naar den kraterbodem, een ruwe oppervlakte van bruinzwarte lava,
overal verbrokkeld, dampend en rookend onder witte en geelachtige
wolken. Aan den overkant was de andere zijde van den krater,
die veel hooger was en zeer steil. Boven dampte het daar uit veel
scheuren. Tusschen ons was nog een kleinere krater, de eigenlijke
opening. Ook daar was de rand aan de overzijde de hoogste, terwijl die
aan onzen kant verbrokkeld en voor een deel ingestort was. Door die
scheur kon ik in de opening zien; maar veel was er niet te kijken,
ook slechts lava, waar witte walm nu eens heviger, dan zwakker uit
opsteeg. Maar de totaalaanblik was toch zeer indrukwekkend, de steile,
naakte wanden, de kraterbodem, de gele en roode neerslag hier en daar,
de rookkolommen boven de voegen, de stoom en de rook boven de opening,
door den wind heen en weer bewogen, en de afgeslotenheid van het
tooneel tusschen de monumentale kraterwanden. Er waren daarbij niet
eens de benauwende reuk, het doffe stooten en dreunen en het rollen van
den vulkaandonder noodig, om bij mij eerbiedige verbazing te wekken,
ja mij bang te maken. Toch kostte het mij moeite, mij los te rukken van
het gigantisch tooneel. Was er echter toch niet iets als teleurstelling
voor mij in den aanblik van den krater? Uit de verte ziet men enkel
de geweldige verschijnselen; men let alleen op den vulkaan, als hij
zijn reuzenkrachten laat spelen en door de monumentaliteit van de
verschijnselen een verheven indruk maakt. Maar van dichtbij aanschouwt
men hem in rust en ziet den onoogelijken kraterbodem, waar giftige
dampen uit opstijgen. In plaats van den vuurhaard, dien men verwacht,
ziet men lavablokken en asch, geen verheffend gezicht; in plaats van
de ontplooiing van elementaire krachten ontwaart men een vuile massa,
die in bescheiden mate glimt. Het kost moeite, hier den oorsprong van
de erupties te denken, die het heele eiland doen schudden en sidderen,
en men is eerder geneigd, in den kratergeest een boozen kobold te
veronderstellen dan een donderenden reus.
Ik ging naar den oostelijken krater, besteeg daar de helling, tot ik
een plaats had gevonden, van waar ik de werkzaamheid van den krater kon
zien. Daar wilde ik den volgenden morgen een foto nemen. Toen keerde ik
naar het kamp terug. Het was avond geworden; de zon ging rood onder,
en de nevels zweefden als een ring om de bergen. Toen schoot nog een
zware dampzuil omhoog, waarvan de eene zijde zich in het zonlicht
baadde, terwijl de andere donkergrijs was. De top smolt samen met den
avondhemel. Het was wonderschoon, maar het duurde kort. De nacht sloop
aan over de vlakte, en de maan verzilverde de struiken en het gras.
Ik hoopte tevergeefs op een uitbarsting als den vorigen avond, toen we
vlammen boven den krater zagen. Maar het bleef alles rustig en donker;
zelfs de nevels werden dichter en bedekten de bergen en de maan. Het
werd onaangenaam koel, en er viel een sterke dauw. De inboorlingen
rilden in hun dekens, en ik voelde mij ver van behagelijk onder het
zeil van de tent. Vóór zonsopgang waren we allen wakker en hadden
het koud bij 19 graden Celsius.
In de morgenschemering stiet de vulkaan weer een zware dampwolk uit,
en toen boeide ons de strijd tusschen de zon en den nevel. Het leek,
of overal het helderste weêr heerschte, zooals wij door toevallige
scheuren in de wolken konden zien, en of alleen rondom ons de nevels
samentrokken. Bijna moest de zon het verliezen, maar ten laatste zoog
ze toch de wolken op en overgoot ons met streelende warmte.
De vrijwillige geleiders keerden terug; de koude nacht had blijkbaar
hun ondernemingslust gebroken. Ik ging met de boys naar de gisteren
gekozen waarnemingsplek. Tegen de steile helling groef ik het toestel
in het puin in; toen gingen we zitten en wachtten geduldig, maar
tevergeefs. Ik genoot van het heerlijk uitzicht. Men kon Epi zien,
Malekula en Aoba, en alles zwom in licht, dat zelfs de voegen en
rimpels van de vulkanen violet tintte.
Wij wachtten verscheiden uren en hadden het koud ondanks de heldere
zon tusschen de vochtige wanden van den kuil, waarin we zaten. De
vulkaan scheen uitgeput. Wel bromde en gorgelde en donderde het nog
dof, ook de damp rees en daalde, maar een eigenlijke uitbarsting
beleefden wij niet, en een beetje teleurgesteld, keerden we naar het
kamp terug. Vlug gebruikten we de middagrijst en ijlden toen de hoogte
af. Nu ging het snel over de vlakte, door de beekbedding en het bosch;
de lucht werd voelbaar zwaarder en dichter, maar tegen zonsondergang
kon ik stof en vulkaanasch in het lauwe water van de zee afwasschen.
Nu moest ik weer bedienden zoeken, daar de maand van de Ambrymeezen
voorbij was. Een niet al te florissant troepje kreeg ik van Epi en
daarmee ging ik naar Olal op de noordpunt van Ambrym. Daar woonde ik
bij een jongen Australiër van goede familie, die uit eigen ervaring
het vrije leven van de wildernis wilde leeren kennen. Maar hij was er
niet bijzonder geschikt voor, te verwend, altijd ziek en niet flink
genoeg tegenover de inboorlingen, zoodat zijn coprahandel ondanks de
goede omstandigheden in Olal niet floreerde.
In zijn buurt woonde de bedenkelijke troep fransche
drankverkoopers. Over het geheel wordt op Ambrym het meeste drank
gebruikt en vooral in Olal, waar de inboorlingen veel kokospalmen
bezitten en dus goed in het geld zitten, om alcohol te koopen. Des
nachts hoorden we vaak brullen en schreeuwen en vechten, en den dag
erna was er dan niemand te zien.
De hut van den jongenheer D. was een typisch staaltje van een woning,
zooals nieuwe kolonisten zich inrichten. In een omtrek van ongeveer
vijftig meter had hij het woud laten rooien en op het open gedeelte
had hij een hut laten zetten zoowat twintig meter boven het strand,
een huisje van drie meter bij twee meter. Het was in tweeën verdeeld;
vóór had hij een verkoopruimte en achter een klein woonvertrek,
waar een veldbed en een van kisten gespijkerde tafel al het huisraad
vormden. Op het stroodak lagen wat stukken plaatijzer, waarvan de
afloop een watervat moest vullen.
Een paar schreden van het woonhuis stond een andere, nog primitiever
hut, waar de copra werd gedroogd en waar de paar daglooners
sliepen. Aan het strand stond de loods, waar de klare copra bewaard
werd, tot ze door de stoomboot werd afgehaald.
De arbeid, dien een coprahandelaar heeft te verrichten, is al van heel
weinig beteekenis. Hij heeft niet anders te doen dan te wachten op de
inboorlingen, die in troepen bij hem komen met ruwe kokosnoten of met
manden vol copra. De goederen worden gewogen, betaald en de menschen
gaan weer weg met het geld of gaan naar de verkoopplaats en kiezen,
onder veel dingen en onderhandelen, wat hun bevalt. De arbeiders
dragen de copra in de loods, en als er twee of drie van die troepen
zijn geweest, is het dagwerk van den koopman gedaan. De rest van
den dag kan hij rooken, drinken en romans lezen. Het is duidelijk,
dat bij de meesten deze lediggang het begin van allerlei kwaad is;
maar bij den heer D. was dat niet het geval, want hij beproefde in
jeugdig idealisme, de inboorlingen beter te maken en op te voeden. De
uitwerking was echter niet schitterend.
Ik leerde hier niet veel nieuws over het leven van de inboorlingen,
al kon ik een aantal dansmaskers en muziekinstrumenten krijgen, die
ik elders niet had gezien. Reeds sinds een paar dagen had een nette,
jonge man voor mij gewerkt, een Ambrymees, die zich ten slotte voor
drie maanden bij mij verhuurde met tranen in de oogen, want, zei hij,
hij was er zeker van, dat hij op Malekula, waar ik van plan was,
heen te gaan, den dood zou vinden. Waarom hij toch de voor hem, naar
het scheen, zoo gevaarlijke onderneming waagde, had zijn oorzaak in
een romannetje, dat hem in moeilijkheden had gebracht. Lingban, zoo
heette de knaap, was christen, had een zeer lichte huidskleur en van
nature blond haar. Hij was ook overigens een fatsoenlijk mensch, en
zoo bleef het niet uit, dat alle jonge meisjes in het dorp verliefd
op hem werden en hem vervolgden met haar attenties. Zeer energiek
was daarbij zijn nicht, met wie hij echter niet mocht trouwen naar
de zedewet van de inboorlingen. De schoone had zich over dat bezwaar
heengezet, en nu was de arme Lingban er moeilijk aan toe. Als christen
had hij het meisje moeten trouwen, of hij zou uit de gemeente met
schade en schande worden uitgezet, en zijn heidensche verwanten
stonden het huwelijk niet toe, daar hij dan naar hun meening een
groote zonde beging, die op Ambrym met den dood werd gestraft. Dus
bleef het arme offer van zijn eigen schoonheid niet anders over,
dan het lieve vaderland vaarwel te zeggen en met mij in den vreemde
te trekken en daar aan vijanden ten offer te vallen. De zaak gaf mij
het voordeel van een goeden bediende te krijgen, en een paar van de
onbetrouwbare mannen van Epi weg te kunnen zenden.
Lingban nam dus van zijn vrienden een bewogen afscheid en trok
met mij naar Dip Point en dan naar Malekula, waar ik in Onua bij
den zendeling Paton een onderkomen vond. Die Paton was de zoon van
den grondlegger der presbyteriaansche missie in de Nieuwe Hebriden;
hij was er al twintig jaar, had zijn vrouw verloren en leefde nu als
oude weduwnaar onder de inboorlingen en offerde zijn leven en al zijn
energie voor hen op, een werkelijk ideale zendeling.
Malekula heet het gevaarlijkste eiland van den archipel. De
inboorlingen daar schijnen veel onafhankelijksgevoel te hebben en laten
zich van de blanken weinig welgevallen. Bovendien is Malekula als het
op één na grootste van de eilanden in het binnenland nog weinig bekend,
en hier en daar wonen er nog sterke stammen, die zich verzetten tegen
het binnendringen van de cultuur der blanken. Een paar van die stammen
had ik al in het vorig jaar aan de westkust aangetroffen, en nu wilde
ik de zuidkust leeren kennen. Grootere reizen in het binnenland waren
onmogelijk, want men kon naar die gevaarlijke oorden geen dragers mee
krijgen, en de heer Paton verzekerde mij, dat ik aan de kust best de
beschaving van het binnenland ook kon nagaan.
Mijn gastheer bracht mij naar een in het Zuiden werkenden ambtsbroeder
van hem, die mij op een van zijn reizen afzette op de kleine, vlakke
koraal-eilanden, die vóór Zuid-Malekula liggen. Die eilandjes,
de Maskelynes, zijn verheffingen van een uitgestrekt rif, dat
zich daar ver in zee uitbuigt en de talrijke eilandjes onder de
oppervlakte van de zee onderling verbindt. De streek is bekoorlijk;
de zee schittert boven de ondiepten in allerlei kleuren, en in alle
richtingen ontdekt men tusschen de openingen van de mangrovewouden
door de kleine eilandjes, die als coulissen vóór elkander liggen. Op
Kuliviu, waar ik bleef, is alles bekeerd, en van de andere had de
heidensche bevolking zich op het vasteland teruggetrokken.
Er heerscht op dit eilandje een heel eigenaardige zede, die in de
Stille Zuidzee zelden optreedt en hier op een betrekkelijk klein
gebied is gelocalizeerd, namelijk de misvorming van het hoofd, dat in
de lengte wordt uitgerekt. De grond voor dit bijzonder gebruik kunnen
de menschen natuurlijk niet opgeven; het is eenmaal gebruik, zeggen
ze, en tegenwoordig is het een plicht voor de ijdelheid geworden,
zich het hoofd te ontsieren. De operatie wordt al bij den zuigeling
begonnen, ongeveer een maand na de geboorte; men wrijft eerst het
hoofdje met roet en vet in en zet er dan een van pandanenbladeren
gevlochten mutsje op. Het groeiende hoofd vult het nauwe mutsje en
rekt zich dan in de lengte. Wordt de omklemming werkelijk te nauw,
dan wordt het mutsje losgesneden en vervangen door een ietwat grooter,
tot de trotsche moeder met de verlenging van het hoofdje tevreden
is. De kinderhoofden zijn dan ook meestal bepaald misvormd, bijna
afschrikwekkend; maar de zaak schijnt toch geen ernstige gevolgen te
hebben; de kindersterfte is er niet grooter dan elders, en bij het
ouder worden gaat de vorm zich wijzigen, terwijl het intellect niet
schijnt te lijden onder de misvorming van de hersenkas.
Van waar het gebruik afkomstig is, weet men niet; maar een dergelijke
schedelmishandeling kwam bij de Inca's in Peru voor en ook bij
de inboorlingen van Nieuw-Pommeren. De inboorlingen, die veel met
andere zwarten en met blanken in aanraking komen, hebben er nu last
van door de opmerkingen, die ze moeten aanhooren. Ze dragen meestal
mutsen, want van hoeden is geen sprake, daar die op hun spitse kruin
balanceeren als een bord op een vinger.
In dit gebied was ook sterk ontwikkeld de dienst der voorouders of
dan eigenlijk van hun schedels. Naast het wetenschappelijk belang is
het voor den verzamelaar van beteekenis, dat deze dienst hem zeer
interessante voorwerpen kan opleveren. Men meent, door bewaren en
bij zich dragen van een reliek van de voorouders zich in het bezit te
stellen van hun kracht en hun geestelijke vermogens. Daarom worden de
beenderen wel in de wapens verwerkt en ook wel als eetmessen in den
gordel gedragen. De schedels zijn voor practische aanwending niet te
gebruiken; maar men mag ze niet vernielen en niet weggooien. Blijkbaar
weet men niet recht, wat men ermee moet aanvangen en is er ook
wel een beetje bang voor. Op sommige eilanden worden ze daarom wel
verborgen tusschen de wortels van de vijgenboomen of in ontoegankelijke
rotsen; op andere plaatsen begraaft men ze weer in de hutten of op
gemeenschappelijke begraafplaatsen. Op Ambrym had ik al eens sporen
van schedelcultus gevonden, doordat ik herhaaldelijk op steenen tafels
of in de huizen van de geheime genootschappen groepen schedels zag,
die men voor zeer heilig hield. Hier nu werden aan de schedels de
gezichten weer gemodelleerd op zeer kunstige manier. Van kokosvezels,
klei en de kleverige sappen van vijgen- en broodvruchtboomen werd
een kneedbare massa gemaakt, waarmee men aan de schedels een gezicht
fatsoeneerde. Het werk toonde soms groote kunstvaardigheid, want
de gezichten waren vaak uitstekend gevormd en vertoonden fijne,
haast edele trekken. De oppervlakte werd met een harsachtige stof
bestreken en er ontstond dan een huidachtige korst, waarop met oker
en roet een beschildering werd aangebracht, die met de kaste van den
gestorvene overeenkwam. Dikwijls maakte men oogen in het gezicht,
uit slakkenhuisjes gesneden, kleefde haar aan het hoofd, stak veêren
in het haar en bracht een neusstaafje aan, zoodat het hoofd een
nauwkeurige nabootsing werd van den levenden mensch. Hoe hooger de
kaste van den doode was geweest, des te volkomener werd het lichaam
gemaakt. Bij lage kasten zet men het hoofd eenvoudig op een stok; bij
de hoogere had men er versierde staven voor, waarop gezichten waren
uitgesneden, meer, naarmate de kaste hooger was, terwijl uitstaande
staven de armen aanduidden. Bij zeer hooge personen werd de heele
figuur nagemaakt van bamboes, stroo en bastvezels. Ook dan werd het
lijf met de harsachtige vernislaag bedekt en beschilderd, om alle
bijzonderheden aan te geven. De borsttepels, de navel, de knieën en
teenen werden aangebracht, evenals de kleeding, de veêrenversiering
en de armbanden als aanduiding van den rang.
In de rechterhand dragen deze standbeelden een schelphoorn en in de
linker een varkenskaak. De schouders worden tot gezichten gevormd,
en uit de schouders steken veêren en met bladeren versierde pluimen,
waaraan de schedelmaskers van de gestorven zoons van den doode worden
opgehangen, zoodat zulk een beeld, dat soms meer dan één hoofd heeft,
er zonderling uitziet. De beelden staan tegen de binnenwanden van
een gamal of mannenhuis en nemen op die manier deel aan het leed en
de vreugde van het geslacht. Ze belichamen de bescherming door de
geesten der afgestorvenen, die bij de gamal behooren, en bij groote
feesten zet men voedsel voor hen neer en neemt aan, dat de geest zich
verkwikt aan den geur van de spijzen.
Een eenvoudige vorm van een doodencultus uit zich daarin, dat men de
schedels van geliefde dooden van maskers voorziet en die dan met zich
meeneemt. Zoo zullen vaders dikwijls de schedelmaskers van hun zoons
en mannen de schedels van hun lievelingsvrouwen op alle feesten bij
zich hebben en ze aan de maaltijden voor zich zetten, opdat ze aan
het feest mogen deelnemen. Er is wel iets ontroerends in dat gebruik,
hetzelfde idee, dat ons een haarlok doet bewaren en in een medaillon
bij ons dragen. Dat gevoel ontspringt waarschijnlijk in onze diepste
instincten, waar de menschelijke geest niet van kan loskomen en waarvan
we geen andere rekenschap kunnen geven, dan dat het ons een behoefte
is. Parallellen van zulke standbeelden van voorouders en belichamingen
van beschermende geesten komen immers in de hoogere godsdiensten zoo
veelvuldig voor, dat ze niet behoeven te worden genoemd.
Men kan zulke voorwerpen natuurlijk alleen koopen, als de families,
waarin ze behooren, zijn uitgestorven, en zulk een beeld uit een gamal,
dat aan niemand behoort, stond men mij gewillig af met schedelmaskers
en idolen, die geen eigenaars meer hadden. Voordat ik verscheiden
stukken goed had kunnen inpakken, haalde de heer Paton mij af, om
naar Malo te gaan, en ik moest wel mee, als ik niet zes weken langer
aan die afgelegen kust wou blijven.
Op Malo was de heer J., een Franschman, mijn gastheer. Malo toont,
wat de bevolking betreft, in het zuiden overeenkomst met Malekula en
in het noorden met die van Santo. Er wonen nu weinig inboorlingen;
maar vroeger moet het dicht bevolkt zijn geweest, en ik vond inderdaad
overblijfselen van wallen, gebouwen en hooge platforms en muren,
zooals ik alleen nog op de Banks-eilanden heb aangetroffen.
Nu was onder de eilanden Pentecôte aan de beurt, een lang, smal eiland
net als Maevo, dat zich in noord-zuidelijke richting uitstrekt. Aan
de westkust zijn eenige ankerplaatsen, en aan de oostkust brokkelt
de branding het koraalrif telkens af. De steile bergen reikten tot
aan zee. Ik vond een onderkomen bij den jongen zendeling F., iemand,
die tot de een of andere christelijke secte behoorde, vroeger bakker
was geweest en het nu voor zijn plicht hield, de inboorlingen te
bekeeren. Daar hij van het Christendom zelf slechts vage voorstellingen
had, legde hij het hoofdgewicht op uiterlijkheden, verlangde van zijn
arbeiders niet alleen het dragen van lendendoeken, maar van broeken,
hemden en buizen en van de vrouwen de bekleeding met leelijke, altijd
vuile rokken. Ook stond hij erop, dat de inboorlingen op Zondag niet
kookten, niet gingen wandelen, enz. Het is ergerlijk te zien, hoe op
die manier een massa natuurlijkheid en gezonde oorspronkelijkheid
vernield wordt, en hoe het Christendom aan dingen wordt verbonden,
die er niets mee te maken hebben. Het dragen van kleederen is bepaald
nadeelig voor de inboorlingen. Bij hun verschrikkende vatbaarheid
voor verkoudheden moet alles worden vermeden, wat daartoe aanleiding
kan geven, en kleederen behooren in de eerste plaats daartoe.
Terwijl de naakte inboorling, als hij doornat is van den regen in de
hut bij het vuur dadelijk droogt en warm wordt, komt hij met kleêren
op de vele regendagen haast nooit uit de vochtigheid. Hij denkt er
niet aan, in den regen de kleêren uit te trekken, om ze in de hut
droog weer aan te trekken, maar laat zich natregenen en gaat in de
druipende lappen thuis bij het vuur zitten, waar hij natuurlijk in
langen tijd niet warm wordt. Bibberend en huiverend hurkt hij bij het
vuur en is den volgenden dag meestal verkouden. Met de vrouwen is het
precies hetzelfde, die daarbij vaak meer kleêren over elkander aan
hebben. Op regendagen worden ze haast nooit droog, daar noch mannen,
noch vrouwen eraan denken, droge kleêren aan te doen.
Evenmin is uit aesthetisch of zedelijkheidsoogpunt de zaak goed te
praten, en het viel mij wel eens moeilijk, mijn ergernis tegenover den
zendeling te onderdrukken. Gelukkig begaat de anglicaansche zending
dezelfde fout niet, maar wekt de inboorlingen op, in kleeding en
leefwijze zich aan het van ouds gewende te houden. Toch had de heer
F. wel een paar goede resultaten. Aan alle dorpstwisten had hij een
eind weten te maken, en er heerschte wel een goede geest op het eiland.
Nadat ik er een dag of veertien was geweest, bracht de heer F. mij
naar het midden van het eiland, dat ik ook daar de menschen zou leeren
kennen, waar meer overeenkomst is met Aoba en Maevo. Daar dragen
mannen en vrouwen schaammatjes, die van pandanusbladeren worden
gevlochten door de vrouwen. Het mattenvlechten wordt er met goed
gevolg beoefend. Bij het verven van de grootere matten worden deze
over een houten rol gewonden en het uit een bananenscheede geknipte
patroon wordt erom gebonden. De verfstof, uit een wortel bereid,
die in water wordt uitgetrokken, na eerst fijngeschaafd te zijn,
wordt dan in een bak tusschen een paar groote vuren gezet, waardoor
de vloeistof niet gaat koken, maar toch sterk wordt verhit door de
straling. Op die manier worden matten geverfd, die een meter breed
en vier tot vijf meter lang zijn. Vaak hebben ze mooie patronen en
ze vertegenwoordigen groote waarde, die ook hier in varkens wordt
omgezet, als men in een hoogere kaste wil komen.
Van Pentecôte wilde ik naar Aoba gaan en had gehoopt, in Olal of
misschien van Dip point een stoomboot te treffen; maar het weêr was
te slecht voor de vaart en nu ried de heer F. mij aan, rechtstreeks
naar Aoba te varen met de zeilboot van een buurman van hem, den heer
Gr. Op die vaart waren we al dicht bij Ambrym, toen ik plotseling in
de verte de engelsche stoomboot ontdekte, die langzaam langs de kust
naar Olal sloop, om daar spoedig te ankeren. Daar die booten geen
vasten koers hebben, kan men zich niet op hun komst voorbereiden. Het
schip kon even goed in Olal den nacht doorbrengen, als naar Dip Point
terugkeeren of naar het Noorden stoomen. De eenige zekerheid geeft
het toevallige treffen van het vervoermiddel en er dan gebruik van
te maken, als men dat kan.
Doch de heer Gr. had goed geprofeteerd; de boot lag zoo, dat wij
door kruisen haar konden bereiken, als ze lang genoeg in Olal
bleef. Wij kruisten in den steeds zwakker wordenden wind met het
oog gericht op het donkere punt in Olal. Het leek wel wat op een
zeerooversgeschiedenis, die inspanning, om het verre schip te naderen,
en het werd een spannende historie. Een noodlottig toeval deed den wind
al meer zakken; wij roeiden uit alle macht, maar kwamen maar langzaam
vooruit. Toen begonnen we te hopen op de landbries, die daar nog al
sterk was en wachtten met angstig verlangen op den zonsondergang. De
zon ging wel onder; maar de landbries bleef uit. We konden niet meer
hopen, de stoomboot met onze zeilboot te bereiken. Het beste was,
naar Kanon te gaan en daar een roeiboot te huren, die mij aan boord
kon brengen.
Terwijl we in donker haastig naar land roeiden, gleden lichten
ons voorbij. Het was de stoomboot, die naar het noorden scheen te
varen. We hadden haar dus gemist. Ranon was een groote kokosplantage,
waar wij vriendelijk werden ontvangen en in de warme lucht van Ambrym
dood vermoeid spoedig insliepen.
Tegen zonsopgang wekte ons de explosie van een dynamietpatroon. In
de vischrijke wateren werd op die manier dagelijks gevischt, deels
om voedsel te hebben voor de arbeiders, deels voor den verkoop aan
de inboorlingen. Terwijl de arbeiders in het ondiepe water plasten,
om de gekwetste of bewustelooze visschen in te zamelen en in de
boot te gooien, kwamen ook van alle kanten kleine haaien aanzwemmen,
voor wie de explosie het welkome sein was voor het ontbijt. Begeerig
schoten ze heen en weer; overal waren hun rugvinnen te zien. Zoolang
er genoeg visschen zijn, is er geen gevaar voor de inboorlingen, want
deze kleine soort van haaien jagen alleen op visschen. Maar als die er
niet genoeg zijn, kan het voorkomen, dat ze een zwarte een visch uit de
hand rukken, waarbij de hand wel eens meegaat. Bij wat voorzichtigheid
laat dat zich echter vermijden. De groote, gevaarlijke haaien zijn
op de eilanden zeldzaam en bepalen zich tot enkele districten.
Terwijl de boot zich vulde met de glinsterende vangst, gingen wij
de plantage bekijken. Het was een der oudste kokosplantages op de
eilanden. Ongeveer de helft van de boomen droeg vrucht, en de opbrengst
aan copra was zoowat twintig ton per maand, wat bij een minimum prijs
van twaalf pond sterling per ton een groot inkomen beteekende. Daarbij
kunnen van de inboorlingen nog ongeveer vijf ton per maand worden
gekocht, en met den verkoop van goederen aan de zwarten wordt circa
dertig procent verdiend, zoodat dit land misschien het voordeeligste
station van de eilanden was. De eigenaars van de laatste jaren waren
echter donkere heeren geweest, die zeer gevoelig waren voor sterken
drank, zoodat het station er vervallen uitzag.