,

buffels en antilopen. De mensch heeft hier zeer voorzichtiglijk

het veld geruimd voor de dieren: geen wonder, dat deze geheele

landstreek een waar paradijs voor de jagers mag worden genoemd. In de

laatste jaren hebben zich enkele stoutmoedige jagers hier gewaagd,

onder anderen twee Duitschers, Schmidt en Florian; deze laatste was

tevens zwaardveger in dienst van Oued-Nimr, waarom de Egyptenaren

zijn etablissement te Takassi hebben verwoest. Vandaar een proces,

dat nog altijd hangende is.

In 1861 bevond zich hier de bekende engelsche reiziger Baker, die

met zijne jonge vrouw, eene Hongaarsche, een gansch jaar in de Mazaga

heeft doorgebracht. Ook de heer Munzinger heeft deze streek bezocht,

en daarvan in zijn reisverhaal een zeer belangwekkende beschrijving

gegeven. In Maart van dit jaar (1864) stond mijn vriend, doctor Ori van

Khartoem, gereed, naar dit paradijs van den naturalist te vertrekken,

om daar ten voordeele van het museum van Turijn werkzaam te zijn.--De

geschiedenis van den heer Ori is geen onaardige illustratie van

de tegenwoordige egyptische zeden en gebruiken: daarom zij het mij

vergund, haar in het kort mede te deelen.

Opvolger van den zeer verdienstelijken doctor Peney, had de heer Ori,

een italiaansch geneesheer van groote bekwaamheid, zich bij zijne

komst in het land, vast voorgenomen zijne taak ernstig op te vatten,

en in het belang der openbare gezondheid te Khartoem eenige hoogst

noodige hervormingen tot stand te brengen, reeds vijf jaren vroeger

door den mudir Arakel-Bey, een christen, ontworpen, maar ten gevolge

van zijn vroegen dood, die voor Soedan een ware ramp mocht worden

genoemd, onuitgevoerd gebleven. Om de overstroomingen van den Nijl

te beteugelen, wilde Ori een stevigen dijk opwerpen, in plaats van

de vervallen palissade, die niet verhinderen kon dat de stroom, voet

voor voet, het terrein der oude stad verzwolg; hij drong aan op het

plaatsen van een peilschaal, op de verbetering van de armenkwartieren

der stad, en vooral op de demping van een zeker aantal riolen,

die, vooral omstreeks September, brandpunten en kweekplaatsen van

besmetting waren. Wat van hemzelf afhing, de koepok-ineuting en de

dienst in het militaire hospitaal, werd op de meest voldoende wijze

geregeld. Ongelukkig vaardigde Saïd-Pasja in 1860 een decreet uit,

waarbij de geneesheeren in de provinciën onttrokken werden aan het

rechtstreeksche toezicht van de gezondheidscommissie te Alexandrië,

en geplaatst onder het gezag van de mudirs (prefecten), arabische of

mameluksche ambtenaren, van zeer slecht gehalte, over het algemeen

onwetend, verdorven, schraapzuchtig, in zekeren zin gedwongen om te

stelen, ten einde de hoogergeplaatsten te kunnen voldoen, aan wie zij

hunne benoeming te danken hebben; en voorts uit den aard der zaak

vijandig gezind tegen de geneesheeren, die, welke ook overigens de

mate hunner bekwaamheden moge zijn, toch altijd door beschaving en

ontwikkeling verreweg hunne meerderen zijn. De nieuwe satraap van

Khartoem, Mouça-Pasja, was een prachtexemplaar van dat soort van

lieden, voor wie schaamte en eergevoel onbekende zaken zijn. De heer

Ori, die maar niet scheen te willen begrijpen, dat niet de behartiging

van den algemeenen gezondheidstoestand en de verpleging der zieken

zijn eerste plicht was, maar dat hij bovenal zijn chef behulpzaam

moest wezen in het bestelen van de schatkist en het publiek, werd op

de meest onvoegzame wijze afgezet, en vervangen door een zoogenaamden

christen uit Syrië, wiens zedelijkheidsgevoel tamelijk wel met dat van

den mudir overeenstemde. De tiran vond in hem het gewillige werktuig,

waaraan hij behoefte had, en Soedan zal bij de verwisseling al even

welvaren, als de aangrenzende gewesten in zoo menig soortgelijk geval.

Reize in Taka (Opper-Nubië) De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 12 题