maar alle bloemen en heesters waren verwilderd en woekerden over den
weg, die naar een soort van terras voerde, waar varkens zich wentelden
in het slijk en waar bananenschillen en verrotte broodvruchten door
tallooze vliegen werden bezocht. Er was een veranda, bestemd voor
eetkamer, waar nu koeie- en geitevellen een afschuwelijken stank
verspreidden. Achter het terras lag het woonhuis, een oud planken
gebouw met gapende wanden. Daar dichtbij was het graf van den eersten
eigenaar, die door de inboorlingen vermoord was. Het marmer van de
gedenkplaat was bekrast en behakt, en het ijzeren hek om het graf
gebroken. Wat alleen in stand was gehouden, waren de beide groote
loodsen en de huizen voor het drogen van de copra.
Intusschen waren de visschen in manden gepakt, die aan een boom
werden opgehangen. Een massa katten stond er begeerig naar te kijken;
eenige probeerden den stam in te klauteren, om bij de visschen te
komen. Reeds stroomden de inboorlingen toe, meest vrouwen, met eenige
yamsknollen of kokosnoten. Voor acht noten kregen ze drie visschen,
waarmee ze tevreden naar het strand liepen, om ze schoon te maken. De
kinderen speelden met de ingewanden, en de vliegen vermaakten zich
met den afval.
Het fransche schip de "Pacific" werd verwacht, en alle zwarten werden
gebruikt, om de copra in zakken te pakken. De blanken zaten op de
veranda te drinken en keken door verrekijkers naar een zeil in de
verte. Toen zagen we plotseling de engelsche stoomboot van achter
den oever bij Dip Point verschijnen en naar het noorden stoomen. Dus
was ze toch naar Dip Point gegaan, om er den nacht door te brengen,
en als we dat hadden geweten, zouden we haar gemakkelijk hebben kunnen
bereiken. Nu had ik de boot weer gemist en zou weer moeten wachten.
Een boot van de inboorlingen zou mij naar Olal op Malekula brengen. Ik
vond mijn jongen vriend, den heer D. ziek en treurig gestemd. Hij
had altijd een vaag vooroordeel tegen chinine gehad, en nu leed hij
aan koorts, die ook met een groote dosis chinine niet te bestrijden
was. Bovendien was hij verkouden en zag er met zijn dikke wollen muts,
zijn zware kleêren en dekens meer uit als iemand uit de poolstreken
dan als een tropenbewoner. Hij dacht erover, de eilanden te verlaten,
ofschoon hij thans flink verdiende met de copra. Mijn aankomst scheen
hem op te fleuren, en hij maakte het mij gezellig.
De gewone wachttijd was er weer, zonder dat ik veel kon uitrichten,
want er kon elk oogenblik een schip komen, dat mij naar Aoba kon
brengen. Zoo verliepen drie weken. Ik verdreef mij den tijd met mijn
boys te onderrichten. Een van hen had op een zendingspost een beetje
lezen geleerd, en ik probeerde hem ook te leeren schrijven. Het was
merkwaardig, dat hij gedrukte lectuur bijna vloeiend kon lezen en in
zijn gebedenboek knap den weg wist; maar dat het lezen van geschreven
schrift hem de grootste moeite kostte. Ik gaf hem nu elken dag twee
uren les; hij kon al gauw schrijven en spellen ook; maar de engelsche
orthographie bleef een struikelblok, en bovendien was ik er nooit
recht zeker van, of de slimme kerel mij niet wat wijs maakte uit
louter beleefdheid, want daarin zijn de inboorlingen heel knap. Hij
zou zich bij voorbeeld kunnen inbeelden, dat ik er plezier in had, hem
lezen te leeren en hij mij daarom dat genoegen niet moest ontnemen,
terwijl hij eigenlijk geen nieuws leerde. Zoo deed hij eens bij het
zwemmen. Ik meende, dat hij niet kon zwemmen en was een week bezig,
het hem te leeren. Hij liet mij, schijnbaar dankbaar gestemd, mijn
gang gaan, deed angstig en onhandig, terwijl ik zijn hoofd boven
water hield en naast hem zwom, tot ik op een middag zag, dat hij als
een visch kon zwemmen. Sedert dien tijd heb ik nooit meer getracht,
een inboorling iets te leeren.
Eindelijk kwam een heer W. voorbij, die bereid was mij naar Aoba te
brengen. Eerst wou hij nog een paar dagen aan de kust van Pentecôte
verblijven, om te werven. Hij was een jonge australische planter
uit Malo. Wij lagen aan de kust vier dagen bij slecht weêr. De
heer W. was een van die kolonisten, die na den Boerenoorlog met de
oorlogssoldij in de Nieuwe Hebriden een plantage hadden aangelegd. Hij
had gedurende anderhalf jaar den oorlog in Zuid-Afrika meegemaakt
en zijn interessante verhalen verkortten de anders zoo lange uren
aan boord.
Den laatsten dag was het prachtig weêr, en na een prettige vaart
zette de heer W. mij af op Aoba, het kleurrijke eiland, dat als een
groote schaal vol bloemen op het water ligt. Daar was ik de gast van
een neger. Albert was afkomstig van de Westindische eilanden en was
als stoker en matroos zoowat overal in de wereld geweest, om zich
ten slotte op Aoba te vestigen en er coprahandel te drijven. Hij was
analphabeet en hield er een allerkluchtigst taaltje op na, waarin
negerfransch, engelsch en riche la mar een zonderlinge mengeling
vormden, waar men niet altijd uit wijs kon worden. Hij was nog jong
en deed zijn huishouding met de hulp van twee inlandsche vrouwen, die
alles netjes in orde hielden, zoodat hij moest worden gerekend tot de
fatsoenlijke kolonisten, die zijn best deed, in alles als een gentleman
te handelen, wat van veel blanken niet kan worden gezegd. Hij verdiende
goed geld en scheen de bewering te bevestigen, dat de neger ver staat
boven den Melanesiër. Dat hij een beetje in alcohol handelde, kon men
hem niet al te kwalijk nemen, want de regeering hield in het geheel de
hand niet aan het verbod. Men kan vooral in de tropen niet verlangen,
dat alle menschen uit pure eerlijkheid een zaak, waar ze veel geld
bij verdienen, opgeven, omdat anderen er nadeel van ondervinden. Het
is zaak van de regeering, die verder moet zien dan haar onderdanen,
zulk een handel te onderdrukken, als hij op den duur schadelijk blijkt.
Albert ontving mij zeer vriendelijk en gastvrij, al kon hij mij
geen slaapvertrek aanbieden, zoodat ik buiten onder een afdak moest
logeeren. Maar het beviel mij best bij hem, en aan de maaltijden bleek
hij een fijnproever, maar met een min of meer exotischen smaak. Hij
zette mij bij voorbeeld een octopus voor, waar mijn maag zich heftig
tegen verzette.
Op Aoba woonden nog meer negers dichtbij Albert, o. a. zijn vriend
Marmaduke, een lange Senegalees, die echter niet zooals Albert zich
moreel goed had gehouden, maar achteruit was gegaan, en geheel als
de inboorlingen leefde, aan de Suque meedeed en varkens offerde bij
de dansfeesten. Hij kwam ons wel eens bezoeken, wat een vermakelijken
avond opleverde, want de beide negers konden elkanders koeterwaalsch
bijna niet verstaan. Albert voelde zich veel beschaafder dan Marmaduke
en verbeterde diens taalfouten met nog dwazer onmogelijkheden. Daarbij
legden beiden uitbundige beleefdheid en vormelijkheid aan den dag, en
Albert sprak later afkeurend over het boersche gedrag van Marmaduke,
als die een enkele maal van zijn mes had gegeten. In het drinken
waren ze uiterst matig. Vaak spraken ze over spoken, waaraan beiden
vast geloofden, zoodat ze er dikwijls door werden geplaagd. Marmaduke
werd herhaaldelijk des nachts door oude wijven geworgd en Albert had
in het begin van zijn verblijf op het eiland ook veel van geesten te
lijden gehad, tot hij op een nacht zijn winchester naar alle zijden
had afgeschoten, wat de spoken had afgeschrikt.
Het was voor mij ook een troost en geruststelling, dat Albert
verzekerde, dat de spoken iemand niet naar het leven stonden, maar de
menschen alleen wilden ergeren of hoogstens aan den grooten teen het
bloed uitzuigen. Voor mij was dat alles zeer interessant; menschen,
die in ernst aan zulke dingen gelooven, had ik behalve onder de
inboorlingen nooit ontmoet, maar ze moeten onder de blanken ook nog
wel bestaan.
De bevolking van Aoba is zeer verschillend van die der andere
eilanden. Ze is licht van huidskleur, heeft geen kroeshaar, is mooi,
intelligent en heeft in haar zeden veel van de Polynesiërs. De
Suque heeft er niet de beteekenis van elders en is niet tot een
geheim genootschap geworden; ook de scheiding van de geslachten is
veel minder streng dan in zuiver melanesische gebieden. De mannen en
vrouwen koken en wonen samen in de gamal, die hier een groot dak is,
dat slechts aan één zijde den grond raakt en aan drie zijden open
is. Daar is het gezin overdag en de ongetrouwde mannen slapen er,
terwijl de getrouwde in de gewone hutten wonen.
De betere maatschappelijke positie van de vrouw blijft niet zonder
invloed op haar gedrag. Ze zijn zelfstandig, gaan niet voor elken
man op de vlucht en kruipen in de dorpen niet weg, maar blijven in
de buurt en laten met zich spreken. Ze zijn als arbeidsters op de
plantages zeer gezocht, en daar ze druk worden gerecruteerd, zijn
er veel vrouwen van Aoba verdwenen, daar ze haast nooit terugkomen,
tenzij ze ziek zijn. Eenige vrouwen van Aoba zijn zeer geachte
echtgenooten van blanken geworden; ze zijn zeer netjes en huiselijk,
baden graag dagelijks in zee en blijven lang slank en frisch. Het
gezicht heeft vaak een edele uitdrukking; het mooiste eraan zijn de
oogen met een zachte warmte erin en de kleine, welgevormde mond. De
rhythmus van de bewegingen geeft aan haar gang een gratie, die men zeer
zelden bij europeesche vrouwen aantreft. Ook de mannen zijn van een
uitmuntend type, en het is wel jammer, dat juist op Aoba de alcohol
en de tuberculose in de laatste jaren veel ellende hebben gebracht.
Snijwerk ziet men haast niet op het eiland, behalve aan de trommels,
die hier op den grond liggen en soms verbazend groot zijn. De toon
van zulk een trommel van ongeveer 120 centimeter middellijn en
drie meter lengte is diep, zwaar en vol, net als die van groote
kerkklokken. Daarop speelt de virtuoos, en de anderen slaan de
begeleiding op kleinere, helderder klinkende instrumenten. Men kent
allerlei maten en verscheiden manieren van slaan, en goed te kunnen
trommelen is een kunst, die onder de inboorlingen hoog in aanzien
staat. Voor den Europeaan klinkt het concert wel wat lawaaiig.
De hoofden leven niet veel beter dan de andere lieden; misschien
hebben ze een of twee vrouwen meer dan de gewone inboorlingen; ze
hebben meer armbanden en matten, waar ze groote sommen voor hebben
betaald; hun huizen zijn grooter dan die van de anderen, maar dikwijls
zijn ze vereenzaamd, wonen alleen in het oerwoud en peinzen over hun
varkensweelde en de hooge plaats, die hen in het hiernamaals wacht.
Langs de kust varend, begaf ik mij naar het noordoosten van het
eiland, waar de bevolking in sommige opzichten weer verschillend
geaard is. Ik had daartoe eenige menschen uit de buurt gehuurd, maar
ze kwamen op hun toestemming terug, omdat het hun te ver was naar den
melanesischen zendeling, die aan de baai bij Loloway een bescheiden
huisje had. Ik was dus gedwongen, mij aan boord te begeven van een
der vele werfschepen en had toen het geluk, een zeer interessanten
Deen, den heer P. te treffen, die mij zijn hulp aanbood. Hoe hij op de
eilanden kwam, is een opmerkelijke geschiedenis. Hij was als kapitein
in San Francisco en leed aan tuberculose, waarom hij zocht naar een
gelegenheid, om te kunnen varen naar de zuidelijke zeeën. Gedurende
den wachttijd leerde hij een paar idealisten kennen, mannen, die een
socialistenclub hadden opgericht en besloten, ergens in de Stille
Zuidzee een socialistische kolonie te grondvesten. Ieder van de
ongeveer zeventig leden moest zijn aandeel bijdragen, om daarvan een
oud zeilschip te kunnen koopen. Als kapitein bood de heer P. zich aan,
zonder dat hij lid der club werd. Het schip werd uitgerust met al,
wat tot stichting van een kolonie noodig was; matrozen en bedienden
werden niet gehuurd, daar dat met de principes van het gezelschap in
tegenspraak zou zijn geweest.
Het uit alle beroepen gerecruteerde gezelschap zou alle werk in
overeenstemming met de krachten en bekwaamheden van ieder deelnemer
zelf verrichten. Als doel nam men de Salomonseilanden. Er deden zich
echter spoedig na het vertrek teleurstellingen voor; ieder wilde graag
het beste bed hebben en het lichtste werk, en de heer P. zag weldra,
dat van de zeventig eerst zoo geestdriftige socialisten slechts een
enkele werkte voor de gemeenschap, terwijl de anderen hun persoonlijk
voordeel najaagden en zooveel mogelijk het onaangename op anderen
lieten aankomen.
Toen men bij de Fidsji-eilanden was gekomen, brak de algemeene
ontevredenheid los; men kon het niet eens worden over het einddoel,
en het kwam zoo ver, dat de heer P. alle wapens aan boord moest
confiskeeren, alleen om bloedvergieten te voorkomen. De meerderheid
besloot, de onderneming op te geven, naar Nieuw Zeeland te varen en
daar het schip te verkoopen. Maar het was in die dagen juist zeer
stormachtig, en de heer P. weigerde, het bouwvallige schip tegen
den wind in verder te besturen en sloeg de richting naar Nouméa in,
waar het gezelschap uiteenging, nadat het schip verkocht was.
Nadat we eenige dagen aan de kust hadden gelegen, zonder dat de
heer P. arbeiders had gekregen, bracht hij mij naar Loloway, een der
bekoorlijkste punten op de Nieuwe Hebriden. Hooge rotsen sluiten er
een bijna cirkelvormige bocht in, aan welker ingang zich een zoo goed
als onafgebroken koraalrif heeft gevormd, zoodat de golven worden
gebroken en in een lichte rimpeling over het kalme water van de baai
strijken, om als liefkoozend aan het strand te vervloeien. Overal is
bosch, waar des avonds de koele landwind doorheen golft. Het witte
bootje van den zendeling danst op den groenen waterspiegel, en uit
de diepten van het woud hoort men het geluid van wilde duiven. Het
was er uiterst rustig; alleen was het jammer, dat het zendingshuis
op een terras aan het strand slechts zoo zelden bewoond werd, daar de
zendelingen zoo goed als nooit te huis zijn, maar altijd rondvaarten
maken door de dorpen van de inboorlingen. Reverend G. was op het punt,
om te vertrekken, toen ik bij hem kwam, maar stelde de vaart eenige
dagen uit, opdat wij te zamen de inboorlingen konden bezoeken.
In zijn lekke zeilboot voeren we naar het Westen. Twee bedienden
moesten voortdurend het water uit de boot scheppen, die op de
ankerplaats aan land werd getrokken, waarna wij de bergen in gingen.
De bevolking, die ik op Aoba trof, was gelijk aan die van de westelijke
helft van het eiland, maar enkele kunsten hadden zich hier beter
ontwikkeld, namelijk het mattenvlechten en het tatoeëeren. Over
het eerste is niet veel te vertellen, daar het op dezelfde manier
gebeurt als op Pentecôte; maar de kleuren en de patronen zijn veel
afwisselender, en het materiaal is fijner dan daar, zoodat de matten
soms aanvoelen als een ijl weefsel. Getatoeëerd werden hoofdzakelijk
de vrouwen, maar de mannen, vooral die uit de hooge kasten, dragen
vaak een siccablad op de borst, dat wel een godsdienstige beteekenis
zal hebben. Bij de vrouwen is echter het heele lichaam met armen en
beenen bedekt met tatoeëering, als door een ragfijn spinneweb.
De operatie wordt uitgevoerd bij gedeelten, iederen dag een eindje. Als
kleurstof dient het roet van een harssoort, dat men laat neerslaan
op koude steenen. Het wordt dan verwreven met het sap van een
vleezigen bladsteel. Met een staafje wordt eerst het patroon op de
huid geteekend, dat dan gevolgd wordt door de in het roetige vocht
gedompelde naald. De tatoeëernaald bestaat hier uit drie oranjedorens,
die rechthoekig zoo aan een stokje worden gebonden, dat de punten dicht
bijeenkomen. Op enkele plaatsen gebruikt men een beentje met twee
punten. De naald wordt met de linkerhand langs de teekening geleid,
terwijl de rechterhand met een zacht staafje tikjes op de naald geeft,
waardoor de punten in de huid worden gedreven. Daarbij wordt natuurlijk
telkens een beetje roetvocht onder de huid gebracht. Men gaat zoo
vaak over de teekening heen, dat er een dikke, donkere lijn komt te
zien. De operatie is niet pijnlijk; maar men is natuurlijk wel blij,
als ze is afgeloopen, zooals ik aan mijzelven ondervond. De gewonde
huid wordt dan met een sappig kruid ingewreven, waardoor ze blijkbaar
gedesinfecteerd wordt, want de getatoeëerde plaatsen etteren nooit. In
den loop van de volgende dagen vormt zich een korst, waarmee ook een
groot deel van de kleurstof mee afvalt, zoodat later de teekening
veel onduidelijker is dan kort na de operatie. De tatoeëeringen
van de vrouwen zijn ingewikkelde ornamenten, zonder dat men de
voorstellingen kan onderscheiden. Zonder twijfel stelden al die
versierselen oorspronkelijk voorwerpen voor, maar zijn in den loop
van den tijd eenvoudig tot lijnversiering geworden.
De lijnen zijn gracieus en sierlijk, en de kunst wordt door vrouwen
uitgeoefend, die zich er goed voor laten betalen, zoodat alleen rijkere
menschen uit de hooge kasten hun dochters over het geheele lichaam
kunnen laten tatoeëeren. De meisjes zijn dan vaak maanden lang onder
behandeling en worden voor den last beloond door de bevrediging van
haar ijdelheid en door de bewustheid van hoogere koopwaarde.
Ik had tot daartoe op heel Aoba nog geen enkelen schedel kunnen
krijgen, en juist van dit eiland had ik graag een paar gehad. Het was
mij dus aangenaam, toen de menschen mij aanboden, mij binnen een paar
dagen schedels te brengen, zoodat ik beloofde, over acht dagen weer
te komen. Wij zetten intusschen de reis langs de kust voort, toen de
zendeling plotseling weggeroepen werd, om een zieken ambtsbroeder te
verplegen. Hij kon mij gelukkig zijn boot overlaten, en daarmee voer
ik naar het dorp terug, om de schedels te halen. Daar wilde echter
niemand zich iets van een belofte herinneren. De boden, die ik naar
de mannen uitzond, kwamen terug, zonder hen te hebben gevonden,
zoodat ik na drie dagen woedend en onverrichterzake moest terugkeeren.
Zulke woordbreuk behoort tot de ervaringen, die iedereen met de
natuurmenschen opdoet. Het schijnt iets, dat bij de atmosfeer past;
maar het blijft altijd een ergerlijk verschijnsel.
Ergens in het noorden moesten heftige stormen hebben gewoed, want de
zee kwam in machtige golven aanrollen, die donderend schuimden op de
lavabrokken aan het strand. Wij hadden de boot ongeveer tweehonderd
meter uit de kust voor anker gelegd en moesten door de branding naar
buiten zwemmen, om haar dichterbij te halen en te laden. Ik verzuimde
daarbij het goede oogenblik, werd door een golf gegrepen en met
geweld tusschen de rotsen heen en weer gegooid, zoodat ik kwetsuren
had over het heele lichaam en blij moest wezen, dat ik geen ledematen
had gebroken.
De vaart terug naar het huis van Albert was zoo onaangenaam mogelijk
door de hooge zee; maar eindelijk kwam aan de reis een eind, en ik
kon den neger behouden de hand schudden.
Enkele dagen later kwam een stoomboot, die op de eilanden nieuw was
en een concurrent was van de stoombooten van Burns, Philp en Co. Het
was een net en zindelijk schip, dat zeer goed als passagiersboot was
ingericht. Ik nam van Albert afscheid en liet mij naar Noord-Malo,
naar den heer W. brengen, waar ik hoopte de Burns-Philpstoomboot naar
de Bankseilanden te treffen.
Twee maanden later is dat groote schip tijdens een cycloon tusschen
Malekula en Ambrym eenvoudig omgeslagen, waarbij ongeveer veertig
menschen het leven lieten. Wat de reden van het merkwaardige ongeluk
was, is nooit precies opgehelderd. Het schijnt, dat de lading niet
goed verdeeld was, en dat het schip wel voor de riviervaart geschikt,
maar niet zeewaardig was op den oceaan. Die gebeurtenis was niet
geschikt, om mijn vertrouwen te sterken in de vaartuigen, die den
archipel bedienden.
Ik hoorde, helaas, van den heer W., dat de stoomboot naar de
Bankseilanden reeds weer teruggevaren was, zoodat ik weer een maand
moest wachten. Hij noodigde mij uit, dien tijd bij hem door te brengen,
daar er op Noord-Malo nog van allerlei te zien was.
Hier trof ik een bevolking, die in tegenstelling met de beschaving van
Zuidoost-Malo, deed denken aan de kustbewoners van Zuid-Santo. Wat ik
hier echter in overvloed kon krijgen, waren toovermiddelen en amuletten
voor allerlei gebruik, waarin de nog wel heidensche bevolking toch
geen vertrouwen meer stelde en die ze voor geld wel van de hand
wilde doen. Er waren steenen, die, als men ze in de hand hield,
geluk aanbrachten bij den aankoop van varkens; netten, die, als men
ze in den gordel stak, iemand onzichtbaar maakten, en taschjes met
een geheimzinnigen inhoud, die tegen verwondingen beschermden. Andere
taschjes van spinnedraden doodden iedereen, in wiens huis ze werden
verborgen, en een zwart poeder overwon den afkeer van elk meisje,
als men haar er een spoor van kon toeblazen. Het veelvuldigst kwamen
voorwerpen aan het licht, die op een overeenkomst berusten, zoodat
o. a. een steen in den vorm van een broodvrucht bij een broodvruchtboom
wordt gelegd, om den boom te dwingen, rijk te dragen. Een varken, dat
door een steen met een gat erin wordt gevoederd, zal mooie slagtanden
krijgen, die snel doorgroeien; als men de haren van zijn vijand
verbrandt, verdort ook zijn hart, enz. Zulke kinderlijke voorstellingen
komen ook onder de menschen in Europa nog vaak genoeg voor.
Ik ondernam op een dag met den heer W. een uitstapje naar het
nabijgelegen Zuid-Santo, om in een grot eenige schedels en skeletten
te verzamelen. We wilden dan ook een bezoek brengen aan een broeder
van den heer W., die daar een plantage had. Het was hoog tijd, dat
we kwamen, want hij lag sinds drie dagen door jicht geheel verlamd
in zijn ellendige hut, niet in staat het bed te verlaten. Al zijn
werkvolk had van zijn invaliditeit gebruik gemaakt, om weg te loopen,
en als wij niet toevallig waren gekomen, zou hij van honger hebben
moeten sterven. We brachten hem natuurlijk op ons schip terug met
de schedels en skeletten, die ik nog al talrijk in de grot had
gevonden. Daar het hier bij de inboorlingen niet gebruikelijk is,
de dooden in holen of grotten te begraven, moet men aannemen, dat ze
door het een of ander gewelddadig ingrijpen daar beland zijn.
Bij een bezoek op het eiland Aore maakte mij een planter opmerkzaam op
eigenaardige tumuli van ronden of langwerpigen vorm. Ik begreep niet,
wat het konden zijn en deed enkele opgravingen, maar vond niets anders
dan wat kapotte schelpen, die geen verklaring opleverden. Eerst
op de Bankseilanden vond ik de oplossing van het raadsel, daar
men er nog precies zulke heuvels aantreft, opgericht voor dans- en
cultusbedoelingen. Dat zou, daar die tumuli in het tusschenliggend
gebied ontbreken, wijzen op directe verwantschap van de Aore-
met de Banksbevolking, wat in zoo ver niet onwaarschijnlijk is,
daar de vroegere bewoners van Aore, waar nu geen inboorlingen meer
inheemsch zijn, zeer licht van huidkleur waren, zooals de bewoners
van de Bankseilanden nog zijn.
Na vier weken kwam de stoomboot naar de Bankseilanden. Ik had
een uitnoodiging gekregen van den heer Ch. directeur van een
caoutchouc-plantage. Het was de eerste rubberonderneming op de
eilanden. De boomen waren echter niet goed ontwikkeld en men was
maar weer tot de oude, beproefde kokoscultuur teruggekeerd. De
plantages lagen verspreid op heel Venua Lava, het hoofdkwartier
was Port Patteson, van waar uit met een kleine motorboot alle
handelsstations bediend werden, die de maatschappij op de naburige
eilanden onderhield. Ik had nu mijn standkwartier op Venua Lava
en goede gelegenheid, als passagier op de boot de andere eilanden
van de Banksgroep te bezoeken. De zee is in den open archipel veel
gevaarlijker dan in het haast gesloten bekken van de eigenlijke
Nieuwe Hebriden, maar onberekenbare stroomingen leveren hier toch
steeds gevaar op.
Kort vóór Kerstmis doorleefde ik in Port Patteson een stormachtigen
tijd met een hevigen cycloon, maar op den feestdag lag de zee
turkooisblauw tusschen de zoomen van de wit schuimende branding. In
de verte lag het vulkaaneiland Mota Lava scherp afgeteekend tegen
de lucht. Te middernacht werden wij wakker door het aanslaan van
de honden. We hoorden bloote voeten schuifelen op de veranda,
een fluisteren, dan nadrukkelijk kuchen en eindelijk een lied uit
schorre kelen. Het waren de inboorlingen uit een christelijk dorp,
die ons op kerstliederen onthaalden in een voor ons onbekende taal,
niet mooi gezongen, maar toch indrukwekkend.
Toen de zang geëindigd was, trad de directeur naar buiten, en de harde
man, dien men bij eerste kennismaking alle gevoeligheid ontzegt,
had tranen in de oogen en kon enkel door gebaren den inboorlingen
zijn dank betuigen. Wij gingen met de zangers naar de store, waar ze
geschenken kregen en werden onthaald, waarna ze ook voor de beambten
en arbeiders hun zang herhaalden.