Den vijfden dag verliet ik het gastvrije dorp, om de vermoedelijke

ankerplaats der boot te bereiken. In den regen volgde ik den weg

hoog door de bergen. Alles was vochtig, en de wegen waren moeilijker

dan anders door de vele gevallen boomen, terwijl de nevel het ademen

bezwaarde. Om het half uur bereikten we een gehucht, waar de mannen

ons vragend aanstaarden en de vrouwen uit de hutten kwamen en rillend

ervoor neerhurkten. De gids verklaarde dan onze aanwezigheid, nam

zijn loon in ontvangst, en een man uit de plaats bracht ons naar de

volgende nederzetting. Na een paar uren hoorden we van de inboorlingen,

dat de boot de bedoelde ankerplaats niet meer had kunnen bereiken, maar

halfweg op het rif ergens was binnengeloopen. We veranderden dus onzen

marsch, gingen op de kust aan en troffen bij het dalen den kapitein en

de matrozen, die naar het door ons verlaten laatste dorp op weg waren.

Ze hadden voor enkele dagen de boot voor anker gelegd en hadden

in een hut aan het strand gekampeerd. De over het rif brekende

golven en de storm hadden echter een zoo sterke strooming langs

den oever teweeggebracht, dat de boot de ankers had meegesleept en

nu midden in de hevigste draaikolken lag, zoodat ze waarschijnlijk

zou ondergaan. Tot overmaat van ramp had de kapitein, waarschijnlijk

onder den invloed van den alcohol, de kleine roeiboot bij de eerste

landingsplaats weggezonden, en ze kon bij den storm niet meer worden

teruggebracht, zoodat we in het geheel geen gemeenschap met het schip

konden krijgen, want de heftige strooming konden de inboorlingen ook

zwemmend niet overwinnen. Daarbij was de kapitein bang, dat de zee

de hut aan het strand zou overstroomen, en dus liet hij het schip in

den steek, om in het dorp boven te gaan kampeeren.

Ik ijlde naar de kust, om mij van de hopeloosheid der situatie te

overtuigen. De kapitein had niet overdreven. In de heftigste branding

schommelde de boot op en neer in de hooge golven, die van alle

kanten schenen toe te schieten en het dek overstroomden. Toch hield

het vaartuigje nog stand, en het was nog niet op een rots gestooten,

zoodat als de ankers het uithielden verder en het niet te veel water

innam, we nog hoop konden hebben. Ik keek zoowat een half uur lang toe

en kon in dien tijd geen verplaatsing waarnemen; al was het pijnlijk,

den strijd van ons vaartuig te aanschouwen.

In niet zeer opgewekte stemming ging ik naar het dorp terug, waar

de kapitein ook al niet fleurig was gestemd, en waar de nacht in de

van ongedierte wemelende hut ver van prettig was. De regen trommelde

op het bladerdak, en de windstooten donderden door het bosch als

sneltreinen door een tunnel. Den volgenden morgen vonden we de boot nog

op dezelfde plaats, waar we haar gisteren hadden verlaten en waren nu

vol goeden moed, omdat des avonds de storm scheen te kalmeeren. Dien

nacht was het veel rustiger en des morgens waagden de zwarten het,

de kleine roeiboot aan te sleepen. Van roeien was om den stroom nog

geen sprake, en dus begaven ze zich te water en al stootend duwden

ze de boot vooruit, tot ze haar met veel moeite bij de ankerplaats

brachten. Ze deden te vergeefs een poging, het schip te bereiken;

de strooming voerde ze ver weg, bijna buiten het rif, en bracht hen

midden in de woeligste gedeelten van de zee. Maar ze wisten toch

allen veilig aan land te komen.

Den volgenden morgen had de zee een rustiger aanzien binnen het rif,

al gingen daarbuiten nog hooge golven. Wij konden het schip bereiken,

en het bleek, dat er geen schade was aangericht, maar dat het wel

zeer veel water had ingekregen, zoodat alles in de pakruimte en de

hut doornat was. De machinist begon dadelijk de machine op orde te

brengen, en dienzelfden avond liepen wij bij het station op Gaua

binnen, waar een groote schaar inboorlingen ons verwachtte aan het

strand, daar er al geruchten van onze schipbreuk hadden geloopen. Uit

het oponthoud, dat eerst maar een kwartier had zullen duren, werden

natuurlijk twee uren, en onderwijl zakte de barometer weer en stak

een noordwestenwind op.

We hadden geen andere keuze, dan de terugreis toch te wagen; we

waren allen bang, toen we het anker lichtten, en niet zonder reden,

want de zee ging al gauw verbazend hoog. Als een kurk schommelde ons

hulkje op de wateren; vaak konden we de bergtoppen niet onderscheiden

van het naburige eiland, en dan weer leek het, of we op een hoogen

heuvel waren met een ruim gezicht over den oceaan.

De ongewenschte westenwind werd gelukkig maar langzaam sterker,

en behouden kwamen we te huis in Port Patteson. Daar arriveerde

de stoomboot eenige dagen later en bracht een treurige lijst van

ongelukken. Ongeveer een dozijn schepen waren voor anker vernield;

vier ervan waren totaal verdwenen en van drie wist men, dat ze met

man en muis waren vergaan, en dan was er nog bericht gekomen van een

groote stoomboot, die gestrand was, waarbij 27 menschen het leven

hadden verloren. Een der officieren was na 24 uur nog levend door de

golven aangespoeld. Nog nooit had het cycloonseizoen zooveel offers

geëischt en dat reeds in de eerste maand.

Zwaar was de weg nog, ook voor de stoomboot, door de heftige branding

en deining; de meeste van de aan de westkust gelegen ankerplaatsen

konden we niet bereiken; overal zagen we bruine oevers en bladerlooze

boomen als in het bosch in de gematigde luchtstreek in den winter,

dooreengewoelde plantages en afgebroken boomen, en nog bij Port Vila

kregen we berichten van ongelukken.

Van de grootere bewoonde eilanden der Nieuwe Hebriden bleef mij nu

enkel nog de zuidelijke groep voor een bezoek over. Ik voer met de

stoomboot, zonder mij in Port Vila op te houden, naar Tanna. Het groote

eiland Erromango bezocht ik niet, daar de bevolking in haar geheel

christelijk is geworden en haar eigenaardigheden heeft verloren. Ze is

daarbij van vijf duizend zielen op zevenhonderd geslonken, en ik mocht

aan het eiland geen volle maand besteden. Net zoo is het gesteld met

de kleinere eilanden Aneytum, Aniva en Futuna. Ik gaf er de voorkeur

aan, Tanna goed te leeren kennen, ook omdat het eiland karakteristiek

is voor de heele zuidelijke groep. Ook hier mocht ik gast zijn van

de presbyteriaansche zending aan de oostkust van het eiland.

De bevolking verschilt veel van die der noordelijke eilanden;

men zou haar polynesisch kunnen noemen, als door het kroeshaar

niet op melanesischen invloed werd gewezen. Lichtgetint, groot

en steviggebouwd, met de gespierdheid, die den Polynesiër vaak

onderscheidt, hebben de menschen vaak zeer fijne, open gelaatstrekken,

smalle neuzen en ovale hoofden en een intelligente uitdrukking in de

oogen. Ze zijn energieker, oorlogszuchtiger en onafhankelijker van

aard, en ook hun cultuur is anders. Het meest valt op, dat de Suque

niet bestaat. Waarschijnlijk was het verkeer van Tanna uit met de

centrale groep altijd gering. De afstand van Erromango naar Fate is

dan ook zeventig zeemijlen, zoodat de Suque de zee niet zoo licht

kon oversteken als van de Bankseilanden naar de Nieuwe Hebriden,

waar de afstand maar 40 mijlen bedraagt, terwijl de dienst ook voor

de meer polynesisch denkende Tanneezen mogelijk niet aantrekkelijk was.

Zoo ontbreekt hier ook de scheiding van de geslachten en der

vuren en de ontwikkeling van de geheime mannenbonden, alsook de

talrijke "hoofden", vertegenwoordigers van de hooge kasten der

Suque. Daarentegen vindt men op Tanna een erfelijke hoofdenwaardigheid

als in Polynesië, die bepaalde dynastieën vormt, waarvoor de onderdanen

groote vereering voelen en die zeer veel gezag uitoefenen. Maar het

schijnt, helaas, aan geen enkel geslacht gelukt te zijn, zich tot

heerscher over het geheele eiland te maken, zoodat de bevolking in

talrijke stammen verdeeld is, onder wie voortdurend strijd heerscht

en die sedert den invoer van de vuurwapens elkander al meer afbreuk

doen, zoodat er weinig van de bevolking zou zijn overgebleven, als

niet de zending tusschenbeide was gekomen en aan de oorlogen een eind

had gemaakt.

Hier bleek nu, hoeveel voordeel uit het bestaan van de erfelijke

hoofdenwaardigheid voortvloeide tegenover de Suque, want als een hoofd

op Tanna zich bij de zending aansloot, kon hij ook zijn dorp tot de

aanneming van het Christendom dwingen en instaan voor de handhaving

van wet en recht. Hij bracht dus al een soort van organisatie mee, en

de hooge kasten van de Suque daarentegen verloren door hun bekeering

den toegang tot de kaste en daarmee alle autoriteit, terwijl ze als

Christenen geen invloed meer hadden.

Dat verlies van de kaste verhinderde de meesten, het Christendom aan te

nemen; de hooge kasten staan er bijna alle vijandig tegenover, en in

de christendorpen van het Noorden ontbreekt de noodige organisatie en

mist men de aanzienlijke en invloedrijke inboorlingen, die er eerbied

voor de wet kunnen helpen bevorderen.

De schitterende resultaten van de zending op Tanna zijn dus in

hoofdzaak een gevolg van de daar heerschende maatschappelijke

toestanden; maar daarom gaat er niets af van de verdiensten der

zendelingen op het eiland. Ze hebben het werven van inboorlingen

krachtig bestreden, zoodat het tot een minimum is beperkt; dan maakten

ze een eind aan de eeuwige twisten en wonnen het vertrouwen van de

inboorlingen in die mate, dat dezen hun hygiënische voorschriften

opvolgden en de oude, vuile woningen verbrandden, om nieuwe,

zindelijke, luchtige dorpen te bouwen. Daardoor werd de tuberculose

bestreden; er werd een isoleerkamp voor lepralijders opgericht,

en daarheen brengen nu de inboorlingen hun patiënten uit vrijen wil.

Een inlandsche rechtspraak handhaaft de orde in het land, en de

opgelegde straffen bestaan meestal in het aanleggen van wegen,

waardoor Tanna al een vrij volledig wegennet heeft. In het begin

verzetten de inboorlingen zich tegen den wegenbouw, maar thans

hebben ze het nut daarvan ingezien en stellen nu zelf veel belang

in de uitbreiding van hun aantal rijwegen. Het aantal inboorlingen,

dat zoo sterk achteruitging, blijft nu op peil; de levensmoed is er

op vooruitgegaan, en overal vindt men een groot aantal kinderen en

vroolijken arbeidsdrang. Misschien is dit alles een vingerwijzing,

hoe ook op de noordelijke eilanden het ras zou kunnen worden in

stand gehouden.

De oorspronkelijke huizen op Tanna waren ellendige, kleine dakjes

van rietgras, ruw bevestigd aan een licht getimmerte. Dat lag

waarschijnlijk aan de eeuwige oneenigheid, waardoor de menschen

steeds weer van woonplaats moesten veranderen, ja, die wel eens het

noodzakelijk maakte, dat vrouwen en kinderen ergens in het bosch

den nacht moesten doorbrengen, om voor aanvallen veilig te zijn. De

oorlogen werden hier hoofdzakelijk met speer en knods gevoerd,

in tegenstelling met de noordelijke eilanden, waar pijl en boog de

voornaamste wapens waren.

Een eigenaardigheid, die men elders ook wel kon opmerken, was het

gebruik van een vroeger gebruiksvoorwerp als versiering. Tegenwoordig

dragen op Tanna de mannen en de vrouwen als sieraad en als erfstukken

bij wijze van amulet ringen van nephriet aan hun halsbanden.

Dat mineraal schijnt op Tanna niet voor te komen, maar moet in vroeger

tijden zijn ingevoerd, van waar is onbekend. Eenige van die doorboorde

en gepolijste steenen laten echter nog duidelijk zien, dat het eens

bijlklingen zijn geweest, die door langen dienst klein en onbruikbaar

zijn geworden. Men stelde den steen intusschen zoo hoog, dat men hem

niet wegwierp, maar hem doorboorde en aan een koord bij zich droeg,

tot hij bij latere geslachten tot sieraad en amulet werd.

Een echt polynesische kunst is het maken van tapa, stof van boombast

voor kleeding. Men kan er hier geen grootere stukken van vervaardigen,

maar bepaalt zich tot gordels, die een deel van de mannenkleeding

vormen en beschilderd worden met eenvoudige teekeningen. Men neemt

daarvoor oker en roet, welk poeder men wrijft met het rubberachtige

sap van den vijgeboom en teekent dan met een staafje. De kleeding

van de mannen is gelijk aan die op de centrale Hebriden; die der

vrouwen bestaat uit een schortje van planten vezels, van achteren

wat langer dan van voren, bij ongetrouwde vrouwen op zij open. De

vouwen dragen ook graag hoeden van bananenbladeren, die in groote,

tulbandachtige vormen voorkomen.

Veel gecompliceerder is de haardracht der mannen. Ze laten al

vroeg het haar lang groeien. Na het feest der rijpheid wordt het in

dunne lokken verdeeld, en ieder der lokken wordt met een bastvezel

omwonden, zoodat slechts een klein bundeltje aan het eind vrij uit

het omwindsel naar buiten komt. Er zijn soms wel vijftienhonderd van

die omwikkelingen noodig, om al het haar te bewerken. Die pruik wordt

naar achteren gestreken en daar met een touw samengebonden. De mannen

krijgen daardoor een wat vrouwelijk voorkomen. Natuurlijk moet het

verder groeiende haar weder worden omwonden, zoodat het kapsel veel

tijd vordert, en men altijd mannen bij elkander kan zien zitten,

die wederkeerig bezig zijn als kappers te fungeeren. De invloed van

het Christendom werkt die mode tegen en maakt, dat het haar kort

geknipt wordt.

Over het algemeen is er weinig eigen cultuur op het eiland. Snijwerk

ontbreekt geheel; de vlechterij beteekent niet veel en evenmin de

lichaamsversiering, die uit niets dan eenige schelpringen en armbanden

van kokosnoothout bestaat met nog enkele oorhangers van schildpad;

maar men kan wel zeggen, dat de bewoners van Tanna tot de meest

bescheiden eischen zich bepalen, temeer daar hun voorwerpen van

dagelijksch gebruik tot de allereenvoudigste behooren.

De goede wegen veroorloofden mij een gemakkelijk verkeer op het eiland,

waarbij ik over de paarden van den zendeling kon beschikken. De

vulkaan gelijkt op de vroeger door mij beschrevene. Er is hier ook

veel zwavel en de berg is voortdurend in werking, doch doet thans

alleen in de dichte nabijheid allen plantengroei den dood aan. Op

mijn tochten had ik de gelegenheid de vrees en het wantrouwen op te

merken, die den Tanneezen nog altijd in het bloed zitten, juist als

ze voorkomen op de andere eilanden. Maar hier ziet men het beter

op een afstand bij de rechte wegen, terwijl elders de kronkelpaden

een gemakkelijker verdwijnen mogelijk maken. Men merkt namelijk, dat

menschen, die den tred van het paard hebben gehoord, onrustig worden

en precies het oogenblik weten te gebruiken, dat men niet op hen

let, om plotseling te verdwijnen. Men zal, ook als men goed toeziet,

niet kunnen ontdekken, waar ze in het bosch zijn verdwenen, en toch

komen ze zeker weer te voorschijn, als ze een vijftig meter achter

u zijn. Het is een bijzonder instinct van den natuurmensch, zich de

dekkingen ten nutte te maken, waarbij hem zijn donkere huidskleur,

die zoozeer met het bruin van de stammen en bladschaduwen overeenstemt,

ten zeerste dient.

Aan de andere kust is het hospitaal van de presbyteriaansche zending,

dat door Dr. N. prachtig wordt geleid. Er zijn dertig bedden, een

kleine, maar uitstekend ingerichte operatiezaal, en daar het huis bijna

altijd vol is, heeft men eenige strooien hutten erbij laten zetten

voor de niet zwaar zieken. Op de royale manier, die bij deze zending

gebruikelijk is, wordt aan blanken en zwarten kostelooze behandeling

geschonken; de eenige verplichting, die de inboorlingen op zich nemen,

is dat ze het hospitaal steunen met hun veldvruchten. In de laatste

jaren hebben de inboorlingen de waarde van het hospitaal op prijs

leeren stellen, en waar ze vroeger haast met geweld tot een behandeling

moesten worden gedwongen, melden ze zich thans dadelijk aan. Als men

weet, hoeveel ziekte kan worden voorkomen bij tijdige behandeling,

kan men nagaan, hoe een hospitaal helpt tot de instandhouding van het

ras, en hoezeer het te wenschen zou zijn, dat op elk van de grootere

eilanden een ziekenhuis werd opgericht.

Een maand na mijn aankomst op Tanna bracht mij de stoomboot weer

naar Port Vila, waar ik opnieuw de gastvrijheid van den heer King

aanvaardde. Mijn eerstvolgend doel waren de Santa-Cruzeilanden,

en de stoomboot van de anglicaansche zending, de "Southern Cross",

moest mij in staat stellen, dat doel te bereiken. De boot was

op een driemaandelijksche vaart door het geheele zendingsgebied

en deed Port Vila aan, om dan door de Nieuwe Hebriden, de Banks-

en Santa-Cruzeilanden naar de Salomons-eilanden te varen en langs

denzelfden weg weer naar Nieuw Zeeland terug te keeren.

Ik verzocht den kapitein om passage en werd op de uitreis bij

den eenigen blanke, die op Santa-Cruz woont, afgezet, om op de

terugreis na zes weken weer te worden afgehaald. Weer voer ik de mij

zoo welbekende route van Vila noordwaarts door de Nieuwe Hebriden

en de Banksgroep. Tot Ureparapara was ik nog in bekende wateren,

maar daarna kwam weer het onbekende. Het schip was een stoomboot van

vijfhonderd ton, die speciaal was gebouwd voor het vervoer van één- tot

tweehonderd inboorlingen en ongeveer twaalf zendelingen, alsook voor

waren voor de zendingsstations. Het was er alles eenvoudig; maar een

goede bibliotheek en aangenaam gezelschap maakte de reis prettig. Ik

trof eenige zendelingen, die van hun vacantie terugkeerden, om den

arbeid in de woeste streken van de Salomonseilanden te hervatten,

want deze zending heeft vele primitieve en gevaarlijke terreinen, waar

ze werkt. Dit zijn waardige opvolgers van de pionierszendelingen,

van wie zooveel tot de anglicaansche zending hebben behoord, en

als wier eerste bisschop Patteson moet worden genoemd, die op de

Santa-Cruzgroep als slachtoffer van de inboorlingen is gevallen.

Ons schip diende ook voor het transport van jonge inboorlingen van

hun eilanden naar Norfolk, waar ze op een centrale school naast het

Christendom ook allerlei nuttige kennis zich verwerven. Uit alle

deelen van Melanesië neemt de zending leerlingen aan, die gedurende

drie of zes jaren worden opgevoed door blanken en daarna weer naar hun

vaderland worden teruggebracht, waar ze door hun levenshoudingen hun

gedrag de inboorlingen gunstig moeten stemmen voor het Christendom

en de christelijke beschaving van den blanke. De knapen maakten een

uitstekenden indruk; ze waren gezond en welgevoed, gedroegen zich

netjes en zagen er aantrekkelijk uit met enkel hun schaamdoeken en

de naar de toenmalige mode van voren tot een kussenachtigen ring

opgekamde haren. Het was interessant, de typen van de verschillende

eilanden te vergelijken, den korten, breeden plebejischen inwoner

van de Nieuwe Hebriden, de lange Salomonen met hun energieken blik,

en de bewoners van de Bankseilanden met hun intelligente gezichten.

Dezen keer was de vaart belangrijk, omdat het de eerste was, die met

gekleurde bemanning werd volbracht. Het was den kapitein gelukt, zich

met veel geduld en toewijding een scheepsbemanning van inboorlingen op

te leiden. Hij had het scepticisme van de blanken kunnen overwinnen,

en nu zou blijken, of de Melanesiërs voor een arbeid, die initiatief,

overleg en verantwoordelijkheid eischte, waren te gebruiken. Tot nu

toe, dus in de eerste weken, was alles goed gegaan, en werkelijk

arbeidden de menschen zoodanig, dat het zelfs mij, die zeker geen

slechte meening over de intelligentie van den Melanesiër had, ten

hoogste verraste. Nu waren de meeste matrozen van Mota Lava afkomstig

op de Banks-eilanden, waar een der flinkste rassen van de eilanden

woont. Al dadelijk kan ik vertellen, dat de inboorlingen zich op

de gansche reis voorbeeldig hebben gehouden en dus hebben getoond,

dat ze ook voor ander dan plantagewerk zijn te gebruiken.

Op een morgen voeren we om een landtong heen en om het eiland Tumotu,

dat de westelijke grens vormt van de Graciosabaai op Nitendi. Het leek,

alsof het strand hier een veel tropischer aanblik bood dan op de Nieuwe

Hebriden, alsof de plantengroei meer verscheidenheid had en meer vormen

en kleuren te zien gaf. Ook kon ik mij er een denkbeeld van vormen,

hoe de kusten der Nieuwe Hebriden er eenmaal moeten hebben uitgezien,

toen ze dicht bevolkt waren, want hier rijde zich dorp aan dorp, en

het strand was bezaaid met prauwen, die vlug in het water gingen, toen

wij voorbijvoeren. Veel dozijnen booten waagden zich in de open zee

en volgden de stoomboot, zoolang het ging. Toen we echter in de baai

binnenvoeren, bleven de menschen achter, om niet langs vijandelijke

dorpen te varen.

In de baai verschenen nu andere kano's om ons heen, en toen we voor

anker lagen, omgaf ons een zoo groote vloot, dat men haast droogvoets

rondom het schip had kunnen wandelen. Hier zag men weinig gekleede

menschen, maar oerechte wilden, die de roeiriemen verrassend handig

hanteerden en, in hun heftige begeerte om te ruilen, ons bestormden

met allerlei voorwerpen.

De Santa-Cruzeilanden behooren tot de minst bekende van de Stille

Zuidzee. Hun bewoners gaan voor gevaarlijk door, vooral om hun giftige

pijlen, die ze met overleg gebruiken. Voor enkele maanden was een

zendeling gedwongen, de eilanden te verlaten, nadat hij verscheiden

dagen door de inboorlingen belegerd was. Ik was dus niet erg gerust,

toen ik mij aan land liet brengen naar den heer M., die daar met eenige

arbeiders van de Salomonseilanden voor de groote zeepfabrikanten Levers

Bros een kokosnootplantage aanlegde. Sedert jaren was de heer M. de

eenige kolonist op het eiland en hij stond nu met de inboorlingen

op goeden voet, nadat hij in de eerste jaren met hen op voet van

oorlog had verkeerd. Hij begroette mij als een welkomen gast in zijn

eenzaamheid, en ik had goed vertrouwen, dat ik hier een rijken oogst

aan ethnographische voorwerpen zou kunnen binnenhalen. Ook moest ik

weer naar helpers omzien, want ik had niemand bereid gevonden, mij

naar de Santa-Cruzeilanden te vergezellen. De heer M. had door den

coprahandel veel betrekkingen met de menschen en beval mij een paar

aan. Een viertal huurde ik, van wie een paar vrij goed het Biche la

mar spraken, de taal van de kusten en van den handel.

De kleeding van de mannen bestaat uit een lendengordel, waaraan een

smal stuk witte tapa of boombaststof hangt. Over den gordel dragen

ze vaak spiralen van een klimplant en ook wel banden van gevlochten

vezels. Om de knieën en gewrichten bindt men zich kleine schelpen, en

op de borst wordt een groote schijf gedragen van tridacna, een schelp,

waar soms snijwerk van schildpad op is bevestigd, een gestiliseerde

verbinding van vogel en visch. Die versiering werkt bepaald decoratief

op de donkere huidskleur. In de ooren hangen groote sieraden van

schildpad en aan de armen schelpringen of gevlochten armbanden

met patronen van kralen, en nooit ziet men een man zonder pijl en

boog. De bogen zijn 1.80 groot en worden gespannen met een koord, dat

bestaat uit den gedraaiden bast van een dunnen luchtwortel van een

vijgenboom. Daarmee in overeenstemming is de grootte van de pijlen,

die ongeveer 1.29 meter lang zijn, gesneden van riet met een lange,

houten spits, waaraan als ornament allerlei gestiliseerde weerhaken

zijn gesneden. Het snijwerk is wit, rood en zwart geschilderd,

meestal zoo, dat de weerhaken zwart zijn op rood en witten grond,

zoodat ze er mooi op uit komen. Naar de punt toe wordt het hout al

dunner en draagt de korte, zeer fijne spits van been, die maar los

in het hout zit en met geel of rood lak is bestreken, zoodat men de

plaats, waar het been is ingezet, moeilijk kan herkennen. De pijlen

worden in pakjes van tien stuks met gelijk patroon vervaardigd. Goede

schutters zijn de inboorlingen niet, maar ze kunnen een groote kracht

in hun pijlen leggen en deze buitengewoon ver doen vliegen en zeer

diep doen indringen. De gevechten verloopen niet zeer bloedig en

zijn alleen gevaarlijk door het groote aantal in het rond suizende

pijlen. Dan steekt ieder krijger zijn pijlen rechts in den gordel, om

ze snel bij de hand te hebben. Knodsen gebruikt men zoo goed als niet.

De Graciosabaai is bijna geheel bezet met dorpen aan haar oevers en

was dat vroeger nog in sterker mate, want thans zijn er al verscheiden

nederzettingen verdwenen of uitgestorven. Toch mag men het aantal

aan de baai wonende inboorlingen wel op twee duizend schatten. In het

binnenland wonen bijna geen menschen. Er moeten daar nooit veel dorpen

zijn geweest, daar de menschen van Santa Cruz er blijkbaar de voorkeur

aan geven, aan het strand te wonen. De liefelijke baai is haar naam

waardig, want ze is behalve in het Noorden door groene heuvels omgeven

en de deining stoort maar even de gladheid van haar oppervlakte. Alleen

bij noordenwind dringen de golven meer naar binnen en ruischen met

dof gegorgel tusschen de blokken koraal, die de oevers begrenzen.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 5 / 7 段