De bedelende derwisjen wonen meest bij elkander in zoogenaamde
_kalenterkhanen_, bestaande uit een ruimen binnenhof met boomen
beplant en door een beek besproeid; voorts uit een kleinen terp, die
als bidplaats wordt gebruikt, en uit een armzalig, morsig gebouw. De
bedelaars zitten of liggen doorgaans langs de muren of op het platte
dak van dat gebouw: zij praten, rooken, drinken thee, of dommelen
onder den invloed van den bedwelmenden _kouknar_. De bedelarij wordt
in Centraal-Azië op uitgebreide schaal gedreven en is er zeer goed
georganiseerd. De zeer talrijke gemeente der bedelaars vormt eene
broederschap, aan welker hoofd een chef staat, die, naar men zegt,
afstamt van den heilige, door wien de orde der _douvanis_ of _divanis_
(bedelaars) is ingesteld.
Herhaaldelijk heb ik gepoogd een bezoek af te leggen bij dien _tura_
(meester, heer) der bedelaars, die vrij wat beter is gelogeerd dan
zijne onderdanen: maar nooit heb ik het geluk gehad hem tehuis te
vinden: nu eens was hij te Tsjemkend, dan te Khodsjend, dan ergens
anders. Als opperhoofd van alle douvanas van Turkestan, heeft
de tura van Tasjkend weinig vrijen tijd: hij moet telkens zijn
wijd uitgestrekt gebied doorreizen, om geschillen tusschen zijne
onderhoorigen te beslechten en rekening en verantwoording te vorderen
van hunne inkomsten en uitgaven: want iedere douvana is verplicht,
hetgeen bij elken dag ontvangt, na aftrek van het volstrekt noodige,
aan de kas der broederschap af te staan.
Ieder die wil kan douvana worden: hij heeft daartoe slechts een
verzoek in te dienen bij den tura, en zich aan eenige formaliteiten
te onderwerpen; hij zet een roode muts op van bijzonder fatsoen,
aan den rand met schapenvacht omzoomd; slaat zich een gordel met
een zekeren symbolischen steen versierd, om de lendenen, en voorziet
zich van een nap, uit een halve kokosnoot vervaardigd, en waarin de
douvana alles verzamelt, wat men goedvindt hem te geven. Het hoofdstuk
zijner kleeding is de _halate_ of pij, die, volgens het voorschrift,
uit lappen en snippers moet bestaan, en die er dikwijls, door de
bonte mengeling van kleuren en stoffen, allerschilderachtigst uit kan
zien. De douvana heeft twee halaten: een voor dagelijksch gebruik, die
niet anders dan eene smerige lappendeken is; en de staatsie-halate,
ook wel uit vodden en lappen vervaardigd, maar uit zindelijke,
onverkleurde lappen, die hij in de bazars bijeen zoekt.
Reeds vroeg in den morgen verlaten de douvanas hunne kalenterkhane,
verspreiden zich door de hun aangewezen wijken, en keeren eerst des
avonds terug. Dan wordt de rekening van de ontvangst opgemaakt; men
praat, rookt zeer sterke _nacha_, en drinkt thee of kouknar. Van dien
laatsten drank behoeft men niet veel te gebruiken om het verstand te
verliezen: men bedrinkt zich dus, en slaapt dan zijn roes uit, om den
volgenden morgen weder van nieuws te beginnen. De douvanas kunnen zich
soms bespottelijk aanstellen. Ge kunt u niet van lachen onthouden,
wanneer ge tien of twintig groote kerels ziet, allen wonderlijk
uitgedost, en op een eigenaardig zingenden toon, in koor, eene bede
om een aalmoes uitgalmende. Daarbij steken zij hunne vingers in de
ooren, buigen zich voorover en blazen zich--ik weet niet hoe--zoo op,
dat het schijnt of zij barsten zullen.
Bijna alle douvanas zijn overgegeven dronkaards en opiumeters: drie
of viermaal per dag, en dikwijls nog meer, gebruiken zij eenige koppen
kouknar of doses opium. Ik ontmoette eens zulk een douvana opiumeter,
meer een geraamte dan een levend wezen. Lang en uitgeteerd, met een
vaalbleek geel gelaat, zag en hoorde hij ternauwernood wat om hem heen
gebeurde. Mijne woorden klonken als een onbestemd geruisch in zijne
ooren; zijne lippen bleven stijf op elkander gesloten. Eensklaps zag
hij een balletje opium in mijne hand; zijn strak gelaat nam dadelijk
eene vreemde uitdrukking aan; hij sperde zijne oogen wijd open, en
sprong als een wild dier naar mij toe. "Geef hier, geef hier!" riep
hij. Maar ik deed een paar stappen achteruit, en borg mijn opium
weg; toen wrong de ongelukkige zich in allerlei bochten en vertrok
zijn gelaat op afschuwelijke wijze. "Geef mij den _beng_ (opium),
och! geef het mij", kermde hij op half gesmoorden toon. Eindelijk
gaf ik hem een stukje: hij greep het met beide handen, ging tegen den
muur zitten, en verslond in stilte en met blijkbaar welgevallen het
noodlottige balletje. Het duurde niet lang of een vreemde, akelige
glimlach vertrok al de spieren van zijn gelaat; hij sprak binnensmonds
eenige onverstaanbare woorden zonder samenhang, en verviel weldra in
eene soort van verrukking, nu en dan door stuiptrekkingen afgewisseld.
De kalenterkhanen zijn niet enkel bedelaarsdoelens, maar tevens eene
soort van koffiehuizen en clubs. De opiumrooker, die tehuis aan zijn
hartstocht niet kan of durft botvieren, gaat naar de kalenterkhane;
de dronkaard komt er zijn kouknar drinken; anderen gaan er heen om
er met hunne kennissen te praten, of de nieuwtjes van den dag te
vernemen. Eens, op een vrij kouden dag, trad ik te Tasjkend zulk een
kalenterkhane binnen. Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat ik daar
zag. Al de douvanas opiumeters zaten, dicht tegen elkander gedrongen,
op den vloer neergehurkt, tegen den muur, om zooveel mogelijk tegen de
koude beschut te zijn. Velen hadden reeds hunne dosis vergif ingenomen:
hun gezicht had eene uitdrukking van bestiale stompzinnigheid, hun
mond was half geopend, en sommigen bewogen hunne lippen, alsof zij
iets zeggen wilden. Anderen zaten met het hoofd tusschen de knieën,
en snorkten luid, terwijl hunne spieren zich nu en dan samentrokken en
geheel hun lichaam zich krampachtig bewoog.--De opium-eter is dadelijk
kenbaar aan zijn slordig voorkomen, zijne onzekere, vreesachtige
bewegingen, zijn doffen, starenden blik, zijn vervallen geel gelaat,
zijne ziekelijke onaandoenlijkheid. De opium wordt niet alleen gegeten,
maar ook gerookt. De rooker ligt op den grond, en zuigt door een lange
pijp den damp in van een balletje opium, dat een ander met een tangetje
voor den kop der pijp houdt. Naar men zegt, vervalt de rooker nog
spoediger dan de opium-eter tot een soort van waanzinnige verdooving.
Geene andere stad in den Levant, die ik gezien heb, bezit een bazar,
die in uitgestrektheid met den bazar van Tasjkend kan wedijveren. Wel
zijn de winkels klein, maar hun aantal is legio: het schijnt wel of
alle inwoners van Tasjkend winkeliers zijn. De bazar bestaat uit eene
menigte straten, ter wederzijde omzoomd door houten winkels, kramen
zoo ge wilt; die straten zijn nauw en bochtig, maar heerlijk koel,
dank zij de matten, die over de geheele lengte, van den eenen winkel
tot den anderen zijn uitgespannen en de zonnestralen keeren. Alle
winkels gelijken op elkander; zij bevatten over het algemeen zeer
weinig voorwerpen van waarde: den ganschen inboedel zou men al
heel gauw voor honderd gulden kunnen koopen. De koopman, doorgaans
tamelijk gezet van postuur, is voortdurend bezig, zichzelven of zijne
koopwaar met een waaier af te koelen; hij zit, met de beenen onder
het lijf, te babbelen, aardigheden te verkoopen, thee te drinken,
de vliegen te verjagen: in één woord, hij schijnt zich met alles
bezig te houden, uitgenomen met zijn handel. De klanten zijn dan ook
zeldzaam, uitgezonderd de drie dagen in de week, dat de bazar ook voor
de nomaden geopend is: des zondags, des woendags en des vrijdags. Aan
de nomaden alleen is het te danken dat de handel zich staande houdt,
en dat sommige voorwerpen, die de Europeanen nauwelijks de moeite waard
zouden achten om op het vuur te gooien, nog altijd koopers vinden.
Op de koopdagen stroomen de landlieden uit den omtrek, de Kirghisen
van de naburige kampementen, reeds in den vroegen morgen, naar den
bazar. Ook de stedelingen begeven zich, bijna met het krieken van
den dageraad, daarheen: zij komen niet om te koopen of te verkoopen,
maar om te zien, om mede te wandelen met de menigte, om ook deel te
nemen aan de standjes, en de nieuwtjes op te vangen. Onderweg wipt
men even de moskee in om zijn morgengebed te doen; men blijft eenige
oogenblikken luisteren naar een mollah, die de gaanden en komenden
voor een poosje om zich verzamelt, hun iets uit de levens der heiligen
voorleest, of een preek houdt, die bijna altijd tegen de _honden van
kafirs_ (ongeloovigen), dat wil zeggen de christenen, gericht is. In
den namiddag wordt het gedrang en gewoel, het geschreeuw en geroep en
gejoel zoo sterk, dat in weinig europeesche steden iets dergelijks is
te zien. Elk oogenblik loopt men gevaar, door een ezel omvergeloopen
of door een kameel platgedrukt te worden.
De meeste ruimte wordt ingenomen door handelaars in stoffen: zij
verkoopen voornamelijk russische mousselinen, en zijden en katoenen
stoffen, te Kokhand of Bokhara vervaardigd. Volgens oostersch gebruik,
zijn de kooplieden van hetzelfde gilde ook allen in dezelfde straat
gevestigd: hier ziet ge de schoen- en zadelmakers en anderen die in
leder en huiden handelen; ginds de tapijtverkoopers en de handelaars
in vilt, die hier in voortreffelijke hoedanigheid en bewerking gevonden
wordt. Eene andere straat wordt door de zijdeborduurders ingenomen. Het
borduren van zijde heeft in dit gedeelte van Centraal-Azië den
hoogsten trap van volmaaktheid bereikt, en dit kunstwerk is zeer
goedkoop omdat de grondstof weinig kost en het arbeidsloon zeer gering
is. De Europeaan, die voor de eerste maal zulk een zijdeborduurder ziet
werken, weet niet wat het meest te bewonderen: de fraaie kleuren en de
rijke prachtige patronen, of wel den fijnen smaak en de verwonderlijke
behendigheid der werklieden.--De handelaars in vaatwerk kondigen zich
reeds van verre aan door het voortdurend geklop en gehamer: want--dit
vergat ik te zeggen--de meesten dier winkels zijn tevens werkplaatsen,
waar de uitgestalde voorwerpen ook vervaardigd worden. Als handelstad
heeft Tasjkend in het gansche land geen mededingster. Zij vormt
het kruispunt van de voornaamste handelswegen van Centraal-Azië;
de karavanen, die van Bokhara en Kokhand naar Rusland trekken of
omgekeerd; nemen altijd haar weg over Tasjkend. Dit verkeer zal nog
toenemen zoodra er geregelde betrekkingen zullen zijn aangeknoopt
tusschen Rusland en Opper-Turkestan of Klein-Bokharije, dat zich
aan het gezag van China heeft onttrokken, en dus voortaan zijne
benoodigdheden van elders moet halen.
Een vroeger ook te Tasjkend bloeiende tak van handel, de slavenhandel,
is sedert de vestiging der russische heerschappij vervallen. Die
handel wordt echter nog steeds gedreven in de onafhankelijke khanaten
van Turkestan, te Khiwa, te Bokhara, te Kokhand. Voor den noodigen
voorraad van slaven zorgen de Turkomannen, door hunne herhaalde
invallen in de perzische grensprovinciën: alle gevangenen, die tot
de secte der Sjîiten behooren, worden door de roovers verkocht; de
Sonniten daarentegen worden door de Turkomannen, hunne geloofsgenooten,
ongemoeid gelaten. Is de razzia goed geslaagd, dan zijn de prijzen
laag, en kan men een slaaf voor omstreeks vijftig gulden koopen. De
slavinnen zijn veel zeldzamer en dus ook veel duurder dan de slaven,
omdat de Turkomannen de eersten liefst voor zich zelf houden. Meermalen
vernam ik van oude slaven, uit Perzië afkomstig, hoe zij als jeugdige
knapen, door de Turkomannen werden geroofd, hetzij terwijl zij met
hunne ouders of verwanten aan den veldarbeid waren, hetzij in het
dorp zelf, ondanks de woede en smart der weerlooze bevolking. Dan
werden zij, dikwijls vele dagreizen ver, onder allerlei ontberingen,
naar de markt gevoerd, waar zij in handen vielen van een of anderen
meester. Gelukkig nadert het einde van dezen snooden handel; zelfs
in het nog niet aan Rusland onderworpen gedeelte van Turkestan wordt
men angstvallig slaven te koopen, omdat men weet dat zoodra de Russen
komen, alle slaven onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.
Ook voor de vrouwen van Turkestan, die nu metterdaad evenzeer slavinnen
zijn, al dragen zij niet dien naam, is, naar wij vertrouwen, een
betere toekomst aanstaande. Haar tegenwoordige toestand is ellendig,
nog beneden die harer zusters in Turkije en Perzië. Zij worden
nog strenger bewaakt, nog angstvalliger van aller verkeer met de
buitenwereld afgesloten, nog meer in haar werkkring beperkt. Reeds in
de wieg worden zij aan een man verkocht, die haar tot vrouw neemt, als
hare ontwikkeling, noch uit een moreel, noch uit een physiek oogpunt,
voltooid mag heeten. Zoo komen zij nooit tot een eigen zelfstandig
leven: want als zij den leeftijd hebben bereikt, waarop het verstand
tot rijpheid komt, zijn zij reeds verouderd door de moederzorgen, en
gebroken en verwelkt door harden arbeid. Is het wel te verwonderen,
dat zij zich met niets anders weten bezig te houden dan met praatjes
en intriges? Moge de russische invloed vooral hierin ten goede werken!
Toen ik Tasjkend verliet, was het feest van den _beïram_ in vollen
gang. De straten wemelden van Sarthen, voor het meerendeel beschonken,
hetzij door het onmatig gebruik van kouknar, hetzij omdat zij zich te
buiten waren gegaan aan brandewijn, waarvan de ware geloovigen groote
liefhebbers zijn. De menigte richtte hare schreden naar een boschje,
op ongeveer een mijl afstands van de stad; de mannen hadden hunne
fraaiste veelkleurige tsjapans aangetogen, de vrouwen hare mooiste
mousselinen van russisch fabrikaat. Ons gezelschap bestond nu uit
vier personen: als tolk had ik een gerussificeerden Tartaar van
Kassimow, een edelman, misschien wel een prins: althans hij maakte
aanspraak op den titel. Een ander Tartaar vervulde de rol van bediende;
eindelijk had de gouverneur van Tasjkend mij nog een Kozak van Orenburg
toegevoegd, die mij gedurende de geheele reis moest vergezellen. Wij
waren behoorlijk van geweren en revolvers voorzien.
Wij slaan den weg in naar Tsjinaze, ten einde den overtocht over
de rivier Tsjirdsjik te vermijden, die in dezen tijd des jaars,
vanwege den hoogen stand des waters, niet zonder gevaar is. Het is
heerlijk weder; een verrukkelijke lenteavond overstroomt het geheele
landschap met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid. Wij brengen den
nacht door in het dorp Nogaï-Kourgane, waar wij onze tent, onder
den blooten hemel, in de schaduw van prachtige boomen, opslaan. Den
volgenden morgen zetten wij onze reis voort. Ik zal mijne lezers niet
vermoeien met eene opsomming van alle bijzonderheden van dien tocht,
en eene beschrijving van al de plaatsen waar wij halt hielden. De
geheele landstreek vertoont overal hetzelfde karakter, en ook de
dorpen gelijken allen op elkander. Wij brachten een kort bezoek
aan de weinig beteekenende ruïnen van Iski-Tasjkend (Oud-Tasjkend)
de voormalige hoofdstad des lands, en bereikten eenige dagen na ons
vertrek van Tasjkend, de stad Tsjinaze, die eigenlijk niet veelmeer
dan een dorp is.
Voor de komst der Russen was Tsjinaze eene plaats van zekere
beteekenis; maar sedert de verovering hebben een aantal inwoners,
met name kooplieden, de stad verlaten, om zich in het nieuwe
Tsjinaze te gaan vestigen, op eenigen afstand, nabij de plaats waar
de Tsjirdsjik in de Sir-Darja vloeit, gesticht. Oud-Tsjinaze heeft
weinig aanlokkelijks voor den vreemdeling; maar een hevige orkaan,
door geweldige stortregens gevolgd, dwong ons, er te blijven en
te overnachten. Den volgenden morgen geleek de weg een modderpoel,
waardoor met groote kracht sterke waterbeeken stroomden, die zich in
de Tsjirdsjik gingen storten. Gelukkig is de afstand tusschen Oud- en
Nieuw-Tsjinaze niet groot anders hadden wij waarschijnlijk onderweg
onze paarden verloren. Op onzen weg daarheen zagen wij Kirghisen,
met veldarbeid bezig, zich daarbij bedienende van werktuigen, die
door hunne eenvoudige samenstelling nog aan de aartsvaderlijke tijden
herinneren.
Nieuw-Tsjinaze ziet er niet veel bekoorlijker uit dan het oude: de
citadel is klein, de huizen zijn laag, de boomen zeldzaam, hetgeen
vreemd schijnt in de nabijheid van twee rivieren. De stad ligt echter
te hoog, om het water, door middel van irrigatiekanalen, over het land
te kunnen verspreiden; maar indien daardoor het bezit van tuinen en
boomgaarden onmogelijk wordt, zoo tiert hier toch de wilg in grooten
overvloed: en in Turkestan is geen enkele boom te versmaden.
Den volgenden morgen staken wij, in een ijzeren boot, de Tsjirdsjik
over. Langs de steile oevers dezer smalle rivier zag ik verscheidene
diepe gaten, die, zooals ik vernam, des winters den Kozakken tot
verblijf dienen. "Maar, zeide ik tot den armen Kozak, die mij dit
mededeelde, dat moet wel hard zijn, des winters in zulke holen
te wonen!"
"Het is hard."
"En waar woont gij des zomers? In tenten?"
"Neen. In de open lucht."
"In de open lucht! En hoe maakt ge het dan bij regen en wind?"
"De regen maakt ons nat, maar de zon droogt ons weer."
Ter wederzijde van de rivier ziet men moerassige velden, dicht met
riet bewassen, alsmede uitmuntende klaverweiden. Deze laatste plant
levert hier drie en meer oogsten per jaar op. Ook tarwe, gerst, rogge,
erwten en vlas groeien hier uitnemend. De rijst zou hier evenzoo
slagen: maar zij heeft overvloedige besproeiing noodig; daarom vindt
men alleen in de streken, waar veel water is, bij voorbeeld in het
dal van de Angrene, te Ilaou en te Khodsjend, belangrijke rijstvelden.
Hodjaguend, waar wij halt houden, is een groot dorp, door Sarthen
bewoond. Toen wij onzen intocht hielden, waren de mannen bijna allen
in het veld; de vrouwen stonden in de deur harer woning, tegelijk
nieuwsgierig en schuw, want de verschijning van een _Ourousse_
(Rus) is geene alledaagsche zaak. Terwijl naar eene woning voor ons
werd rondgezien, nam ik voorloopig mijn intrek in een tuin, waar het
dorpshoofd mij kwam bezoeken. Hij beschouwde mij blijkbaar met groot
wantrouwen, daar hij meende dat ik door de russische regeering gezonden
was, om rekenschap te vragen van zekere verkeerde handelingen. Toen hij
begreep dat dit niet het geval was, maakte zijn wantrouwen plaats voor
verbazing, met zekere minachting gemengd. De Oosterlingen kunnen zich
maar niet voorstellen, dat iemand louter voor zijn pleizier, om zich
te onderrichten, gaat reizen; is de reiziger geen officiëel persoon,
geen handelaar, kan hij geen bepaalde reden opgeven waarom hij reist,
dan kunnen zij den indruk niet van zich weren dat eene andere min
loffelijke oorzaak, die hij niet durft noemen, hem beweegt, zijn
vaderland en familie te verlaten. Ook ik kon mijn aksacale niet aan
het verstand brengen, dat ik geen ander doel had dan vreemde landen
te leeren kennen: ik ben er zeker van, dat hij mij als een halven
dwaas beschouwde.
De broeder van den aksacale verschafte mij eene goede woning met
een stal, en eene ruime, met boomen beplantte binnenplaats. Deze
woning lag aan een breed, maar niet diep kanaal, dat voornamelijk
diende tot besproeiing der velden en om eenige molens in beweging
te brengen; ter wederzijde is een rij huizen gebouwd, die door
fraaie boomen worden overschaduwd. In deze straat bevindt zich de
voornaamste der twee winkels, die in het dorp te vinden zijn; voor
dien winkel verzamelen zich iederen avond de nieuwsgierigen van het
vlek, om te praten, de nieuwtjes te vernemen en te spelen. Vooral
op de dagen, als de bazar te Tsjinaze geopend is, heerscht hier
des avonds eene bijzondere drukte. Niet ver van mijne woning staat
een moskee, die niets bijzonder merkwaardigs heeft. Des morgens en
des avonds is zij meest met landlieden gevuld, die er hunne gebeden
komen opzeggen; de stedelingen zijn minder ijverig in het waarnemen
hunner godsdienstplichten; de meer bejaarden onder hen bezoeken nog
het trouwst het bedehuis.