Hodjaguend verlatende, volgden wij de oevers van de Sir, ter
wederzijde omzoomd door uitgestrekte rietbosschen, de geliefkoosde
verblijfplaatsen van fazanten en wilde ganzen. Het land is vrijgoed
bebouwd: fraaie graanvelden, weelderig groene weilanden, en akkers
met wilde slaapbollen beplant, trekken overal de blikken tot zich.
Weldra ontdekken wij zeer duidelijk de hooge oevers van de Angrene,
eene kleine rivier, die zich hier in de Sir-Darja uitstort. Evenals
alle andere rivieren in dit gedeelte van Centraal-Azië, is ook de
Angrene, in den zomer en in het algemeen wanneer het niet of bijna
niet regent, verdwenen: in die mate zelfs, dat, zooals het spreekwoord
zegt, bij het begin van den herfst de kippen droogvoets door de rivier
kunnen gaan. Maar in het voorjaar, als het hevig en lang achtereen
regent, als de sneeuw op de bergen smelt, dan verandert het tooneel:
de rivieren zwellen dan zoo, dat het dikwijls onmogelijk en altijd
gevaarlijk is, ze over te steken. Nu moesten wij juist den volgenden
dag de hoog opgezette Angrene overvaren.
Op de aanwijzing van onzen gids Bakisj verlieten wij den oever der
rivier, en sloegen links af, bijkans onbegaanbare en onkenbare paden
door het kreupelhout en de biezen volgende, en door onze verschijning
gansche zwermen van eenden opjagende. De biezen werden eindelijk zoo
hoog, dat zij tot boven den buik onzer paarden reikten; wij trokken
maar altijd door deze wildernis voort; het werd donker, en ik bemerkte
aan alles, dat onze gids zelf den weg niet meer wist. Bakisj begon
te zingen, hield weder op, en zag rondom zich, voor zoover dat in
de duisternis mogelijk was; hij moest nu eindelijk zelf erkennen dat
wij verdwaald waren. Eensklaps kwamen wij aan eene kleine rivier, die
echter niet de Angrene was. Ondanks de duisternis, stuurden wij onze
paarden in het water, om eene waadbare plek te vinden: maar zij werden
weldra door het water opgetild en moesten gaan zwemmen; wij vonden
geen voorde. Het was onmogelijk de rivier over te steken; wij besloten
dus den oever te volgen; maar eensklaps stuitten wij op een nieuwen
hinderpaal: een gracht, zoo diep, dat ik huiverde bij de gedachte,
in den donkeren nacht in dezen afgrond te moeten afdalen. Er schoot
echter niets anders over. Onze paarden waren bang; sommigen gleden
en struikelden; maar toch bereikten wij zonder ongeval de overzijde.
Wij sukkelden nu nog een poosje in de duisternis voort, toen wij
gelukkig in de verte een licht zagen schemeren. Dit licht kwam
uit de eenzame tent van een Kirghise, die ons den weg wees, welken
wij te volgen hadden om een groot dorp aan den oever der Angrene
te bereiken. Daar aangekomen, vonden wij onze reisgenooten, die
van ons af waren geraakt, en nu reeds ons avondmaal hadden gereed
gemaakt. Dit dorp was eene kolonie van Tamintzis, een volksstam,
die zich voornamelijk in de omstreken van Tasjkend, Tsjinaze en
Khodsjend heeft nedergezet, en zich op den landbouw toelegt. Onze
komst bracht het gansche dorp in opschudding, en, evenals overal,
zagen wij ons ook hier door een drom van nieuwsgierigen omringd. De
verbazing kende geen grenzen toen mijne valiezen werden opengemaakt,
en daaruit allerlei voorwerpen van dagelijksch gebruik te voorschijn
kwamen, maar die deze eenvoudige lieden nimmer gezien hadden. Zij
vroegen naar alles; kreten, uitroepen van bewondering, wonderlijke
gebaren en sprongen--dit alles scheen nog maar half toereikende om
hunne innige verbazing uit te drukken.
De zoolang gezochte Angrene vloeit vlak langs het dorp. Den volgenden
morgen zullen wij haar in eene _sala_ oversteken. Een sala is een klein
vlot van biezen vervaardigd.--"Wees niet bang," zeide men mij telkens;
"onze sala is in goeden staat, en wij zullen u levend aan den anderen
oever brengen."
Toen ik, den anderen morgen, die zoo hoog geprezen sala zag, liep mij
eene rilling door de leden: het ding bestond uit eenige bossen riet,
zoo slecht mogelijk saamgebonden. Ik liet nog eenige stevige halmen
en rottingen aanbrengen; men bevestigde de sala met alle touwen,
die ik beschikbaar kon stellen; eindelijk werd het meer dan broze
vaartuig zooveel mogelijk vergroot, verzwaard en sterker gemaakt. De
stroom was zeer sterk, de overtocht bepaald gevaarlijk; het gansche
dorp was uitgeloopen, om te zien hoe het met den Ourousse en zijn
gevolg zou gaan.
Eerst gingen twee Kirghisen, ieder met een paard, in den stroom; de
paarden konden zich niet staande houden en werden met duizelingwekkende
snelheid door den stroom medegevoerd; maar de Kirghisen, alleen
met een korten broek gekleed, konden goed zwemmen en behielden
hunne tegenwoordigheid van geest. Met de eene hand de manen, met
de andere den teugel vasthoudende, stuurden zij hunne verschrikte
rossen, met veel behendigheid, naar den linkeroever van de Angrene,
en bereikten den vasten wal op ongeveer zestig el beneden het punt
van uitgang. De proef was dus geleverd: de paarden konden de rivier
oversteken. Nauwelijks hadden zij den oever bereikt, of de paarden,
nog bevende van angst, moesten andermaal te water gaan; zij snoven,
hinnikten, sidderden over al hun leden, en wierpen angstige blikken
op de rivier; maar men liet hun geen tijd om tot zichzelven te komen;
zij werden met den staart aan het vlot vastgebonden, en nu ging het
voorwaarts! Twee mannen zwommen voor de paarden, vijf anderen rondom
het vlot; de beesten zwoegden en snoven te midden van den stroom; de
toeschouwers op den oever hielden den adem in. Ik volgde met angstige
blikken mijne bagage, aan het broze vaartuig toevertrouwd. De sala
vloog over het water, door den geweldigen stroom medegesleept; zij
naderde den anderen oever, en de personen, die er op waren, klampten
zich gelukkig aan dien oever vast, toen ik vreesde dat alles reddeloos
verloren was. Het vlot keerde ledig terug; en nu werd ik, met het
overige van mijn bagage, met behulp van minder vermoeide paarden,
naar den overkant gebracht. De arme Kirghisen waren half dood van
koude; zij verlangden naar wat brandewijn: het hinderde mij, dat ik
hun slechts thee kon aanbieden.
Wij vervolgden nu onzen weg naar Boeka, dat wij vóór den nacht
hoopten te bereiken. Het land is vlak en tamelijk wel bebouwd: aan
den horizon verheffen zich eenige heuvelen, waarvan de hoogste den
naam van Hanka draagt. Deze heuvel had een indrukwekkend voorkomen;
ik wilde hem bezoeken. Rondom den heuvel lagen een aantal lagere
hoogten verspreid, met gras begroeid, en zonder eenig spoor van
gebouwen, behalve de eenzame graftombe van een _aouliëh_ (heilige),
die op een dezer hoogten verrees en van verre de aandacht tot zich
trok door een veelkleurigen lap, aan een langen stok bevestigd. Ik
vermoed, dat hier eenmaal eene groote stad heeft gestaan, waarvan de
citadel ongetwijfeld den hoogsten heuvel bekroonde; de top van dien
heuvel vertoont nog een eigenaardigen vorm: hij is bijna vierkant en
heeft steile, regelmatig afloopende randen. Ik vond niets dan eenige
scherven en gebakken steenen.
Het begon reeds donker te worden, toen wij Boeka bereikten; wij gaan
eenige smerige en nauwe straten door, tot wij voor een kleinen winkel
komen, waar nog licht brandt. Daar de zoon van den aksacale ons
had gezegd, dat zijn vader voor eenige dagen afwezig was, begaven
wij ons naar de woning van den _biï_, voor wien ik een brief van
aanbeveling had. Deze biï, letterlijk notabelen, vindt men in alle
Kirghisen-dorpen; zij zijn belast met de handhaving der openbare
orde en zijn tevens zooveel als vrederechters. Deze biï, een man van
rijpen leeftijd, had een zeer eerwaardig voorkomen; hij was langen
tijd aksacale van Boeka geweest, en was nu tot de waardigheid van
biï opgeklommen.
Boeka is een aanzienlijk dorp, waarvan de aarden woningen tegen de
helling van een vrij steilen berg zijn gebouwd. De inwoners zijn
Kirghisen, die in voorkomen en levenswijze veel overeenkomst met de
Sarthen hebben. Rondom het dorp strekken zich, tot op wijden afstand,
rijstvelden uit, door kanalen doorsneden, en op dat oogenblik geheel
onder water staande, zooals in de lente steeds het geval is. De
landlieden, tot aan den gordel in het water staande, arbeiden daarom
niet minder ijverig. De velden zijn in vierkante vakken verdeeld, die
door kleine aarden wallen van elkander worden gescheiden. Elk dezer
vakken staat, door eene kleine opening in den dijk, met een kanaal
in gemeenschap. Is de bodem genoeg van water doortrokken, dan wordt
dit gat weder met een paar kluiten aarde dichtgestopt. De kanalen,
die hun water uit de Angrene ontvangen, zijn zeer vischrijk.
Op marktdag is het te Boeka zeer druk en levendig. De markt is aan
alle kanten omringd door kleine winkels of kramen, die gedurende zes
dagen gesloten zijn, maar des Maandags worden geopend. Dan stroomen de
koopers en nog meer de bezoekers van alle zijden samen, om elkander te
ontmoeten, de nieuwtjes te vernemen, hunne bekenden te spreken en ook
zaken te doen. Zulk een marktdag levert inderdaad een zeer aardig en
schilderachtig tooneel op, dat vooral voor een vreemdeling zeerveel
aantrekkelijks heeft; ge vindt hier allerlei zaken bij elkander, die
ge niet verwachten zoudt. Buiten den bazar of de eigenlijke markt,
wordt de veemarkt gehouden, waar paarden, schapen, runderen, kameelen
enz. worden verkocht. Deze markt is vooral merkwaardig, omdat hier
koopers en verkoopers, mannen en vrouwen, allen zonder uitzondering
te paard zitten.
Te Boeka vernam ik eene geheel onverwachte en gewichtige tijding:
men zeide mij, dat de Emir van Bokhara te Samarkand was, en zich
gereed maakte om tegen Rusland te oorlogen. Ik geloofde er niets van,
en liet mij daarom bewegen om nog eenigen tijd te Boeka te blijven,
en bij mijn vriend den aksacale, die van zijne reis was teruggekeerd,
mijn intrek te nemen. Ik moest mij daar vergenoegen met een ellendig
krot, bestaande uit twee armzalige kamers, waar de regen door het
dak stroomde, en waar het wemelde van vleermuizen, duiven, zwaluwen
en musschen. Mijn ongeloof werd weldra beschaamd. Toen ik eenigen
tijd te Boeka vertoefd had, ontving ik een brief, waarin mij werd
medegedeeld dat een veldtocht der Russen naar Bokhara op handen was. De
oorlog alzoo, en wel in mijne onmiddellijke nabijheid, in het hart van
Centraal-Azië! Ik kon aan de verzoeking om mede van den strijd getuige
te zijn, geen weerstand bieden, en haastig verliet ik het dorp, waar
ik mij voorgesteld had veel langer te zullen blijven. Na de gewone
afscheidsgroeten, gaf ik mijn gastheer de gebruikelijke geschenken
van spiegeltjes en andere soortgelijke voorwerpen. Het gerucht van
den aanstaanden oorlog was reeds onder het volk doorgedrongen; en
toen ik mijne woning te Boeka verliet, bespeurde ik duidelijk aan
de houding en de gelaatstrekken der inwoners, dat zij mij als vijand
beschouwden, en dat de ingewortelde haat jegens den christen en den
overwinnaar weder, in al zijne kracht, bij hen wakker was geworden.