Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de
andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azië. Men vindt
in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas,
Turkomannen, Nogaïs, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden,
Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze
volksstammen een enkel woord.
De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van
Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras:
ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken;
in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze
stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen
en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde
karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst;
als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent
hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren;
als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.--Het woord Sarthe
beteekent _kramer_, _schacheraar_; en getrouw aan hun naam, hebben
de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands,
zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het
hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te
verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den
prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige
lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den
Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om
verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die
meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend
worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azië.
De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken
dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzië zijn
gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het
ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in
Centraal-Azië aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren,
tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken
na te bootsen.
De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging
van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene,
gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en
eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het
middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het
land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en
khans van Centraal-Azië zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven
nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in
eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die
bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning
opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te
zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen
zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven
dat in eene bedompte woning.
De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het
eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen
lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle
oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen
baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine
tint van een Zuid-Europeër tot bijna koolzwart. Met hunne _iourten_
(tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in
de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van
Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie
millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men
hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: "Wij zijn geen Kirghisen,
wij zijn Kazaks." Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de
Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam
te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de
Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige
gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep,
over het onafzienbare gebied van Siberië tot de Amoe-Darja, en van
het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:--ziedaar
eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.--Zooals men weet,
splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de
Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberië en China;
de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte
tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen
gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te
voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde
steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.--Alle Kirghisen zijn
muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover
in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun
hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement
is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend
van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of
overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig
in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding,
en zijn voedsel is ellendig.
De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken
aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen,
tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners
der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien
al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk _vermengd_
beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt:
het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als
een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene
zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar
gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de
handen klappende: "Uitstekend! Dat is een echte Koerama!"--"Maar
wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?" vroeg ik
hem.--"Eschaki:"--het zijn ezels--antwoordde hij droogweg.
De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet
dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette,
hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik
hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.
Veel talrijker zijn de Nogaïs, die tot het tartaarsche ras
behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland
of uit Siberië afkomstig: de een verliet het land om aan den
kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst,
zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om
een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en
bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking
met de Europeanen in Rusland, weten de Nogaïs zich in Centraal-Azië
uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich
voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit
hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche
scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben
bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan
in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot _moudariss_ (professor),
en worden algemeen als geleerden geëerd. Daar de Nogaïs meestal in
Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars
en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij
spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen
echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwgezet.
De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig
uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de
voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn
afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige
eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar
verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger
waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner
hebben een echt chineesche type.
De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai,
waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of
smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de
in Centraal-Azië zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China
komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde
thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over
Kiachta wordt ingevoerd.
De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver
genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij
de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen
aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische
overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer
belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en
blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit
is te opmerkelijker, daar zij allen Sjîiten zijn, en dus, in den
grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azië,
die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten
behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet,
trouw de moskeeën te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin
oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen,
en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. "Die
honden van Sjîiten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in
onze moskeeën, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis
gekomen, doen zij hun gebed nog eens over."
Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden
van Centraal-Azië zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van
Samarkand vormen zij kleine koloniën. Voor zoover ik er over kan
oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend
gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een
fraaien baard.
Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun
getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in
de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch
Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van
hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De
joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel
gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner
geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azië. Daar zijn
zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge
bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een
ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun
verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad
moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen
anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan
de _toppeh_, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods
eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder
levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs
zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn
zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te
Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien
zich met veelkleurige kleederen, en als zij een _tur_ (russisch heer)
ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.
Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in
denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Israëls. Zij zijn
niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver
en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der
wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene
kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst
eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar
zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel,
hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan
water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door
anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den
regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele
gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden
vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er
eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden
in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De
Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn
narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.
De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in
kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of
de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen
van Centraal-Azië: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en
houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte
in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.
Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azië
niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de
laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot
dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den
schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner
europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen
van Centraal-Azië. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen,
ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver
in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker,
in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk
niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberië ook
de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.
Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azië
met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan,
grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen
behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet
gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden
opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in
het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen
zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder
het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer
op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen
en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van
Centraal-Azië was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede
schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in
naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt,
en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop
zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de
barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de
boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de
Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan
het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen
verdreven te worden.