V.

Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de

andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azië. Men vindt

in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas,

Turkomannen, Nogaïs, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden,

Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze

volksstammen een enkel woord.

De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van

Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras:

ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken;

in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze

stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen

en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde

karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst;

als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent

hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren;

als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.--Het woord Sarthe

beteekent _kramer_, _schacheraar_; en getrouw aan hun naam, hebben

de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands,

zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het

hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te

verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den

prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige

lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den

Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om

verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die

meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend

worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azië.

De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken

dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzië zijn

gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het

ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in

Centraal-Azië aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren,

tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken

na te bootsen.

De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging

van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene,

gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en

eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het

middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het

land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en

khans van Centraal-Azië zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven

nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in

eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die

bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning

opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te

zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen

zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven

dat in eene bedompte woning.

De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het

eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen

lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle

oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen

baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine

tint van een Zuid-Europeër tot bijna koolzwart. Met hunne _iourten_

(tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in

de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van

Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie

millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men

hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: "Wij zijn geen Kirghisen,

wij zijn Kazaks." Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de

Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam

te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de

Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige

gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep,

over het onafzienbare gebied van Siberië tot de Amoe-Darja, en van

het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:--ziedaar

eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.--Zooals men weet,

splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de

Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberië en China;

de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte

tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen

gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te

voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde

steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.--Alle Kirghisen zijn

muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover

in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun

hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement

is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend

van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of

overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig

in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding,

en zijn voedsel is ellendig.

De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken

aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen,

tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners

der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien

al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk _vermengd_

beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt:

het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als

een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene

zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar

gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de

handen klappende: "Uitstekend! Dat is een echte Koerama!"--"Maar

wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?" vroeg ik

hem.--"Eschaki:"--het zijn ezels--antwoordde hij droogweg.

De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet

dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette,

hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik

hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.

Veel talrijker zijn de Nogaïs, die tot het tartaarsche ras

behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland

of uit Siberië afkomstig: de een verliet het land om aan den

kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst,

zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om

een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en

bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking

met de Europeanen in Rusland, weten de Nogaïs zich in Centraal-Azië

uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich

voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit

hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche

scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben

bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan

in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot _moudariss_ (professor),

en worden algemeen als geleerden geëerd. Daar de Nogaïs meestal in

Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars

en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij

spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen

echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwgezet.

De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig

uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de

voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn

afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige

eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar

verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger

waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner

hebben een echt chineesche type.

De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai,

waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of

smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de

in Centraal-Azië zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China

komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde

thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over

Kiachta wordt ingevoerd.

De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver

genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij

de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen

aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische

overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer

belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en

blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit

is te opmerkelijker, daar zij allen Sjîiten zijn, en dus, in den

grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azië,

die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten

behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet,

trouw de moskeeën te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin

oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen,

en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. "Die

honden van Sjîiten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in

onze moskeeën, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis

gekomen, doen zij hun gebed nog eens over."

Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden

van Centraal-Azië zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van

Samarkand vormen zij kleine koloniën. Voor zoover ik er over kan

oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend

gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een

fraaien baard.

Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun

getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in

de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch

Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van

hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De

joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel

gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner

geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azië. Daar zijn

zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge

bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een

ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun

verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad

moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen

anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan

de _toppeh_, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods

eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder

levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs

zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn

zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te

Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien

zich met veelkleurige kleederen, en als zij een _tur_ (russisch heer)

ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.

Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in

denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Israëls. Zij zijn

niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver

en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der

wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene

kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst

eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar

zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel,

hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan

water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door

anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den

regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele

gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden

vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er

eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden

in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De

Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn

narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.

De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in

kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of

de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen

van Centraal-Azië: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en

houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte

in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.

Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azië

niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de

laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot

dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den

schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner

europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen

van Centraal-Azië. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen,

ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver

in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker,

in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk

niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberië ook

de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.

Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azië

met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan,

grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen

behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet

gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden

opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in

het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen

zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder

het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer

op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen

en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van

Centraal-Azië was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede

schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in

naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt,

en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop

zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de

barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de

boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de

Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan

het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen

verdreven te worden.

Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 12 题