van de maatschappij en bracht de arbeiders en de opzichters mee,
om Nieuwjaar te vieren. Er kwamen de heer C. van het naburige Gaua,
een fransche oud-gendarme, dan een luitenant uit den Boerenkrijg,
een expriester, een bankbeambte, een kantoorbediende en een cowboy
uit Australië, dus wel een bont gezelschap van voor het meerendeel
door den alcohol gestrande wezens, maar uiterlijk heel nette menschen.
De aankomst van iedereen zonder onderscheid moest worden beklonken,
zoodat een geregelde stroom van bedienden uit het kwartier
van de beambten naar het Directeurshuis op den heuvel vloeide
met geheimzinnige briefjes, die het verzoek om nog een flesch
inhielden. Alle verzoeken werden ingewilligd, zoodat er in den loop
van een paar dagen een massa leêge absinth- en whiskyflesschen zich
opstapelden. Zooals het gaat met zulke menschen, die door alcohol
niet plezierig, maar verdrietig worden, was er al gauw oneenigheid. Ze
waren allen prikkelbaar, en het was te vreezen, dat er ernstige ruzie
zou komen.
Er werd intusschen moeite gedaan, om het feest te doen slagen, door
het huis van den directeur met guirlanden te versieren en de eetzaal
met bloemen en varens in een lustpriëel te veranderen. Na den maaltijd
verraste ons de gendarme met een fakkeloptocht van zijn arbeiders,
waar ze de Marseillaise bij zongen. Hij had met oneindige moeite en
geduld hun de wijs en de woorden geleerd, zoodat het niet kwaad klonk
met zijn hulp en die van den expriester. Jammer, dat de avond met
een ranselpartij eindigde, waarna de vechtersbazen op alle mogelijke
plaatsen en in onmogelijke houdingen den nacht verder sleten.
De Nieuwjaarsmorgen beloofde een heerlijken dag en tevens den
wereldvrede, want kantoorbediende en luitenant, gendarme en expriester,
alles kwam bijeen, gaf handdrukken en verontschuldigingen en leverde
een tooneel van algemeene verbroedering. Een morgenslokje bezegelde het
verbond, dat echter des avonds weer vergeten was en nieuw geharrewar
niet kon tegengaan.
Een der volgende dagen voer ik met den directeur naar een plantage op
Venua Lava, waar de directeur een voorbeeld moest stellen. Een arbeider
had gehoorzaamheid geweigerd, en toen de opzichter hem had heen en weer
geschud, had hij zijn boschmes getrokken. De sterke opzichter had den
man gemakkelijk vermeesterd en geboeid; maar de andere zwarten hadden
hem daarbij niet geholpen, toen hij hun toegeroepen had, hem meer touw
voor het binden te brengen. Al kon men niet bepaald over een oproer
spreken, het was toch een geval, dat streng moest worden gestraft.
Op het station werd recht gesproken en de aangeklaagden werden
gehoord in tegenwoordigheid van alle arbeiders. Het was opmerkelijk,
dat eigenlijk niemand zich door leugens trachtte te redden; allen
gaven toe, dat ze schuld hadden, de voornaamste zondaar, zoowel als
de anderen. Dat is een verschijnsel, dat men overal kan waarnemen,
dat de inboorling van de Nieuwe Hebriden voor het gerecht zelden
onwaarheid spreekt. Men kan haast altijd de waarheid ontdekken. Het
vonnis was in dit geval een verlenging van de arbeidsjaren voor de
schuldigen en voor den dader nog zes geeselslagen bovendien. Niet de
veroordeelde, maar zijn broeder brak in tranen uit.
Des avonds was de executie, en de delinquent nam de niet erg aankomende
slagen gelijkmoedig op. Maar de verzamelde arbeiders waren toch
blijkbaar onder den indruk, zoodat het voorbeeld wel afschrikkend zal
werken. Ten slotte is de Melanesiër hier een ongevaarlijk, geduldig
en serviel individu; openlijk verzet komt bijna niet voor.
Den volgenden dag gingen wij naar Ureparapara, een vulkanisch eiland,
waar de wand van den reusachtigen krater aan den eenen kant is
ingestort, zoodat het eiland een hoefijzer vormt met één hoogen wand,
die een baai insluit. Daar ankeren vaak schepen, en in overeenstemming
met het feit, dat er veel blanken komen, is het eiland dun bevolkt
met inboorlingen. Juist als op het naburige Meralava is er haast geen
vlakke vierkante meter op het eiland; de kleine dorpen hangen tegen
de hellingen aan, die in zee bij een breed koraalrif aansluiten. Wij
konden landen en copra innemen, en des avonds vonden we in de baai
een ideale ankerplaats.
De vroegere kraternatuur van de baai was nog gemakkelijk te
herkennen. Het moet een geweldige catastrofe geweest zijn, toen de
wand doorbrak en de zee zich stortte door de opening. De inboorlingen
vertellen, dat een reuzenvisch tegen het eiland was opgezwommen en de
opening had gemaakt. In ieder geval is het een interessant gevoel,
thans daar in een boot te liggen schommelen, waar eens de vloeibare
lava en het vuur uit de diepte hebben gewoed. Het water is slechts
flauw gerimpeld, en kleine golfjes spelen tegen de vlakke oevers met
de mangrovenboschjes. Neen, van de woedende elementen bespeurt men
nu niets meer in deze vreedzame omgeving.
Van de baai uit konden we de strooien daken van een inboorlingendorp
zien; in de diepe schaduw onder de groote boomen hurkten inboorlingen
om een vuur, en vlakbij lagen de lange booten op het strand. Aan
drie zijden rezen de hooge kraterwanden, zoodat men zich kon wanen
aan een stil bergmeer en onwillekeurig luisterde naar de klokjes van
de kudden. In plaats daarvan hoorden we de lokroepen van de groote
boschduiven en heel in de verte het rollen van de branding.
Wij konden niet nalaten, op dit lieflijk plekje een rustdag te houden,
en eerst den volgenden morgen stapte ik de bergen op en volgde het
steile pad tot op den kam, waar eenige tarovelden lagen, van waar de
vrouwen, dagelijks op en neer klauterend, de vruchten halen, stellig
met koordedanserstalent, maar het eiland heeft niet veel grond,
waar een aanplanting kan worden ingericht.
Ureparapara was het noordelijkste punt, dat ik tot nu toe had bezocht,
en de nabijheid van de kunstlievende Salomonseilanden was hier,
in vergelijking met de centrale groep, duidelijk merkbaar. Terwijl
op de Nieuwe Hebriden tegenwoordig iedere kunstuiting buiten de
mattenvlechterij in verval blijkt te zijn, vond ik hier nog enkele zeer
fraaie voorwerpen, sierlijke gesneden oorstaafjes, matten met mooie
patronen en armbanden. Ook trof ik hier een vorm van trommel, die op
de Nieuwe Hebriden totaal ontbreekt, namelijk een echte veltrommel,
een hollen houten cylinder, waarvan het eene eind in den grond wordt
ingegraven, terwijl over het andere eind bladen van de wilde banaan
het kalfsvel vervangen.
Al zijn dit en andere verschijnselen ook slechts détails, ze passen
toch bij de bevolking, die grootelijks verschilt van die der Nieuwe
Hebriden. Men ziet hier lange gezichten, hooge voorhoofden, vaak smalle
en haakvormig gebogen neuzen. Besluit men op dien grond tot een hoogere
beschaving, dan wordt dat oordeel door de ervaring bevestigd, want
de inboorling van de Banksgroep is opgewekter, levendiger, opener en
intelligenter dan de vaak wantrouwige, knorrige en apathische bewoner
van de Nieuwe Hebriden. Kannibalisme moet op de Bankseilanden nooit
inheemsch zijn geweest. Ten gevolge van het geringer verkeer met
de blanken kan het zijn, dat de inboorlingen nog niet zoozeer het
vertrouwen in de Europeanen hebben verloren als op de andere eilanden.
Ik kon, helaas, weinig goede ethnografica meer krijgen, daar
eenige maanden te voren een engelsch oorlogsschip in de baai had
geankerd. Wie de verzamelwoede van de Blauwjakken, van den kapitein
tot den scheepsjongen toe, kent, zal zich niet verwonderen, dat
daardoor het kleine eiland grondig geplunderd was. Het speet mij,
dat zooveel waardevol materiaal op die wijze voor altijd verloren was
gegaan, want bijna al die curiosa worden later verloren en vergeten
en hebben, daar er geen data en herkomst op vermeld staat, zoo goed
als geen waarde meer. Gelukkig zijn er echter kleinigheden, die de
leek versmaadt en die even belangrijk zijn als knodsen en vergiftigde
pijlen. Ook is er altijd nog wel wat te voorschijn te halen, al is
het ook onder roet verborgen en door insecten beknaagd.
Op den dag na den terugkeer naar Port Patteson bracht de boot mij
naar een plantage op Venua Lava, van waar de vulkaan gemakkelijk was
te bestijgen. De vulkaan is hoofdzakelijk werkzaam door zwavelbronnen
en heeft aanzienlijke afzettingen van zwavel gevormd, die ongeveer
vijftien jaren geleden werden ontgonnen. Er was in Nouméa een
maatschappij opgericht, een filiaal van de bekende Société Française
des Nouvelles Hébrides. Ontslagen gedeporteerden waren als arbeiders
in dienst genomen en groeven eenige weken of maanden ook werkelijk in
de buurt van den vulkaan. Maar het bleek al spoedig, wat men eigenlijk
wel eerst had mogen onderzoeken, dat de dagelijksche zwavelproductie
van de bronnen zeer gering was, en dat over het geheel de ontginning
niet loonend zou zijn. Men had intusschen groote voorraden en
rollend materieel aangevoerd, die nooit in gebruik werden genomen en
verroestten en verrotten. De strafkolonisten waren allen drinkebroers
en stierven binnen korten tijd. De directeur bekommerde zich niet in
het minst om de onderneming; er werden ongehoorde hoeveelheden alcohol
verkocht aan de inboorlingen, die dan ook als vliegen wegstierven, en
men beroemde er zich op, dat van ledige jeneverkisten een flink huis
was gebouwd. Nadat men van pret en alcohol had geleefd en eenige tonnen
zwavel had verscheept, gaf men de onderneming op. Dit is een bijna
typisch voorbeeld van de manier, waarop in die jaren op de eilanden
maatschappijen gesticht werden en geld werd weggegooid. Er loopen
interessante verhalen over het weelderige leven van de opzichters
der plantages van een nu nog bestaande maatschappij. Groote sommen,
voor de aanplantingen bestemd, gingen als champagne door de kelen van
de aangestelden of verdwenen op andere wijze. Er schijnt zoo goed als
geen contrôle te zijn uitgeoefend, waarom het geen wonder is, dat de
maatschappij, die thans met geringe kosten alle goede terreinen op
de Nieuwe Hebriden zou hebben beplant, daar de arbeidsloonen in die
tijden zeer gering waren, nauwelijks eenige noemenswaardige plantages
bezit. Men mag het gerust aan de werking van de zwavelmaatschappij
toeschrijven, dat daar, waar voor vijftien jaren, naar men mij zeide,
duizenden en duizenden inboorlingen hadden geleefd, nog een dorp van
ongeveer vijftig zielen is te vinden. Het gelukte mij het hoofd van
dit "volk" als gids mee te krijgen. Hij had ook vroeger zwavel van
den vulkaan naar de kust gesleept en leidde mij langs den ouden weg,
die nu nog slechts een dichtgegroeid pad was. Om den vulkaan hangen
haast voortdurend regenwolken, zoodat het woud moerassig is met een
drukkende, zwoele atmosfeer.
Na een marsch van twee uren stonden we aan den rand van een plateau,
waarvan dichtbij elkander twee beken naar beneden vloeiden in trotsche
watervallen. De zilveren banden schitterden tusschen het groen en
verzonken in de donkere diepte aan onze voeten, om dan als een scherpe
scheur in het bosch naar de kust verder te gaan. De eene beek was
door de zwavel melkachtig gekleurd, en alles in het bereik van het
water was met wit slijk overdekt, terwijl de andere roodachtig water
voerde en alle rotsen met een rooden neerslag had belegd. Het water
voelde lauwwarm aan. Kort daarna betraden we een open plek, waarboven
nevelflarden hingen, en waar een stekende damp in de oogen en den
neus drong en den adem benauwde. We waren aan het benedeneind van de
zone der solfataren, waarheen het pad leidde. De bodem bestond eerst
uit murw, door zuren ontleed gesteente en daarna uit zwavelblokken,
waarop de schoenen knarsten als op hard bevroren sneeuw. De kleur
van de zwavel was grijsgroen; maar zuiverder brokken hadden de gewone
zwavelkleur en dikwijls zagen we welgevormde zwavelkristallen. Bij het
stijgen hoorden we steeds duidelijker een sissen, alsof stoom uit een
nauwe opening kwam. Spoedig bevonden we ons te midden van talrijke
tumuli, op welker toppen de gele zwavel schitterde, terwijl door de
reten en voegen stoom ontweek. De heele bodem scheen doorgroefd door
een netwerk van kanalen, waaruit het dampte en borrelde.
Onze schreden klonken hol; groote steenblokken lagen in een evenwicht,
waaruit eene lichte beweging ze verschoof, zoodat ze verbrokkelend
in een kloof rolden, waar een grijze beek de heete bronwateren naar
de diepte leidde. Vaak omhulde de stoom ons geheel; we hoorden dan de
sissende bronnen dubbel sterk, tot een windstoot de nevels verstrooide
en we weer een blik op den top van den berg konden werpen.
Het was een griezelig gevoel, te midden van de kwaadaardig piepende
en fluitende heuvels te staan, en als de gids zich niet zoo zorgeloos
had getoond, zou ik mij niet zoo ver op het dampende zwavelveld hebben
gewaagd. Ik kon het mijn bedienden niet kwalijk nemen, dat ze zich niet
behagelijk voelden, zich als schuchtere schapen om mij heen drongen,
niets zeiden en eindelijk erop aandrongen, dat we zouden omkeeren. Ik
kon hun zin echter nog niet doen. We stegen hooger, waar men plassen
zag met heftig borrelend water erin, geel of zwartachtig; de heele
omgeving was overtrokken met zwavel in een harde massa als met een
dikke laag ijzel.
Van daar volgden we een beek, waarvan het water heeter en heeter werd,
tot men er niet meer in kon loopen, maar van steen op steen moest
springen. We waren blij, eindelijk den krater te hebben bereikt,
ook weer een kleurlooze vlakte, waar in de diepte een grijze plas
kookte. Dat was nu echt een barsche zwavelpoel te midden van een
doode natuur, zwart, stil, licht bewogen, blazen opstuwend en met
golven borrelend. Tegenover ons bedekte een stoomwolk een spleet
in den kraterwand; maar boven was de lucht helder, en een sterke
tegenstelling met deze doodsche en vijandig uitziende omgeving vormde
het gezicht op de kust, de blauwe zee en een eilandje, dat vreedzaam
op de wateren lag.
Den volgenden dag voer ik naar Gaua. We gingen langs de noordkust naar
het westen, waar ik aan land stapte en den dag daarop aan een andere
ankerplaats weer zou worden afgehaald. Overal waren de wegen nog door
den laatsten cycloon versperd door omgevallen boomen, en bijna alle
kokospalmen hadden hun vruchten verloren. De wind ruischte door het
woud en joeg den regen over de heuvels.
Het was mijn plan, beelden van boomvarens gemaakt, te erlangen. Hier
versiert namelijk ieder rijke man, dat is, ieder man van een hoogen
rang, de omgeving van zijn huis met hooge standbeelden van het
mannelijk of het vrouwelijk geslacht. Hij zet ze meestal langs een muur
of terras rondom zijn huis. Zeker hadden ze eens een godsdienstige
beteekenis; maar de diepere zin schijnt verloren te zijn gegaan ten
minste op de Bankseilanden, en ze zijn nu niets anders dan versiering
en teeken van welstand, want men moet voor het vervaardigen veel aan
den kunstenaar betalen, vooral als het beeld een personnage voorstelt
van hoogen rang. Dien rang kan de ingewijde aan allerlei teekeningen
en ornamentlijnen herkennen, ook aan het aantal varkenskaken, die in
het snijwerk zijn aangebracht. Meestal levert de kunstenaar vooraf
een ontwerp voor het beeld, een gestiliseerde teekening in roode,
witte en zwarte kleuren op een plank, en die teekeningen dienen weer
als patronen voor de tatoeëerfiguren der mannen en vrouwen. Bij elke
verhooging in rang mag een man of een vrouw zich het daarbij behoorende
patroon laten aanbrengen, zoodat een kenner direct den graad van den
bedoelden persoon kan waarnemen. Bovendien gelden de teekeningen ook
als versiering, vooral voor vrouwen, die hierdoor en ook omdat men
voor de teekeningen, die ze op het lichaam dragen, veel moet betalen,
in waarde stijgen. Dergelijke patronen vindt men ook op oorhangers,
knodsen, armbanden en gordels, kortom, ze leveren de motieven voor
alle ornamenten, en men kan daaruit zien, hoe bij de primitieve volken,
waar het geheele leven om één gedachte draait, er op den grondslag van
die eene allen gemeenzame gedachte een stijl ontstaat. De herhaling
van steeds hetzelfde voorwerp laat de voorstelling allengs worden tot
een bloot symbool, waarin de oorspronkelijke vorm van het voorwerp
nauwelijks is te herkennen. Daar de vereenvoudiging blijkbaar aan
zekere wetten is gebonden, die voor een deel ook door den aard van het
materiaal, waarmee gewerkt wordt, beheerscht worden, en de symbolen,
als ze eenmaal alle overeenkomst met de werkelijkheid hebben verloren,
geslachten na geslachten lang nauwkeurig gecopiëerd worden, ontstaat
er een soort van hieroglyphen, zoodat de kunst der Melanesiërs meer
de uitdrukking eener idee is, meer symbool, dan wel versiering.
Het deed mij genoegen, dat ik hier een groot aantal schedels
kon krijgen, dank zij de eigenaardige begrafenismethode, die er
gebruikelijk is. Men legde op Gaua namelijk den mannelijken doode
op een verhoogd bed in de hut, waaronder men een sterk rookend vuur
onderhield. De weduwen en de naaste verwanten moesten als teeken van
rouw naast het vergaande lijk slapen. Na tweehonderd dagen was het
lijk meestal vergaan, waarna men de lange beenderen verzamelde, om
er pijlpunten van te maken, terwijl men de overige beenderen in een
mand legde en begroef of bij de wortels van vijgenboomen bijzette. De
inboorlingen brachten mij bij zulk een boom, waar ik met weinig
moeite een rijken buit vond. Men deelde mij verder mee, dat men
vroeger de schedels van zeer geliefde dooden vaak in een mand lang
met zich meedroeg en bij voorbeeld aan een feest liet deelnemen. Dat
is dus dezelfde gedachte, die het gebruik op Zuid-Malekula in het
leven heeft geroepen, om aan de schedels van voorouders en kinderen
gezichten te fatsoeneeren, er haren aan te hechten en ze bij zich te
dragen of in de gamal te plaatsen.
In de eerste dagen wordt voor de dooden voedsel neergezet; maar
toch schijnt de voorstelling van een bestaan na den dood hier maar
vaag ontwikkeld te wezen. Men legt de spijs ter zijde als een uiting
van rouw met het idee: "Dat zou uw portie zijn, als ge nog in leven
waart." Een bepaalden dienst der voorouders, zooals bestaat op de
Nieuwe Hebriden, kon ik op de Bankseilanden niet meer vinden, al is hij
er vroeger stellig wel gebruikelijk geweest. Ook de Suque moet op de
eilanden een centrum hebben gehad en heeft er sporen achtergelaten in
de wallen en altaren, die men er zeer talrijk vindt. De mannenhuizen
zijn ook op een vaak twee meter hoog steenen voetstuk gezet, en
links en rechts staan ongeveer twee meter hooge steenhoopen als
reuzenkwadraten van twee tot vier meter in het vierkant. Dat zijn
altaren, waarop varkens werden geofferd. Vóór het huis is een pleintje,
dat aan alle kanten door verscheiden rijen van steenen muurtjes is
ingesloten, die tot tien meter lang, één meter hoog en twee meter
breed zijn. Op die muurtjes dansen de mannen bij feesten, en langs
de muren staan de genoemde standbeelden, afwisselend met palmen.
De muren zijn verschillend, nu eens van platte steenen platen
zorgvuldig samengevoegd, dan weer van grootere bazaltblokken
opgebouwd. De bouwsels moeten zwaren arbeid hebben gekost; maar ze zijn
nog niets, als men ze vergelijkt met de arbeidssom, noodig voor het
oprichten van de tallooze en eindelooze muren, die bijna het geheele
eiland als met een net overdekken en de velden en dorpen insluiten. We
vinden ook wel op andere eilanden muren, maar dat zijn meestal slechts
lange steenhoopen van geringe hoogte, terwijl we hier manshooge
bouwwerken vinden van grootere blokken opgetrokken. De totale lengte
van die muren zal wel verscheiden honderden kilometers bedragen, als
men bedenkt, dat de weg vaak uren lang tusschen zulke muren, als bij
een nauwe straat, doorloopt. Voor het transport zijn er lage poorten
in aangebracht. Een groote steenen plaat of een primitief gewelf vormt
het dak van de poort, die gewoonlijk met steenen is afgesloten. De
mensch klimt over de muren, maar het zwijntje mag door de poort gaan.
Voor het overige lijkt het leven van de menschen op de Bankseilanden
veel op dat van de bevolking der overige Nieuwe Hebriden, maar speren
treft men hier niet aan, alleen als wapens pijlen, knodsen en slingers.
Toen ik van mijn uitstapje des avonds terugkeerde, zag ik van de hoogte
af een wildbewogen zee, waar de wind overheen raasde als in den vorigen
cycloon. Ik schikte mij in de gedachte aan een langer verblijf op
het eiland en at mijn laatste voorraden bedachtzaam op. In den nacht
regende het geweldig, zoodat ik wakker werd door een onaangename
koude en zag, dat ik half in een plas lag. Het regenwater had het
zwakke aarden dijkje om de hut doorgebroken en de hut overstroomd. Wij
redden ons in een halfklaar huis, dat ten minste een drogen grond had,
al blies de wind het regenstof ook in wolken onder het dak door.
Ik doorleefde nu vier sombere dagen, vol onrust en bezorgdheid over
de boot. Ik was namelijk volstrekt niet zeker, of die nog vóór het
uitbreken van den storm de veilige ankerplaats had kunnen bereiken. Als
dat niet was gelukt, dan zou het vaartuig zonder twijfel op de koralen
stuk gestooten zijn, en hoe ik dan naar Venua Lava zou terugkeeren
en de verwachte stoomboot zou bereiken, was mij een raadsel. Het zou
mij een verblijf van weken op Gaua kunnen kosten, wat een treurig
vooruitzicht was.
Ik begon nu al den tijd lang te vinden, en de dagen gingen ontzettend
langzaam. Ik zat aan het rookende vuur en stelde mij tot taak, het
vochtige hout zoo economisch mogelijk te verbranden, keek naar het
weer, schikte weg van den regen, sliep en floot. Vaak kwamen enkele
inboorlingen en zaten met mij om het vuur. Ik maakte gelukkig kennis
met een spraakzamen man, die mij wat van de gewoonten van de bewoners
kon vertellen. Maar zooals dat met de inboorlingen meestal het geval
is, werd hij altijd gauw moe van het denken en praten en zweeg dan
stil, zoodat de zittingen nooit lang duurden.
Hij vertelde bij voorbeeld, dat als er een kind geboren was, de vader
aan de schoonmoeder geschenken moest geven. De moeder had al voor
de geboorte veel fakkels van hars en bladeren gemaakt, om de hut te
verlichten, opdat de booze geesten, die het kind zouden kunnen schaden,
werden afgeschrikt. Den vijfden dag mag de moeder uitgaan en het kind
mee naar het veld nemen. Ze strooit daarbij haard-asch op den weg, om
spoken ver te houden, want die houden niet van asch. Daaruit spreekt
de beschermende, heiligende en zuiverende eigenschap van het vuur,
den besten vriend en trooster van den mensch in het donker van den
nacht. Op het veld heeft de broeder van de moeder een klein huisje
gebouwd en daarbij plant de moeder voor het kind taro, een symbolische
handeling, waardoor het kind vlijtig op het veld en gelukkig met
zijn werk zal worden. Op den terugweg legt dan de moeder kleine
geschenken neer, die door de dorpsgenooten worden opgenomen. Bij de
eerstgeborenen verzamelen zich vaak alle vrouwen uit het dorp in het
huis van de moeder en leiden er weken lang een vroolijk leventje op
kosten van den vader, die zich in de gamal moet terugtrekken.
Men was voor mij vriendelijk en hulpvaardig, bracht mij yams en taro
en nu en dan een soort van kool, in steenen gekookt en met kokosmelk
bereid, die heerlijk smaakte. Maar die zuivere plantenkost kwam mij
vreemd aan, en al gauw begon ik sterk naar vleesch te verlangen. Ik
zou graag een zwijn of hoen hebben laten braden, maar daar men elke
vergoeding voor eetwaren tot nu toe weigerde, zou het onbescheiden
zijn geweest, mij ook vleesch te hebben laten geven. Ik slikte dus
de droge yamsknollen en droomde van busjesvleesch bij het verlangen
naar verandering.
Ik was hongerig, nat en eenzaam, lusteloos en bang, al mijn
opgewektheid te verliezen. Men houdt zich in zulke gevallen veel te
veel met zichzelf bezig, vergroot de zorgen voor de toekomst en denkt
aan allerlei narigheid.