Wij trokken Tasjkend binnen langs een weg, ter wederzijde door
een vaart begrensd, aan wier overzijde zich de heerlijke tuinen
uitstrekken: een waar paradijs van vruchtboomen, met populieren en
wijngaarden vermengd. Deze lusthoven omgeven de stad aan alle zijden,
met uitzondering van eene enkele: die vanwaar het russische leger
naderde, dat Tasjkend met storm innam. Daar zijn de tuinen vernield,
de boomen uitgeroeid; en in de plaats daarvan verrijzen thans, in de
russische wijk, de woningen der nieuwe veroveraars en heeren des lands.
De dag begon nauwelijks aan te lichten, de lucht was frisch en met
welriekende geuren doortrokken, toen ik de russische wijk bereikte,
na gedurende eenigen tijd langs den gekanteelden muur der stad te
zijn voortgetrokken. Deze wijk, Nieuw-Tasjkend genaamd, heeft nette
regelmatige straten; de welgebouwde huizen hebben slechts eene enkele
verdieping en een plat dak. Ik stapte af aan het eenige hotel, dat
destijds te Tasjkend te vinden was; en in dat hotel nam ik de eenige
kamer, die niet was verhuurd: zij zag er zeer zindelijk uit. Het
gebouw staat op een plein, waarvan het midden wordt ingenomen door
de russische kerk; een der zijden door het onlangs gebouwde hotel van
den gouverneur; en de andere zijden door de woningen der aristokratie
van Tasjkend:--deze woningen waren toen nog in aanbouw.
Mijn eerste bezoek gold den generaal G..., militairen gouverneur van
Sir-Darja. De generaal, dien ik reeds te Orenburg had leeren kennen,
gaf mij dadelijk een aanbevelingsbrief voor majoor C... burgerlijk
gezaghebber van Tasjkend. Ik besteeg een kozaksch paard, en door een
soldaat geleid, toog ik op weg om den majoor op te zoeken.
De reiziger, die aan het voorkomen der steden van den Levant gewend is,
vindt ook te Tasjkend niets bijzonders. Ook hier zijn het armelijke
leemen woningen, met vensters van geolied papier; grauwe muren,
nauwe en bochtige straten, waar de regen kuilen in den grond graaft,
zoo diep, dat mijn paard er bijna tot aan de knieën inzinkt. De
voornaamste straat der stad, die naar den bazar loopt, is ter
wederzijde omzoomd door winkels, waar, onder uitstekende matten,
de kooplieden in veelkleurigen rok nederzitten bij hunne waren, die
zwart zien van de vliegen. Een levendige en luidruchtige menigte golft
door elkander. Eindelijk zijn wij aan de woning van den majoor. Ik
wenschte van hem een geschikten gids te bekomen, die mij de stad kon
leeren kennen, met eenige personen in betrekking brengen, en die in
een der inlandsche wijken eene woning voor mij kon huren.
Het plan was niet kwaad bedacht, maar de uitvoering had met groote
moeilijkheden te kampen: de inboorlingen gevoelen weinig sympathie voor
de Russen, en zijn er volstrekt niet op gesteld, hunne huizen voor hen
beschikbaar te stellen. Eindelijk wist de _kourbach_ (politie-agent),
dien de majoor mij had toegevoegd, toch een geschikte woning met
binnenplaats en stal voor mij te vinden. Mijn huisje grensde bijna
aan een muur der citadel; het stond in de wijk Kasjgarsky, aldus
genaamd omdat zij voornamelijk placht bewoond te worden door lieden,
van Kasjgar afkomstig. Ik zeg _placht:_ want dit gedeelte der stad is
thans half verwoest en bijna ontvolkt, sedert de Kasjgaren en andere
Oosterlingen, na den intocht der russische troepen, meerendeels de
stad hebben verlaten. Ge bespeurt hier thans nauwelijks een teeken
van leven, uitgenomen eenige gemeene kroegen, door oude afgedankte
russische soldaten gehouden, en gelegen langs den weg, die naar het
europeesche kwartier voert.
Mijn huisheer is niemand anders dan de aksacale der wijk. Dit
saamgestelde turksche woord beteekent letterlijk grijsaard: _sacale_
(baard), _ak_ (wit); in de gewone oneigenlijke beteekenis wil
het zooveel zeggen als overheidspersoon, gezaghebber, hoofd der
politie. Mijn aksacale, een man van hoogen leeftijd, bezit werkelijk
den zilver witten baard, waarop hij, krachtens zijn naam, recht heeft;
zijn regelmatig gelaat mag nog aanspraak maken op schoonheid. Hij is
uiterst beleefd, en maakt telkenmale, als hij groet, eene zeer diepe
buiging; nooit zag ik hem zonder rozenkrans. Blijkbaar wil hij zich
zooveel mogelijk een deftig en eerwaardig voorkomen geven.
Daar ik in mijn huis mijn eigen meester wilde zijn, liet ik de deur,
die van mijn appartement toegang gaf naar het door den aksacale
bewoonde gedeelte der woning, sluiten; ook liet ik den stal door een
beschot in tweeën splitsen. Deze maatregel was dubbel noodig, omdat
mijn huisheer, tengevolge van zijne betrekking, allerlei soort van lui
bij zich moest ontvangen, die dikwijls rumoer genoeg maakten. Daarop
liet ik mijne kamer zoogoed mogelijk schoonmaken, ik liet een groot
venster in den muur aanbrengen en een kachel zetten, omdat ik niet,
op de manier der Sarthen, mij met een bekken vol gloeiende kolen wilde
behelpen. Door mijne binnenplaats liep eene tamelijk heldere beek,
door een paar boomen overschaduwd; ik hield er een haan en een paar
kippen op na; in mijn stal stond een klein kirghisisch paard, sterk
en goed in 't vleesch, met dikken staart en zware manen. Ik was dus
nu volkomen geïnstalleerd: het werd tijd, mijne studiën te beginnen.
Evenals in alle steden van Centraal-Azië, zijn ook te Tasjkend de
huizen van leem gebouwd, die zich echter tot eene zoo vaste massa
samenvoegt, dat de woningen eene groote mate van stevigheid bezitten,
en in dit droge klimaat het zeerlang kunnen uithouden. Bij sterken en
aanhoudenden regen krijgen zij het evenwel te kwaad: hier verliest er
een het dak; ginds bezwijkt een der hoeken; bijna overal dringt het
water in de benedenvertrekken door;--maar houdt de regen op, dan is
de aangerichte schade ook in weinige uren hersteld. De aardbevingen,
die hier vrij dikwijls voorkomen, richten erger verwoestingen aan:
somwijlen worden dan gansche straten en wijken vernield.
Het hout is in dit land zoo duur, dat de inboorlingen, zelfs
de rijksten onder hen, zich te gronde zouden richten, indien zij
voor den bouw hunner huizen zich van steenen, in den oven gebakken,
zouden willen bedienen. Wel heeft men steenkolenmijnen ontdekt, maar
die steenkool is ook verre van goedkoop; en het is der moeite niet
waard, de steenen in de zon te laten drogen, want de gekneede leem
doet voor zulke steenen niet veel in stevigheid onder. Daarom is het
niet waarschijnlijk dat de inboorlingen zeer spoedig het voorbeeld der
Russen zullen volgen, die bij voorkeur gedroogde steenen gebruiken. De
openbare gebouwen, zooals de moskeeën, de bazars, de karavanserais,
worden doorgaans met in het vuur gebakken steenen gebouwd.
Het bouwen van huizen gaat hier nog gauwer in zijn werk dan bij
ons. Men maakt eene soort van pap van aarde en _samane_ of fijngehakt
stroo, en laat de daarvan gekneedde kluiten in de zon drogen. Inmiddels
wordt het houten geraamte der woning in elkaar getimmerd en opgezet;
dan wordt de ruimte tusschen de latten met droge kluiten gevuld,
die door middel van slijk, met stroo vermengd, tot een geheel worden
verbonden. Het dak bestaat uit een houten zoldering, met een laag
aarde bedekt. De woningen der aanzienlijken hebben doorgaans twee
verdiepingen, en onderscheiden zich daardoor van de huisjes der armen:
nare krotten, zonder licht of lucht, walgelijk onrein, met nissen in
den muur, vilten lappen en matten op den grond, een haard van klei in
een hoek of in het midden der kamer. Van tafel of bed geen spoor. In
den zomer kan men, desgevorderd, nog in deze spelonken leven; maar
des winters is het er bijna niet uit te houden: de regen dringt door
het dak, de wind fluit door de vermolmde balken en wanden, de koude
dringt van alle zijden naar binnen, en de brandstof is zeer duur
in Centraal-Azië.
De huizen der meer vermogenden zijn vrij wat beter ingericht. Langs
de binnenplaats loopt eene breede, overdekte galerij, door fraaie
houten zuilen gedragen. Gedurende drievierden van het jaar is deze
galerij de verblijfplaats der familie, waar gegeten en gearbeid,
gepraat en gerookt wordt. Onder de galerij komen de deuren uit van de
verschillende kamers, die meestal zeer netjes zijn, en dikwijls met
smaakvolle teekeningen langs de wanden en aan de zoldering versierd,
waarvan het alleen jammer is dat de kleuren zoo schel zijn. In den muur
zijn nissen aangebracht, die dikwerf in kleine kompartimenten zijn
verdeeld. De houten vloer is met stukken vilt en tapijten bekleed;
op sommige plaatsen bevinden zich diepe openingen, bestemd voor de
dagelijksche reinigingen. Een groote vierkante opening dient om
in het koude jaargetijde het kolenbekken daarin te plaatsen. Des
winters plaatst men boven dien bak eene soort van tafel, die met
kleeden wordt overdekt, welke tot op den grond afhangen, de kolen,
dus eenigermate van de lucht afgesloten, verteeren langzamer,
waardoor brandstof bespaard wordt. Is het koud, dan schaart zich de
familie rondom deze tafel; ieder wikkelt zich zoo dicht mogelijk in
de dikke gewatteerde kamerjapon, en steekt zijne handen onder het
kleed, boven het kolenvuur.--In den laatsten tijd hebben eenige
aanzienlijke inwoners van Tasjkend, in navolging der Russen, het
traliewerk met geolied papier, dat bij wijze van venster diende,
vervangen door wezenlijke vensters met glasruiten. Deze vensters zien
echter allen op de binnenplaats uit; waarschijnlijk zullen er nog vele
jaren moeten verloopen, eer de inboorlingen zich zoover emancipeeren,
dat zij ook aan de straatzijde hunner woningen vensters maken.
Ik zal in geene uitvoerige beschrijving treden der moskeeën van
Tasjkend, die allen van baksteen zijn gebouwd, enkelen uitgezonderd,
die van leem zijn. Geen enkele is van gehouwen steen of uitsluitend van
hout. In het algemeen bestaan zij uit eene groote zaal, aan drie zijden
door eene breede, open galerij omgeven, die op houten zuilen rust,
deels gebeeldhouwd, deels met marmeren ornamenten belegd. De muur en
de zoldering der galerij zijn in den regel versierd met schilderwerk in
sterk sprekende kleuren, somwijlen ook met beeldhouwwerk. Ik heb reeds
gezegd, dat de geloovigen hun schoeisel in deze galerij laten staan,
alvorens zij het bedehuis binnentreden.--Terwijl zij bidden, houden
de ware geloovigen het gelaat gewend naar eene spits toeloopende nis,
in den naar de zijde van Mekka gekeerden muur aangebracht. Alleen in
de aanzienlijke moskeeën vindt men een predikstoel, die eenige treden
boven den grond is verheven. Hoewel de muren zorgvuldig gewit zijn,
is het in deze moskeeën, met hare weinige en zeer kleine vensters,
toch tamelijk duister. De grond is bedekt met matten, vilten kleeden
en witte katoenen lakens.
Dicht bij den bazar staat eene groote moskee met twee minarets,
door een der laatste gouverneurs van Tasjkend gebouwd; een man, die
zich aan schandelijke knevelarijen en afpersingen schuldig maakte,
maar wiens naam toch in gezegend aandenken bij het volk is gebleven,
dank zij de door hem gestichte scholen en moskeeën.
Ik sprak daar van scholen. Te Tasjkend, evenals in de andere steden van
Centraal-Azië, vindt men de lagere scholen bij de kleine moskeeën; de
scholen van hoogeren rang zijn of aan de groote moskeeën verbonden, of
somwijlen in afzonderlijke gebouwen gevestigd. Als ik mij wel herinner,
bezit Tasjkend zeven zulke hoogere scholen of _médressehs_, die door
een zeker aantal _mollahs_, meesters, gehouden worden. Waaraan het
deze inrichtingen het meest ontbreekt, dat zijn de leerlingen; zelden
zag ik in eene médresseh meer dan tien knapen te gelijk bijeen; de
meeste cellen van het ruime gebouw waren doorgaans ledig en gegrendeld.
De mollahs, ook de knapsten onder hen, weten bitter weinig, en dat
weinige heeft nog niets te beduiden: het is louter conventioneele
kennis, geheugenwerk. Als een mollah den Koran kan lezen en verklaren,
en bekend is met de commentariën door eene menigte muzelmansche
theologen over dit heilige boek geschreven, dan is hij voor zijn vak
bekwaam. Hoe meer hij van den Koran van buiten kent, hoe beter hij de
verschillende verklaringen onthouden heeft, des te grooter geleerde
is hij. Het komt daarbij louter op geduld en geheugen aan; heeft
men den eenen commentaar uitgelezen, dan begint men aan een ander,
en zoo gaat het voort, tot in het oneindige, altijd in hetzelfde
kringetje rond. Wetenschap, in den waren zin des woords, zelfs van
de meest gewone soort, moet ge bij de onderwijzers evenmin zoeken
als bij de leerlingen: hetgeen evenwel niet belet dat de mollahs een
zeer hoogen dunk van zichzelven hebben, en ook door het publiek met
eerbied worden aangestaard.
Ik herinner mij nog zeer goed het kleine manneke, dat ik in de
voornaamste moskee ontmoette. Hij was een mollah en reeds tamelijk
bejaard.
"Dat is," zoo werd mij verzekerd, de geleerdste man van de geheele
stad; hij heeft al de mollahs van Tasjkend onderwezen.
"Dat is heel knap; maar wie heeft hemzelf onderwezen?"
"Zijn vader, en zijn vader heeft te Bokhara gestudeerd."
Mijn geleider sprak die laatste woorden op een plechtigen toon uit,
tevens eene beweging met de hand naar het zuidwesten makende, alsof
hij zeggen wilde: "Daar ginds, daar ligt het groote brandpunt van
beschaving en wetenschap."--In Bokhara gestudeerd te hebben, geldt nog,
door geheel Centraal-Azië, voor de hoogste aanbeveling: daar vloeit de
onvervalschte bron der wetenschap, daar worden alle geheimenissen der
tegenwoordige en toekomende wereld ontsluierd. Treurig overblijfsel
van een sinds lang verbeurden roem!
Ik vroeg eens aan een geleerde van Tasjkend, wat hij alzoo
onderwees.--"Alles", kreeg ik ten antwoord.--"Dat is veel. Maar zeker
zijn er toch wel enkele vakken, waarin ge meer bepaald onderricht
geeft?"--Zoodra ik mijn vraag gedaan had, berouwde het mij. De mollah
begon nu op zijne vingers op te tellen, wat hij alzoo onderwees. Er
kwam geen einde aan. Inderdaad, hij wist alles en kon alles leeren!
De lagere scholen zijn niets anders dan groote vertrekken, vol kleine
kinderen. Reeds van verre herkent gij ze aan het gejoel en gegons. Op
den grond geknield of neergehurkt, schommelen de kleine bengels
rusteloos heen en weder, en herhalen achter elkander, op luiden,
half zingenden toon, eene of andere vanbuiten geleerde zinsnede uit
den Koran. Dat woelt en kruipt door elkaar, en schreeuwt en zingt en
snatert, dat hooren en zien vergaat. De meester zit mede op den grond,
gewapend met een lang dun riet, waarmede hij de ondeugendsten tot
de orde roept, en de luiaards tot ijver aanspoort. Telkens daalt die
rietstok op de handen of den rug van een of anderen kleinen deugniet
neder; dan is het huilen en schreeuwen, tot de meester, met forsche
stem, het zwijgen oplegt.