Tegen zonsondergang geeft de boeboe het sein tot de rust, en

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

De Aarde en haar Volken: Geïllustreerd Maandblad

In het Oerwoud en bij de

Kannibalen op de Nieuwe Hebriden. [1]

Naar het Duitsch van Felix Speiser.

Met een buurmanplanter van mijn gastheer te Talamacco op Espiritu

Santo had ik afgesproken, dat hij met mij naar Wora zou gaan, een

van de stations in de nabijheid van kaap Cumberland. Hij had daar een

hut, die vriendelijk was gelegen met een mooi uitzicht op de zee en

midden op een open plek in het woud. Vlak in de buurt woonden eenige

inboorlingen, en een van hen, een reus in lengte, in tegenstelling

met de kleine personen, haast dwergen, die ik ook vaak onder de

inboorlingen ontmoette, had groote tarobedden voor zich aangelegd

met kunstmatige irrigatie. Die ingenieuse waterleidingen moeten

wel afkomstig zijn geweest uit een vroegeren tijd met meer cultuur,

want men kan ze niet doen passen in dezen tijd, met de armoedige en

weinig ondernemende bevolking. Door een van de vele bergbeken was van

steenblokken een dam gelegd, die altijd ongeveer dezelfde hoeveelheid

water liet vloeien in een kanaal. De kanalen waren vaak zeer lang,

liepen langs de hellingen en waren niet alleen door de aarde, maar

ook wel door de rotsen aangelegd. Of wel ze waren los en werden dan

ondersteund door bamboes en boomstammen.

Bij de velden verdeelde zich het kanaal dikwijls in verscheiden

armen en liep door de vlakke, in trappen aangelegde akkers, waarin

de taroknollen slechts oppervlakkig behoeven te worden gelegd, om

binnen korten tijd uit te groeien tot groote, zware bladeren en na

tien maanden nieuwe knollen te ontwikkelen. Taro kan enkel groeien in

zeer vochtigen grond; de variëteit, die ze hier verbouwen, moet zelfs

in het water staan, zoodat de verbouw op de waterarme koraalplateau's

zelden mogelijk is. De smaak en de consistentie van de knollen is

als die van aardappelen en lijkt ook veel op die van yams, die wel

op de plateau's kunnen worden verbouwd.

Na eenige dagen vertrok ik van Wora, om het schiereiland door te

trekken. Het was een dag, waarop de regen nooit afnam, maar steeds in

hevigheid scheen toe te nemen. We hadden al gauw geen drogen draad

meer aan het lijf, en de bagage werd doornat, alsof ze in het water

had gelegen. Behalve door de lastige kleverigheid van de kleêren

hinderde het vocht ook door de glibberigheid van het steenachtige

pad met de vele boomwortels, dat steil omhoog liep, soms langs

smalle randjes op de kammen van de heuvels, waar het voor ons een

echte bergtocht werd. Hier en daar voerde het pad als door een tunnel

onder de planten door, maar dan weer vergunde ons een yamstuin of een

taroveld eenig uitzicht in de nauwe kloven tusschen de heuvelketens,

die eentonig elkander opvolgen, in de verte zich oplossend in den

nevel. Wat verfrisschend aandeed, waren de heldere watervallen,

die overal schilderachtig door het woud kwamen afstroomen.

De middagrust in een halfvervallen huis was wegens de vochtigheid

ver van aangenaam, waarom de dragers dan ook geen bezwaar maakten

tegen een vlug opbreken. De gids leidde ons langs zeer steile paden,

en langzaam volgden de dragers, tot we in dichten nevel belandden,

terwijl ik aan het radeloos om zich kijken van den gids, bespeurde,

dat we verdwaald waren. Om hem niet in de war te brengen, liet ik hem

begaan; maar het ging al hooger, en na een paar uren bekende hij,

totaal verdwaald te zijn. We hielden halt en voelden ons ellendig,

daarbij vergeefs moeite doende, om een pijp aan te steken. Ik wilde

probeeren, den marsch met het kompas voort te zetten, toen we gelukkig

diep onder ons uit den dalketel de tonen van een trommel hoorden. Daar

moest het gezochte dorp wezen, en het plotselinge geluid was voldoende,

dat de menschen met een prachtig instinct dadelijk de goede richting

vonden bij het naar beneden klauteren.

In de schemering kwamen we er aan. Het was een zendingsdorp,

opvallend zindelijk, en een ongewoon vriendelijke ontvangst viel ons

te beurt. Bij een flikkerend vuur konden wij onszelven en onze have

een beetje drogen en sliepen weldra op den harden grond den slaap

van de vermoeienis.

Een luid tamtamconcert wekte mij des morgens en riep de gemeente

tot den kerkdienst. Daarna braken we op. Weer ging het steil bergop

in den regen. Eerst toen we de waterscheiding achter ons hadden,

waar het weêr ons had vergund, even in het Oosten en het Westen

de zee te zien, klaarde de lucht op, en tegen den avond kwam een

verwarmend zonnetje ons verkwikken. De meest uit het Oosten komende

wolken ontladen zich op de oostkust, die dus zeer regenrijk is en een

overmatig weelderigen plantengroei vertoont. De westelijke helling is

veel droger, heeft groote grasvelden, minder dicht bosch, maar heeft

toch water genoeg door den regen, die op de bergtoppen valt en door de

vele beken. Hoewel het aan deze kust veel warmer is dan op de andere,

toch is het klimaat als tropenklimaat daar bijna ideaal te noemen,

vergeleken bij de zware, vochtige lucht aan den anderen kant, die

zoo vermoeiend en verslappend werkt. Wij voelden ons daarom als in

een ander land, toen we laat in den nacht na een langen marsch langs

het strand ons naar het dorp voortsleepten.

Den volgenden dag had de daar gevestigde planter de vriendelijkheid,

mij in zijn motorboot naar een zuidelijk gelegen punt aan de kust

te varen, dat er van de zee uit imposant en woest uitzag. De bergen

traden er tot aan het strand en vielen soms loodrecht in zee. Diepe,

smalle dalen leidden uit zee rechtstreeks naar het binnenland, bijna

tot in het hart van het schiereiland. In die dalen hingen zware nevels,

ofschoon het een heldere dag was. Het leek wel, alsof in die nauwe

kloven en afgesloten dalketels eeuwig een dreigende weerstoestand werd

gebrouwen, die, als de spanning te groot werd, overkookte en zich in

donkere nevels uit de dalen over de zee uitspreidde. Herhaaldelijk

trof ons een ruwe windstoot en kletterde een regenbui op ons neer,

tot we buiten de gevaarlijke zône waren. Dan lag alles weer in den

helderen zonnegloed; de kust bood een schilderachtig, afwisselend

schouwspel met de vele violette bergsilhouetten. Men zag alleen vlak

oeverland aan de mondingen van de dalen, de delta van de woudbeken.

Op zoo'n kleine delta lag ons reisdoel, een zendingsdorp, en wij

gingen aan land. Pas hadden we den voet op den wal gezet, of we

bespeurden een zoo hevige aardbeving, dat we nauwelijks op de been

konden blijven. De stoot duurde ongeveer dertig seconden; daarna

hoorden we een dof gedonder en zagen, hoe langs de heele kust groote

rotsmassa's in zee rolden. Het water spoot hoog op, en weldra hing

een gele damp boven alles en hulde de omgeving in zware wolken. De

stooten duurden nog in minder sterke mate den heelen nacht, waarbij

we het neerstorten van de steenmassa's in het woud hoorden. Toch

sliepen we niet slecht onder een waggelend dak.

Den volgenden dag lieten we ons in Woes door een aardig

pottenbakstertje, een klein vrouwtje van niet meer dan 1344 millimeter,

een kruik vormen. In circa tien minuten was die gevormd, zonder andere

hulp dan van een vlakken bamboesplinter. Zonder een pottenbakkersschijf

maakte ze de ronding zeer regelmatig en gaf aan het vaatwerk een

bevalligen, haast klassieken vorm. Het groote aantal kleine menschen

in het dorp was opvallend; maar in de gemengde bevolking van zulk een

zendingsdorp kan men geen besluiten trekken over de oorspronkelijke

bevolking. Toch is hoogst waarschijnlijk ook die klein van stuk

geweest.

Ik had nauwelijks den tijd, de noodige metingen te doen, want

we moesten spoedig terugkeeren. Van het schip uit konden we de

verwoestingen door de aardbevingen beter waarnemen. De hellingen waren

kaal geworden, en de zee was overdekt met hout en takken. Ook hadden

we de onaangename sensatie, een stoot in de boot te voelen. Die begon

plotseling te sidderen en te schudden, alsof een reuzenvuist ons schip

heen en weer schudde, terwijl tegelijk weer puin en steenen in zee

vielen. Langzamerhand gewenden we aan de bevingen, want ze duurden

verscheiden weken en werden geleidelijk zwakker, meer horizontaal

verloopend, zoodat men het gevoel had, alsof men op een groote

schommel stond.

Het andere dorp, waar pottenbakkerij werd beoefend, Pespia, lag meer

in het binnenland. Ik bezocht het den volgenden dag. Een marsch van

drie uren door een goed beplant, schilderachtig dal bracht ons weer

in een land van naakte heidenen, wat eigenlijk een verademing is

na de afschuwelijke vuilheid van de kleeding der Christenen, en die

naaktheid is stellig niet minder decent. Ook hier werden we vriendelijk

ontvangen, en het hoofd ijlde gewillig weg naar de verspreide hutten,

om de menschen voor den volgenden dag in zijn huis te ontbieden.

Ik kreeg daardoor een goede gelegenheid, een overzicht van de bevolking

te krijgen. Ik liet weer een kruik maken, die hier naar een andere

methode tot stand kwam dan op Woes. De pottenbakster bediende zich van

een bamboecylinder als schijf. Het optreden van de aardewerkfabricage

op deze twee eenige plaatsen van de Nieuwe Hebriden is een hoogst

raadselachtig verschijnsel, dat uit ethnologisch opzicht merkwaardig

is. Dat de ontdekker Quiros aan de inboorlingen het pottenbakken zou

hebben geleerd, is uitgesloten, althans dit deel van het eiland heeft

hij niet bezocht.

Den terugweg besloot ik niet over de bergen af te leggen, maar langs

de kust om kaap Cumberland. De weg was dan wel langer, maar gaf mij

gelegenheid, de noordelijke dorpen te bezoeken. Ook viel het plan zeer

in den smaak bij mijn dragers, die het niet op bergtochten begrepen

hadden. Ik marcheerde na middernacht af, om een langen tocht door het

zand niet overdag te moeten doen, daar in de tropische zon het zwarte

oeverzand zoo heet wordt, dat een Europeaan ook met schoenen er niet

lang door kan waden, en de inboorlingen met vertrokken gezichten en als

dansende beren over den heeten grond huppelen. Bij het vertrek moest

ik bemerken, dat een der dragers was weggeloopen. Daar ik op dat uur

geen plaatsvervanger kon krijgen en ik mijn plan om den kerel niet

wilde wijzigen, bleef mij niets anders over, dan den last op mijn

eigen schouders te nemen, en ik moet bekennen, dat hij mij op den

duur lastig werd, niet zoozeer om de zwaarte, dan om de drukking op

de daaraan niet gewende schouders. Maar het was een nuttige ervaring,

daar ik nu aan het eigen lijf de bezwaren van de dragers ondervond.

Ofschoon ik den plichtvergeten drager eeuwigen haat zwoer, was

het een recht prettige nachtelijke marsch. Toen de maan in zee

onderging, hadden we het moeilijke gedeelte achter ons en legden

ons te slapen. Bij zonsopgang trokken we verder, en ik had veel

teleurstellingen, daar ik in geen der hutten een drager kon huren. Bij

de middagrust in een zendingsdorp waren wel eenige inboorlingen

genegen, om te helpen, maar probeerden, mij een veel te hoog loon

af te persen. Toen ik als eenig antwoord, mijn last weer opnam,

deed zich op het laatst iemand voor, die de taak aanvaardde, en ik

was heel blij, want de weg was nog lang en bezwaarlijk. Maar ook

daaraan kwam een eind, en we sliepen dien nacht bij kaap Cumberland,

het noordelijkste punt van het eiland en van den archipel.

Hier vond ik talrijke individuen met haakneuzen en vaak met klassiek

gevormde gezichten en lichte huidskleur. Ik leerde later, dat dit

element verwant moest zijn met de menschen van de Bankseilanden,

waar ik precies gelijke typen vond. Langs de kust gingen we in twee

dagen weer naar Wora en van daar naar Talamacco naar den heer F. en

zijn gastvrijheid.

De laatste maal had de supercargo van het stoomschip mij verzekerd, dat

de boot dezen keer den twintigsten van de maand zou aankomen. Daarom

had ik al mijn hebben en houden ingepakt en wachtte van uur tot uur

op de stoomboot. Maar die bleef uit tot den eersten van de volgende

maand. Zoo'n wachttijd is hoogst onaangenaam. Het is niet de moeite

waard, de bagage weer uit te pakken, daar men natuurlijk altijd hoopt,

dat het schip een volgend uur zal opdagen, en men kan niet ver van

huis gaan, om het niet te missen. Men kan eigenlijk niets degelijks

aanvangen, en de altijd weer teleurgestelde hoop, de verveling en

het gevoel van tijdverlies zijn hoogst neerdrukkend, zoodat die

wachtperioden voor mij de akeligste waren van de heele reis, waaraan

ik nooit leerde gewennen. Als vroeger zocht ik mijn toevlucht in de

romanbibliotheek van mijn gastheer; maar die bestond haast uitsluitend

uit goedkoope detectiveromans, zoodat na acht dagen mijn beter ik

zich energiek begon te verzetten en ik dat tijdverdrijf moest opgeven.

Ik kreeg hier de eerste koortsaanvallen, wat mij verwonderde,

want ik had een zeer strenge en nauwkeurige prophylaxe met chinine

doorgemaakt. Maar het schijnt, alsof men op die manier zich toch niet

heelemaal van koorts kan vrijhouden, ten minste ik leed gedurende

drie maanden aan aanvallen en een algemeen onwelzijn, dat maar nu en

dan door gezonde dagen werd afgebroken. Wel was de koorts nooit zoo

hevig, als ze denkelijk zonder chinine zou zijn geweest; maar eerst

na een verblijf te Nouméa, waar ik een sterke chininekuur doormaakte,

verliet mij de malaria voor ongeveer acht maanden.

Het vervelende wachten liep natuurlijk juist af, toen ik, het wachten

moe, een grooteren tocht had ondernomen; maar nog bijtijds zag ik

het schip van af den top van een heuvel en kon haastig omkeeren en

mij nog inschepen. We voeren eerst naar de Banksgroep, waar ik niet

aan land ging, en daarna naar Tassimaloem in Zuidwest Santo. De daar

wonende planter, de heer C., ontving mij vriendelijk en wees mij

een kwartier aan in een groot huis, dat door vroegere eigenaars van

muren en schietgaten was voorzien ter beschutting tegen aanvallen

der inboorlingen. De plaats lag aan de uitloopers van de bergketen,

die langs de westkust loopt en in de nabijheid lag de Santopiek,

de hoogste berg van het eiland. Een tweedaagsche tocht gaf mij de

voldoening, hem te bestijgen, maar boven hadden we door den nevel

geen uitzicht en overigens hadden we geen bijzondere ontmoetingen.

Een korte reis met een inboorlingenboot bracht mij daarna weer

naar Vao, waar ik een week bij den pater doorbracht, mijn ouden

vriend. Jammer genoeg leden we beiden aan koorts of de gevolgen,

zoodat we niet zeer ondernemend waren. In een motorboot haalde de

presbyteriaansche zendeling, de heer G., mij af, om met hem naar

Port Vila te reizen, waar de engelsche resident, de heer Morton King,

mij de eer aandeed, mij als gast op te nemen, zoodat ik weer eens na

het primitieve leven op de eilanden mij door luxe omringd zag.

Ik bracht den tijd door met het ordenen van mijn verzamelingen, die ik

hier in meer of minder goeden toestand had aangetroffen, en met pakken,

om ze naar Europa te zenden. De avonden bracht ik door in het opwekkend

gezelschap van den heer King, die veel had gereisd, een goed kenner van

het Oosten is en mij vertelde van het geduldig kolonisatiesysteem van

de Engelschen, dat bij de inboorlingen zooveel door de vingers ziet. De

weken in Port Vila zullen mij altijd in aangename herinnering blijven.

Half Februari 1911 scheepte ik mij in op de naar Nouméa varende

"Pacific" met het vooruitzicht, ginder mijn raadsman en vriend,

Dr. Fritz Sarasin, te ontmoeten. In gezelschap van Dr. Roux, ging hij

een grondig onderzoek van Nieuw Caledonië ondernemen. Het duurde nog

drie weken, eer mijn vrienden aankwamen, vervelende weken, maar die

ruim vergoed werden door het prettige gezelschap en den aangenamen

tijd, die volgden. Ik moest daarna spoedig naar mijn werk terugkeeren,

en voor hen was maar al te gauw de tijd van vertrek naar het Noorden

van Nieuw Caledonië aangebroken.

In een kleine, oude boot moest ik naar de Nieuwe Hebriden

terugkeeren. Het aanzien van het roestige scheepje, dat overal

beschadigd was, haveloos touwwerk had en er kleverig en vuil lag

te wachten, paste bij de omgeving. Alles is vervallen en smerig

aan de kaden van Nouméa en de weinig aantrekkelijke "La France" was

daar op haar plaats. We zouden om zeven uur 's morgens vertrekken,

maar natuurlijk werd het elf uur. De zee was nog al kalm, en na twee

dagen kwamen we weer in Port Vila, waar de "La France" plotseling

een groot schip was te midden van de kleine kotters, die de eilanden

bevaren. Maar geriefelijker of zindelijker werd het schip er niet door,

vooral niet, doordat verscheiden nieuwe passagiers aan boord kwamen,

onder anderen ook veertig inlandsche politiesoldaten, die naar Espiritu

Santo onderweg waren, om er onlusten te dempen. De beide commandanten,

de fransche en de engelsche, waren voor mij een prettige verrijking

van het gezelschap. Mijn bedienden hadden kans gezien, zich tijdens

het korte oponthoud in Port Vila stevig te bedrinken; maar ze vielen,

toen ze strompelend aan boord stapten, dadelijk in handen van den

engelschen politie-commissaris, die hen duchtig ontnuchterde.

Den volgenden dag stapte ik op Epi uit, waar ik op het station van de

heeren Z. en H. werd verwacht. Behalve dat ze een plantage hebben,

dreven de heeren veel handel, zonden hun kleine zeilschepen naar de

naburige eilanden en kochten, waar ze konden, copra van blanken en

inboorlingen. Er was veel drukte op het station, daar er altijd een

van de kleine schepen voor anker ligt, om te laden en te lossen,

terwijl van heinde en ver de inboorlingen komen, om hun producten

te verkoopen. In hun open zeilbooten leggen ze vaak den afstand van

Malekula af, en men ziet ze dan lang kruisen of bij windstilte met den

stroom meedrijven, want voor roeien zijn ze meestal te lui. Maar ten

slotte vinden ze toch de passage, dat is de ingang van de lagune door

het koraalrif. Onder geschreeuw en gelach valt dan het anker, en het

troepje waadt naar den oever, hurkt met de manden van palmbladeren,

waarin de copra wordt vervoerd, bij een der loodsen neer en wacht

geduldig.

Het is een eigenaardig, maar mooi gezicht, als op zulke stations van

beschaafde eilanden, waar alles zedig in europeesche kleederdracht

rondloopt, de naakte gestalten der echte wilden met hun interessante

lichaamsversiering aankomen, vooral ook omdat aan zulke bootreizen

in de eerste plaats de sterke, jonge mannen deelnemen, zoodat de

schoonheid van hun naakte lijven sterk in het oog valt tusschen de

in vuile katoenen kleêren gehulde zwarten van het station.

Als het hem juist van pas komt, gaat de ambtenaar naar de menschen

toe, weegt de afzonderlijke manden en laat allen in de winkels komen,

om te koopen. Meestal nemen ze jachtpatronen, messen, bijlen, tabak,

pijpen en lucifers. Maar dat zijn slechts de hoognoodige dingen,

terwijl de inboorling van de kust tegenwoordig ook weelde kent en er

allerlei liefhebberijen op na houdt. Hij bestelt dure zijden stoffen,

die hij mogelijk eens hier of daar heeft gezien, gaat naaimachines

probeeren en neemt al, wat zijn kooplust opwekt. Ten gevolge van

de groote concurrentie zijn de arbeidsloonen en de prijzen voor de

producten buitensporig hoog geworden, wat de inboorlingen welvaart

zou kunnen brengen, als ze de waarde van het geld kenden en het

verstandig gingen gebruiken. Maar ze geven het meestal dadelijk uit

aan allerlei onzinnige dingen tot vreugde van den koopman, die op

alle waren gemiddeld vijftig procent winst maakt, of wel hij spaart,

om een varken te koopen en in sommige gevallen begraaft hij het. Het is

verwonderlijk, hoe gemakkelijk de inboorling hier een klein vermogen

zou kunnen sparen, en dat hij het niet doet, is niet enkel luiheid,

maar ook gemis aan behoeften.

De natuur schenkt hem voedsel in overvloed, zonder dat hij zich behoeft

in te spannen; lucifers, tabak en een mes, die alleen heeft hij noodig,

en die kan hij met weinig moeite koopen. Wat hij meer verdient, kan hij

aan zijn liefhebberijen besteden, en zoo is hij trots alles economisch

baas in het land. Niet weinig handelaars hebben dat al tot hun schade

ondervonden, als er wegens onaangenaamheden een taboe op hun station

werd gelegd, of als om mishandeling zich geen arbeider meer bij hen

wilde verhuren. Ieder koopman is dus zoo voorkomend mogelijk voor

zijn klanten en tracht, net als in een modern warenhuis, de begeerte

van de koopers door steeds nieuwe en aantrekkelijke fantaziegoederen

te voldoen.

Voorzichtig en wantrouwend is de inboorling wel, als er sprake is

van gewone gebruikswaren, maar lichtzinnig en verkwistend, als hij

een gevulden buidel heeft en weeldeartikelen aanschaft. Terwijl de

onderhandelingen voortduurden, gingen wij in het woonhuis, een groot,

laag gebouw met witte muren, een zwaar dak en veranda's. Om het huis is

een poging gedaan, om een tuin aan te leggen, maar hij is verwaarloosd;

de planten zijn verwilderd, gras groeit op de wegen, en de hagen zijn

vervuild. Men voelt, dat eenmaal hier een vrouwenhand aan het werk

is geweest, die den tuin verzorgde. Dat zal wel lang geleden zijn,

en nu stelt niemand er belang in, om de omgeving van het huis op te

knappen. In het huis zelf was het zindelijk, en van de veranda had

men een mooi gezicht op de zee, waarin des avonds de zon verzonk.

De beambten waren kalme menschen, die weinig spraken. Er is niet veel

te vertellen. Het weder en speculaties over de namen en het doel van de

in de verte voorbijvarende zeilbooten zijn de voornaamste onderwerpen

van gesprek. Na de lunch gingen ze op de veranda zitten, om zich

in de kranten te verdiepen, waar de post heele rollen tegelijk van

bezorgt. Maar al gauw begint in den namiddag weer het werk, waarvoor de

boeboe, de oude schelphoorn, de zwarten uit hun hutten roept, weg van

de eeuwig glimmende vuren. Alles begeeft zich weer naar de plantage.

De opbrengst van de verschillende eilanden aan copra is zeer

verschillend. Terwijl op enkele de kokospalm maar spaarzaam

vertegenwoordigd is, zijn andere eilanden er geheel mee overdekt. Dat

zijn vooral Aoba en Ambrym, twee eilanden van vulkanischen oorsprong,

waar weinig water is in den vorm van bronnen en beken, al regent

het er genoeg. Men vermoedt, dat de inboorling, die op het water

van de kokosnoot als drinken is aangewezen, wel gedwongen was, veel

kokospalmen aan te planten. Die bewering is wel voor bestrijding

vatbaar; maar een feit is het, dat op Aoba en Ambrym de inboorling

haast geen ander water drinkt dan het aangenaam zuurachtig smakende

van de kokosnoot.

De zwarten werken in de plantage in rijen, stil zweetend in zon

en regen, de vrouwen met haar mannen. Hier scheiden de mannen

ongaarne van de vrouwen; ze zijn jaloersch en houden er niet van,

dat de vrouwen onder elkander de mannen kritizeeren. Ook hebben

verscheiden planters de ervaring opgedaan, dat er meer werk wordt

verricht, als de geslachten samen arbeiden. Overigens zijn voor de

lichtere werkzaamheden de vrouwen veel bruikbaarder dan de mannen,

omdat ze van kind af gewend zijn, op het veld te werken, terwijl voor

de mannen, die hun dagen in gemakkelijk nietsdoen hebben gesleten, de

overgang tot geregelden arbeid niet gemakkelijk is. Er zijn planters,

die het den inboorlingen niet kunnen vergeven, als ze niet begeerig

zijn, om in hun dienst te treden; maar het is inderdaad niet in te

zien, waarom de inboorling dat zou doen. Integendeel is het haast

verwonderlijk, dat er nog arbeiders te krijgen zijn.

Tehuis zwelgt de inboorling in luiheid, maar ook dikwijls in

verveling. Elke zijner behoeften kan hij bevredigen, als hij zich de

kleine moeite getroost, wat copra te maken, want daarmee ontvangt hij

in korten tijd veel meer geld, dan hij in het jaar op een plantage

met hard werken verdient. In zijn huis is hij zijn eigen baas, heeft

zijn feesten en braspartijen, die op de plantages zeldzaam zijn.

Tegen zonsondergang geeft de boeboe het sein tot de rust, en

de afzonderlijke groepen slenteren naar de kwartieren, eenvoudige

strooien hutten, waar ieder een verhoogde slaapplaats heeft en een

kist met zijn hebben en houden. Uit een grooten ketel haalt hij zich

zijn maal, dat de kok van de week heeft bereid, rijst of taro of yams

met bananen en wat er juist is. Vaak is er ook vleesch, bij den eenen

meester meer dan bij den ander. Waar veel wilde zwijnen zijn, is het

eenvoudig, de menschen op Zondagmorgen op de jacht te laten gaan. Het

hangt dan van hen af, of ze hun gebraad zullen hebben of niet.

Na den maaltijd zitten ze om de vuren en praten. De gebeurtenissen

van den dag worden besproken, en er worden geschiedenissen verteld

en sprookjes over monsters en kobolden. De danslust lokt de menschen

soms naar het strand, waar dan gedanst en muziek gemaakt wordt of waar

men bij sterke ebbe naar kreeften zoekt. Zoo is er in het eentonige

leven nog wel wat afwisseling.

De diensttijd van mijn bedienden uit Talamacco zou na een maand

afloopen, en nu ze Nouméa hadden gezien en hun doel hadden bereikt,

wilden ze naar huis. Ze lieten mij dat merken door systematischen

passieven tegenstand, waren knorrig, langzaam en onaangenaam, en daar

men niet elken dag kan straffen, werd het leven ver van prettig. Het is

ook treurig, voor de goede behandeling, die men hun doet ondervinden

en die veel beter is, dan waartoe men is verplicht, zoo weinig dank

te krijgen. Maar men moet dan bedenken, dat de inboorling niet gewend

is, door den blanke beter te worden behandeld, dan in het belang van

dien blanke is, en dat hij daarom bij iedere vriendelijkheid verwacht,

dat hij er indirect voor zal moeten betalen, zoodat hij elk geschenk

met wantrouwen aanvaardt. Ik vond het in die omstandigheden het beste,

niet op mijn recht te staan, maar hun de vrijheid te beloven, zoodra

ik andere mannen had gevonden.

Op Epi vond ik weinig origineels meer; alle inboorlingen zijn bekeerd

en gekleed, dus geciviliseerd. Dus was mij de gelegenheid welkom, op

een australische stoomboot naar Ambrym te kunnen gaan. Dat doel was

maar 25 mijlen van Epi verwijderd; maar de boot deed er vier dagen

over door de vele aanlegplaatsen. Op de westkust van het ten oosten

van Malekula liggende eiland ging ik te Dip Point aan land. Daar lag

een hospitaal van de presbyteriaansche zending, en Dr. B. ontving er

mij uiterst vriendelijk.

De ligging van het hospitaal en de omgeving waren mooi en rustig;

het huis en de nevengebouwen lagen op een plateau, dat zacht naar zee

helde. Er waren bij den aanleg boomen geveld, maar een aantal zware

vijgenboomen had men laten staan, en hun breede schaduw lag over het

frissche grasveld. Onder dat schaduwdak speelt altijd een koeltje,

dat van de heuvels neerstrijkt door de stammen en de luchtwortels

naar de blauwe zee, waar in de verte Aoba opduikt en waar Malekula in

verzinkt. De zieke inboorlingen lagen er met hun verbonden ledematen

in het koele gras op de helling en droomden er hun droomen.

De heer B. was een uitstekend chirurg en had zijn klantjes in den

heelen archipel, want de inboorlingen hebben vertrouwen in hem. Eerst

wilden ze betaling hebben, als ze zich lieten opereeren; maar nu komen

ze uit eigen vrijen wil. Er kunnen een kleine zestig patiënten worden

verpleegd; ik trof er vijftig inlandsche en zes blanke zieken. Met

eenvoudige hulpmiddelen volbrengt de dokter zijn operaties, waarbij

zijn vrouw de narcosen leidt en een pleegzuster assisteert.

Het is jammer, dat de alcohol zooveel nadeel toebrengt aan de

gezondheid van de inboorlingen, en dat de kooplieden zich om de wetten

van het condominium zoo weinig bekommeren uit zuiver winstbejag. Nu

leveren ze slechten sterken drank, die duur wordt betaald, en juist

hier op Ambrym, waar de bevolking nog vrij talrijk en gezond is,

moest worden ingegrepen, om verdere nadeelen te voorkomen.

Den volgenden dag voer ik met den dokter langs de noordkust en kon

de eigenaardige formatie van het eiland opmerken. Ongeveer in het

centrum ligt de zoowat duizend meter hooge krater, in welks reusachtig

bekken twee openingen dicht bij elkander hooge schoorsteenen hebben

opgeworpen. Maar daarvan kan men van de kust af weinig zien. Meestal

bedekken zware wolken de kratertoppen; men ziet alleen de steile

hellingen, waarlangs ruggen en kloven loopen naar den rand van het

wijde kraterbekken.

Trots de dichte woudbedekking kan men op veel plaatsen duidelijk den

loop van vroegere lavastroomen nagaan. Men herkent de trage windingen

van de taaie massa, hoe ze langzaam, maar aanhoudend, alles verbrandend

en verwoestend, naar beneden gleed. Daar stuitte haar de zee, waar de

lava in avontuurlijk grillige vormen en bulten is verstijfd, en nu

nog duiken uit het water de blokken omhoog, alsof ze eerst gisteren

verstard waren. Alle paar honderd meter ziet men aan het strand zulk

een zwart bolwerk, waartegen de zee witte brekers opwerpt. Bij donker

weêr is de aanblik van deze kust zeer somber, maar ook interessant

als een landschap uit den voortijd.

Na den middag had ik tijd voor een wandeling het land in. Dadelijk

aan het strand rijst de bodem regelmatig. Eerst ging het over de

lavablokken en daarna over zacht, zwart zandstof, dat, uit de lucht

neerdalend, het heele eiland overdekt. Het zand is week als een tapijt

en toch stevig. Ik was spoedig boven op de prachtige wandeling. De

eenmaal zeer dichte bevolking had het eiland overal bebouwd, zoodat men

door een reusachtigen, verwilderden tuin liep. Men zag overal bananen,

broodboomen, palmen en andere nuttige planten. De verscheidenheid

van groen was heerlijk om te zien na het eentonige woud op de andere

eilanden.

Al te gauw moest ik omkeeren, om mee terug te varen. Dit was het

begin van een genotrijken tijd. Met hulp van Dr. B. kon ik vier

aardige Ambrymeezen huren, gewillige, opgewekte jongens, met wie ik

des morgens de naburige dorpen bezocht om, met buit beladen, terug

te komen. De namiddag verliep met werk in huis.

Het weder bleef mij trouw, en de wandelingen door het van den dauw nog

vochtige woud, op de zachte paden in de talrijke kloven, die koel en

schaduwrijk waren, het was alles haast te mooi, om nog plicht te mogen

heeten. Ambrym heeft in zijn cultuur veel van Malekula, en de dracht is

dan ook bijna dezelfde. De mannen dragen den gordel van boombast en de

nambas, die ze van Malekula krijgen. De vrouwen binden zich een klein

grasschortje om de heupen, maar in verscheiden lagen over elkander,

zoodat er een dikke ring ontstaat, die ze wel wat op balletdanseressen

doet gelijken. Overigens is het lichaam bedekt met een dikke laag vuil,

olie en roet, en de geur, dien de menschen verspreiden, is zoodanig,

dat ook een blinde hun aanwezigheid zou moeten bemerken. Toch schijnt

het ras betrekkelijk gezond, en een bijzonder goed verschijnsel is,

dat er geen gebrek aan vrouwen schijnt te bestaan.

De dorpen liggen meestal open, met enkel hier en daar een afsluiting

voor de zwijnen.

De huizen staan dichtbij elkander op een open plek, en wat terzijde

staat het mannenhuis en is de dansplaats met de trommelboomen

en de standbeelden, die voorouders voorstellen. De woonhuizen

zijn maar ellendige, lage hutten met daken van rietgras en lage

bamboewanden. De deuren zijn kleine, vierkante gaten, zoowat een

voet boven den grond. Men kan enkel op handen en voeten binnen komen,

en voor het fatsoen moeten de vrouwen in achterwaartsche richting in

huis gaan, wat een komisch effect maakt. Vaak ziet men uit een huis

een nieuwsgierig gezicht naar buiten gluren, wat lijkt op een hond,

die uit zijn hok kijkt.

In den regel is de eerste gebeurtenis, als men een dorp betreedt, dat

een schaar vrouwen en kinderen uit elkaar stuift, gillend en schreiend,

wat de kinderen betreft, want de blanke schijnt hier de zwarte man, die

de kinderen kan komen halen. Op grooteren afstand blijven de groepen

stil zitten, wel wat wantrouwend en zenuwachtig gichelend. Dan komen

een paar mannen naderbij als toevallig. Mijn jongens vertellen dan,

wie ik ben en wat ik wil; een onbedaarlijk gelach is het gevolg, en

men houdt mij voor een dwaas. Men schudt het hoofd, wil alles weten,

hoe ik heet, waar ik woon, of ik gevaarlijk ben, of ik geld heb,

wat ik eet, of ik rook en drink, hoeveel kleedingstukken ik heb,

hoeveel geweren, enz.

Het resultaat is, dat men mij òf voor een gek houdt òf voor een

gevaarlijken toovenaar. In het eerste geval denkt men mij te kunnen

exploiteeren en haalt uit de hut het een of andere oude ding, om dat

duur te verkoopen. Het duurt altijd een heelen tijd, eer men begrijpt,

waar het mij om te doen is, en de waardevolle stukken behooren meestal

aan iemand, die er net niet is, een beleefde vorm, om te zeggen, dat

ze het wel hebben, maar het nooit aan mij zullen afstaan. Het koopen

is werkelijk een lastig werkje, dat veel geduld en tact vereischt. Gaat

men weg, dan wenkt er weer iemand u in een hoek en staat het stuk toch

af. Stomme verbazing is er, als ik naar schedels vraag. "Daaronder

liggen er een massa", zeggen ze dan schouderophalend en wijzen op

een boschje met een muur eromheen. Eens verscheen ik met schop en

spade in een dorp. Maar mijn bedienden hadden angst, en dus moest

ik zelf werken. Ik groef beenderen op en een paar tabakspijpen en

armringen. Geheel zwart van de vulkaanasch, stapte ik uit den kuil en

sprong dadelijk in zee, en drie dagen lang werd er over niets anders

gepraat dan over den dwazen blanke, die eigenhandig naar beenderen

zocht. Ofschoon de Suque hier wel wordt gevolgd, zijn er nog andere

geheime mannenbonden, die ieder een eigen huis hebben, zoodat men in

zeer groote dorpen verscheiden van die huizen kan aantreffen. In de

hooge suquekasten mag het huis niet door leden van een lagere kaste

worden betreden. De rang is herkenbaar aan den aard van de omheining,

die uit hout is opgetrokken of bij hoogere kasten van koraalblokken

is gemaakt.

Middenop de dansplaatsen staan de trommels, niet zooveel als op

Malekula, maar daarentegen van beter qualiteit. Ook aan de trommels

is de kaste te herkennen, want op die van de hoogere kasten zijn meer

hoofden gesneden, die voorouders voorstellen.

Nadat ik de omgeving van Dip Point had afgezocht, trok ik langs het

strand naar Port Vato in het midden van de zuidkust. Daar was een

sinds lang verlaten zendingshuis, waar ik kon wonen te midden van

een dichte, nog vrij primitieve bevolking, die al gepacificeerd was

en naar buiten in de beste eendracht leefde. De bewoners kunnen zich

nu veilig bewegen in den omtrek, wat vroeger een gevaarlijk bedrijf

was. De meeste dorpen hadden het altijd aan den stok met de buren,

zoodat iemand alleen zich niet buiten het dorp waagde, en de mannen

de op de velden werkende vrouwen moesten bewaken. De onveiligheid

was zoo groot, dat veel bewoners van dorpen op niet grooter afstand

van de zee dan bijvoorbeeld twintig minuten, het groote water nooit

van dichtbij hadden gezien. Die toestanden behooren echter al tot de

oude geschiedenis, dat wil zeggen, dat ze sinds tien of twintig jaar

tot het verleden behooren, en de bevolking is over het algemeen met

de verandering ingenomen, uitgezonderd een paar booswichten. Maar er

is geen twijfel aan, of de twisten zouden dadelijk weer beginnen, als

men de menschen aan zichzelf overliet. Ik kon dus met mijn bedienden,

die van het andere eind van het eiland afkomstig waren, mij vrij

bewegen; maar een man van Santo was toch niet heelemaal gerust en

hij ontwikkelde in die dagen plotseling een waren hartstocht voor de

kookkunst en veel liefde voor bordenwasschen, daar hij als kok meer

recht zou hebben, thuis te blijven. Hij is later met mijn Ambrymeezen

goed bevriend geworden, droeg geduldig hun spot om zijn angst, ging

op verdere uitstapjes goedmoedig mee en droeg de zwaarste lasten.

Evenals in Dip Point bezocht ik des morgens de dorpen. Een handige,

verstandige man had zich al den eersten morgen als gids aangeboden. Met

zijn hulp was het mij mogelijk, veel stukken te krijgen, die ik anders

nooit onder de oogen zou hebben gehad. Hij had echt begrip voor wat

ik wou hebben, en trachtte, mij alles te laten zien.

Daar kwamen dus de vrouwen aan, op de knieën voortschuivend, want

anders mochten ze niet in de tegenwoordigheid van mannen verschijnen,

en reikten haar bescheiden bezittingen over, matten, mandjes, armbanden

en dergelijke kleinigheden. Het is daarbij, ook als de mannen met

het een of ander aankomen, opmerkelijk, dat ze zelden hun stukken

zelf aanbieden, maar dat ze die aan een derde geven, om den koop te

sluiten. Dat is niet alleen, omdat ze vaak de taal niet machtig zijn,

maar ook om niet te worden uitgelachen, als ik het stuk niet koop of

den gewenschten prijs niet wil betalen. Daarbij speelt de uiterste

fijngevoeligheid of de trots van de menschen een rol, waardoor ze

elke weigering, elk neen zeggen en iedere onaangenaamheid zonder

twijfel diep voelen.

Daarover zal wel verbaasd wezen, wie zich de natuurvolken als

wilden of half dierlijke wezens voorstelt, onvatbaar voor fijner

gevoelens. Maar ieder, die onder hen verkeert, zal gelegenheid krijgen,

dien delicaten kant van hun aanleg waar te nemen in de beleefdheid,

die ze op hun manier tegenover elken blanke aan den dag leggen; in de

vriendelijke, voorkomende wijze, waarop ze met elkander omgaan, en in

de zelfoverwinning, die het hun kost, een verzoek tot u te richten. Het

onbeschaamde optreden, dat ze soms tegenover een blanke vertoonen,

is haast altijd slechts de dekmantel voor groote verlegenheid en

bevangenheid, waarmee ik niet wil beweren, dat er in het geheel geen

onbeschaamde kerels onder hen zijn.

Onder elkaar zijn ze zeer kritisch, letten op alles en laten geen

zwakheid zonder commentaar voorbijgaan; maar de spot schijnt niet te

kwetsen, en in het algemeene gelach stemt het slachtoffer op het eind

zelf in.

Men komt inderdaad met beleefdheid ook zelf het verst bij hen, en als

men consequent en rechtvaardig is, zal men ook wel een deel van hun

vertrouwen kunnen winnen. Dan moet men echter ook tot in de kleinste

détails correct zijn, want de heele bevolking weet precies, wat men

des middags heeft gegeten en hoe vaak men baadt of zich verschoont.

Over het algemeen zijn de bewoners van Ambrym sympathieker dan die

van Santo. Ze zijn mannelijker, minder serviel, maar trouwer en

betrouwbaarder, minder valsch, eerder openlijk vijandschap toonend,

aanhankelijk, levendig, ijverig en niet zoo slaperig als die van de

andere eilanden.

Uit het dorp wou ik graag een paar bijzondere trommels hebben,

instrumenten, waarmee ze een gonzend of brommend geluid

voortbrengen. Mijn gids zou er voor mij naar vragen. Twee mannen

stonden verbaasd op en vroegen, hoe ik wist, dat zoo iets bestond. Dat

was immers het grootste geheim. Laat men toch zorgen, er niet over te

spreken in tegenwoordigheid van de vrouwen! Ik werd weggetrokken naar

het mannenhuis. Die snortrommels dienen evenals andere instrumenten,

om lawaai te maken, voor het verschrikken van vrouwen en kinderen,

hoofdzakelijk om ze verwijderd te houden van de geheime plechtigheden

der mannen. Als een vrouw, of over het algemeen een oningewijde,

aan wie verteld is, dat dit de stemmen van machtige geesten zijn, de

instrumenten hoort, moeten ze oogenblikkelijk vluchten. Natuurlijk

moeten de instrumenten streng verborgen worden gehouden voor

oningewijde oogen. Nu zijn tegenwoordig het liberalisme en het

sceptimisme ook al op de Nieuwe Hebriden doorgedrongen, en ik geloof

niet, dat ten minste de jongeren er nog aan gelooven.

Ze fluisterden mij op geheimzinnige manier in het oor, dat de

snortrommels in het mannenhuis waren, en ik trad binnen en hoorde

een kreet van schrik van de mannen, nu ik midden in hun geheimen

was gedrongen, wat toch niet mocht. Er was thans niets meer aan te

veranderen, en ik was blij, binnen te zijn, want het was een waar

museum, waar ik watertandde van alle heerlijkheden. In de roetige

balken hingen zes half klare maskers, die er veelbelovend uitzagen,

en een oud idool, een gezicht op een driehoekig vlechtwerk.

Achter in de hut stonden, als kanonloopen opgesteld, vijf holle

trommels, waarin gehuild wordt door een bamboehuis. Daardoor ontstaat

een helsch lawaai, ongeveer alsof iemand op een groote bastrompet

gaat oefenen, of als het gebrul van een os of het kwaken van een

reuzenkikvorsch. Het waren heel bijzondere heiligdommen, bepaald

zeer werkzame schrikmiddelen voor oningewijden. Voor hetzelfde doel

gebruikte men ook kokosnootschalen, waar water in werd gegoten,

en waarin men dan door een buis gaat brommen, gorgelen, fluiten of

andere avontuurlijke muziek maakt.

Men liet mij al die schatten zien, maar wilde er in het geheel niet

van scheiden. Een klein houten trommeltje haalde men uit het dak en

stond het mij voor veel geld af. De oude man beefde, toen hij het mij

overreikte en bezwoer mij, het aan niemand te laten zien, wikkelde

het in tallooze bladeren en maakte uit het kleine voorwerp een heel

pak. Ook een paar van de minst mooie maskers kon ik koopen, gezichten,

ingesloten door een krans van lange kokosvezels. Tegenwoordig worden

ze eigenlijk alleen in scherts gebezigd, om de kinderen bang te maken;

maar oorspronkelijk hadden de maskers godsdienstige beteekenis. Hier

is de decadentie ingetreden, die met het heilige schertst.

Een dikke, forsche man kwam op mij toe en bood mij een fluit aan,

maar vroeg het dubbele van wat ik wilde geven. Toen hij zag, dat ik

volhield, gaf hij de fluit zonder meer tegenwerpingen voor een paar

rollen tabak. Hij bracht mij naar zijn huis, waar hij lang onder

zijn schatten zocht en mij dan een paar prullen bracht. Hij droeg

als armringen veel groote varkenstanden.

Bij de wandelingen op het eiland hoorde men vaak de kanonnade van

den vulkaan, een dof onregelmatig gedonder. Door de boomen kan men

hier den krater niet zien, en alleen aan de kust kon ik nu en dan de

rookwolk opmerken. Uit het huis van de zending was het uitzicht bij

helder weêr prachtig mooi. Men kon Malekula zien met de beboschte

bergen in een onuitsprekelijk schoone, blauwe zee. Ook des nachts

was van de veranda alles schitterend, als het maanlicht speelde op

het water en als fijn zilverstof in de atmosfeer scheen te zweven.

Eindelijk zou ik een bezoek aan den vulkaan brengen. Verscheiden

inboorlingen sloten zich bij ons aan, die het blijkbaar veiliger

vonden, het "vuur" in gezelschap van den blanke te gaan zien dan

alleen. Maar de Ambrymeezen zijn over het algemeen merkwaardig weinig

bang voor den vuurspuwenden berg, terwijl op andere eilanden ze den

ingang van de hel in den krater hebben geplaatst.

In een kleine colonne bewogen we ons door het oerwoud onder het

gedonder van den berg. Halverwege konden we een kleine uitbarsting

waarnemen, maar we zagen alleen de wolk, daar de krater zelf door de

randheuvels van het groote plateau aan ons oog was onttrokken. Door

dicht struikgewas voerde de weg in het half droge beekbed van een

nauwe kloof. De rotsblokken waren in de bedding glad geslepen,

en de blootvoetige inboorlingen konden er wel op blijven staan,

maar voor mij met mijn spijkerschoenen was het marcheeren moeilijk,

en vaak kon ik alleen op handen en voeten langs de steenen kruipen,

wat de dragers niet weinig amuseerde.

We zagen hier opvallend veel boomvarens. De prachtige bladerbundels

doken overal uit het groen op; soms schenen ze het bosch alleen te

vormen of legden een prachtig tapijt langs de hellingen. We volgden de

beek eenige uren, en ze bracht ons aan den rand van het plateau. Toen

het pad de beek verliet, liet ik halt houden en liet koken, daar we

van hier af geen water meer zouden tegenkomen. We waren nu dicht bij

den vulkaan, en terwijl we onze rijst aten, hoorden wij het hevige,

doffe donderen. De dragers werden wat onrustig; maar een grappenmaker

bepaalde hun aandacht bij het eten, en vroolijk braken allen op,

nadat we alle vaatwerk met water hadden gevuld. Spoedig hadden we

het plateau bereikt. Het was een groote vlakte van ongeveer twaalf

kilometer in middellijn en zeshonderd vijftig meter hoog, omgeven

door een wal van lage heuvels, die afvielen naar de kust. Het schijnt,

dat deze vlakte eens een reuzenkrater is geweest, waarin de openingen

zich nu bepalen tot twee kleinere kraters, die in het noordwesten

vijfhonderd en zevenhonderd meter hoog zich boven het plateau

verheffen. De bodem bestaat uit zwarte, grofkorrelige slakken, die

knarsen onder de voeten en zwart stof doen opdwarrelen. Plantengroei

is er natuurlijk haast niet; maar toch ziet men nog hier en daar

tusschen de kleine opgeworpen heuveltjes, die vaak in rijen staan,

wat rietgras en enkele struiken. Het is een woestijnachtige aanblik,

die vooral zoo treffend is, omdat het oog aan de weelde van het oerwoud

gewend is. Op het plateau, dat zich in het oneindige schijnt uit te

breiden, omdat de horizon bijna naar alle zijden vrij is, rijzen de

beide kraters omhoog in scherp omlijnde silhouetten, zwart en dreigend,

omgeven door eenige witte stoomwolken.

Op een vlak gedeelte tusschen rietgras sloegen we het kamp op. Het

punt lag hoog, en we hadden van daar een goed overzicht over de vlakte

met de door wind en regen afgeronde heuvels, in radiale rijen van de

kraters uitgaande. Waar de voeten der kraters samenkwamen, zag men

een wirwar van heuveltjes, als de golven van een wildbewogen zee. Hoe

verder ze zich van de kraters verwijderden, des te kleiner werden ze

en verloren zich dan in de vlakte, die plotseling in de randheuvels

haar einde vond en haar omlijsting door dicht oerwoud.

De lucht was bedekt, en een vaal licht speelde over de vlakte, waar de

kraters donker opstaken als spoken. Pas had ik het photografietoestel

opgesteld, of de westelijke bergreus begon een voorstelling. De

stoomwolken werden dichter, en er klonken doffe detonaties,

waarbij telkens een bruingrijze wolk uit den berg kwam als uit een

schoorsteen. De kale top werd roodachtig verlicht, alsof hij gloeide,

en lavabrokken vlogen in een boog uit de wolk en vielen achter den kam

van den berg. Daarna werd de berg weer rustig, en alleen het kleine

dampwolkje bleef hangen. Ik lette goed op, hoe ver de steenen werden

weggeslingerd, om te weten, hoe nabij ik mij kon wagen; maar ik zag

wel, dat ze vrij dicht bij de opening neervielen.

Toen wandelde ik naar den krater, door het pad te volgen, dat zich als

een lichte draad over den aschbodem slingerde en achter de heuvels

verdween. Het was een voortzetting van den weg, dien wij tot nu toe

hadden gevolgd, en die van den zuidelijken naar den noordelijken

oever van het eiland voert tusschen de beide kraters door. Het is

opvallend, dat de schuwheid voor den vulkaan de inboorlingen niet

afschrikt, dezen weg te gaan; maar veel gebruik wordt er ook niet

van gemaakt. Het moet wel iets bijzonders zijn geweest, toen voor

het eerst een inboorling den moed had, de vlakte over te steken en

zich met angst in het hart tusschen de kraters door een doorgang zocht.

Mij bewees het pad goede diensten. Op de knarsende slakken kwam ik

nu beter vooruit dan de inboorlingen, wier voeten pijn deden op de

kantige brokken. De lucht was nu blauw, en alles herinnerde aan

een woestijnwandeling. Men had hier dezelfde droge lucht, die de

van het warme zand uitstralende warmte afkoelde; dezelfde stilte

en plechtigheid, ook een zelfde mengeling van blauw, groen en bruin

en het verre, ruime uitzicht. Na een poos van stijgen kwamen we op

den kam en spoedig aan den kraterrand, 850 meter hoog, waar ik het

ongeveer 800 meter wijde bekken kon overzien.

In het Oerwoud en bij de Kannibalen op de Nieuwe Hebriden De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 1 / 7 段