Ik ben op weg om de russische voorposten op te zoeken. Voor reismakkers
heb ik twee gewichtige personages: de _raïs_ en de biï van Toy-Tioubeh,
de voornaamste stad van het district van Koeraminsk, ten zuiden van
Tasjkend, op den weg naar Khodsjend. Wat een biï is, weet ge; de raïs
is een soort van geestelijk ambtenaar. Beiden zijn mij aanbevolen
door het districtshoofd van Koeraminsk, en zijn volkomen bereid
mij te vergezellen, in de hoop van daarvoor eene ruime belooning te
ontvangen. Bovendien zit de voorliefde voor een zwervend leven dezen
lieden in het bloed. De raïs is lang en mager; hij draagt een grijzen
baard, en geeft zich een zeker _air_ van vroomheid; de biï is klein
en zeer gezet van postuur; zijn breed en plat gezicht wordt door zijne
uitstekende wangbeenderen juist niet verfraaid. Moessa-Ben--zoo heet de
biï--houdt er twee bedienden op na. Ik vraag hem, hoeveel hij aan die
lieden betaalt; uit zijn antwoord bleek mij, dat de betrekking tusschen
meester en dienaar, hier in dit land, nog aartsvaderlijk eenvoudig is.
"Gij ziet," zeide de biï, "dien ouden man, op dat magere paard,
met mijn bagage; hij dient mij sedert vijf jaren; ik heb hem iets
gegeven bij zijn huwelijk, en van tijd tot tijd help ik hem, naar
mij dit gelegen komt."
Weldra vergisten wij ons in den weg, en het kostte ons niet geringe
moeite, om de noodige inlichtingen te bekomen. In het eerste dorp,
waar wij naar den rechten weg vroegen, wilde men ons eerst niet
te woord staan; maar toen de raïs en Moessa-Ben ten ernstigste
verzekerden, dat ik een groot heer was, veranderde de stemming,
en had men eindelijk zelfs de beleefdheid mij een kop _gatijsh_
(gestremde melk) en een koek aan te bieden. Het geldstuk, dat ik in
ruil gaf, ging van hand tot hand, den ganschen kring rond.
Het smalle pad, dat wij nu volgden, loopt door prachtige weilanden,
waar nimmer de maaiers de zeissen doen gaan, want het vee is schaars
in dit land. Bloemen, van allerlei kleur en geur, versieren het
onmetelijke groene tapeet, dat zich naar alle zijden, zoover wij zien
kunnen, uitstrekt, en dat slechts hier en daar door enkele helder
gekleurde woningen wordt afgebroken.--Wij waren ver van de steppen;
en toch deden enkele tooneelen ons aan de steppen denken: nu eens
uitgedroogde rivierbeddingen, hoewel de Aprilmaand nog niet verstreken
was; dan weder kameelen of schapen, door de velden rondzwervende,
en letterlijk bedekt met raven, die, met groote behendigheid, de
insecten vangen, welke zich in het dichte en kroesige haar van den
kameel en in de wol van het schaap verschuilen.
Weldra bereiken wij een plek, waar de grond, met steile helling,
afloopt naar eene oude bedding van de Sir-Darja, die tegenwoordig
op korten afstand vloeit. Beneden gekomen, vinden wij een met kalk
vermengden bodem, met zout en salpeter, in den vorm van zeer kleine
kristallen, bezaaid; hier en daar verheffen zich in deze uitgedroogde
bedding van de groote rivier boschjes van doornstruiken, die ook
zoo veelvuldig langs hare oevers voorkomen. Wij trekken maar altijd
voort, door het verlaten bed van de Sir-Darja. Hoe verder wij komen,
hoe dichter de rietbosschen worden; elk oogenblik vliegen gansche
zwermen eenden uit deze biezen op; maar mijne reismakkers beweren
dat ook gevaarlijker gasten, tijgers en panthers, in deze jungles
schuilen. Onze paarden kunnen niet dan met moeite voortkomen op dien
weeken, salpeterachtigen grond, die onder hunne hoeven scheurt en
splijt. Van tijd tot tijd jagen wij kleine wilde katten op, die dan
met snelle en sierlijke beweging naar hun hol vlieden, waar zij een
oogenblik aan den ingang stilhouden om ons aan te zien en dan ijlings
te verdwijnen.
Wij gaan dicht langs de schilderachtige ruïnen van Kasj-Teguermen
(de Twee-Molens), eene oude vesting, waarvan de wal vrijwel bewaard
is gebleven, maar het inwendige geheel in puin ligt. De zon goot hare
stralen met verblindenden glans uit over deze leemen vestingwerken,
en kleurde van verre aan den horizon, aan gene zijde der breede rivier
en der wijde vlakte, een schilderachtig gebergte, dat zich fier en
stout in de lucht verhief.--De weg wordt steeds minder eenzaam. Ter
wederzijde staan eene menigte torentjes en wachthuizen, zoowel om
de vogels als om de dieven op een afstand te houden. Raïs verzekert
mij dat deze torens en deze wachthuizen zijn gebouwd op de graven der
gevallenen in den krijg; volgens hem, is het in Turkestan de gewoonte
om de soldaten, die in den slag sneuvelen, langs den openbaren weg
te begraven; dit geschiedt opdat de voorbijgangers voor hunne zielen
zouden bidden.
Wij naderen Khodsjend; de weg is ter wederzijde omzoomd door tuinen,
waar prachtige oude moerbezieboomen hunne schaduw spreiden; overal
vertoonen zich de teekenen van zorgvuldige bebouwing. Khodsjend wordt
door eene gracht en door een dubbelen gordel van goed onderhouden
muren verdedigd; de binnenste muur is zeer hoog. De stad telt eene
bevolking van ongeveer dertig duizend zielen, en is bekend door hare
zijde, hare wijngaarden en hare tuinen. Over het algemeen maakt
zij op den vreemdeling geen onaangenamen indruk. Van hare huizen,
hare moskeeën en de graftomben der heiligen valt niets bijzonders te
zeggen. De bazar kan de vergelijking met dien van Tasjkend in geen
enkel opzicht doorstaan.
Het paleis van den voormaligen bey is tegenwoordig de woning van
mijn vriend, den kolonel Kouchakewitch, den gouverneur van het
district. Ongelukkig was hij juist afwezig; hij was op zijn rondreis,
waar hij zich niet alleen van zijne administratieve plichten kwijt,
maar die hij ook dienstbaar maakt aan de wetenschap: want de kolonel
is een groot liefhebber der natuurlijke historie, die eene merkwaardige
verzameling van vogels, insecten, slangen en meer andere dieren bezit;
zijn tuin is eene ware menagerie in het klein.
Ik ontmoette te Khodsjend een mijner vroegere kennissen, die hier eene
betrekking bekleedde. Hij zeide mij dat de tijding van den oorlog
der Russen tegen Bokhara ook hier de gemoederen zeer in beweging
had gebracht. De inwoners van Khodsjend, dweepzieke muzelmannen,
en nog in geenen deele met de christelijke overheersching verzoend,
hopen vurig, dat de dertig- of veertig duizend krijgers van den
Emir van Bokhara korte metten zullen maken met die handvol vreemde
indringers, die zich in het land genesteld hebben.--Mijn vriend deelt
mij ook mede, wat aanleiding gegeven heeft tot den thans uitgebroken
oorlog. De gouverneur-generaal van Centraal-Azië stond op het punt naar
Petersburg te vertrekken, toen hij vernam dat een bende roovers uit
Bokhara langs onze grenzen stroopte en alle gemeenschap belemmerde. De
gouverneur stelde zijn vertrek uit, begaf zich naar de voorposten,
nabij de stad Dsjisak, en gaf last, eene aanvallende beweging uit te
voeren. Inmiddels hadden driehonderd Afghanen, die de keurbende van
het leger van den Emir uitmaakten, zijne dienst verlaten, en waren,
met hun opperhoofd en twee kanonnen, tot de Russen overgeloopen. Onder
de leiding van dien aanvoerder, den prins Iskender-Khan, hadden zij
de tot hunne vervolging afgezonden troepen verslagen, en waren in
het kamp van Dsjisak gekomen, waar zij verklaarden dat zij voortaan
niemand anders dan den Ak-Padisjâ, den witten tsaar, wilden dienen.--Ik
zou dus ook in de gelegenheid zijn, kennis te maken met de Afghanen,
dat merkwaardig en hooghartig volk, dat zoo schitterende bewijzen van
zijn onbedwingbaren heldenmoed en zijne vrijheidsliefde gegeven heeft,
in den bloedigen worstelstrijd tegen het machtige Engeland. Een reden
te meer, om zoo spoedig mogelijk onze troepen te bereiken en met hen
naar Bokhara te trekken! Men zeide mij dat ik geen oogenblik meer
te verliezen had; ik nam dus haastig afscheid van mijne vrienden
te Khodsjend, na hun mede een aandeel te hebben beloofd van de
merkwaardigheden, die wij in het paleis van den Emir zouden vinden,
indien wij overwinnaars waren. Maar geen enkele Rus twijfelde aan de
zegepraal onzer wapenen.
Bij mijn overhaast vertrek van Khodsjend, waar ik gaarne langer had
willen blijven, gaf ik mijn raïs zijn afscheid. De kolonel noopte mij,
mijns ondanks, het geleide aan te nemen van drie Kozakken.
De drie Kozakken gingen niet verder mede dan tot Naou, een klein
versterkt dorp, schilderachtig op een heuvel gelegen, en waar een
klein detachement in bezetting lag. Ik beval hun naar Khodsjend terug
te keeren, en vervolgde mijn weg tot aan het groote dorp Kazym, waar
de aksacale ons een nachtverblijf aanwees in de moskee. Wij sloegen
eerst ons kamp op in den voorhof en niet in het bedehuis zelf; maar de
regen dwong ons, daarbinnen eene schuilplaats te zoeken. Het gebouw
zag er armoedig en vervallen uit, en de bouwstijl was niet van dien
aard, dat de bewondering daarvan ons lang uit den slaap behoefde te
houden. De vensters waren met geolied papier beplakt; het dak werd
gedragen door ruw behouwen balken; de platgetreden aarden vloer was
met een vilten kleed bedekt; langs de wanden waren, ter manshoogte,
een soort van kapstokken geslagen, waaraan de geloovigen, eer zij
hun gebed verrichten, hunne schoenen ophangen.
Ik was ten hoogste verwonderd, dat het heiligdom aldus als herberg
werd gebruikt. "Hoe," vroeg ik aan den aksacale, "hebt gij mij, een
ongeloovige, zoo zonder bedenken, een verblijf kunnen aanwijzen in
uwe moskee?"
"De huizen van Kazym zijn te onzindelijk voor u," antwoordde hij. "De
moskee zal door uwe tegenwoordigheid niet meer ontwijd worden dan door
die der doortrekkende kooplieden, die men er nu en dan herbergt. Bij
het weggaan geven de gasten van het bedehuis een klein geschenk voor
het heiligdom, en de moskee van Kazym vaart er wel bij."
Die taal, in den mond van een geloovigen muzelman van Centraal-Azië,
tegenover een ongeloovige, een Ourousse, verbaasde mij nog meer dan
ons logies in de moskee. Ik had echter ook de bedoeling der laatste
woorden van den ouden man begrepen, en gaf hem bij mijn vertrek een
klein geschenk in geld, dat hij eerst scheen te willen weigeren,
maar dat hij toch aannam, toen ik hem zeide dat het slechts _saliaou_
voor _saliaou_ (gave voor gave) was. Hij had mij dan ook als een
vorst ontvangen, die brave aksacale. Hij had mij langs een tiental
mannen geleid, die, met waskaarsen in de hand, onbewegelijk stonden,
en allen iets aanboden, dat mijne excellentie van dienst kon zijn:
de een een schotel met brood, een ander gestremde melk, een derde een
kop met room, enz.; en mijne excellentie had zich deze buitengewone
eerbewijzen zonder tegenspraak laten aanleunen.
Het dorp Oratepeh, waarheen wij ons nu begaven, ligt op omstreeks
twintig kilometers van Kazym. Het was heldere maneschijn; men had mij
gezegd dat deze landstreek, vooral in de nabijheid van het riviertje
Ak-Soe, niet veilig was. Toen wij, langs eene zeer steile helling,
naar den oever van dat riviertje waren afgedaald, bevonden wij
ons in eene zeer diepe kloof: althans voor zooveel wij dit, bij
de twijfelachtige verlichting door het fantastische schijnsel der
maan, konden beoordeelen. Als naar gewoonte, had ik mij van mijne
reisgezellen afgezonderd, om mij ongestoord aan mijne indrukken te
kunnen overgeven.
"Wees voorzichtig, _tura_ (meester)," voegde mij een hunner toe, mij
op zijde komende; "er zijn altijd _Karaka_ (roovers) in de kloven en
dalen van de Ak-Soe."
"Wees gerust, vriend," antwoordde ik; "met hetgeen gij hier ziet--ik
toonde hem mijn revolver--zal ik vijf Karaka neerschieten, eer de
zesde mij iets kan doen."
Het bleek dan ook dat er niet veel reden tot ongerustheid bestond,
want wij bespeurden hoegenaamd niets van de Karaka.
Wij gingen door verscheidene uitgedroogde beddingen van beken, die
de inwoners hadden afgeleid voor de bevloeiing hunner landen, en
kregen eindelijk het vlek Oratepeh in het gezicht, aan den voet van
eene majestueuze rotsmassa, waarop eene moskee staat, tegenwoordig
in eene kerk veranderd, en eene citadel, die de Russen in October
1866 stormenderhand vermeesterd hebben. Het voormalige paleis van
den bey is thans eene herberg, waar ik een russisch hoofdofficier
aantrof, met wien ik kennis aanknoopte. Natuurlijk was mijne
eerste vraag naar zekere tijdingen van onze voorposten, waarnaar
ik zoo verlangend uitzag: maar niemand kon mijne nieuwsgierigheid
bevredigen. Van de karavanen, die het verkeer tusschen Khodsjend en
Bokharije onderhouden, verneem ik in hoofdzaak het volgende. De Emir,
eene nederlaag voorziende, had een volslagen breuk met Rusland willen
vermijden, en de verstandige en bedaarde lieden in zijn land zijn het
met hem eens; maar de massa des volks, door de mollahs opgehitst,
eischt met groote onstuimigheid den verdelgingsoorlog tegen de
ongeloovigen. Zij dringt aan op de afkondiging van den _gavazate_
(den heiligen krijg), en de vernietiging van alle Russen.
Oratepeh staat bekend als eene vroolijke en aangename plaats; het
geniet ongeveer dezelfde reputatie als Sjiraz in Perzië en Karsji
in Bokharije. Dans en muziek zijn hier zeer geliefd, zooals mij,
tijdens mijn kort verblijf, overvloedig bleek; als ik door de straten
wandelde, klonk mij van alle zijden muziek en regelmatig handgeklap
in de ooren. Van de citadel heeft men een verrassend gezicht op de
stad, hare bazars, hare fraaie tuinen, en de groene velden, die zich,
in een wijden halven boog, tot aan den voet der bergen uitstrekken.
Zamine, waar wij nu aankwamen, ligt op een hoogen heuvel, van
welks top men ten noorden en ten westen een onmetelijken horizon
overziet. Zamine is een versterkt punt, maar als zoodanig van weinig
belang; de bezetting bestaat uit dertig Kozakken. In het vlek bevindt
zich eene kleine kolonie van Oesbeken.
Weinig dacht ik, toen ik te Zamine kwam, wat mij daar te wachten
stond. De plaatskommandant, majoor L., deelde mij mede, dat ik,
krachtens bevel van hooger hand, het vlek niet verlaten mocht.
"Het is mij uitdrukkelijk verboden," zeide hij, "iemand, wie dan ook,
zonder behoorlijk geleide, door te laten gaan. Nu heb ik maar over
dertig Kozakken te beschikken, en gij zult mij daar niet van willen
berooven, niet waar? Ik zou dan geheel alleen mijne vesting moeten
verdedigen."
Daar viel niets tegen te zeggen. Bovendien was ik niet de eenige,
die aldus in zijn voornemen gedwarsboomd werd; er waren nog meer
lotgenooten, evenals ik, tegen hun wil te Zamine opgehouden. De majoor
troostte mij zoogoed mogelijk: ik zou niet lang hoeven te wachten;
ik zou weldra kunnen vertrekken met een detachement, dat buskruit
moest overbrengen en binnen kort te Zamine moest aankomen, aangezien
het gelijk met mij van Oratepeh vertrokken was.
Mijn hospes is zeer voor mijne veiligheid beducht. Hij verzoekt mij
ernstig, zeer voorzichtig te zijn, en mij vooral niet te ver buiten
de stad te wagen: in den omtrek houden zich roovers op, die zelfs
russische soldaten, op weinige schreden afstands van de citadel,
hebben vermoord; het is dus zaak, zoo waakzaam mogelijk te zijn. Hij
dringt er zelfs op aan, dat des nachts eene schildwacht voor de deur
zal worden geplaatst, en hij bezorgt mij er twee, beiden Oesbeken. Op
die wijze is althans zijne verantwoordelijkheid gedekt.
Een dezer schildwachten verhaalt mij de geschiedenis van de inneming
der citadel van Zamine door de Russen.
"De soldaten van den blanken tsaar hebben zich des morgens, op het
uur des gebeds, van de vesting meester gemaakt," zoo zegt hij.
"Gij hebt u zeker hardnekkig verdedigd, niet waar, zooals dat dapperen
mannen past?"
"Neen zeker niet! Wij sliepen; wij werden eensklaps wakker geroepen;
een plotselinge schrik maakte zich van allen meester; wij wisten niet
recht wat wij deden, en de verwarring was algemeen."
"Maar verwachttet gij dan geen aanval van den vijand? De Russen gaan
doorgaans recht op hun doel af."
"Jawel; maar hoewel de Russen reeds vele van onze vestingen genomen
hadden, dachten wij toch niet dat zij ook de onze zouden kunnen
vermeesteren: zij ligt op den top van een hoogen en steilen heuvel,
en de bezetting was zoo talrijk! Zelfs had onze bevelhebber verklaard,
dat ieder, die maar van overgave zou durven reppen, onmiddellijk het
hoofd voor de voeten zou worden gelegd.
"Zoo? Ja, uw chef schijnt iemand met wien niet valt te gekscheren. Hij
heeft zeker zijn leven duur verkocht?"
"Wat blieft? Hij was de eerste om te vluchten!"
Eindelijk, na verloop van eenige dagen, daagde het zoo lang en vurig
verwachte konvooi op. Na een kort oponthoud te Zamine, vervolgde het
detachement zijn marsch, waarbij wij ons nu aansloten. Het konvooi
bestond uit een gewapend escorte, dat de kameelen beschermen moest,
die met kruit en beschuit voor het leger beladen waren; verder eenige
paarden en eene menigte handelaars en kooplui, voornamelijk Joden,
die zien naar het leger begaven, om aan de soldaten brandewijn en
allerlei andere zaken te verkoopen. De officier, met het kommando
over dit detachement belast, beval mij dringend aan, mij niet van het
escorte te verwijderen; naar men zeide was het land zeer onveilig door
stroopende rooverbenden, die door sommigen wel op duizend man werden
geschat. Ik hield mij overtuigd, dat die geruchten, zoo niet geheel
valsch, dan toch minstens zeer overdreven waren, maar was verplicht
mij aan het consigne te onderwerpen.
Wij gaan uiterst langzaam vooruit. Ik had den afstand tusschen Zamine
en Dsjisak niet nauwkeurig berekend, en had de onvoorzichtigheid
gehad eenigszins roekeloos met mijn voorraad levensmiddelen om
te gaan. Weldra was die dan ook verteerd. Daar ik geen lust had
honger te lijden, begaf ik mij, met mijn bediende Mohammed, naar
een kamp van nomaden, waar onze verschijning, nog meer dan anders,
eene algemeene ontsteltenis teweegbracht; de vrouwen en kinderen
maakten zich haastig uit de voeten; men zag ons aan voor _sarbaz_,
dat wil zeggen voor soldaten uit Bokhara, die wegens hunne ruwheid en
woestheid in een zeer slechten reuk staan, en vreesde dus dat wij een
bloedbad zouden aanrichten, of minstens het kamp plunderen. Gelukkig
vonden wij een Oesbeke, een vriend der Russen, die ons van melk en
uitmuntende koeken voorzag.
De uiterst langzame voortgang van ons konvooi begon mij te vervelen;
ik vroeg een escorte van twee Kozakken; en de kolonne, die halt hield
om te rusten, achterlatende, begaf ik mij op weg naar Dsjisak. Ter
linkerhand verheffen zich de bergen van Djoelam, die zich aan de
hoogten van Oratepeh en Zamine aansluiten. Naarmate wij Dsjisak
naderen, vermenigvuldigen zich de aouls (dorpen) langs den weg,
en wordt het op den weg steeds drukker en levendiger van lieden,
die naar en van de stad gaan en komen.
Voor de poort der stad ontmoeten wij een grijsaard, met lange
zilverwitte haren. Daar hier iedereen het hoofd kaal scheert, ben ik
zeer nieuwsgierig om van dezen patriarch de reden te vernemen van deze
zoo in het oog vallende afwijking van het algemeen gebruik. Hij deelde
mij mede dat hij onderscheidene vrouwen heeft getrouwd, en ook veel
dochters, maar geen enkelen zoon heeft; in zijne smart over dit gemis,
had hij sinds lang de gelofte afgelegd, zijn hoofd niet te zullen
scheren voor hem een zoon geboren was. Hij getroost zich, dusdoende,
eene groote vernedering: want in dit land geldt het voor eene schande,
geen zonen te hebben, en daar zijne lange haren natuurlijk de algemeene
aandacht trekken, worden hem telkens vragen gedaan, die hem noodzaken
zijne schande te openbaren.
Dsjisak is omgeven door een drievoudigen gordel van hooge en stevige
muren, die niet van steen, maar van aarde zijn opgetrokken; bij de
bestorming en inneming door de Russen, werd veel bloed vergoten. De
verdedigers, soldaten van Bokhara, werden bijna allen tusschen de muren
om het leven gebracht; naar het zeggen van ooggetuigen, lagen de lijken
en de stervenden bij geheele hoopen op en over elkander. Dsjisak is
geen groote stad; het water is er zeldzaam en slecht; en evenals te
Bokhara, richt de afschuwelijke ziekte, _richta_ genoemd, ook hier
groote verwoestingen aan. Deze ziekte ontstaat door een worm, die zich
onder de huid verbergt, en niet dan met groote moeite verwijderd kan
worden; die worm heeft dikwerf eene lengte van vijf-en-zeventig duim
en meer.
Uit een hygiënisch oogpunt laat Dsjisak dus veel te wenschen over. Dat
is dan ook de reden, waarom de Russen de citadel afbreken, en de
steenen en verdere bouwmaterialen vervoeren naar de kolonie, die zij,
op vier of vijf mijlen afstands van de stad, te Kloetsji, vestigen,
in eene fraaie en gezonde streek, waar niet zooveel schorpioenen zijn
als te Dsjisak, en waar het water overvloediger en beter is.