Gedurende de volgende dagen voer de motorboot naar alle stations

van de maatschappij en bracht de arbeiders en de opzichters mee,

om Nieuwjaar te vieren. Er kwamen de heer C. van het naburige Gaua,

een fransche oud-gendarme, dan een luitenant uit den Boerenkrijg,

een expriester, een bankbeambte, een kantoorbediende en een cowboy

uit Australië, dus wel een bont gezelschap van voor het meerendeel

door den alcohol gestrande wezens, maar uiterlijk heel nette menschen.

De aankomst van iedereen zonder onderscheid moest worden beklonken,

zoodat een geregelde stroom van bedienden uit het kwartier

van de beambten naar het Directeurshuis op den heuvel vloeide

met geheimzinnige briefjes, die het verzoek om nog een flesch

inhielden. Alle verzoeken werden ingewilligd, zoodat er in den loop

van een paar dagen een massa leêge absinth- en whiskyflesschen zich

opstapelden. Zooals het gaat met zulke menschen, die door alcohol

niet plezierig, maar verdrietig worden, was er al gauw oneenigheid. Ze

waren allen prikkelbaar, en het was te vreezen, dat er ernstige ruzie

zou komen.

Er werd intusschen moeite gedaan, om het feest te doen slagen, door

het huis van den directeur met guirlanden te versieren en de eetzaal

met bloemen en varens in een lustpriëel te veranderen. Na den maaltijd

verraste ons de gendarme met een fakkeloptocht van zijn arbeiders,

waar ze de Marseillaise bij zongen. Hij had met oneindige moeite en

geduld hun de wijs en de woorden geleerd, zoodat het niet kwaad klonk

met zijn hulp en die van den expriester. Jammer, dat de avond met

een ranselpartij eindigde, waarna de vechtersbazen op alle mogelijke

plaatsen en in onmogelijke houdingen den nacht verder sleten.

De Nieuwjaarsmorgen beloofde een heerlijken dag en tevens den

wereldvrede, want kantoorbediende en luitenant, gendarme en expriester,

alles kwam bijeen, gaf handdrukken en verontschuldigingen en leverde

een tooneel van algemeene verbroedering. Een morgenslokje bezegelde het

verbond, dat echter des avonds weer vergeten was en nieuw geharrewar

niet kon tegengaan.

Een der volgende dagen voer ik met den directeur naar een plantage op

Venua Lava, waar de directeur een voorbeeld moest stellen. Een arbeider

had gehoorzaamheid geweigerd, en toen de opzichter hem had heen en weer

geschud, had hij zijn boschmes getrokken. De sterke opzichter had den

man gemakkelijk vermeesterd en geboeid; maar de andere zwarten hadden

hem daarbij niet geholpen, toen hij hun toegeroepen had, hem meer touw

voor het binden te brengen. Al kon men niet bepaald over een oproer

spreken, het was toch een geval, dat streng moest worden gestraft.

Op het station werd recht gesproken en de aangeklaagden werden

gehoord in tegenwoordigheid van alle arbeiders. Het was opmerkelijk,

dat eigenlijk niemand zich door leugens trachtte te redden; allen

gaven toe, dat ze schuld hadden, de voornaamste zondaar, zoowel als

de anderen. Dat is een verschijnsel, dat men overal kan waarnemen,

dat de inboorling van de Nieuwe Hebriden voor het gerecht zelden

onwaarheid spreekt. Men kan haast altijd de waarheid ontdekken. Het

vonnis was in dit geval een verlenging van de arbeidsjaren voor de

schuldigen en voor den dader nog zes geeselslagen bovendien. Niet de

veroordeelde, maar zijn broeder brak in tranen uit.

Des avonds was de executie, en de delinquent nam de niet erg aankomende

slagen gelijkmoedig op. Maar de verzamelde arbeiders waren toch

blijkbaar onder den indruk, zoodat het voorbeeld wel afschrikkend zal

werken. Ten slotte is de Melanesiër hier een ongevaarlijk, geduldig

en serviel individu; openlijk verzet komt bijna niet voor.

Den volgenden dag gingen wij naar Ureparapara, een vulkanisch eiland,

waar de wand van den reusachtigen krater aan den eenen kant is

ingestort, zoodat het eiland een hoefijzer vormt met één hoogen wand,

die een baai insluit. Daar ankeren vaak schepen, en in overeenstemming

met het feit, dat er veel blanken komen, is het eiland dun bevolkt

met inboorlingen. Juist als op het naburige Meralava is er haast geen

vlakke vierkante meter op het eiland; de kleine dorpen hangen tegen

de hellingen aan, die in zee bij een breed koraalrif aansluiten. Wij

konden landen en copra innemen, en des avonds vonden we in de baai

een ideale ankerplaats.

De vroegere kraternatuur van de baai was nog gemakkelijk te

herkennen. Het moet een geweldige catastrofe geweest zijn, toen de

wand doorbrak en de zee zich stortte door de opening. De inboorlingen

vertellen, dat een reuzenvisch tegen het eiland was opgezwommen en de

opening had gemaakt. In ieder geval is het een interessant gevoel,

thans daar in een boot te liggen schommelen, waar eens de vloeibare

lava en het vuur uit de diepte hebben gewoed. Het water is slechts

flauw gerimpeld, en kleine golfjes spelen tegen de vlakke oevers met

de mangrovenboschjes. Neen, van de woedende elementen bespeurt men

nu niets meer in deze vreedzame omgeving.

Van de baai uit konden we de strooien daken van een inboorlingendorp

zien; in de diepe schaduw onder de groote boomen hurkten inboorlingen

om een vuur, en vlakbij lagen de lange booten op het strand. Aan

drie zijden rezen de hooge kraterwanden, zoodat men zich kon wanen

aan een stil bergmeer en onwillekeurig luisterde naar de klokjes van

de kudden. In plaats daarvan hoorden we de lokroepen van de groote

boschduiven en heel in de verte het rollen van de branding.

Wij konden niet nalaten, op dit lieflijk plekje een rustdag te houden,

en eerst den volgenden morgen stapte ik de bergen op en volgde het

steile pad tot op den kam, waar eenige tarovelden lagen, van waar de

vrouwen, dagelijks op en neer klauterend, de vruchten halen, stellig

met koordedanserstalent, maar het eiland heeft niet veel grond,

waar een aanplanting kan worden ingericht.

Ureparapara was het noordelijkste punt, dat ik tot nu toe had bezocht,

en de nabijheid van de kunstlievende Salomonseilanden was hier,

in vergelijking met de centrale groep, duidelijk merkbaar. Terwijl

op de Nieuwe Hebriden tegenwoordig iedere kunstuiting buiten de

mattenvlechterij in verval blijkt te zijn, vond ik hier nog enkele zeer

fraaie voorwerpen, sierlijke gesneden oorstaafjes, matten met mooie

patronen en armbanden. Ook trof ik hier een vorm van trommel, die op

de Nieuwe Hebriden totaal ontbreekt, namelijk een echte veltrommel,

een hollen houten cylinder, waarvan het eene eind in den grond wordt

ingegraven, terwijl over het andere eind bladen van de wilde banaan

het kalfsvel vervangen.

Al zijn dit en andere verschijnselen ook slechts détails, ze passen

toch bij de bevolking, die grootelijks verschilt van die der Nieuwe

Hebriden. Men ziet hier lange gezichten, hooge voorhoofden, vaak smalle

en haakvormig gebogen neuzen. Besluit men op dien grond tot een hoogere

beschaving, dan wordt dat oordeel door de ervaring bevestigd, want

de inboorling van de Banksgroep is opgewekter, levendiger, opener en

intelligenter dan de vaak wantrouwige, knorrige en apathische bewoner

van de Nieuwe Hebriden. Kannibalisme moet op de Bankseilanden nooit

inheemsch zijn geweest. Ten gevolge van het geringer verkeer met

de blanken kan het zijn, dat de inboorlingen nog niet zoozeer het

vertrouwen in de Europeanen hebben verloren als op de andere eilanden.

Ik kon, helaas, weinig goede ethnografica meer krijgen, daar

eenige maanden te voren een engelsch oorlogsschip in de baai had

geankerd. Wie de verzamelwoede van de Blauwjakken, van den kapitein

tot den scheepsjongen toe, kent, zal zich niet verwonderen, dat

daardoor het kleine eiland grondig geplunderd was. Het speet mij,

dat zooveel waardevol materiaal op die wijze voor altijd verloren was

gegaan, want bijna al die curiosa worden later verloren en vergeten

en hebben, daar er geen data en herkomst op vermeld staat, zoo goed

als geen waarde meer. Gelukkig zijn er echter kleinigheden, die de

leek versmaadt en die even belangrijk zijn als knodsen en vergiftigde

pijlen. Ook is er altijd nog wel wat te voorschijn te halen, al is

het ook onder roet verborgen en door insecten beknaagd.

Op den dag na den terugkeer naar Port Patteson bracht de boot mij

naar een plantage op Venua Lava, van waar de vulkaan gemakkelijk was

te bestijgen. De vulkaan is hoofdzakelijk werkzaam door zwavelbronnen

en heeft aanzienlijke afzettingen van zwavel gevormd, die ongeveer

vijftien jaren geleden werden ontgonnen. Er was in Nouméa een

maatschappij opgericht, een filiaal van de bekende Société Française

des Nouvelles Hébrides. Ontslagen gedeporteerden waren als arbeiders

in dienst genomen en groeven eenige weken of maanden ook werkelijk in

de buurt van den vulkaan. Maar het bleek al spoedig, wat men eigenlijk

wel eerst had mogen onderzoeken, dat de dagelijksche zwavelproductie

van de bronnen zeer gering was, en dat over het geheel de ontginning

niet loonend zou zijn. Men had intusschen groote voorraden en

rollend materieel aangevoerd, die nooit in gebruik werden genomen en

verroestten en verrotten. De strafkolonisten waren allen drinkebroers

en stierven binnen korten tijd. De directeur bekommerde zich niet in

het minst om de onderneming; er werden ongehoorde hoeveelheden alcohol

verkocht aan de inboorlingen, die dan ook als vliegen wegstierven, en

men beroemde er zich op, dat van ledige jeneverkisten een flink huis

was gebouwd. Nadat men van pret en alcohol had geleefd en eenige tonnen

zwavel had verscheept, gaf men de onderneming op. Dit is een bijna

typisch voorbeeld van de manier, waarop in die jaren op de eilanden

maatschappijen gesticht werden en geld werd weggegooid. Er loopen

interessante verhalen over het weelderige leven van de opzichters

der plantages van een nu nog bestaande maatschappij. Groote sommen,

voor de aanplantingen bestemd, gingen als champagne door de kelen van

de aangestelden of verdwenen op andere wijze. Er schijnt zoo goed als

geen contrôle te zijn uitgeoefend, waarom het geen wonder is, dat de

maatschappij, die thans met geringe kosten alle goede terreinen op

de Nieuwe Hebriden zou hebben beplant, daar de arbeidsloonen in die

tijden zeer gering waren, nauwelijks eenige noemenswaardige plantages

bezit. Men mag het gerust aan de werking van de zwavelmaatschappij

toeschrijven, dat daar, waar voor vijftien jaren, naar men mij zeide,

duizenden en duizenden inboorlingen hadden geleefd, nog een dorp van

ongeveer vijftig zielen is te vinden. Het gelukte mij het hoofd van

dit "volk" als gids mee te krijgen. Hij had ook vroeger zwavel van

den vulkaan naar de kust gesleept en leidde mij langs den ouden weg,

die nu nog slechts een dichtgegroeid pad was. Om den vulkaan hangen

haast voortdurend regenwolken, zoodat het woud moerassig is met een

drukkende, zwoele atmosfeer.

Na een marsch van twee uren stonden we aan den rand van een plateau,

waarvan dichtbij elkander twee beken naar beneden vloeiden in trotsche

watervallen. De zilveren banden schitterden tusschen het groen en

verzonken in de donkere diepte aan onze voeten, om dan als een scherpe

scheur in het bosch naar de kust verder te gaan. De eene beek was

door de zwavel melkachtig gekleurd, en alles in het bereik van het

water was met wit slijk overdekt, terwijl de andere roodachtig water

voerde en alle rotsen met een rooden neerslag had belegd. Het water

voelde lauwwarm aan. Kort daarna betraden we een open plek, waarboven

nevelflarden hingen, en waar een stekende damp in de oogen en den

neus drong en den adem benauwde. We waren aan het benedeneind van de

zone der solfataren, waarheen het pad leidde. De bodem bestond eerst

uit murw, door zuren ontleed gesteente en daarna uit zwavelblokken,

waarop de schoenen knarsten als op hard bevroren sneeuw. De kleur

van de zwavel was grijsgroen; maar zuiverder brokken hadden de gewone

zwavelkleur en dikwijls zagen we welgevormde zwavelkristallen. Bij het

stijgen hoorden we steeds duidelijker een sissen, alsof stoom uit een

nauwe opening kwam. Spoedig bevonden we ons te midden van talrijke

tumuli, op welker toppen de gele zwavel schitterde, terwijl door de

reten en voegen stoom ontweek. De heele bodem scheen doorgroefd door

een netwerk van kanalen, waaruit het dampte en borrelde.

Onze schreden klonken hol; groote steenblokken lagen in een evenwicht,

waaruit eene lichte beweging ze verschoof, zoodat ze verbrokkelend

in een kloof rolden, waar een grijze beek de heete bronwateren naar

de diepte leidde. Vaak omhulde de stoom ons geheel; we hoorden dan de

sissende bronnen dubbel sterk, tot een windstoot de nevels verstrooide

en we weer een blik op den top van den berg konden werpen.

Het was een griezelig gevoel, te midden van de kwaadaardig piepende

en fluitende heuvels te staan, en als de gids zich niet zoo zorgeloos

had getoond, zou ik mij niet zoo ver op het dampende zwavelveld hebben

gewaagd. Ik kon het mijn bedienden niet kwalijk nemen, dat ze zich niet

behagelijk voelden, zich als schuchtere schapen om mij heen drongen,

niets zeiden en eindelijk erop aandrongen, dat we zouden omkeeren. Ik

kon hun zin echter nog niet doen. We stegen hooger, waar men plassen

zag met heftig borrelend water erin, geel of zwartachtig; de heele

omgeving was overtrokken met zwavel in een harde massa als met een

dikke laag ijzel.

Van daar volgden we een beek, waarvan het water heeter en heeter werd,

tot men er niet meer in kon loopen, maar van steen op steen moest

springen. We waren blij, eindelijk den krater te hebben bereikt,

ook weer een kleurlooze vlakte, waar in de diepte een grijze plas

kookte. Dat was nu echt een barsche zwavelpoel te midden van een

doode natuur, zwart, stil, licht bewogen, blazen opstuwend en met

golven borrelend. Tegenover ons bedekte een stoomwolk een spleet

in den kraterwand; maar boven was de lucht helder, en een sterke

tegenstelling met deze doodsche en vijandig uitziende omgeving vormde

het gezicht op de kust, de blauwe zee en een eilandje, dat vreedzaam

op de wateren lag.

Den volgenden dag voer ik naar Gaua. We gingen langs de noordkust naar

het westen, waar ik aan land stapte en den dag daarop aan een andere

ankerplaats weer zou worden afgehaald. Overal waren de wegen nog door

den laatsten cycloon versperd door omgevallen boomen, en bijna alle

kokospalmen hadden hun vruchten verloren. De wind ruischte door het

woud en joeg den regen over de heuvels.

Het was mijn plan, beelden van boomvarens gemaakt, te erlangen. Hier

versiert namelijk ieder rijke man, dat is, ieder man van een hoogen

rang, de omgeving van zijn huis met hooge standbeelden van het

mannelijk of het vrouwelijk geslacht. Hij zet ze meestal langs een muur

of terras rondom zijn huis. Zeker hadden ze eens een godsdienstige

beteekenis; maar de diepere zin schijnt verloren te zijn gegaan ten

minste op de Bankseilanden, en ze zijn nu niets anders dan versiering

en teeken van welstand, want men moet voor het vervaardigen veel aan

den kunstenaar betalen, vooral als het beeld een personnage voorstelt

van hoogen rang. Dien rang kan de ingewijde aan allerlei teekeningen

en ornamentlijnen herkennen, ook aan het aantal varkenskaken, die in

het snijwerk zijn aangebracht. Meestal levert de kunstenaar vooraf

een ontwerp voor het beeld, een gestiliseerde teekening in roode,

witte en zwarte kleuren op een plank, en die teekeningen dienen weer

als patronen voor de tatoeëerfiguren der mannen en vrouwen. Bij elke

verhooging in rang mag een man of een vrouw zich het daarbij behoorende

patroon laten aanbrengen, zoodat een kenner direct den graad van den

bedoelden persoon kan waarnemen. Bovendien gelden de teekeningen ook

als versiering, vooral voor vrouwen, die hierdoor en ook omdat men

voor de teekeningen, die ze op het lichaam dragen, veel moet betalen,

in waarde stijgen. Dergelijke patronen vindt men ook op oorhangers,

knodsen, armbanden en gordels, kortom, ze leveren de motieven voor

alle ornamenten, en men kan daaruit zien, hoe bij de primitieve volken,

waar het geheele leven om één gedachte draait, er op den grondslag van

die eene allen gemeenzame gedachte een stijl ontstaat. De herhaling

van steeds hetzelfde voorwerp laat de voorstelling allengs worden tot

een bloot symbool, waarin de oorspronkelijke vorm van het voorwerp

nauwelijks is te herkennen. Daar de vereenvoudiging blijkbaar aan

zekere wetten is gebonden, die voor een deel ook door den aard van het

materiaal, waarmee gewerkt wordt, beheerscht worden, en de symbolen,

als ze eenmaal alle overeenkomst met de werkelijkheid hebben verloren,

geslachten na geslachten lang nauwkeurig gecopiëerd worden, ontstaat

er een soort van hieroglyphen, zoodat de kunst der Melanesiërs meer

de uitdrukking eener idee is, meer symbool, dan wel versiering.

Het deed mij genoegen, dat ik hier een groot aantal schedels

kon krijgen, dank zij de eigenaardige begrafenismethode, die er

gebruikelijk is. Men legde op Gaua namelijk den mannelijken doode

op een verhoogd bed in de hut, waaronder men een sterk rookend vuur

onderhield. De weduwen en de naaste verwanten moesten als teeken van

rouw naast het vergaande lijk slapen. Na tweehonderd dagen was het

lijk meestal vergaan, waarna men de lange beenderen verzamelde, om

er pijlpunten van te maken, terwijl men de overige beenderen in een

mand legde en begroef of bij de wortels van vijgenboomen bijzette. De

inboorlingen brachten mij bij zulk een boom, waar ik met weinig

moeite een rijken buit vond. Men deelde mij verder mee, dat men

vroeger de schedels van zeer geliefde dooden vaak in een mand lang

met zich meedroeg en bij voorbeeld aan een feest liet deelnemen. Dat

is dus dezelfde gedachte, die het gebruik op Zuid-Malekula in het

leven heeft geroepen, om aan de schedels van voorouders en kinderen

gezichten te fatsoeneeren, er haren aan te hechten en ze bij zich te

dragen of in de gamal te plaatsen.

In de eerste dagen wordt voor de dooden voedsel neergezet; maar

toch schijnt de voorstelling van een bestaan na den dood hier maar

vaag ontwikkeld te wezen. Men legt de spijs ter zijde als een uiting

van rouw met het idee: "Dat zou uw portie zijn, als ge nog in leven

waart." Een bepaalden dienst der voorouders, zooals bestaat op de

Nieuwe Hebriden, kon ik op de Bankseilanden niet meer vinden, al is hij

er vroeger stellig wel gebruikelijk geweest. Ook de Suque moet op de

eilanden een centrum hebben gehad en heeft er sporen achtergelaten in

de wallen en altaren, die men er zeer talrijk vindt. De mannenhuizen

zijn ook op een vaak twee meter hoog steenen voetstuk gezet, en

links en rechts staan ongeveer twee meter hooge steenhoopen als

reuzenkwadraten van twee tot vier meter in het vierkant. Dat zijn

altaren, waarop varkens werden geofferd. Vóór het huis is een pleintje,

dat aan alle kanten door verscheiden rijen van steenen muurtjes is

ingesloten, die tot tien meter lang, één meter hoog en twee meter

breed zijn. Op die muurtjes dansen de mannen bij feesten, en langs

de muren staan de genoemde standbeelden, afwisselend met palmen.

De muren zijn verschillend, nu eens van platte steenen platen

zorgvuldig samengevoegd, dan weer van grootere bazaltblokken

opgebouwd. De bouwsels moeten zwaren arbeid hebben gekost; maar ze zijn

nog niets, als men ze vergelijkt met de arbeidssom, noodig voor het

oprichten van de tallooze en eindelooze muren, die bijna het geheele

eiland als met een net overdekken en de velden en dorpen insluiten. We

vinden ook wel op andere eilanden muren, maar dat zijn meestal slechts

lange steenhoopen van geringe hoogte, terwijl we hier manshooge

bouwwerken vinden van grootere blokken opgetrokken. De totale lengte

van die muren zal wel verscheiden honderden kilometers bedragen, als

men bedenkt, dat de weg vaak uren lang tusschen zulke muren, als bij

een nauwe straat, doorloopt. Voor het transport zijn er lage poorten

in aangebracht. Een groote steenen plaat of een primitief gewelf vormt

het dak van de poort, die gewoonlijk met steenen is afgesloten. De

mensch klimt over de muren, maar het zwijntje mag door de poort gaan.

Voor het overige lijkt het leven van de menschen op de Bankseilanden

veel op dat van de bevolking der overige Nieuwe Hebriden, maar speren

treft men hier niet aan, alleen als wapens pijlen, knodsen en slingers.

Toen ik van mijn uitstapje des avonds terugkeerde, zag ik van de hoogte

af een wildbewogen zee, waar de wind overheen raasde als in den vorigen

cycloon. Ik schikte mij in de gedachte aan een langer verblijf op

het eiland en at mijn laatste voorraden bedachtzaam op. In den nacht

regende het geweldig, zoodat ik wakker werd door een onaangename

koude en zag, dat ik half in een plas lag. Het regenwater had het

zwakke aarden dijkje om de hut doorgebroken en de hut overstroomd. Wij

redden ons in een halfklaar huis, dat ten minste een drogen grond had,

al blies de wind het regenstof ook in wolken onder het dak door.

Ik doorleefde nu vier sombere dagen, vol onrust en bezorgdheid over

de boot. Ik was namelijk volstrekt niet zeker, of die nog vóór het

uitbreken van den storm de veilige ankerplaats had kunnen bereiken. Als

dat niet was gelukt, dan zou het vaartuig zonder twijfel op de koralen

stuk gestooten zijn, en hoe ik dan naar Venua Lava zou terugkeeren

en de verwachte stoomboot zou bereiken, was mij een raadsel. Het zou

mij een verblijf van weken op Gaua kunnen kosten, wat een treurig

vooruitzicht was.

Ik begon nu al den tijd lang te vinden, en de dagen gingen ontzettend

langzaam. Ik zat aan het rookende vuur en stelde mij tot taak, het

vochtige hout zoo economisch mogelijk te verbranden, keek naar het

weer, schikte weg van den regen, sliep en floot. Vaak kwamen enkele

inboorlingen en zaten met mij om het vuur. Ik maakte gelukkig kennis

met een spraakzamen man, die mij wat van de gewoonten van de bewoners

kon vertellen. Maar zooals dat met de inboorlingen meestal het geval

is, werd hij altijd gauw moe van het denken en praten en zweeg dan

stil, zoodat de zittingen nooit lang duurden.

Hij vertelde bij voorbeeld, dat als er een kind geboren was, de vader

aan de schoonmoeder geschenken moest geven. De moeder had al voor

de geboorte veel fakkels van hars en bladeren gemaakt, om de hut te

verlichten, opdat de booze geesten, die het kind zouden kunnen schaden,

werden afgeschrikt. Den vijfden dag mag de moeder uitgaan en het kind

mee naar het veld nemen. Ze strooit daarbij haard-asch op den weg, om

spoken ver te houden, want die houden niet van asch. Daaruit spreekt

de beschermende, heiligende en zuiverende eigenschap van het vuur,

den besten vriend en trooster van den mensch in het donker van den

nacht. Op het veld heeft de broeder van de moeder een klein huisje

gebouwd en daarbij plant de moeder voor het kind taro, een symbolische

handeling, waardoor het kind vlijtig op het veld en gelukkig met

zijn werk zal worden. Op den terugweg legt dan de moeder kleine

geschenken neer, die door de dorpsgenooten worden opgenomen. Bij de

eerstgeborenen verzamelen zich vaak alle vrouwen uit het dorp in het

huis van de moeder en leiden er weken lang een vroolijk leventje op

kosten van den vader, die zich in de gamal moet terugtrekken.

Men was voor mij vriendelijk en hulpvaardig, bracht mij yams en taro

en nu en dan een soort van kool, in steenen gekookt en met kokosmelk

bereid, die heerlijk smaakte. Maar die zuivere plantenkost kwam mij

vreemd aan, en al gauw begon ik sterk naar vleesch te verlangen. Ik

zou graag een zwijn of hoen hebben laten braden, maar daar men elke

vergoeding voor eetwaren tot nu toe weigerde, zou het onbescheiden

zijn geweest, mij ook vleesch te hebben laten geven. Ik slikte dus

de droge yamsknollen en droomde van busjesvleesch bij het verlangen

naar verandering.

Ik was hongerig, nat en eenzaam, lusteloos en bang, al mijn

opgewektheid te verliezen. Men houdt zich in zulke gevallen veel te

veel met zichzelf bezig, vergroot de zorgen voor de toekomst en denkt

aan allerlei narigheid.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 4 / 7 段