Ik had afscheid genomen van de eilanden met een gevoel van weemoed

en behoud de lieflijkste herinneringen aan de bewoners. Als ik

denk aan vele blanken, waarmee de reis mij in aanraking heeft

gebracht, planters en hun onderhoorigen zoo goed als zeelui van

de wervingsschepen dan doet men beter, die blanke menschheid niet

te vergelijken met de gekleurde, want men kan enkel met beschaming

constateeren, dat "wilden" nooit tot de vulgariteit zouden afdalen,

die men daar in woord en daad aanschouwt. De inboorling heeft oneindig

veel meer tact, schaamtegevoel en gemanierdheid dan de blanken in die

exemplaren, en als men een inboorling ruw, schaamteloos en oneerbaar

hoort praten, dan is dat een zeker teeken, dat hij veel met blanken

heeft omgegaan. Denkt men dan daarbij aan de onwetendheid van de

blanken, onder wie er immers nog veel analphabeten zijn, dan wordt het

onderscheid tusschen de blanke cultuur en die van de "wilden" minimaal.

Hoeveel lagen van de europeesche bevolking leven op geen enkele

manier beter dan de inboorlingen en hebben even weinig eerzucht en

ontwikkelingsdrang en moreele vastheid als dezen. Men denke zich

de invloeden weg, die de bevolking van afgelegen districten tot de

aanneming van bepaalde veroveringen der beschaving dwingen, zooals

leerplicht, militiedwang en politie, en men kan zich gemakkelijk

voorstellen, dat deze blanken snel tot den trap der "wilden" zouden

afdalen. Hoeveel blanken zijn volkomen tevreden, als ze hun zuiver

animale behoeften hebben bevredigd, net als de "wilden"; hoeveel

kolonisten op de Nieuwe Hebriden en elders onderscheiden zich van

den inboorling enkel daardoor, dat ze in hun voeding wat kieskeuriger

zijn; hoevelen van hen begaan misdaden en hoeveel worden van misdaden

alleen weerhouden door de publieke opinie en de politie? Zoo schijnt

de veelgeroemde superioriteit van de blanken nog een open vraag te

zijn, en de vorderingen die onze cultuur gemaakt heeft, zouden wel

eens aan de inspanning van een kleinere minderheid van genieën te

danken kunnen zijn, die de menschheid een richting op duwen, waarop

ze dan wel voort moet. Het gros van de blanken is daarbij volledig

passief gebleven en zou zonder den gestadig werkenden invloed van

die minderheid spoedig stilstaan of langzaam terugzinken.

AANTEEKENING

[1] Tekst en illustraties ontleend aan Felix Speiser, Südsee, Urwald,

Kannibalen. Leipzig, R. Voigtländer's Verlag 1913. Zie ook "De

Aarde" 1917 blz. 361.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 7 / 7 段