ankerplaats der boot te bereiken. In den regen volgde ik den weg
hoog door de bergen. Alles was vochtig, en de wegen waren moeilijker
dan anders door de vele gevallen boomen, terwijl de nevel het ademen
bezwaarde. Om het half uur bereikten we een gehucht, waar de mannen
ons vragend aanstaarden en de vrouwen uit de hutten kwamen en rillend
ervoor neerhurkten. De gids verklaarde dan onze aanwezigheid, nam
zijn loon in ontvangst, en een man uit de plaats bracht ons naar de
volgende nederzetting. Na een paar uren hoorden we van de inboorlingen,
dat de boot de bedoelde ankerplaats niet meer had kunnen bereiken, maar
halfweg op het rif ergens was binnengeloopen. We veranderden dus onzen
marsch, gingen op de kust aan en troffen bij het dalen den kapitein en
de matrozen, die naar het door ons verlaten laatste dorp op weg waren.
Ze hadden voor enkele dagen de boot voor anker gelegd en hadden
in een hut aan het strand gekampeerd. De over het rif brekende
golven en de storm hadden echter een zoo sterke strooming langs
den oever teweeggebracht, dat de boot de ankers had meegesleept en
nu midden in de hevigste draaikolken lag, zoodat ze waarschijnlijk
zou ondergaan. Tot overmaat van ramp had de kapitein, waarschijnlijk
onder den invloed van den alcohol, de kleine roeiboot bij de eerste
landingsplaats weggezonden, en ze kon bij den storm niet meer worden
teruggebracht, zoodat we in het geheel geen gemeenschap met het schip
konden krijgen, want de heftige strooming konden de inboorlingen ook
zwemmend niet overwinnen. Daarbij was de kapitein bang, dat de zee
de hut aan het strand zou overstroomen, en dus liet hij het schip in
den steek, om in het dorp boven te gaan kampeeren.
Ik ijlde naar de kust, om mij van de hopeloosheid der situatie te
overtuigen. De kapitein had niet overdreven. In de heftigste branding
schommelde de boot op en neer in de hooge golven, die van alle
kanten schenen toe te schieten en het dek overstroomden. Toch hield
het vaartuigje nog stand, en het was nog niet op een rots gestooten,
zoodat als de ankers het uithielden verder en het niet te veel water
innam, we nog hoop konden hebben. Ik keek zoowat een half uur lang toe
en kon in dien tijd geen verplaatsing waarnemen; al was het pijnlijk,
den strijd van ons vaartuig te aanschouwen.
In niet zeer opgewekte stemming ging ik naar het dorp terug, waar
de kapitein ook al niet fleurig was gestemd, en waar de nacht in de
van ongedierte wemelende hut ver van prettig was. De regen trommelde
op het bladerdak, en de windstooten donderden door het bosch als
sneltreinen door een tunnel. Den volgenden morgen vonden we de boot nog
op dezelfde plaats, waar we haar gisteren hadden verlaten en waren nu
vol goeden moed, omdat des avonds de storm scheen te kalmeeren. Dien
nacht was het veel rustiger en des morgens waagden de zwarten het,
de kleine roeiboot aan te sleepen. Van roeien was om den stroom nog
geen sprake, en dus begaven ze zich te water en al stootend duwden
ze de boot vooruit, tot ze haar met veel moeite bij de ankerplaats
brachten. Ze deden te vergeefs een poging, het schip te bereiken;
de strooming voerde ze ver weg, bijna buiten het rif, en bracht hen
midden in de woeligste gedeelten van de zee. Maar ze wisten toch
allen veilig aan land te komen.
Den volgenden morgen had de zee een rustiger aanzien binnen het rif,
al gingen daarbuiten nog hooge golven. Wij konden het schip bereiken,
en het bleek, dat er geen schade was aangericht, maar dat het wel
zeer veel water had ingekregen, zoodat alles in de pakruimte en de
hut doornat was. De machinist begon dadelijk de machine op orde te
brengen, en dienzelfden avond liepen wij bij het station op Gaua
binnen, waar een groote schaar inboorlingen ons verwachtte aan het
strand, daar er al geruchten van onze schipbreuk hadden geloopen. Uit
het oponthoud, dat eerst maar een kwartier had zullen duren, werden
natuurlijk twee uren, en onderwijl zakte de barometer weer en stak
een noordwestenwind op.
We hadden geen andere keuze, dan de terugreis toch te wagen; we
waren allen bang, toen we het anker lichtten, en niet zonder reden,
want de zee ging al gauw verbazend hoog. Als een kurk schommelde ons
hulkje op de wateren; vaak konden we de bergtoppen niet onderscheiden
van het naburige eiland, en dan weer leek het, of we op een hoogen
heuvel waren met een ruim gezicht over den oceaan.
De ongewenschte westenwind werd gelukkig maar langzaam sterker,
en behouden kwamen we te huis in Port Patteson. Daar arriveerde
de stoomboot eenige dagen later en bracht een treurige lijst van
ongelukken. Ongeveer een dozijn schepen waren voor anker vernield;
vier ervan waren totaal verdwenen en van drie wist men, dat ze met
man en muis waren vergaan, en dan was er nog bericht gekomen van een
groote stoomboot, die gestrand was, waarbij 27 menschen het leven
hadden verloren. Een der officieren was na 24 uur nog levend door de
golven aangespoeld. Nog nooit had het cycloonseizoen zooveel offers
geëischt en dat reeds in de eerste maand.
Zwaar was de weg nog, ook voor de stoomboot, door de heftige branding
en deining; de meeste van de aan de westkust gelegen ankerplaatsen
konden we niet bereiken; overal zagen we bruine oevers en bladerlooze
boomen als in het bosch in de gematigde luchtstreek in den winter,
dooreengewoelde plantages en afgebroken boomen, en nog bij Port Vila
kregen we berichten van ongelukken.
Van de grootere bewoonde eilanden der Nieuwe Hebriden bleef mij nu
enkel nog de zuidelijke groep voor een bezoek over. Ik voer met de
stoomboot, zonder mij in Port Vila op te houden, naar Tanna. Het groote
eiland Erromango bezocht ik niet, daar de bevolking in haar geheel
christelijk is geworden en haar eigenaardigheden heeft verloren. Ze is
daarbij van vijf duizend zielen op zevenhonderd geslonken, en ik mocht
aan het eiland geen volle maand besteden. Net zoo is het gesteld met
de kleinere eilanden Aneytum, Aniva en Futuna. Ik gaf er de voorkeur
aan, Tanna goed te leeren kennen, ook omdat het eiland karakteristiek
is voor de heele zuidelijke groep. Ook hier mocht ik gast zijn van
de presbyteriaansche zending aan de oostkust van het eiland.
De bevolking verschilt veel van die der noordelijke eilanden;
men zou haar polynesisch kunnen noemen, als door het kroeshaar
niet op melanesischen invloed werd gewezen. Lichtgetint, groot
en steviggebouwd, met de gespierdheid, die den Polynesiër vaak
onderscheidt, hebben de menschen vaak zeer fijne, open gelaatstrekken,
smalle neuzen en ovale hoofden en een intelligente uitdrukking in de
oogen. Ze zijn energieker, oorlogszuchtiger en onafhankelijker van
aard, en ook hun cultuur is anders. Het meest valt op, dat de Suque
niet bestaat. Waarschijnlijk was het verkeer van Tanna uit met de
centrale groep altijd gering. De afstand van Erromango naar Fate is
dan ook zeventig zeemijlen, zoodat de Suque de zee niet zoo licht
kon oversteken als van de Bankseilanden naar de Nieuwe Hebriden,
waar de afstand maar 40 mijlen bedraagt, terwijl de dienst ook voor
de meer polynesisch denkende Tanneezen mogelijk niet aantrekkelijk was.
Zoo ontbreekt hier ook de scheiding van de geslachten en der
vuren en de ontwikkeling van de geheime mannenbonden, alsook de
talrijke "hoofden", vertegenwoordigers van de hooge kasten der
Suque. Daarentegen vindt men op Tanna een erfelijke hoofdenwaardigheid
als in Polynesië, die bepaalde dynastieën vormt, waarvoor de onderdanen
groote vereering voelen en die zeer veel gezag uitoefenen. Maar het
schijnt, helaas, aan geen enkel geslacht gelukt te zijn, zich tot
heerscher over het geheele eiland te maken, zoodat de bevolking in
talrijke stammen verdeeld is, onder wie voortdurend strijd heerscht
en die sedert den invoer van de vuurwapens elkander al meer afbreuk
doen, zoodat er weinig van de bevolking zou zijn overgebleven, als
niet de zending tusschenbeide was gekomen en aan de oorlogen een eind
had gemaakt.
Hier bleek nu, hoeveel voordeel uit het bestaan van de erfelijke
hoofdenwaardigheid voortvloeide tegenover de Suque, want als een hoofd
op Tanna zich bij de zending aansloot, kon hij ook zijn dorp tot de
aanneming van het Christendom dwingen en instaan voor de handhaving
van wet en recht. Hij bracht dus al een soort van organisatie mee, en
de hooge kasten van de Suque daarentegen verloren door hun bekeering
den toegang tot de kaste en daarmee alle autoriteit, terwijl ze als
Christenen geen invloed meer hadden.
Dat verlies van de kaste verhinderde de meesten, het Christendom aan te
nemen; de hooge kasten staan er bijna alle vijandig tegenover, en in
de christendorpen van het Noorden ontbreekt de noodige organisatie en
mist men de aanzienlijke en invloedrijke inboorlingen, die er eerbied
voor de wet kunnen helpen bevorderen.
De schitterende resultaten van de zending op Tanna zijn dus in
hoofdzaak een gevolg van de daar heerschende maatschappelijke
toestanden; maar daarom gaat er niets af van de verdiensten der
zendelingen op het eiland. Ze hebben het werven van inboorlingen
krachtig bestreden, zoodat het tot een minimum is beperkt; dan maakten
ze een eind aan de eeuwige twisten en wonnen het vertrouwen van de
inboorlingen in die mate, dat dezen hun hygiënische voorschriften
opvolgden en de oude, vuile woningen verbrandden, om nieuwe,
zindelijke, luchtige dorpen te bouwen. Daardoor werd de tuberculose
bestreden; er werd een isoleerkamp voor lepralijders opgericht,
en daarheen brengen nu de inboorlingen hun patiënten uit vrijen wil.
Een inlandsche rechtspraak handhaaft de orde in het land, en de
opgelegde straffen bestaan meestal in het aanleggen van wegen,
waardoor Tanna al een vrij volledig wegennet heeft. In het begin
verzetten de inboorlingen zich tegen den wegenbouw, maar thans
hebben ze het nut daarvan ingezien en stellen nu zelf veel belang
in de uitbreiding van hun aantal rijwegen. Het aantal inboorlingen,
dat zoo sterk achteruitging, blijft nu op peil; de levensmoed is er
op vooruitgegaan, en overal vindt men een groot aantal kinderen en
vroolijken arbeidsdrang. Misschien is dit alles een vingerwijzing,
hoe ook op de noordelijke eilanden het ras zou kunnen worden in
stand gehouden.
De oorspronkelijke huizen op Tanna waren ellendige, kleine dakjes
van rietgras, ruw bevestigd aan een licht getimmerte. Dat lag
waarschijnlijk aan de eeuwige oneenigheid, waardoor de menschen
steeds weer van woonplaats moesten veranderen, ja, die wel eens het
noodzakelijk maakte, dat vrouwen en kinderen ergens in het bosch
den nacht moesten doorbrengen, om voor aanvallen veilig te zijn. De
oorlogen werden hier hoofdzakelijk met speer en knods gevoerd,
in tegenstelling met de noordelijke eilanden, waar pijl en boog de
voornaamste wapens waren.
Een eigenaardigheid, die men elders ook wel kon opmerken, was het
gebruik van een vroeger gebruiksvoorwerp als versiering. Tegenwoordig
dragen op Tanna de mannen en de vrouwen als sieraad en als erfstukken
bij wijze van amulet ringen van nephriet aan hun halsbanden.
Dat mineraal schijnt op Tanna niet voor te komen, maar moet in vroeger
tijden zijn ingevoerd, van waar is onbekend. Eenige van die doorboorde
en gepolijste steenen laten echter nog duidelijk zien, dat het eens
bijlklingen zijn geweest, die door langen dienst klein en onbruikbaar
zijn geworden. Men stelde den steen intusschen zoo hoog, dat men hem
niet wegwierp, maar hem doorboorde en aan een koord bij zich droeg,
tot hij bij latere geslachten tot sieraad en amulet werd.
Een echt polynesische kunst is het maken van tapa, stof van boombast
voor kleeding. Men kan er hier geen grootere stukken van vervaardigen,
maar bepaalt zich tot gordels, die een deel van de mannenkleeding
vormen en beschilderd worden met eenvoudige teekeningen. Men neemt
daarvoor oker en roet, welk poeder men wrijft met het rubberachtige
sap van den vijgeboom en teekent dan met een staafje. De kleeding
van de mannen is gelijk aan die op de centrale Hebriden; die der
vrouwen bestaat uit een schortje van planten vezels, van achteren
wat langer dan van voren, bij ongetrouwde vrouwen op zij open. De
vouwen dragen ook graag hoeden van bananenbladeren, die in groote,
tulbandachtige vormen voorkomen.
Veel gecompliceerder is de haardracht der mannen. Ze laten al
vroeg het haar lang groeien. Na het feest der rijpheid wordt het in
dunne lokken verdeeld, en ieder der lokken wordt met een bastvezel
omwonden, zoodat slechts een klein bundeltje aan het eind vrij uit
het omwindsel naar buiten komt. Er zijn soms wel vijftienhonderd van
die omwikkelingen noodig, om al het haar te bewerken. Die pruik wordt
naar achteren gestreken en daar met een touw samengebonden. De mannen
krijgen daardoor een wat vrouwelijk voorkomen. Natuurlijk moet het
verder groeiende haar weder worden omwonden, zoodat het kapsel veel
tijd vordert, en men altijd mannen bij elkander kan zien zitten,
die wederkeerig bezig zijn als kappers te fungeeren. De invloed van
het Christendom werkt die mode tegen en maakt, dat het haar kort
geknipt wordt.
Over het algemeen is er weinig eigen cultuur op het eiland. Snijwerk
ontbreekt geheel; de vlechterij beteekent niet veel en evenmin de
lichaamsversiering, die uit niets dan eenige schelpringen en armbanden
van kokosnoothout bestaat met nog enkele oorhangers van schildpad;
maar men kan wel zeggen, dat de bewoners van Tanna tot de meest
bescheiden eischen zich bepalen, temeer daar hun voorwerpen van
dagelijksch gebruik tot de allereenvoudigste behooren.
De goede wegen veroorloofden mij een gemakkelijk verkeer op het eiland,
waarbij ik over de paarden van den zendeling kon beschikken. De
vulkaan gelijkt op de vroeger door mij beschrevene. Er is hier ook
veel zwavel en de berg is voortdurend in werking, doch doet thans
alleen in de dichte nabijheid allen plantengroei den dood aan. Op
mijn tochten had ik de gelegenheid de vrees en het wantrouwen op te
merken, die den Tanneezen nog altijd in het bloed zitten, juist als
ze voorkomen op de andere eilanden. Maar hier ziet men het beter
op een afstand bij de rechte wegen, terwijl elders de kronkelpaden
een gemakkelijker verdwijnen mogelijk maken. Men merkt namelijk, dat
menschen, die den tred van het paard hebben gehoord, onrustig worden
en precies het oogenblik weten te gebruiken, dat men niet op hen
let, om plotseling te verdwijnen. Men zal, ook als men goed toeziet,
niet kunnen ontdekken, waar ze in het bosch zijn verdwenen, en toch
komen ze zeker weer te voorschijn, als ze een vijftig meter achter
u zijn. Het is een bijzonder instinct van den natuurmensch, zich de
dekkingen ten nutte te maken, waarbij hem zijn donkere huidskleur,
die zoozeer met het bruin van de stammen en bladschaduwen overeenstemt,
ten zeerste dient.
Aan de andere kust is het hospitaal van de presbyteriaansche zending,
dat door Dr. N. prachtig wordt geleid. Er zijn dertig bedden, een
kleine, maar uitstekend ingerichte operatiezaal, en daar het huis bijna
altijd vol is, heeft men eenige strooien hutten erbij laten zetten
voor de niet zwaar zieken. Op de royale manier, die bij deze zending
gebruikelijk is, wordt aan blanken en zwarten kostelooze behandeling
geschonken; de eenige verplichting, die de inboorlingen op zich nemen,
is dat ze het hospitaal steunen met hun veldvruchten. In de laatste
jaren hebben de inboorlingen de waarde van het hospitaal op prijs
leeren stellen, en waar ze vroeger haast met geweld tot een behandeling
moesten worden gedwongen, melden ze zich thans dadelijk aan. Als men
weet, hoeveel ziekte kan worden voorkomen bij tijdige behandeling,
kan men nagaan, hoe een hospitaal helpt tot de instandhouding van het
ras, en hoezeer het te wenschen zou zijn, dat op elk van de grootere
eilanden een ziekenhuis werd opgericht.
Een maand na mijn aankomst op Tanna bracht mij de stoomboot weer
naar Port Vila, waar ik opnieuw de gastvrijheid van den heer King
aanvaardde. Mijn eerstvolgend doel waren de Santa-Cruzeilanden,
en de stoomboot van de anglicaansche zending, de "Southern Cross",
moest mij in staat stellen, dat doel te bereiken. De boot was
op een driemaandelijksche vaart door het geheele zendingsgebied
en deed Port Vila aan, om dan door de Nieuwe Hebriden, de Banks-
en Santa-Cruzeilanden naar de Salomons-eilanden te varen en langs
denzelfden weg weer naar Nieuw Zeeland terug te keeren.
Ik verzocht den kapitein om passage en werd op de uitreis bij
den eenigen blanke, die op Santa-Cruz woont, afgezet, om op de
terugreis na zes weken weer te worden afgehaald. Weer voer ik de mij
zoo welbekende route van Vila noordwaarts door de Nieuwe Hebriden
en de Banksgroep. Tot Ureparapara was ik nog in bekende wateren,
maar daarna kwam weer het onbekende. Het schip was een stoomboot van
vijfhonderd ton, die speciaal was gebouwd voor het vervoer van één- tot
tweehonderd inboorlingen en ongeveer twaalf zendelingen, alsook voor
waren voor de zendingsstations. Het was er alles eenvoudig; maar een
goede bibliotheek en aangenaam gezelschap maakte de reis prettig. Ik
trof eenige zendelingen, die van hun vacantie terugkeerden, om den
arbeid in de woeste streken van de Salomonseilanden te hervatten,
want deze zending heeft vele primitieve en gevaarlijke terreinen, waar
ze werkt. Dit zijn waardige opvolgers van de pionierszendelingen,
van wie zooveel tot de anglicaansche zending hebben behoord, en
als wier eerste bisschop Patteson moet worden genoemd, die op de
Santa-Cruzgroep als slachtoffer van de inboorlingen is gevallen.
Ons schip diende ook voor het transport van jonge inboorlingen van
hun eilanden naar Norfolk, waar ze op een centrale school naast het
Christendom ook allerlei nuttige kennis zich verwerven. Uit alle
deelen van Melanesië neemt de zending leerlingen aan, die gedurende
drie of zes jaren worden opgevoed door blanken en daarna weer naar hun
vaderland worden teruggebracht, waar ze door hun levenshoudingen hun
gedrag de inboorlingen gunstig moeten stemmen voor het Christendom
en de christelijke beschaving van den blanke. De knapen maakten een
uitstekenden indruk; ze waren gezond en welgevoed, gedroegen zich
netjes en zagen er aantrekkelijk uit met enkel hun schaamdoeken en
de naar de toenmalige mode van voren tot een kussenachtigen ring
opgekamde haren. Het was interessant, de typen van de verschillende
eilanden te vergelijken, den korten, breeden plebejischen inwoner
van de Nieuwe Hebriden, de lange Salomonen met hun energieken blik,
en de bewoners van de Bankseilanden met hun intelligente gezichten.
Dezen keer was de vaart belangrijk, omdat het de eerste was, die met
gekleurde bemanning werd volbracht. Het was den kapitein gelukt, zich
met veel geduld en toewijding een scheepsbemanning van inboorlingen op
te leiden. Hij had het scepticisme van de blanken kunnen overwinnen,
en nu zou blijken, of de Melanesiërs voor een arbeid, die initiatief,
overleg en verantwoordelijkheid eischte, waren te gebruiken. Tot nu
toe, dus in de eerste weken, was alles goed gegaan, en werkelijk
arbeidden de menschen zoodanig, dat het zelfs mij, die zeker geen
slechte meening over de intelligentie van den Melanesiër had, ten
hoogste verraste. Nu waren de meeste matrozen van Mota Lava afkomstig
op de Banks-eilanden, waar een der flinkste rassen van de eilanden
woont. Al dadelijk kan ik vertellen, dat de inboorlingen zich op
de gansche reis voorbeeldig hebben gehouden en dus hebben getoond,
dat ze ook voor ander dan plantagewerk zijn te gebruiken.
Op een morgen voeren we om een landtong heen en om het eiland Tumotu,
dat de westelijke grens vormt van de Graciosabaai op Nitendi. Het leek,
alsof het strand hier een veel tropischer aanblik bood dan op de Nieuwe
Hebriden, alsof de plantengroei meer verscheidenheid had en meer vormen
en kleuren te zien gaf. Ook kon ik mij er een denkbeeld van vormen,
hoe de kusten der Nieuwe Hebriden er eenmaal moeten hebben uitgezien,
toen ze dicht bevolkt waren, want hier rijde zich dorp aan dorp, en
het strand was bezaaid met prauwen, die vlug in het water gingen, toen
wij voorbijvoeren. Veel dozijnen booten waagden zich in de open zee
en volgden de stoomboot, zoolang het ging. Toen we echter in de baai
binnenvoeren, bleven de menschen achter, om niet langs vijandelijke
dorpen te varen.
In de baai verschenen nu andere kano's om ons heen, en toen we voor
anker lagen, omgaf ons een zoo groote vloot, dat men haast droogvoets
rondom het schip had kunnen wandelen. Hier zag men weinig gekleede
menschen, maar oerechte wilden, die de roeiriemen verrassend handig
hanteerden en, in hun heftige begeerte om te ruilen, ons bestormden
met allerlei voorwerpen.
De Santa-Cruzeilanden behooren tot de minst bekende van de Stille
Zuidzee. Hun bewoners gaan voor gevaarlijk door, vooral om hun giftige
pijlen, die ze met overleg gebruiken. Voor enkele maanden was een
zendeling gedwongen, de eilanden te verlaten, nadat hij verscheiden
dagen door de inboorlingen belegerd was. Ik was dus niet erg gerust,
toen ik mij aan land liet brengen naar den heer M., die daar met eenige
arbeiders van de Salomonseilanden voor de groote zeepfabrikanten Levers
Bros een kokosnootplantage aanlegde. Sedert jaren was de heer M. de
eenige kolonist op het eiland en hij stond nu met de inboorlingen
op goeden voet, nadat hij in de eerste jaren met hen op voet van
oorlog had verkeerd. Hij begroette mij als een welkomen gast in zijn
eenzaamheid, en ik had goed vertrouwen, dat ik hier een rijken oogst
aan ethnographische voorwerpen zou kunnen binnenhalen. Ook moest ik
weer naar helpers omzien, want ik had niemand bereid gevonden, mij
naar de Santa-Cruzeilanden te vergezellen. De heer M. had door den
coprahandel veel betrekkingen met de menschen en beval mij een paar
aan. Een viertal huurde ik, van wie een paar vrij goed het Biche la
mar spraken, de taal van de kusten en van den handel.
De kleeding van de mannen bestaat uit een lendengordel, waaraan een
smal stuk witte tapa of boombaststof hangt. Over den gordel dragen
ze vaak spiralen van een klimplant en ook wel banden van gevlochten
vezels. Om de knieën en gewrichten bindt men zich kleine schelpen, en
op de borst wordt een groote schijf gedragen van tridacna, een schelp,
waar soms snijwerk van schildpad op is bevestigd, een gestiliseerde
verbinding van vogel en visch. Die versiering werkt bepaald decoratief
op de donkere huidskleur. In de ooren hangen groote sieraden van
schildpad en aan de armen schelpringen of gevlochten armbanden
met patronen van kralen, en nooit ziet men een man zonder pijl en
boog. De bogen zijn 1.80 groot en worden gespannen met een koord, dat
bestaat uit den gedraaiden bast van een dunnen luchtwortel van een
vijgenboom. Daarmee in overeenstemming is de grootte van de pijlen,
die ongeveer 1.29 meter lang zijn, gesneden van riet met een lange,
houten spits, waaraan als ornament allerlei gestiliseerde weerhaken
zijn gesneden. Het snijwerk is wit, rood en zwart geschilderd,
meestal zoo, dat de weerhaken zwart zijn op rood en witten grond,
zoodat ze er mooi op uit komen. Naar de punt toe wordt het hout al
dunner en draagt de korte, zeer fijne spits van been, die maar los
in het hout zit en met geel of rood lak is bestreken, zoodat men de
plaats, waar het been is ingezet, moeilijk kan herkennen. De pijlen
worden in pakjes van tien stuks met gelijk patroon vervaardigd. Goede
schutters zijn de inboorlingen niet, maar ze kunnen een groote kracht
in hun pijlen leggen en deze buitengewoon ver doen vliegen en zeer
diep doen indringen. De gevechten verloopen niet zeer bloedig en
zijn alleen gevaarlijk door het groote aantal in het rond suizende
pijlen. Dan steekt ieder krijger zijn pijlen rechts in den gordel, om
ze snel bij de hand te hebben. Knodsen gebruikt men zoo goed als niet.
De Graciosabaai is bijna geheel bezet met dorpen aan haar oevers en
was dat vroeger nog in sterker mate, want thans zijn er al verscheiden
nederzettingen verdwenen of uitgestorven. Toch mag men het aantal
aan de baai wonende inboorlingen wel op twee duizend schatten. In het
binnenland wonen bijna geen menschen. Er moeten daar nooit veel dorpen
zijn geweest, daar de menschen van Santa Cruz er blijkbaar de voorkeur
aan geven, aan het strand te wonen. De liefelijke baai is haar naam
waardig, want ze is behalve in het Noorden door groene heuvels omgeven
en de deining stoort maar even de gladheid van haar oppervlakte. Alleen
bij noordenwind dringen de golven meer naar binnen en ruischen met
dof gegorgel tusschen de blokken koraal, die de oevers begrenzen.