VII.

Hodjaguend verlatende, volgden wij de oevers van de Sir, ter

wederzijde omzoomd door uitgestrekte rietbosschen, de geliefkoosde

verblijfplaatsen van fazanten en wilde ganzen. Het land is vrijgoed

bebouwd: fraaie graanvelden, weelderig groene weilanden, en akkers

met wilde slaapbollen beplant, trekken overal de blikken tot zich.

Weldra ontdekken wij zeer duidelijk de hooge oevers van de Angrene,

eene kleine rivier, die zich hier in de Sir-Darja uitstort. Evenals

alle andere rivieren in dit gedeelte van Centraal-Azië, is ook de

Angrene, in den zomer en in het algemeen wanneer het niet of bijna

niet regent, verdwenen: in die mate zelfs, dat, zooals het spreekwoord

zegt, bij het begin van den herfst de kippen droogvoets door de rivier

kunnen gaan. Maar in het voorjaar, als het hevig en lang achtereen

regent, als de sneeuw op de bergen smelt, dan verandert het tooneel:

de rivieren zwellen dan zoo, dat het dikwijls onmogelijk en altijd

gevaarlijk is, ze over te steken. Nu moesten wij juist den volgenden

dag de hoog opgezette Angrene overvaren.

Op de aanwijzing van onzen gids Bakisj verlieten wij den oever der

rivier, en sloegen links af, bijkans onbegaanbare en onkenbare paden

door het kreupelhout en de biezen volgende, en door onze verschijning

gansche zwermen van eenden opjagende. De biezen werden eindelijk zoo

hoog, dat zij tot boven den buik onzer paarden reikten; wij trokken

maar altijd door deze wildernis voort; het werd donker, en ik bemerkte

aan alles, dat onze gids zelf den weg niet meer wist. Bakisj begon

te zingen, hield weder op, en zag rondom zich, voor zoover dat in

de duisternis mogelijk was; hij moest nu eindelijk zelf erkennen dat

wij verdwaald waren. Eensklaps kwamen wij aan eene kleine rivier, die

echter niet de Angrene was. Ondanks de duisternis, stuurden wij onze

paarden in het water, om eene waadbare plek te vinden: maar zij werden

weldra door het water opgetild en moesten gaan zwemmen; wij vonden

geen voorde. Het was onmogelijk de rivier over te steken; wij besloten

dus den oever te volgen; maar eensklaps stuitten wij op een nieuwen

hinderpaal: een gracht, zoo diep, dat ik huiverde bij de gedachte,

in den donkeren nacht in dezen afgrond te moeten afdalen. Er schoot

echter niets anders over. Onze paarden waren bang; sommigen gleden

en struikelden; maar toch bereikten wij zonder ongeval de overzijde.

Wij sukkelden nu nog een poosje in de duisternis voort, toen wij

gelukkig in de verte een licht zagen schemeren. Dit licht kwam

uit de eenzame tent van een Kirghise, die ons den weg wees, welken

wij te volgen hadden om een groot dorp aan den oever der Angrene

te bereiken. Daar aangekomen, vonden wij onze reisgenooten, die

van ons af waren geraakt, en nu reeds ons avondmaal hadden gereed

gemaakt. Dit dorp was eene kolonie van Tamintzis, een volksstam,

die zich voornamelijk in de omstreken van Tasjkend, Tsjinaze en

Khodsjend heeft nedergezet, en zich op den landbouw toelegt. Onze

komst bracht het gansche dorp in opschudding, en, evenals overal,

zagen wij ons ook hier door een drom van nieuwsgierigen omringd. De

verbazing kende geen grenzen toen mijne valiezen werden opengemaakt,

en daaruit allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik te voorschijn

kwamen, maar die deze eenvoudige lieden nimmer gezien hadden. Zij

vroegen naar alles; kreten, uitroepen van bewondering, wonderlijke

gebaren en sprongen--dit alles scheen nog maar half toereikende om

hunne innige verbazing uit te drukken.

De zoolang gezochte Angrene vloeit vlak langs het dorp. Den volgenden

morgen zullen wij haar in eene _sala_ oversteken. Een sala is een klein

vlot van biezen vervaardigd.--"Wees niet bang," zeide men mij telkens;

"onze sala is in goeden staat, en wij zullen u levend aan den anderen

oever brengen."

Toen ik, den anderen morgen, die zoo hoog geprezen sala zag, liep mij

eene rilling door de leden: het ding bestond uit eenige bossen riet,

zoo slecht mogelijk saamgebonden. Ik liet nog eenige stevige halmen

en rottingen aanbrengen; men bevestigde de sala met alle touwen,

die ik beschikbaar kon stellen; eindelijk werd het meer dan broze

vaartuig zooveel mogelijk vergroot, verzwaard en sterker gemaakt. De

stroom was zeer sterk, de overtocht bepaald gevaarlijk; het gansche

dorp was uitgeloopen, om te zien hoe het met den Ourousse en zijn

gevolg zou gaan.

Eerst gingen twee Kirghisen, ieder met een paard, in den stroom; de

paarden konden zich niet staande houden en werden met duizelingwekkende

snelheid door den stroom medegevoerd; maar de Kirghisen, alleen

met een korten broek gekleed, konden goed zwemmen en behielden

hunne tegenwoordigheid van geest. Met de eene hand de manen, met

de andere den teugel vasthoudende, stuurden zij hunne verschrikte

rossen, met veel behendigheid, naar den linkeroever van de Angrene,

en bereikten den vasten wal op ongeveer zestig el beneden het punt

van uitgang. De proef was dus geleverd: de paarden konden de rivier

oversteken. Nauwelijks hadden zij den oever bereikt, of de paarden,

nog bevende van angst, moesten andermaal te water gaan; zij snoven,

hinnikten, sidderden over al hun leden, en wierpen angstige blikken

op de rivier; maar men liet hun geen tijd om tot zichzelven te komen;

zij werden met den staart aan het vlot vastgebonden, en nu ging het

voorwaarts! Twee mannen zwommen voor de paarden, vijf anderen rondom

het vlot; de beesten zwoegden en snoven te midden van den stroom; de

toeschouwers op den oever hielden den adem in. Ik volgde met angstige

blikken mijne bagage, aan het broze vaartuig toevertrouwd. De sala

vloog over het water, door den geweldigen stroom medegesleept; zij

naderde den anderen oever, en de personen, die er op waren, klampten

zich gelukkig aan dien oever vast, toen ik vreesde dat alles reddeloos

verloren was. Het vlot keerde ledig terug; en nu werd ik, met het

overige van mijn bagage, met behulp van minder vermoeide paarden,

naar den overkant gebracht. De arme Kirghisen waren half dood van

koude; zij verlangden naar wat brandewijn: het hinderde mij, dat ik

hun slechts thee kon aanbieden.

Wij vervolgden nu onzen weg naar Boeka, dat wij vóór den nacht

hoopten te bereiken. Het land is vlak en tamelijk wel bebouwd: aan

den horizon verheffen zich eenige heuvelen, waarvan de hoogste den

naam van Hanka draagt. Deze heuvel had een indrukwekkend voorkomen;

ik wilde hem bezoeken. Rondom den heuvel lagen een aantal lagere

hoogten verspreid, met gras begroeid, en zonder eenig spoor van

gebouwen, behalve de eenzame graftombe van een _aouliëh_ (heilige),

die op een dezer hoogten verrees en van verre de aandacht tot zich

trok door een veelkleurigen lap, aan een langen stok bevestigd. Ik

vermoed, dat hier eenmaal eene groote stad heeft gestaan, waarvan de

citadel ongetwijfeld den hoogsten heuvel bekroonde; de top van dien

heuvel vertoont nog een eigenaardigen vorm: hij is bijna vierkant en

heeft steile, regelmatig afloopende randen. Ik vond niets dan eenige

scherven en gebakken steenen.

Het begon reeds donker te worden, toen wij Boeka bereikten; wij gaan

eenige smerige en nauwe straten door, tot wij voor een kleinen winkel

komen, waar nog licht brandt. Daar de zoon van den aksacale ons

had gezegd, dat zijn vader voor eenige dagen afwezig was, begaven

wij ons naar de woning van den _biï_, voor wien ik een brief van

aanbeveling had. Deze biï, letterlijk notabelen, vindt men in alle

Kirghisen-dorpen; zij zijn belast met de handhaving der openbare

orde en zijn tevens zooveel als vrederechters. Deze biï, een man van

rijpen leeftijd, had een zeer eerwaardig voorkomen; hij was langen

tijd aksacale van Boeka geweest, en was nu tot de waardigheid van

biï opgeklommen.

Boeka is een aanzienlijk dorp, waarvan de aarden woningen tegen de

helling van een vrij steilen berg zijn gebouwd. De inwoners zijn

Kirghisen, die in voorkomen en levenswijze veel overeenkomst met de

Sarthen hebben. Rondom het dorp strekken zich, tot op wijden afstand,

rijstvelden uit, door kanalen doorsneden, en op dat oogenblik geheel

onder water staande, zooals in de lente steeds het geval is. De

landlieden, tot aan den gordel in het water staande, arbeiden daarom

niet minder ijverig. De velden zijn in vierkante vakken verdeeld, die

door kleine aarden wallen van elkander worden gescheiden. Elk dezer

vakken staat, door eene kleine opening in den dijk, met een kanaal

in gemeenschap. Is de bodem genoeg van water doortrokken, dan wordt

dit gat weder met een paar kluiten aarde dichtgestopt. De kanalen,

die hun water uit de Angrene ontvangen, zijn zeer vischrijk.

Op marktdag is het te Boeka zeer druk en levendig. De markt is aan

alle kanten omringd door kleine winkels of kramen, die gedurende zes

dagen gesloten zijn, maar des Maandags worden geopend. Dan stroomen de

koopers en nog meer de bezoekers van alle zijden samen, om elkander te

ontmoeten, de nieuwtjes te vernemen, hunne bekenden te spreken en ook

zaken te doen. Zulk een marktdag levert inderdaad een zeer aardig en

schilderachtig tooneel op, dat vooral voor een vreemdeling zeerveel

aantrekkelijks heeft; ge vindt hier allerlei zaken bij elkander, die

ge niet verwachten zoudt. Buiten den bazar of de eigenlijke markt,

wordt de veemarkt gehouden, waar paarden, schapen, runderen, kameelen

enz. worden verkocht. Deze markt is vooral merkwaardig, omdat hier

koopers en verkoopers, mannen en vrouwen, allen zonder uitzondering

te paard zitten.

Te Boeka vernam ik eene geheel onverwachte en gewichtige tijding:

men zeide mij, dat de Emir van Bokhara te Samarkand was, en zich

gereed maakte om tegen Rusland te oorlogen. Ik geloofde er niets van,

en liet mij daarom bewegen om nog eenigen tijd te Boeka te blijven,

en bij mijn vriend den aksacale, die van zijne reis was teruggekeerd,

mijn intrek te nemen. Ik moest mij daar vergenoegen met een ellendig

krot, bestaande uit twee armzalige kamers, waar de regen door het

dak stroomde, en waar het wemelde van vleermuizen, duiven, zwaluwen

en musschen. Mijn ongeloof werd weldra beschaamd. Toen ik eenigen

tijd te Boeka vertoefd had, ontving ik een brief, waarin mij werd

medegedeeld dat een veldtocht der Russen naar Bokhara op handen was. De

oorlog alzoo, en wel in mijne onmiddellijke nabijheid, in het hart van

Centraal-Azië! Ik kon aan de verzoeking om mede van den strijd getuige

te zijn, geen weerstand bieden, en haastig verliet ik het dorp, waar

ik mij voorgesteld had veel langer te zullen blijven. Na de gewone

afscheidsgroeten, gaf ik mijn gastheer de gebruikelijke geschenken

van spiegeltjes en andere soortgelijke voorwerpen. Het gerucht van

den aanstaanden oorlog was reeds onder het volk doorgedrongen; en

toen ik mijne woning te Boeka verliet, bespeurde ik duidelijk aan

de houding en de gelaatstrekken der inwoners, dat zij mij als vijand

beschouwden, en dat de ingewortelde haat jegens den christen en den

overwinnaar weder, in al zijne kracht, bij hen wakker was geworden.

Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 8 / 12 题