Ik kocht mij dadelijk een prauw, waarmee ik mij door mijn bedienden

naar de dorpen aan den oever liet roeien. De prauwen zijn hier veel

beter gebouwd dan op de Nieuwe Hebriden. Terwijl men daar den een

of anderen krommen stam gebruikt en hem niet eerst recht houwt,

zijn de booten hier prachtig zuiver van lijn, met mooi toeloopende

einden. De boven-opening van de boot is vaak zeer smal, zoodat men de

beenen achter elkander in de boot moet neerzetten en erop, niet er in,

zit. Maar daardoor vullen zich in open zee de booten veel minder snel

met water. Op de Nieuwe Hebriden is de uitlegger door drie stangen

vast met de boot verbonden en kan niet worden afgenomen, terwijl de

verbinding hier uit een kunstig systeem van stokken en stangen bestaat,

die het resultaat moeten zijn van een lange ervaring en bij groote

stabiliteit hoogst eenvoudig zijn. Men kan daardoor den uitlegger

gemakkelijk van de boot afnemen en doet dat altijd, als men een paar

dagen niet denkt te varen. Men keert de boot dan om en legt haar in

de schaduw, bedekt met palmbladeren. Zoo ziet de reiziger overal aan

het strand de kano's liggen. De inboorling stelt er een eer in, zijn

boot mooi te onderhouden, en wrijft ze daarom vaak in met een brij

van een gestampte soort van wier, waardoor bij het drogen het hout

sneeuwwit wordt, alsof het met gips was bestreken, terwijl de kleur

er niet gauw afgaat. Men kan maar in enkele dorpen de booten maken,

zooals over het algemeen elke tak van industrie maar tot bepaalde

dorpen en familiën beperkt is, menschen, die hun kunst van geslacht

tot geslacht uitoefenen.

Als men bij een dorp landt, is alle handigheid van de inboorlingen

noodig, om de boot op den rug van een golf veilig door de koraalbanken

te loodsen naar den oever daarachter. Daar springen ze snel uit de boot

en trekken die op het strand, voordat een tweede golf ze weer in de

golven terug kan slingeren. Men staat dan meestal vóór een manshoogen

muur van kalkbrokken, waarlangs eenige treedjes voeren naar een smal

terras, waar weer een muur verrijst, die op een derde terras naar

een mannenhuis voert. Meestal ontstond groote opwinding, als ik bij

een dorp landde, en als bekend werd, dat ik voorwerpen kocht, was er

vaak gedrang, doordat mannen uit naburige dorpen kwamen aanloopen,

ieder met een kleinigheid, die hij met veel geschreeuw aan den man

wou brengen, door mij het ding onder den neus te houden. Ik kon mij

soms haast niet bewegen; maar over het algemeen waren de menschen

gemoedelijk en niet brutaal opdringerig.

Later liet ik ze maar aan huis bij den heer M. komen, waardoor alles

veel rustiger toeging. Ze drongen nog wel om mij heen en trokken

mij aan de mouwen, maar het was best te verdragen. Men noodigde mij

meestal uit, in het mannenhuis te komen, wat ik echter slechts op

handen en voeten kon doen, zoo laag en nauw zijn de deuren van die

huizen. De vloeren waren mooi effen en belegd met matten. Er wordt

den gast meestal een nieuwe mat gegeven en men geeft hem dikwijls een

voedzaam stuk pudding, taro en eenige bananen. Komen er meer mannen

binnen, dan wordt men nauwkeurig opgenomen, en bij het onderhandelen

is het merkwaardig, hoeveel er van tusschen de balken te voorschijn

komt. Zeer fijne netten en touwen, eetlepels van parelmoer, sieraden

van been, oorhangers, pijlen, knodsen, dansratels enz. Over alles

wordt gepingeld, en de lieden verstaan de kunst, den handel voor zich

voordeelig te doen zijn. Geld kennen ze zoo goed als niet en willen

het ook liever niet hebben, maar ze houden van wit katoen, tabak,

pijpen, lucifers en dergelijke dingen. Meestal keert men rijkbeladen

naar huis terug en bezoekt den volgenden dag weer een ander dorp, waar

weer andere industrieën worden beoefend. In een dorp vond ik platte

steenen schalen, die wezen op de vervaardiging van de armschelpringen

of trochusringen, waarin handel werd gedreven. De punt van de schelp

wordt in het vuur zacht gebrand, en daarna wordt het midden er uit

geklopt met een steen, en de dan ontstane ruwe ring wordt van buiten

glad gemaakt en op een drievoet gelegd en ook van binnen met een stuk

koraal gepolijst. Trotsch laat dan de kunstenaar de mooie, even groote,

op elkander passende ringen zien.

Elders liggen groote blokken van tridacnaschalen, waarvan de

borstplaten worden gemaakt; weer op een andere plaats maakt men kano's,

en er wordt veel aan weven gedaan. Het voorkomen van den weefstoel

scheidt de beschaving van de Santa-Cruzeilanden volkomen van die der

Nieuwe Hebriden, waar de weefstoel niet voorkomt. Men ziet hier het

instrument in zijn eenvoudigsten vorm, waarin het tot in Amerika is

doorgedrongen. De eene lat van het raam wordt aan een balk van de hut

bevestigd, door de andere spant de man, want alleen de mannen doen aan

het weven, door middel van een om den rug gebonden band de schering

en zittend gooit hij het spoeltje door de draden, die hij door het

optillen van twee primitieve kammen met de linkerhand doet afwisselen.

Het veroorzaakt groote pret, als de blanke zelf erbij gaat zitten

en probeert te weven, waarbij hij niet zeer handig is, maar men

is graag bereid, het hem voor te doen. Als vezelstof gebruiken ze

bananenbladeren en behalve die vezels maken ze ook van zwarte vezels

gebruik, om aardige patronen in de matten te weven. Ze weven ook stof

voor vrouwenkleêren, die grof en primitief is, en verder mooie taschjes

voor geld en de benoodigdheden van het betelkauwen, dat hier en daar in

zwang is. Kleine lapjes stof doen wel als geld dienst, en dan is er het

zeer interessante vedergeld, dat groote waarde heeft. Men plukt, om dat

te krijgen, een klein, donker honingvogeltje met roode borst de roode

veêrtjes uit en kleeft die met hars naast elkaar tot een schijfje,

zoodat alle roode veêrpunten naast elkander komen te liggen. Meer

dan duizend van die schijfjes of plaatjes worden dan laagsgewijze

als schubben aan een drie tot vier meter langen riem bevestigd en die

riem wordt opgerold. Zoo'n rol vormt een groot vermogen, zonder dat

men er practisch iets aan heeft, net als met geld het geval is. De

rollen worden zorgvuldig in tapa of baststof gewikkeld en in de hut

bewaard. Van tijd tot tijd verheugt zich de bezitter over den glans

en de pracht van de kleur der veêrtjes, tot na een paar geslachten

langzamerhand de veêrtjes loslaten en verbleeken en dus de geldswaarde

ook vervlogen is. Bedenkt men, dat, om zulk een rol te maken, honderden

kleine vogeltjes met een pijl gedood of in een strik gevangen moeten

worden, dan kan men begrijpen, dat een geldrol groote waarde moet

hebben en een reuzenarbeid vertegenwoordigt. Men kan dan ook met

een enkele rol de mooiste vrouw uit de streek koopen. Afzonderlijke

vederschijfjes doen als kleingeld dienst. Bij groote feesten versiert

men met de geldstrooken de dansplaatsen, die meestal ronde, door

brokken koraal ingesloten ruimten aan het strand zijn.

Voor den dans versieren zich de mannen met een van parelmoer gemaakt

neussieraad, dat in het doorboorde tusschenschot van den neus wordt

gedragen en neerhangt tot op de kin. Door gaatjes in de neusvleugels

worden naar boven gerichte stokjes gestoken, en in het haar worden

houten sieraden gestoken, waaraan roode veêrtjes van het vedergeld zijn

vastgekleefd. Bovendien steekt men achter in den gordel waaiervormige

bladeren en geeft daaraan bij den stampenden dans een schommelende

beweging.

Zeer eigenaardig is hier de plaats van de vrouw, ofschoon men geen

suque en scheiding van de vuren en de geslachten kent. Het lijkt

hier wel, of de ijverzucht van de mannen bijzonder sterk is en bijna

belachelijke maatregelen meebrengt. Het woondorp, waar de vrouwen

leven en de gehuwden slapen, is altijd ver van het mannenhuis en de

dansplaats, ligt ook wat meer naar binnen en is door hooge muren

omgeven, evenals elk huis afzonderlijk. Het is mij nooit gelukt,

zulk een huis van dichtbij te zien, want op straffe des doods is

het den vreemdeling verboden, het vrouwendorp te betreden. Voor de

inboorlingen geldt de regel, dat het aankijken van de vrouwen uit

een ander dorp een groote zonde is tegen de zedelijkheid.

De vrouwen van Santa-Cruz schijnen trouwens niet mooi te wezen in

tegenstelling van die der Rifeilanden, van wie ik later nog mooie

staaltjes te zien kreeg. Het strand voor de dorpen wordt verdeeld in

een afdeeling voor de mannen en een voor de vrouwen, waartusschen geen

verkeer geoorloofd is. Ook de naburige dorpen zijn door steenen muren

gescheiden, die van het land uit tot in zee reiken en alle gezicht

benemen. Op het land zelf zijn de dorpen door bosch gescheiden,

waar maar een smal pad doorheen voert en waar geen boomen mogen

worden geveld.

Visschen is de voornaamste morgenbezigheid van de mannen, als de

vrouwen op het veld aan het werk zijn. Het ziet er bekoorlijk uit,

als een groep bruine prauwen zich ophoudt op het schitterende water,

en de mannen, in allerlei houdingen op de booten of tot de heupen

in het water staand, de volle netten ophalen en de glanzende massa

in hun scheepjes verzamelen. Het is zulk een vroolijk en vreedzaam

werk, dat men haast niet kan denken, dat deze menschen nooit zonder

vergiftige pijlen uitgaan. Trouwens valt het op, hoe volkomen rustig

het in de baai toegaat, veel rustiger dan wanneer twee duizend blanken

zonder politie samen moesten wonen. Wel is er nu en dan oorlog, en er

gebeurt wel eens wat in het verborgen, dat het daglicht niet mag zien,

maar over het geheel maakt de bevolking een tevreden en gelukkigen

indruk. Als ieder natuurmensch heeft ook hier de inboorling een fijn

gevoel voor behoorlijkheid en fatsoen. Ruzie en onbeleefdheid merkt

men nooit, en toevallige meeningsverschillen worden met een grapje

bijgelegd, zoodat het grove en ruwe optreden van den blanke er sterk

bij afsteekt. Uit dit oogpunt kan men niet heel goed inzien, dat de

beschaving hier voor goeds kan doen; ze zal de menschen niet beter

maken, maar mogelijk maakt ze hen gelukkiger, door de verveling te

verminderen, waar de inboorlingen wel onder schijnen te lijden.

Ik verlangde er natuurlijk naar, een dansfeest bij te wonen. Mijn

bedienden deelden mij op een avond mee, dat er een feest aan de baai

aan den overkant zou plaats hebben. We besloten, nog gauw heen te varen

en roeiden hard in de duisternis naar buiten. De sterrenlooze hemel gaf

een flauw licht en was half bewolkt, zoodat een zilverig schijnsel op

het water lag. In de nachtelijke stilte klonken de roeislagen scherp

en helder, en de boot was haast niet te zien, zoodat het leek, alsof

wij alleen over het water gleden, een onwezenlijk gevoel. Plotseling

werd het lichter, alsof de roeiriemen zilver schepten uit de diepte,

dat in vonken om ons stroomde. De naakte roeier voor mij straalde als

een marmeren beeld; zijn mooie lichaam verhief zich met de regelmatige

roeislagen, zoodat het zilveren schijnsel over de gladde huid heen

en weer gleed en het spel der spieren prachtig verlichtte.

Het gevoel van tijd verdween, tot we in de stilte eindelijk het

ruischen van de branding hoorden, die zich op de riffen wierp. Wij

voeren langzamer, en daarmee week ook de droom. We volgden den oever

en zochten naar een ingang, dien we eindelijk vonden, doordat de

inboorlingen met de riemen naar bekende klippen voelden. Een golf

hief ons op, met volle energie roeiden de zwarten en snel schoten

we op een golfrug over de koraalbank en voeren knarsend over fijn,

wit zand. Van daar droegen we de kano aan het strand en begaven ons

naar het mannenhuis.

Tot mijn spijt had men om het onstuimige weêr het dansfeest afgezegd,

maar de goede menschen wilden mij niet teleurstellen en improviseerden

een feest, waaraan echter alle geestdrift ontbrak en dat dus zeer

prozaïsch uitviel. Na eenigen tijd voeren wij onverrichterzake terug.

Met de kotter van den heer M. deden we eenigen tijd daarna een

reis naar Utupua ten zuidoosten van Nitendi en voeren de liefelijke

Carlislebaai binnen. Daar behoort de grond aan de bewoners van de

Rif-eilanden, die het eilandje eens hebben veroverd en er nu een

paar maanden elk jaar heengingen, om sago in te zamelen. Sago is op

de Nieuwe Hebriden totaal onbekend.

Ik kreeg nu de groote booten te zien, waarin deze menschen zeer verre

reizen ondernemen. Het zijn uitleggersbooten naar het beginsel van

de gewone prauwen. De eigenlijke boot is een uitgeholde reuzenstam,

die overdekt wordt, opdat hij zich niet kan vullen. De passagiers

bevinden zich niet op de eigenlijke boot, maar op de brug, die boot

en uitlegger verbindt. Die ligt zoowat anderhalven meter boven het

water en biedt ruimte genoeg voor desnoods veertig man. Een klein

huisje beschut voor regen en dient als slaapverblijf. Men gebruikt

voor de voortbeweging in de eerste plaats zeilen, die uit palmbast

zijn vervaardigd, tweepuntig met een mooien gegolfden rand. De zeilen

kunnen aan beide einden van de boot worden vastgemaakt, zoodat men

elken wind kan gebruiken; maar tegen den wind zeilen kan men er niet

mee. De zeilen zijn zeer licht en kunnen gemakkelijk worden ingenomen;

om te roeien dienen lange riemen met breede bladen. De aanblik van

zulk een boot is uiterst schilderachtig, en het reizen ermee is net

zoo veilig als met een europeesche kotter.

De menschen van de Rifeilanden zijn zeer polynesisch in taal en

voorkomen. Sommigen zijn zeer licht van tint en hebben sluik haar;

de vrouwen vertoonen de gelijkenis veel sterker dan de mannen, zoodat

men enkele van haar voor Samoaanschen zou aanzien, als niet het haar

kroes was. Het waren meestal mooie, volle gestalten met regelmatige

trekken, door niets ontsierd. Bij het tapaschort droegen ze alle

een nauwen gordel van boomschors. Naar polynesischen smaak leven

ze niet gescheiden van de mannen, en het gelukte mij gemakkelijk,

ze tot het photografeeren over te halen. Ze staan stellig boven de

weinige vrouwen, die ik elders aan de Graciosabaai te zien kreeg.

Na onzen terugkeer volgden er drie weken van aanhoudenden regen,

waarin alle paar uur een stortbui op ons neerplofte met onweêr des

nachts en donder onder het ratelen van den regen op het plaatijzeren

dak. De vochtigheid was zoodanig, dat alles doorweekt werd en wijzelven

moe en ontstemd werden. Ik was dus blij, toen de stoomboot aankwam

en ik kon afreizen. Er waren niet veel passagiers en ik hoopte al op

een snelle vaart, maar, helaas, de volgende drie weken waren van de

alleronaangenaamste van de heele reis.

Al dadelijk vernam ik, dat het schip niet genoeg ballast had, daar een

van de thans ledige kolentanks niet dicht was en dus niet met water kon

worden gevuld. Daarbij hadden we op het dek behalve de reddingsbooten

en die voor de landing vier groote booten van zendelingen, die ter

reparatie naar Port Vila moesten worden gebracht, wat voor het kleine

schip een veel te groote deklading was. Daar was echter niets aan te

veranderen, en we hoopten op gunstig weêr, dat we in dat jaargetijde

ook moesten hebben. Het ging dan ook goed over Utupa en Vanikora

naar Tucopia. We waren daar maar vier uur, maar die waren voldoende

interessant, om alle verdere onaangenaamheden der reis te vergoeden.

Tucopia is een heel klein kegeleiland, eenzaam in de wijde zee

gelegen, en dat is de reden, waarom zich daar een polynesische

bevolking tot heden nog volkomen zuiver en primitief in stand heeft

kunnen houden. Het zal wel het eenige eiland van de wereld zijn,

waar nog echte, oorspronkelijke Polynesiërs wonen. Toen de stoomboot

het eiland naderde, zagen we de menschen als kleine punten opgewonden

op het rif op en neer loopen, en al spoedig konden we enkele kano's

onderscheiden, die ons tegemoet voeren. De inzittenden boden een voor

mij volkomen nieuwen aanblik. In plaats van de donkere, kroesharige

Melanesiërs zag ik lange, bijna lichtgele gestalten, die omhuld waren

door manen van dicht, lang, gouden haar. Al gauw kwamen ze aan boord

en bleken echte heldenfiguren; geen een was onder de 1.75 meter

groot; ze hadden zachte, donkere oogen, een vriendelijken lach en

kinderlijk vertrouwelijke gebaren. Overal liepen ze rond op het schip;

alles wilden ze zien en aanvatten en meenemen, zoodat het goed was,

dat wij de hutten wijselijk hadden gesloten. Weigerden we iets, dan

vleiden en streelden ze ons, die als zwakke kinderen naast hen waren.

Maar ik maakte haast, om aan land te komen. Daar wachtte ons aan den

rand van het rif een dichte, opgewonden menigte, die onze aankomst

nauwelijks kon afwachten, de boot aan den wal haalde en ons en alles

aangreep en op de koralen neerzette. Twee mannen grepen mij onder

de armen, en of ik wilde of niet, stapten ze vliegensvlug over de

plassen op het rif naar den oever. Ik was eerst niet gesticht over

die vriendelijkheid; maar het zou mij weinig hebben gebaat, mij te

verweren in de armen van die reusachtige lieden. Aan land zette men mij

zorgvuldig neer als een breekbaar voorwerp, lachte tegen mij, klopte

mij op de schouders en streek mij over den rug. Weldra deponeerde men

op dezelfde manier een zendeling naast mij. We keken elkander vragend

aan, want zulk een ontvangst was ons nieuw. Tot onze groote verbazing

kwam een man op ons toe, die een weinig Biche la mar kon spreken. Hij

vroeg ons eerst op krachtigen toon, of we geen ziekte aan boord hadden

want dan mochten we niet landen. Wij konden dat met een zuiver geweten

ontkennen. De reden, waarom hij het vroeg, was, dat er eens een schip

met mazelen aan boord was geland, dat het eiland besmet had, wat aan

veertig inboorlingen het leven had gekost. Verstandiger dan de blanken,

beproefden de inboorlingen nu zelf een quarantaine uit te oefenen.

Daarop werd ons beduid, dat we de hooge eer zouden genieten, aan

het hoofd te worden voorgesteld. Dat was inderdaad een eer, want in

polynesische streken genieten de hoofden een goddelijke vereering,

en hun wil is voor iedereen als een bevel. Om bij het hoofd te worden

toegelaten, moesten we onze hoeden afzetten en werden daarna naar

een schaduwrijk plein gevoerd, waar de mannen in een kring om het

hoofd zaten neergehurkt. Het was een zware, gespierde man, die op een

troonachtigen zetel was gezeten, terwijl naast hem tegen een boom de

staats-lans was neergezet. De spreker kroop op handen en voeten naar

hem toe en meldde ons aan; we traden naar voren en schudden hem de

hand, waarvoor we met een vriendelijk lachje bedankt werden.

Toen werd ons met een voorname handbeweging beduid, dat we naast hem

mochten plaats nemen. Eenige vrouwen brachten een schaal vol yams en

taro en eenige kokosschalen, waarin zich een papje bevond. We proefden

het en bevonden, dat het lekkere sago was met kokosboter overgoten,

zoodat het ons beiden goed smaakte, maar we konden tot spijt van

de menschen onze portie niet geheel gebruiken. Met een herhaald

handendrukken, groeten en lachen eindigde de audiëntie, en wij waren

vrij, op het eiland rond te slenteren terwijl de vriendelijke, zware

man ernstig bleef zitten.

Ik liep door de dorpen, waarbij een paar mannen als gidsen dienden. De

huizen waren eenvoudige afdaken, in groepen langs de randen van de

velden geplaatst. Wat dichter bij het strand staat een mannenhuis;

daar zijn ook de bergplaatsen voor de kano's, die van hard hout zijn

gebouwd en niet zeer groot zijn, met hoogen voorsteven. Aantrekkelijk

was de aanblik van het strand, waar hooge, zware boomen het witte zand

overschaduwden. Terwijl op melanesische eilanden enkel de dansplaatsen

zijn vrijgehouden en door een groenen wand worden omzoomd, was hier

alle struikgewas verwijderd, doordat er van wantrouwen en schuwheid

hier geen sprake was. De oever was een parklandschap, waar men tusschen

donkere, mooi gegroepeerde stammen een ver uitzicht op de blauwe

zee had, en waar in de schaduw de schoone, goed geproportionneerde

gestalten liepen, vrij en waardig of opgewonden zich verdringend om

de vreemden.

Door de open en vertrouwelijke hartelijkheid was het een geheel

ander tooneel, dan waaraan ik gewend was, zoo onschuldig vroolijk,

weldoend en aantrekkelijk, dat het dringend uitnoodigde tot blijven,

ook al hadden de lachende menschen met bloemenslingers om den hals en

bloemen in het haar ons niet genoodigd tot een langer oponthoud. Men

kan het waarlijk de zeelieden van vroeger niet kwalijk nemen, dat ze

vaak op polynesische eilanden deserteerden bij dozijnen en van hun

schepen wegliepen, om te leven in dat verwezenlijkte ideale land in

plaats van hun existentie op een walvischvanger voort te zetten.

Telkens was het mij, of ik een klassiek tooneel in de werkelijkheid

zag opgevoerd, en de betoovering van het liefelijke eiland Tucopia

werd als een bedwelmende drank, die den weerstand verlamde. De groote,

goudharige kinderen schenen het te voelen, hoe goed het ons bij hen

beviel en drongen ons weer stellig en toch bescheiden, om met hen te

gaan en bij hen te blijven en hun rustig leven te deelen. Maar het kon

niet zijn; we moesten wegvaren. Een jonge man zou met ons naar Norfolk

varen. Hij nam van zijn familie en van de oude hoofden der geslachten

afscheid, de laatste eerwaardige grijsaards met scherpe, welmeenende

trekken en dun grijs haar en baard. Deemoedig boog de jongeling het

hoofd op den schoot van den oude. Die legde zijn hand hem op het

hoofd en mompelde eenige woorden, hief den jongeling op en drukte het

gezicht op het zijne, zoodat de neuzen elkander licht aanraakten. De

knaap onderdrukte zijn tranen en ging mee, om later zijn reinen,

witten tapagordel te verwisselen met europeesche katoenen kleeding.

Toen ik aan boord terugkeerde, wemelde het van mannen en vrouwen,

maar wij wilden vertrekken, en daar de menschen het schip niet

goedschiks wilden verlaten, werden ze weggedrongen. De weinige

kano's waren overvuld, en de rest sprong in de blauwe zee en zwom

onder jubelgeroep naar het verwijderde land, behagelijk zich latende

drijven, terwijl het lange, lichte haar achter hen dreef. Zoo zag ik

het droomeiland voor het laatst in het licht der ondergaande zon. En

nog zie ik den knaap, die met een liaan omwonden en met een krans van

bloemen voorop op het schip stond en weemoedig naar het verdwijnende

vaderland staarde, de belichaming ook van ons verlangen.

Op het eiland kent men geen moord of twist. Als iemand de rust

verstoort, beveelt hem een der machtige hoofden zijn kano te bestijgen

en weg te varen. Men geeft hem wat eten mee, en hij mag zich niet

meer laten zien. Het gebeurt dan wel, dat zulk een ongelukkige zich

niet ver van de kust verdrinkt; maar op het eiland heerscht vrede.

Wij voeren in den regen naar het Zuidwesten en bereikten des morgens

de Torreseilanden.

Den volgenden dag haalden we Ureparapara, dat we echter te laat

bereikten, om in de baai binnen te varen, zoodat we den heelen nacht

buiten moesten kruisen. We deden nog enkele plaatsen in de Banksgroep

aan en ankerden dan aan de westzijde van Gaua. Daar, waar ik eens een

cycloon heb bijgewoond, overviel ons nu weer een cycloonachtige wind,

die ons geweldig schudde. Bezorgd keek de kapitein naar de knarsende

ankerkettingen, want als die breken, dreef het schip hulpeloos in

den woedenden oceaan. Vijf dagen lang moesten we zoo tusschen hoop

en vrees wachten, of de kettingen, het zouden houden en het anker

niet zou gaan slepen.

Het verblijf aan boord was ver van gemoedelijk, en eindelijk waagde

de kapitein het, te gaan varen; maar het schip danste als een kurk op

de hooge zeeën, en het zou onzinnig zijn geweest, verder te gaan. We

keerden naar de ankerplaats terug en voeren naar de achterzijde van

het eiland. Eerst de derde maal gelukte de poging en na nog hevigen

strijd tegen de golven kwamen we over Mera Lava, Maevo en Aoba

te Port Vila. Twee dagen later ging ik aan boord van de "Pacific"

naar Sydney en had daar dadelijk aansluiting aan de Lloydstoomboot,

die mij in Genua aan land zette.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 6 / 7 段