naar de dorpen aan den oever liet roeien. De prauwen zijn hier veel
beter gebouwd dan op de Nieuwe Hebriden. Terwijl men daar den een
of anderen krommen stam gebruikt en hem niet eerst recht houwt,
zijn de booten hier prachtig zuiver van lijn, met mooi toeloopende
einden. De boven-opening van de boot is vaak zeer smal, zoodat men de
beenen achter elkander in de boot moet neerzetten en erop, niet er in,
zit. Maar daardoor vullen zich in open zee de booten veel minder snel
met water. Op de Nieuwe Hebriden is de uitlegger door drie stangen
vast met de boot verbonden en kan niet worden afgenomen, terwijl de
verbinding hier uit een kunstig systeem van stokken en stangen bestaat,
die het resultaat moeten zijn van een lange ervaring en bij groote
stabiliteit hoogst eenvoudig zijn. Men kan daardoor den uitlegger
gemakkelijk van de boot afnemen en doet dat altijd, als men een paar
dagen niet denkt te varen. Men keert de boot dan om en legt haar in
de schaduw, bedekt met palmbladeren. Zoo ziet de reiziger overal aan
het strand de kano's liggen. De inboorling stelt er een eer in, zijn
boot mooi te onderhouden, en wrijft ze daarom vaak in met een brij
van een gestampte soort van wier, waardoor bij het drogen het hout
sneeuwwit wordt, alsof het met gips was bestreken, terwijl de kleur
er niet gauw afgaat. Men kan maar in enkele dorpen de booten maken,
zooals over het algemeen elke tak van industrie maar tot bepaalde
dorpen en familiën beperkt is, menschen, die hun kunst van geslacht
tot geslacht uitoefenen.
Als men bij een dorp landt, is alle handigheid van de inboorlingen
noodig, om de boot op den rug van een golf veilig door de koraalbanken
te loodsen naar den oever daarachter. Daar springen ze snel uit de boot
en trekken die op het strand, voordat een tweede golf ze weer in de
golven terug kan slingeren. Men staat dan meestal vóór een manshoogen
muur van kalkbrokken, waarlangs eenige treedjes voeren naar een smal
terras, waar weer een muur verrijst, die op een derde terras naar
een mannenhuis voert. Meestal ontstond groote opwinding, als ik bij
een dorp landde, en als bekend werd, dat ik voorwerpen kocht, was er
vaak gedrang, doordat mannen uit naburige dorpen kwamen aanloopen,
ieder met een kleinigheid, die hij met veel geschreeuw aan den man
wou brengen, door mij het ding onder den neus te houden. Ik kon mij
soms haast niet bewegen; maar over het algemeen waren de menschen
gemoedelijk en niet brutaal opdringerig.
Later liet ik ze maar aan huis bij den heer M. komen, waardoor alles
veel rustiger toeging. Ze drongen nog wel om mij heen en trokken
mij aan de mouwen, maar het was best te verdragen. Men noodigde mij
meestal uit, in het mannenhuis te komen, wat ik echter slechts op
handen en voeten kon doen, zoo laag en nauw zijn de deuren van die
huizen. De vloeren waren mooi effen en belegd met matten. Er wordt
den gast meestal een nieuwe mat gegeven en men geeft hem dikwijls een
voedzaam stuk pudding, taro en eenige bananen. Komen er meer mannen
binnen, dan wordt men nauwkeurig opgenomen, en bij het onderhandelen
is het merkwaardig, hoeveel er van tusschen de balken te voorschijn
komt. Zeer fijne netten en touwen, eetlepels van parelmoer, sieraden
van been, oorhangers, pijlen, knodsen, dansratels enz. Over alles
wordt gepingeld, en de lieden verstaan de kunst, den handel voor zich
voordeelig te doen zijn. Geld kennen ze zoo goed als niet en willen
het ook liever niet hebben, maar ze houden van wit katoen, tabak,
pijpen, lucifers en dergelijke dingen. Meestal keert men rijkbeladen
naar huis terug en bezoekt den volgenden dag weer een ander dorp, waar
weer andere industrieën worden beoefend. In een dorp vond ik platte
steenen schalen, die wezen op de vervaardiging van de armschelpringen
of trochusringen, waarin handel werd gedreven. De punt van de schelp
wordt in het vuur zacht gebrand, en daarna wordt het midden er uit
geklopt met een steen, en de dan ontstane ruwe ring wordt van buiten
glad gemaakt en op een drievoet gelegd en ook van binnen met een stuk
koraal gepolijst. Trotsch laat dan de kunstenaar de mooie, even groote,
op elkander passende ringen zien.
Elders liggen groote blokken van tridacnaschalen, waarvan de
borstplaten worden gemaakt; weer op een andere plaats maakt men kano's,
en er wordt veel aan weven gedaan. Het voorkomen van den weefstoel
scheidt de beschaving van de Santa-Cruzeilanden volkomen van die der
Nieuwe Hebriden, waar de weefstoel niet voorkomt. Men ziet hier het
instrument in zijn eenvoudigsten vorm, waarin het tot in Amerika is
doorgedrongen. De eene lat van het raam wordt aan een balk van de hut
bevestigd, door de andere spant de man, want alleen de mannen doen aan
het weven, door middel van een om den rug gebonden band de schering
en zittend gooit hij het spoeltje door de draden, die hij door het
optillen van twee primitieve kammen met de linkerhand doet afwisselen.
Het veroorzaakt groote pret, als de blanke zelf erbij gaat zitten
en probeert te weven, waarbij hij niet zeer handig is, maar men
is graag bereid, het hem voor te doen. Als vezelstof gebruiken ze
bananenbladeren en behalve die vezels maken ze ook van zwarte vezels
gebruik, om aardige patronen in de matten te weven. Ze weven ook stof
voor vrouwenkleêren, die grof en primitief is, en verder mooie taschjes
voor geld en de benoodigdheden van het betelkauwen, dat hier en daar in
zwang is. Kleine lapjes stof doen wel als geld dienst, en dan is er het
zeer interessante vedergeld, dat groote waarde heeft. Men plukt, om dat
te krijgen, een klein, donker honingvogeltje met roode borst de roode
veêrtjes uit en kleeft die met hars naast elkaar tot een schijfje,
zoodat alle roode veêrpunten naast elkander komen te liggen. Meer
dan duizend van die schijfjes of plaatjes worden dan laagsgewijze
als schubben aan een drie tot vier meter langen riem bevestigd en die
riem wordt opgerold. Zoo'n rol vormt een groot vermogen, zonder dat
men er practisch iets aan heeft, net als met geld het geval is. De
rollen worden zorgvuldig in tapa of baststof gewikkeld en in de hut
bewaard. Van tijd tot tijd verheugt zich de bezitter over den glans
en de pracht van de kleur der veêrtjes, tot na een paar geslachten
langzamerhand de veêrtjes loslaten en verbleeken en dus de geldswaarde
ook vervlogen is. Bedenkt men, dat, om zulk een rol te maken, honderden
kleine vogeltjes met een pijl gedood of in een strik gevangen moeten
worden, dan kan men begrijpen, dat een geldrol groote waarde moet
hebben en een reuzenarbeid vertegenwoordigt. Men kan dan ook met
een enkele rol de mooiste vrouw uit de streek koopen. Afzonderlijke
vederschijfjes doen als kleingeld dienst. Bij groote feesten versiert
men met de geldstrooken de dansplaatsen, die meestal ronde, door
brokken koraal ingesloten ruimten aan het strand zijn.
Voor den dans versieren zich de mannen met een van parelmoer gemaakt
neussieraad, dat in het doorboorde tusschenschot van den neus wordt
gedragen en neerhangt tot op de kin. Door gaatjes in de neusvleugels
worden naar boven gerichte stokjes gestoken, en in het haar worden
houten sieraden gestoken, waaraan roode veêrtjes van het vedergeld zijn
vastgekleefd. Bovendien steekt men achter in den gordel waaiervormige
bladeren en geeft daaraan bij den stampenden dans een schommelende
beweging.
Zeer eigenaardig is hier de plaats van de vrouw, ofschoon men geen
suque en scheiding van de vuren en de geslachten kent. Het lijkt
hier wel, of de ijverzucht van de mannen bijzonder sterk is en bijna
belachelijke maatregelen meebrengt. Het woondorp, waar de vrouwen
leven en de gehuwden slapen, is altijd ver van het mannenhuis en de
dansplaats, ligt ook wat meer naar binnen en is door hooge muren
omgeven, evenals elk huis afzonderlijk. Het is mij nooit gelukt,
zulk een huis van dichtbij te zien, want op straffe des doods is
het den vreemdeling verboden, het vrouwendorp te betreden. Voor de
inboorlingen geldt de regel, dat het aankijken van de vrouwen uit
een ander dorp een groote zonde is tegen de zedelijkheid.
De vrouwen van Santa-Cruz schijnen trouwens niet mooi te wezen in
tegenstelling van die der Rifeilanden, van wie ik later nog mooie
staaltjes te zien kreeg. Het strand voor de dorpen wordt verdeeld in
een afdeeling voor de mannen en een voor de vrouwen, waartusschen geen
verkeer geoorloofd is. Ook de naburige dorpen zijn door steenen muren
gescheiden, die van het land uit tot in zee reiken en alle gezicht
benemen. Op het land zelf zijn de dorpen door bosch gescheiden,
waar maar een smal pad doorheen voert en waar geen boomen mogen
worden geveld.
Visschen is de voornaamste morgenbezigheid van de mannen, als de
vrouwen op het veld aan het werk zijn. Het ziet er bekoorlijk uit,
als een groep bruine prauwen zich ophoudt op het schitterende water,
en de mannen, in allerlei houdingen op de booten of tot de heupen
in het water staand, de volle netten ophalen en de glanzende massa
in hun scheepjes verzamelen. Het is zulk een vroolijk en vreedzaam
werk, dat men haast niet kan denken, dat deze menschen nooit zonder
vergiftige pijlen uitgaan. Trouwens valt het op, hoe volkomen rustig
het in de baai toegaat, veel rustiger dan wanneer twee duizend blanken
zonder politie samen moesten wonen. Wel is er nu en dan oorlog, en er
gebeurt wel eens wat in het verborgen, dat het daglicht niet mag zien,
maar over het geheel maakt de bevolking een tevreden en gelukkigen
indruk. Als ieder natuurmensch heeft ook hier de inboorling een fijn
gevoel voor behoorlijkheid en fatsoen. Ruzie en onbeleefdheid merkt
men nooit, en toevallige meeningsverschillen worden met een grapje
bijgelegd, zoodat het grove en ruwe optreden van den blanke er sterk
bij afsteekt. Uit dit oogpunt kan men niet heel goed inzien, dat de
beschaving hier voor goeds kan doen; ze zal de menschen niet beter
maken, maar mogelijk maakt ze hen gelukkiger, door de verveling te
verminderen, waar de inboorlingen wel onder schijnen te lijden.
Ik verlangde er natuurlijk naar, een dansfeest bij te wonen. Mijn
bedienden deelden mij op een avond mee, dat er een feest aan de baai
aan den overkant zou plaats hebben. We besloten, nog gauw heen te varen
en roeiden hard in de duisternis naar buiten. De sterrenlooze hemel gaf
een flauw licht en was half bewolkt, zoodat een zilverig schijnsel op
het water lag. In de nachtelijke stilte klonken de roeislagen scherp
en helder, en de boot was haast niet te zien, zoodat het leek, alsof
wij alleen over het water gleden, een onwezenlijk gevoel. Plotseling
werd het lichter, alsof de roeiriemen zilver schepten uit de diepte,
dat in vonken om ons stroomde. De naakte roeier voor mij straalde als
een marmeren beeld; zijn mooie lichaam verhief zich met de regelmatige
roeislagen, zoodat het zilveren schijnsel over de gladde huid heen
en weer gleed en het spel der spieren prachtig verlichtte.
Het gevoel van tijd verdween, tot we in de stilte eindelijk het
ruischen van de branding hoorden, die zich op de riffen wierp. Wij
voeren langzamer, en daarmee week ook de droom. We volgden den oever
en zochten naar een ingang, dien we eindelijk vonden, doordat de
inboorlingen met de riemen naar bekende klippen voelden. Een golf
hief ons op, met volle energie roeiden de zwarten en snel schoten
we op een golfrug over de koraalbank en voeren knarsend over fijn,
wit zand. Van daar droegen we de kano aan het strand en begaven ons
naar het mannenhuis.
Tot mijn spijt had men om het onstuimige weêr het dansfeest afgezegd,
maar de goede menschen wilden mij niet teleurstellen en improviseerden
een feest, waaraan echter alle geestdrift ontbrak en dat dus zeer
prozaïsch uitviel. Na eenigen tijd voeren wij onverrichterzake terug.
Met de kotter van den heer M. deden we eenigen tijd daarna een
reis naar Utupua ten zuidoosten van Nitendi en voeren de liefelijke
Carlislebaai binnen. Daar behoort de grond aan de bewoners van de
Rif-eilanden, die het eilandje eens hebben veroverd en er nu een
paar maanden elk jaar heengingen, om sago in te zamelen. Sago is op
de Nieuwe Hebriden totaal onbekend.
Ik kreeg nu de groote booten te zien, waarin deze menschen zeer verre
reizen ondernemen. Het zijn uitleggersbooten naar het beginsel van
de gewone prauwen. De eigenlijke boot is een uitgeholde reuzenstam,
die overdekt wordt, opdat hij zich niet kan vullen. De passagiers
bevinden zich niet op de eigenlijke boot, maar op de brug, die boot
en uitlegger verbindt. Die ligt zoowat anderhalven meter boven het
water en biedt ruimte genoeg voor desnoods veertig man. Een klein
huisje beschut voor regen en dient als slaapverblijf. Men gebruikt
voor de voortbeweging in de eerste plaats zeilen, die uit palmbast
zijn vervaardigd, tweepuntig met een mooien gegolfden rand. De zeilen
kunnen aan beide einden van de boot worden vastgemaakt, zoodat men
elken wind kan gebruiken; maar tegen den wind zeilen kan men er niet
mee. De zeilen zijn zeer licht en kunnen gemakkelijk worden ingenomen;
om te roeien dienen lange riemen met breede bladen. De aanblik van
zulk een boot is uiterst schilderachtig, en het reizen ermee is net
zoo veilig als met een europeesche kotter.
De menschen van de Rifeilanden zijn zeer polynesisch in taal en
voorkomen. Sommigen zijn zeer licht van tint en hebben sluik haar;
de vrouwen vertoonen de gelijkenis veel sterker dan de mannen, zoodat
men enkele van haar voor Samoaanschen zou aanzien, als niet het haar
kroes was. Het waren meestal mooie, volle gestalten met regelmatige
trekken, door niets ontsierd. Bij het tapaschort droegen ze alle
een nauwen gordel van boomschors. Naar polynesischen smaak leven
ze niet gescheiden van de mannen, en het gelukte mij gemakkelijk,
ze tot het photografeeren over te halen. Ze staan stellig boven de
weinige vrouwen, die ik elders aan de Graciosabaai te zien kreeg.
Na onzen terugkeer volgden er drie weken van aanhoudenden regen,
waarin alle paar uur een stortbui op ons neerplofte met onweêr des
nachts en donder onder het ratelen van den regen op het plaatijzeren
dak. De vochtigheid was zoodanig, dat alles doorweekt werd en wijzelven
moe en ontstemd werden. Ik was dus blij, toen de stoomboot aankwam
en ik kon afreizen. Er waren niet veel passagiers en ik hoopte al op
een snelle vaart, maar, helaas, de volgende drie weken waren van de
alleronaangenaamste van de heele reis.
Al dadelijk vernam ik, dat het schip niet genoeg ballast had, daar een
van de thans ledige kolentanks niet dicht was en dus niet met water kon
worden gevuld. Daarbij hadden we op het dek behalve de reddingsbooten
en die voor de landing vier groote booten van zendelingen, die ter
reparatie naar Port Vila moesten worden gebracht, wat voor het kleine
schip een veel te groote deklading was. Daar was echter niets aan te
veranderen, en we hoopten op gunstig weêr, dat we in dat jaargetijde
ook moesten hebben. Het ging dan ook goed over Utupa en Vanikora
naar Tucopia. We waren daar maar vier uur, maar die waren voldoende
interessant, om alle verdere onaangenaamheden der reis te vergoeden.
Tucopia is een heel klein kegeleiland, eenzaam in de wijde zee
gelegen, en dat is de reden, waarom zich daar een polynesische
bevolking tot heden nog volkomen zuiver en primitief in stand heeft
kunnen houden. Het zal wel het eenige eiland van de wereld zijn,
waar nog echte, oorspronkelijke Polynesiërs wonen. Toen de stoomboot
het eiland naderde, zagen we de menschen als kleine punten opgewonden
op het rif op en neer loopen, en al spoedig konden we enkele kano's
onderscheiden, die ons tegemoet voeren. De inzittenden boden een voor
mij volkomen nieuwen aanblik. In plaats van de donkere, kroesharige
Melanesiërs zag ik lange, bijna lichtgele gestalten, die omhuld waren
door manen van dicht, lang, gouden haar. Al gauw kwamen ze aan boord
en bleken echte heldenfiguren; geen een was onder de 1.75 meter
groot; ze hadden zachte, donkere oogen, een vriendelijken lach en
kinderlijk vertrouwelijke gebaren. Overal liepen ze rond op het schip;
alles wilden ze zien en aanvatten en meenemen, zoodat het goed was,
dat wij de hutten wijselijk hadden gesloten. Weigerden we iets, dan
vleiden en streelden ze ons, die als zwakke kinderen naast hen waren.
Maar ik maakte haast, om aan land te komen. Daar wachtte ons aan den
rand van het rif een dichte, opgewonden menigte, die onze aankomst
nauwelijks kon afwachten, de boot aan den wal haalde en ons en alles
aangreep en op de koralen neerzette. Twee mannen grepen mij onder
de armen, en of ik wilde of niet, stapten ze vliegensvlug over de
plassen op het rif naar den oever. Ik was eerst niet gesticht over
die vriendelijkheid; maar het zou mij weinig hebben gebaat, mij te
verweren in de armen van die reusachtige lieden. Aan land zette men mij
zorgvuldig neer als een breekbaar voorwerp, lachte tegen mij, klopte
mij op de schouders en streek mij over den rug. Weldra deponeerde men
op dezelfde manier een zendeling naast mij. We keken elkander vragend
aan, want zulk een ontvangst was ons nieuw. Tot onze groote verbazing
kwam een man op ons toe, die een weinig Biche la mar kon spreken. Hij
vroeg ons eerst op krachtigen toon, of we geen ziekte aan boord hadden
want dan mochten we niet landen. Wij konden dat met een zuiver geweten
ontkennen. De reden, waarom hij het vroeg, was, dat er eens een schip
met mazelen aan boord was geland, dat het eiland besmet had, wat aan
veertig inboorlingen het leven had gekost. Verstandiger dan de blanken,
beproefden de inboorlingen nu zelf een quarantaine uit te oefenen.
Daarop werd ons beduid, dat we de hooge eer zouden genieten, aan
het hoofd te worden voorgesteld. Dat was inderdaad een eer, want in
polynesische streken genieten de hoofden een goddelijke vereering,
en hun wil is voor iedereen als een bevel. Om bij het hoofd te worden
toegelaten, moesten we onze hoeden afzetten en werden daarna naar
een schaduwrijk plein gevoerd, waar de mannen in een kring om het
hoofd zaten neergehurkt. Het was een zware, gespierde man, die op een
troonachtigen zetel was gezeten, terwijl naast hem tegen een boom de
staats-lans was neergezet. De spreker kroop op handen en voeten naar
hem toe en meldde ons aan; we traden naar voren en schudden hem de
hand, waarvoor we met een vriendelijk lachje bedankt werden.
Toen werd ons met een voorname handbeweging beduid, dat we naast hem
mochten plaats nemen. Eenige vrouwen brachten een schaal vol yams en
taro en eenige kokosschalen, waarin zich een papje bevond. We proefden
het en bevonden, dat het lekkere sago was met kokosboter overgoten,
zoodat het ons beiden goed smaakte, maar we konden tot spijt van
de menschen onze portie niet geheel gebruiken. Met een herhaald
handendrukken, groeten en lachen eindigde de audiëntie, en wij waren
vrij, op het eiland rond te slenteren terwijl de vriendelijke, zware
man ernstig bleef zitten.
Ik liep door de dorpen, waarbij een paar mannen als gidsen dienden. De
huizen waren eenvoudige afdaken, in groepen langs de randen van de
velden geplaatst. Wat dichter bij het strand staat een mannenhuis;
daar zijn ook de bergplaatsen voor de kano's, die van hard hout zijn
gebouwd en niet zeer groot zijn, met hoogen voorsteven. Aantrekkelijk
was de aanblik van het strand, waar hooge, zware boomen het witte zand
overschaduwden. Terwijl op melanesische eilanden enkel de dansplaatsen
zijn vrijgehouden en door een groenen wand worden omzoomd, was hier
alle struikgewas verwijderd, doordat er van wantrouwen en schuwheid
hier geen sprake was. De oever was een parklandschap, waar men tusschen
donkere, mooi gegroepeerde stammen een ver uitzicht op de blauwe
zee had, en waar in de schaduw de schoone, goed geproportionneerde
gestalten liepen, vrij en waardig of opgewonden zich verdringend om
de vreemden.
Door de open en vertrouwelijke hartelijkheid was het een geheel
ander tooneel, dan waaraan ik gewend was, zoo onschuldig vroolijk,
weldoend en aantrekkelijk, dat het dringend uitnoodigde tot blijven,
ook al hadden de lachende menschen met bloemenslingers om den hals en
bloemen in het haar ons niet genoodigd tot een langer oponthoud. Men
kan het waarlijk de zeelieden van vroeger niet kwalijk nemen, dat ze
vaak op polynesische eilanden deserteerden bij dozijnen en van hun
schepen wegliepen, om te leven in dat verwezenlijkte ideale land in
plaats van hun existentie op een walvischvanger voort te zetten.
Telkens was het mij, of ik een klassiek tooneel in de werkelijkheid
zag opgevoerd, en de betoovering van het liefelijke eiland Tucopia
werd als een bedwelmende drank, die den weerstand verlamde. De groote,
goudharige kinderen schenen het te voelen, hoe goed het ons bij hen
beviel en drongen ons weer stellig en toch bescheiden, om met hen te
gaan en bij hen te blijven en hun rustig leven te deelen. Maar het kon
niet zijn; we moesten wegvaren. Een jonge man zou met ons naar Norfolk
varen. Hij nam van zijn familie en van de oude hoofden der geslachten
afscheid, de laatste eerwaardige grijsaards met scherpe, welmeenende
trekken en dun grijs haar en baard. Deemoedig boog de jongeling het
hoofd op den schoot van den oude. Die legde zijn hand hem op het
hoofd en mompelde eenige woorden, hief den jongeling op en drukte het
gezicht op het zijne, zoodat de neuzen elkander licht aanraakten. De
knaap onderdrukte zijn tranen en ging mee, om later zijn reinen,
witten tapagordel te verwisselen met europeesche katoenen kleeding.
Toen ik aan boord terugkeerde, wemelde het van mannen en vrouwen,
maar wij wilden vertrekken, en daar de menschen het schip niet
goedschiks wilden verlaten, werden ze weggedrongen. De weinige
kano's waren overvuld, en de rest sprong in de blauwe zee en zwom
onder jubelgeroep naar het verwijderde land, behagelijk zich latende
drijven, terwijl het lange, lichte haar achter hen dreef. Zoo zag ik
het droomeiland voor het laatst in het licht der ondergaande zon. En
nog zie ik den knaap, die met een liaan omwonden en met een krans van
bloemen voorop op het schip stond en weemoedig naar het verdwijnende
vaderland staarde, de belichaming ook van ons verlangen.
Op het eiland kent men geen moord of twist. Als iemand de rust
verstoort, beveelt hem een der machtige hoofden zijn kano te bestijgen
en weg te varen. Men geeft hem wat eten mee, en hij mag zich niet
meer laten zien. Het gebeurt dan wel, dat zulk een ongelukkige zich
niet ver van de kust verdrinkt; maar op het eiland heerscht vrede.
Wij voeren in den regen naar het Zuidwesten en bereikten des morgens
de Torreseilanden.
Den volgenden dag haalden we Ureparapara, dat we echter te laat
bereikten, om in de baai binnen te varen, zoodat we den heelen nacht
buiten moesten kruisen. We deden nog enkele plaatsen in de Banksgroep
aan en ankerden dan aan de westzijde van Gaua. Daar, waar ik eens een
cycloon heb bijgewoond, overviel ons nu weer een cycloonachtige wind,
die ons geweldig schudde. Bezorgd keek de kapitein naar de knarsende
ankerkettingen, want als die breken, dreef het schip hulpeloos in
den woedenden oceaan. Vijf dagen lang moesten we zoo tusschen hoop
en vrees wachten, of de kettingen, het zouden houden en het anker
niet zou gaan slepen.
Het verblijf aan boord was ver van gemoedelijk, en eindelijk waagde
de kapitein het, te gaan varen; maar het schip danste als een kurk op
de hooge zeeën, en het zou onzinnig zijn geweest, verder te gaan. We
keerden naar de ankerplaats terug en voeren naar de achterzijde van
het eiland. Eerst de derde maal gelukte de poging en na nog hevigen
strijd tegen de golven kwamen we over Mera Lava, Maevo en Aoba
te Port Vila. Twee dagen later ging ik aan boord van de "Pacific"
naar Sydney en had daar dadelijk aansluiting aan de Lloydstoomboot,
die mij in Genua aan land zette.