VI.

De bedelende derwisjen wonen meest bij elkander in zoogenaamde

_kalenterkhanen_, bestaande uit een ruimen binnenhof met boomen

beplant en door een beek besproeid; voorts uit een kleinen terp, die

als bidplaats wordt gebruikt, en uit een armzalig, morsig gebouw. De

bedelaars zitten of liggen doorgaans langs de muren of op het platte

dak van dat gebouw: zij praten, rooken, drinken thee, of dommelen

onder den invloed van den bedwelmenden _kouknar_. De bedelarij wordt

in Centraal-Azië op uitgebreide schaal gedreven en is er zeer goed

georganiseerd. De zeer talrijke gemeente der bedelaars vormt eene

broederschap, aan welker hoofd een chef staat, die, naar men zegt,

afstamt van den heilige, door wien de orde der _douvanis_ of _divanis_

(bedelaars) is ingesteld.

Herhaaldelijk heb ik gepoogd een bezoek af te leggen bij dien _tura_

(meester, heer) der bedelaars, die vrij wat beter is gelogeerd dan

zijne onderdanen: maar nooit heb ik het geluk gehad hem tehuis te

vinden: nu eens was hij te Tsjemkend, dan te Khodsjend, dan ergens

anders. Als opperhoofd van alle douvanas van Turkestan, heeft

de tura van Tasjkend weinig vrijen tijd: hij moet telkens zijn

wijd uitgestrekt gebied doorreizen, om geschillen tusschen zijne

onderhoorigen te beslechten en rekening en verantwoording te vorderen

van hunne inkomsten en uitgaven: want iedere douvana is verplicht,

hetgeen bij elken dag ontvangt, na aftrek van het volstrekt noodige,

aan de kas der broederschap af te staan.

Ieder die wil kan douvana worden: hij heeft daartoe slechts een

verzoek in te dienen bij den tura, en zich aan eenige formaliteiten

te onderwerpen; hij zet een roode muts op van bijzonder fatsoen,

aan den rand met schapenvacht omzoomd; slaat zich een gordel met

een zekeren symbolischen steen versierd, om de lendenen, en voorziet

zich van een nap, uit een halve kokosnoot vervaardigd, en waarin de

douvana alles verzamelt, wat men goedvindt hem te geven. Het hoofdstuk

zijner kleeding is de _halate_ of pij, die, volgens het voorschrift,

uit lappen en snippers moet bestaan, en die er dikwijls, door de

bonte mengeling van kleuren en stoffen, allerschilderachtigst uit kan

zien. De douvana heeft twee halaten: een voor dagelijksch gebruik, die

niet anders dan eene smerige lappendeken is; en de staatsie-halate,

ook wel uit vodden en lappen vervaardigd, maar uit zindelijke,

onverkleurde lappen, die hij in de bazars bijeen zoekt.

Reeds vroeg in den morgen verlaten de douvanas hunne kalenterkhane,

verspreiden zich door de hun aangewezen wijken, en keeren eerst des

avonds terug. Dan wordt de rekening van de ontvangst opgemaakt; men

praat, rookt zeer sterke _nacha_, en drinkt thee of kouknar. Van dien

laatsten drank behoeft men niet veel te gebruiken om het verstand te

verliezen: men bedrinkt zich dus, en slaapt dan zijn roes uit, om den

volgenden morgen weder van nieuws te beginnen. De douvanas kunnen zich

soms bespottelijk aanstellen. Ge kunt u niet van lachen onthouden,

wanneer ge tien of twintig groote kerels ziet, allen wonderlijk

uitgedost, en op een eigenaardig zingenden toon, in koor, eene bede

om een aalmoes uitgalmende. Daarbij steken zij hunne vingers in de

ooren, buigen zich voorover en blazen zich--ik weet niet hoe--zoo op,

dat het schijnt of zij barsten zullen.

Bijna alle douvanas zijn overgegeven dronkaards en opiumeters: drie

of viermaal per dag, en dikwijls nog meer, gebruiken zij eenige koppen

kouknar of doses opium. Ik ontmoette eens zulk een douvana opiumeter,

meer een geraamte dan een levend wezen. Lang en uitgeteerd, met een

vaalbleek geel gelaat, zag en hoorde hij ternauwernood wat om hem heen

gebeurde. Mijne woorden klonken als een onbestemd geruisch in zijne

ooren; zijne lippen bleven stijf op elkander gesloten. Eensklaps zag

hij een balletje opium in mijne hand; zijn strak gelaat nam dadelijk

eene vreemde uitdrukking aan; hij sperde zijne oogen wijd open, en

sprong als een wild dier naar mij toe. "Geef hier, geef hier!" riep

hij. Maar ik deed een paar stappen achteruit, en borg mijn opium

weg; toen wrong de ongelukkige zich in allerlei bochten en vertrok

zijn gelaat op afschuwelijke wijze. "Geef mij den _beng_ (opium),

och! geef het mij", kermde hij op half gesmoorden toon. Eindelijk

gaf ik hem een stukje: hij greep het met beide handen, ging tegen den

muur zitten, en verslond in stilte en met blijkbaar welgevallen het

noodlottige balletje. Het duurde niet lang of een vreemde, akelige

glimlach vertrok al de spieren van zijn gelaat; hij sprak binnensmonds

eenige onverstaanbare woorden zonder samenhang, en verviel weldra in

eene soort van verrukking, nu en dan door stuiptrekkingen afgewisseld.

De kalenterkhanen zijn niet enkel bedelaarsdoelens, maar tevens eene

soort van koffiehuizen en clubs. De opiumrooker, die tehuis aan zijn

hartstocht niet kan of durft botvieren, gaat naar de kalenterkhane;

de dronkaard komt er zijn kouknar drinken; anderen gaan er heen om

er met hunne kennissen te praten, of de nieuwtjes van den dag te

vernemen. Eens, op een vrij kouden dag, trad ik te Tasjkend zulk een

kalenterkhane binnen. Nooit zal ik het schouwspel vergeten, dat ik daar

zag. Al de douvanas opiumeters zaten, dicht tegen elkander gedrongen,

op den vloer neergehurkt, tegen den muur, om zooveel mogelijk tegen de

koude beschut te zijn. Velen hadden reeds hunne dosis vergif ingenomen:

hun gezicht had eene uitdrukking van bestiale stompzinnigheid, hun

mond was half geopend, en sommigen bewogen hunne lippen, alsof zij

iets zeggen wilden. Anderen zaten met het hoofd tusschen de knieën,

en snorkten luid, terwijl hunne spieren zich nu en dan samentrokken en

geheel hun lichaam zich krampachtig bewoog.--De opium-eter is dadelijk

kenbaar aan zijn slordig voorkomen, zijne onzekere, vreesachtige

bewegingen, zijn doffen, starenden blik, zijn vervallen geel gelaat,

zijne ziekelijke onaandoenlijkheid. De opium wordt niet alleen gegeten,

maar ook gerookt. De rooker ligt op den grond, en zuigt door een lange

pijp den damp in van een balletje opium, dat een ander met een tangetje

voor den kop der pijp houdt. Naar men zegt, vervalt de rooker nog

spoediger dan de opium-eter tot een soort van waanzinnige verdooving.

Geene andere stad in den Levant, die ik gezien heb, bezit een bazar,

die in uitgestrektheid met den bazar van Tasjkend kan wedijveren. Wel

zijn de winkels klein, maar hun aantal is legio: het schijnt wel of

alle inwoners van Tasjkend winkeliers zijn. De bazar bestaat uit eene

menigte straten, ter wederzijde omzoomd door houten winkels, kramen

zoo ge wilt; die straten zijn nauw en bochtig, maar heerlijk koel,

dank zij de matten, die over de geheele lengte, van den eenen winkel

tot den anderen zijn uitgespannen en de zonnestralen keeren. Alle

winkels gelijken op elkander; zij bevatten over het algemeen zeer

weinig voorwerpen van waarde: den ganschen inboedel zou men al

heel gauw voor honderd gulden kunnen koopen. De koopman, doorgaans

tamelijk gezet van postuur, is voortdurend bezig, zichzelven of zijne

koopwaar met een waaier af te koelen; hij zit, met de beenen onder

het lijf, te babbelen, aardigheden te verkoopen, thee te drinken,

de vliegen te verjagen: in één woord, hij schijnt zich met alles

bezig te houden, uitgenomen met zijn handel. De klanten zijn dan ook

zeldzaam, uitgezonderd de drie dagen in de week, dat de bazar ook voor

de nomaden geopend is: des zondags, des woendags en des vrijdags. Aan

de nomaden alleen is het te danken dat de handel zich staande houdt,

en dat sommige voorwerpen, die de Europeanen nauwelijks de moeite waard

zouden achten om op het vuur te gooien, nog altijd koopers vinden.

Op de koopdagen stroomen de landlieden uit den omtrek, de Kirghisen

van de naburige kampementen, reeds in den vroegen morgen, naar den

bazar. Ook de stedelingen begeven zich, bijna met het krieken van

den dageraad, daarheen: zij komen niet om te koopen of te verkoopen,

maar om te zien, om mede te wandelen met de menigte, om ook deel te

nemen aan de standjes, en de nieuwtjes op te vangen. Onderweg wipt

men even de moskee in om zijn morgengebed te doen; men blijft eenige

oogenblikken luisteren naar een mollah, die de gaanden en komenden

voor een poosje om zich verzamelt, hun iets uit de levens der heiligen

voorleest, of een preek houdt, die bijna altijd tegen de _honden van

kafirs_ (ongeloovigen), dat wil zeggen de christenen, gericht is. In

den namiddag wordt het gedrang en gewoel, het geschreeuw en geroep en

gejoel zoo sterk, dat in weinig europeesche steden iets dergelijks is

te zien. Elk oogenblik loopt men gevaar, door een ezel omvergeloopen

of door een kameel platgedrukt te worden.

De meeste ruimte wordt ingenomen door handelaars in stoffen: zij

verkoopen voornamelijk russische mousselinen, en zijden en katoenen

stoffen, te Kokhand of Bokhara vervaardigd. Volgens oostersch gebruik,

zijn de kooplieden van hetzelfde gilde ook allen in dezelfde straat

gevestigd: hier ziet ge de schoen- en zadelmakers en anderen die in

leder en huiden handelen; ginds de tapijtverkoopers en de handelaars

in vilt, die hier in voortreffelijke hoedanigheid en bewerking gevonden

wordt. Eene andere straat wordt door de zijdeborduurders ingenomen. Het

borduren van zijde heeft in dit gedeelte van Centraal-Azië den

hoogsten trap van volmaaktheid bereikt, en dit kunstwerk is zeer

goedkoop omdat de grondstof weinig kost en het arbeidsloon zeer gering

is. De Europeaan, die voor de eerste maal zulk een zijdeborduurder ziet

werken, weet niet wat het meest te bewonderen: de fraaie kleuren en de

rijke prachtige patronen, of wel den fijnen smaak en de verwonderlijke

behendigheid der werklieden.--De handelaars in vaatwerk kondigen zich

reeds van verre aan door het voortdurend geklop en gehamer: want--dit

vergat ik te zeggen--de meesten dier winkels zijn tevens werkplaatsen,

waar de uitgestalde voorwerpen ook vervaardigd worden. Als handelstad

heeft Tasjkend in het gansche land geen mededingster. Zij vormt

het kruispunt van de voornaamste handelswegen van Centraal-Azië;

de karavanen, die van Bokhara en Kokhand naar Rusland trekken of

omgekeerd; nemen altijd haar weg over Tasjkend. Dit verkeer zal nog

toenemen zoodra er geregelde betrekkingen zullen zijn aangeknoopt

tusschen Rusland en Opper-Turkestan of Klein-Bokharije, dat zich

aan het gezag van China heeft onttrokken, en dus voortaan zijne

benoodigdheden van elders moet halen.

Een vroeger ook te Tasjkend bloeiende tak van handel, de slavenhandel,

is sedert de vestiging der russische heerschappij vervallen. Die

handel wordt echter nog steeds gedreven in de onafhankelijke khanaten

van Turkestan, te Khiwa, te Bokhara, te Kokhand. Voor den noodigen

voorraad van slaven zorgen de Turkomannen, door hunne herhaalde

invallen in de perzische grensprovinciën: alle gevangenen, die tot

de secte der Sjîiten behooren, worden door de roovers verkocht; de

Sonniten daarentegen worden door de Turkomannen, hunne geloofsgenooten,

ongemoeid gelaten. Is de razzia goed geslaagd, dan zijn de prijzen

laag, en kan men een slaaf voor omstreeks vijftig gulden koopen. De

slavinnen zijn veel zeldzamer en dus ook veel duurder dan de slaven,

omdat de Turkomannen de eersten liefst voor zich zelf houden. Meermalen

vernam ik van oude slaven, uit Perzië afkomstig, hoe zij als jeugdige

knapen, door de Turkomannen werden geroofd, hetzij terwijl zij met

hunne ouders of verwanten aan den veldarbeid waren, hetzij in het

dorp zelf, ondanks de woede en smart der weerlooze bevolking. Dan

werden zij, dikwijls vele dagreizen ver, onder allerlei ontberingen,

naar de markt gevoerd, waar zij in handen vielen van een of anderen

meester. Gelukkig nadert het einde van dezen snooden handel; zelfs

in het nog niet aan Rusland onderworpen gedeelte van Turkestan wordt

men angstvallig slaven te koopen, omdat men weet dat zoodra de Russen

komen, alle slaven onmiddellijk in vrijheid worden gesteld.

Ook voor de vrouwen van Turkestan, die nu metterdaad evenzeer slavinnen

zijn, al dragen zij niet dien naam, is, naar wij vertrouwen, een

betere toekomst aanstaande. Haar tegenwoordige toestand is ellendig,

nog beneden die harer zusters in Turkije en Perzië. Zij worden

nog strenger bewaakt, nog angstvalliger van aller verkeer met de

buitenwereld afgesloten, nog meer in haar werkkring beperkt. Reeds in

de wieg worden zij aan een man verkocht, die haar tot vrouw neemt, als

hare ontwikkeling, noch uit een moreel, noch uit een physiek oogpunt,

voltooid mag heeten. Zoo komen zij nooit tot een eigen zelfstandig

leven: want als zij den leeftijd hebben bereikt, waarop het verstand

tot rijpheid komt, zijn zij reeds verouderd door de moederzorgen, en

gebroken en verwelkt door harden arbeid. Is het wel te verwonderen,

dat zij zich met niets anders weten bezig te houden dan met praatjes

en intriges? Moge de russische invloed vooral hierin ten goede werken!

Toen ik Tasjkend verliet, was het feest van den _beïram_ in vollen

gang. De straten wemelden van Sarthen, voor het meerendeel beschonken,

hetzij door het onmatig gebruik van kouknar, hetzij omdat zij zich te

buiten waren gegaan aan brandewijn, waarvan de ware geloovigen groote

liefhebbers zijn. De menigte richtte hare schreden naar een boschje,

op ongeveer een mijl afstands van de stad; de mannen hadden hunne

fraaiste veelkleurige tsjapans aangetogen, de vrouwen hare mooiste

mousselinen van russisch fabrikaat. Ons gezelschap bestond nu uit

vier personen: als tolk had ik een gerussificeerden Tartaar van

Kassimow, een edelman, misschien wel een prins: althans hij maakte

aanspraak op den titel. Een ander Tartaar vervulde de rol van bediende;

eindelijk had de gouverneur van Tasjkend mij nog een Kozak van Orenburg

toegevoegd, die mij gedurende de geheele reis moest vergezellen. Wij

waren behoorlijk van geweren en revolvers voorzien.

Wij slaan den weg in naar Tsjinaze, ten einde den overtocht over

de rivier Tsjirdsjik te vermijden, die in dezen tijd des jaars,

vanwege den hoogen stand des waters, niet zonder gevaar is. Het is

heerlijk weder; een verrukkelijke lenteavond overstroomt het geheele

landschap met een onbeschrijfelijke bekoorlijkheid. Wij brengen den

nacht door in het dorp Nogaï-Kourgane, waar wij onze tent, onder

den blooten hemel, in de schaduw van prachtige boomen, opslaan. Den

volgenden morgen zetten wij onze reis voort. Ik zal mijne lezers niet

vermoeien met eene opsomming van alle bijzonderheden van dien tocht,

en eene beschrijving van al de plaatsen waar wij halt hielden. De

geheele landstreek vertoont overal hetzelfde karakter, en ook de

dorpen gelijken allen op elkander. Wij brachten een kort bezoek

aan de weinig beteekenende ruïnen van Iski-Tasjkend (Oud-Tasjkend)

de voormalige hoofdstad des lands, en bereikten eenige dagen na ons

vertrek van Tasjkend, de stad Tsjinaze, die eigenlijk niet veelmeer

dan een dorp is.

Voor de komst der Russen was Tsjinaze eene plaats van zekere

beteekenis; maar sedert de verovering hebben een aantal inwoners,

met name kooplieden, de stad verlaten, om zich in het nieuwe

Tsjinaze te gaan vestigen, op eenigen afstand, nabij de plaats waar

de Tsjirdsjik in de Sir-Darja vloeit, gesticht. Oud-Tsjinaze heeft

weinig aanlokkelijks voor den vreemdeling; maar een hevige orkaan,

door geweldige stortregens gevolgd, dwong ons, er te blijven en

te overnachten. Den volgenden morgen geleek de weg een modderpoel,

waardoor met groote kracht sterke waterbeeken stroomden, die zich in

de Tsjirdsjik gingen storten. Gelukkig is de afstand tusschen Oud- en

Nieuw-Tsjinaze niet groot anders hadden wij waarschijnlijk onderweg

onze paarden verloren. Op onzen weg daarheen zagen wij Kirghisen,

met veldarbeid bezig, zich daarbij bedienende van werktuigen, die

door hunne eenvoudige samenstelling nog aan de aartsvaderlijke tijden

herinneren.

Nieuw-Tsjinaze ziet er niet veel bekoorlijker uit dan het oude: de

citadel is klein, de huizen zijn laag, de boomen zeldzaam, hetgeen

vreemd schijnt in de nabijheid van twee rivieren. De stad ligt echter

te hoog, om het water, door middel van irrigatiekanalen, over het land

te kunnen verspreiden; maar indien daardoor het bezit van tuinen en

boomgaarden onmogelijk wordt, zoo tiert hier toch de wilg in grooten

overvloed: en in Turkestan is geen enkele boom te versmaden.

Den volgenden morgen staken wij, in een ijzeren boot, de Tsjirdsjik

over. Langs de steile oevers dezer smalle rivier zag ik verscheidene

diepe gaten, die, zooals ik vernam, des winters den Kozakken tot

verblijf dienen. "Maar, zeide ik tot den armen Kozak, die mij dit

mededeelde, dat moet wel hard zijn, des winters in zulke holen

te wonen!"

"Het is hard."

"En waar woont gij des zomers? In tenten?"

"Neen. In de open lucht."

"In de open lucht! En hoe maakt ge het dan bij regen en wind?"

"De regen maakt ons nat, maar de zon droogt ons weer."

Ter wederzijde van de rivier ziet men moerassige velden, dicht met

riet bewassen, alsmede uitmuntende klaverweiden. Deze laatste plant

levert hier drie en meer oogsten per jaar op. Ook tarwe, gerst, rogge,

erwten en vlas groeien hier uitnemend. De rijst zou hier evenzoo

slagen: maar zij heeft overvloedige besproeiing noodig; daarom vindt

men alleen in de streken, waar veel water is, bij voorbeeld in het

dal van de Angrene, te Ilaou en te Khodsjend, belangrijke rijstvelden.

Hodjaguend, waar wij halt houden, is een groot dorp, door Sarthen

bewoond. Toen wij onzen intocht hielden, waren de mannen bijna allen

in het veld; de vrouwen stonden in de deur harer woning, tegelijk

nieuwsgierig en schuw, want de verschijning van een _Ourousse_

(Rus) is geene alledaagsche zaak. Terwijl naar eene woning voor ons

werd rondgezien, nam ik voorloopig mijn intrek in een tuin, waar het

dorpshoofd mij kwam bezoeken. Hij beschouwde mij blijkbaar met groot

wantrouwen, daar hij meende dat ik door de russische regeering gezonden

was, om rekenschap te vragen van zekere verkeerde handelingen. Toen hij

begreep dat dit niet het geval was, maakte zijn wantrouwen plaats voor

verbazing, met zekere minachting gemengd. De Oosterlingen kunnen zich

maar niet voorstellen, dat iemand louter voor zijn pleizier, om zich

te onderrichten, gaat reizen; is de reiziger geen officiëel persoon,

geen handelaar, kan hij geen bepaalde reden opgeven waarom hij reist,

dan kunnen zij den indruk niet van zich weren dat eene andere min

loffelijke oorzaak, die hij niet durft noemen, hem beweegt, zijn

vaderland en familie te verlaten. Ook ik kon mijn aksacale niet aan

het verstand brengen, dat ik geen ander doel had dan vreemde landen

te leeren kennen: ik ben er zeker van, dat hij mij als een halven

dwaas beschouwde.

De broeder van den aksacale verschafte mij eene goede woning met

een stal, en eene ruime, met boomen beplantte binnenplaats. Deze

woning lag aan een breed, maar niet diep kanaal, dat voornamelijk

diende tot besproeiing der velden en om eenige molens in beweging

te brengen; ter wederzijde is een rij huizen gebouwd, die door

fraaie boomen worden overschaduwd. In deze straat bevindt zich de

voornaamste der twee winkels, die in het dorp te vinden zijn; voor

dien winkel verzamelen zich iederen avond de nieuwsgierigen van het

vlek, om te praten, de nieuwtjes te vernemen en te spelen. Vooral

op de dagen, als de bazar te Tsjinaze geopend is, heerscht hier

des avonds eene bijzondere drukte. Niet ver van mijne woning staat

een moskee, die niets bijzonder merkwaardigs heeft. Des morgens en

des avonds is zij meest met landlieden gevuld, die er hunne gebeden

komen opzeggen; de stedelingen zijn minder ijverig in het waarnemen

hunner godsdienstplichten; de meer bejaarden onder hen bezoeken nog

het trouwst het bedehuis.

Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 7 / 12 题