IV.

Wij trokken Tasjkend binnen langs een weg, ter wederzijde door

een vaart begrensd, aan wier overzijde zich de heerlijke tuinen

uitstrekken: een waar paradijs van vruchtboomen, met populieren en

wijngaarden vermengd. Deze lusthoven omgeven de stad aan alle zijden,

met uitzondering van eene enkele: die vanwaar het russische leger

naderde, dat Tasjkend met storm innam. Daar zijn de tuinen vernield,

de boomen uitgeroeid; en in de plaats daarvan verrijzen thans, in de

russische wijk, de woningen der nieuwe veroveraars en heeren des lands.

De dag begon nauwelijks aan te lichten, de lucht was frisch en met

welriekende geuren doortrokken, toen ik de russische wijk bereikte,

na gedurende eenigen tijd langs den gekanteelden muur der stad te

zijn voortgetrokken. Deze wijk, Nieuw-Tasjkend genaamd, heeft nette

regelmatige straten; de welgebouwde huizen hebben slechts eene enkele

verdieping en een plat dak. Ik stapte af aan het eenige hotel, dat

destijds te Tasjkend te vinden was; en in dat hotel nam ik de eenige

kamer, die niet was verhuurd: zij zag er zeer zindelijk uit. Het

gebouw staat op een plein, waarvan het midden wordt ingenomen door

de russische kerk; een der zijden door het onlangs gebouwde hotel van

den gouverneur; en de andere zijden door de woningen der aristokratie

van Tasjkend:--deze woningen waren toen nog in aanbouw.

Mijn eerste bezoek gold den generaal G..., militairen gouverneur van

Sir-Darja. De generaal, dien ik reeds te Orenburg had leeren kennen,

gaf mij dadelijk een aanbevelingsbrief voor majoor C... burgerlijk

gezaghebber van Tasjkend. Ik besteeg een kozaksch paard, en door een

soldaat geleid, toog ik op weg om den majoor op te zoeken.

De reiziger, die aan het voorkomen der steden van den Levant gewend is,

vindt ook te Tasjkend niets bijzonders. Ook hier zijn het armelijke

leemen woningen, met vensters van geolied papier; grauwe muren,

nauwe en bochtige straten, waar de regen kuilen in den grond graaft,

zoo diep, dat mijn paard er bijna tot aan de knieën inzinkt. De

voornaamste straat der stad, die naar den bazar loopt, is ter

wederzijde omzoomd door winkels, waar, onder uitstekende matten,

de kooplieden in veelkleurigen rok nederzitten bij hunne waren, die

zwart zien van de vliegen. Een levendige en luidruchtige menigte golft

door elkander. Eindelijk zijn wij aan de woning van den majoor. Ik

wenschte van hem een geschikten gids te bekomen, die mij de stad kon

leeren kennen, met eenige personen in betrekking brengen, en die in

een der inlandsche wijken eene woning voor mij kon huren.

Het plan was niet kwaad bedacht, maar de uitvoering had met groote

moeilijkheden te kampen: de inboorlingen gevoelen weinig sympathie voor

de Russen, en zijn er volstrekt niet op gesteld, hunne huizen voor hen

beschikbaar te stellen. Eindelijk wist de _kourbach_ (politie-agent),

dien de majoor mij had toegevoegd, toch een geschikte woning met

binnenplaats en stal voor mij te vinden. Mijn huisje grensde bijna

aan een muur der citadel; het stond in de wijk Kasjgarsky, aldus

genaamd omdat zij voornamelijk placht bewoond te worden door lieden,

van Kasjgar afkomstig. Ik zeg _placht:_ want dit gedeelte der stad is

thans half verwoest en bijna ontvolkt, sedert de Kasjgaren en andere

Oosterlingen, na den intocht der russische troepen, meerendeels de

stad hebben verlaten. Ge bespeurt hier thans nauwelijks een teeken

van leven, uitgenomen eenige gemeene kroegen, door oude afgedankte

russische soldaten gehouden, en gelegen langs den weg, die naar het

europeesche kwartier voert.

Mijn huisheer is niemand anders dan de aksacale der wijk. Dit

saamgestelde turksche woord beteekent letterlijk grijsaard: _sacale_

(baard), _ak_ (wit); in de gewone oneigenlijke beteekenis wil

het zooveel zeggen als overheidspersoon, gezaghebber, hoofd der

politie. Mijn aksacale, een man van hoogen leeftijd, bezit werkelijk

den zilver witten baard, waarop hij, krachtens zijn naam, recht heeft;

zijn regelmatig gelaat mag nog aanspraak maken op schoonheid. Hij is

uiterst beleefd, en maakt telkenmale, als hij groet, eene zeer diepe

buiging; nooit zag ik hem zonder rozenkrans. Blijkbaar wil hij zich

zooveel mogelijk een deftig en eerwaardig voorkomen geven.

Daar ik in mijn huis mijn eigen meester wilde zijn, liet ik de deur,

die van mijn appartement toegang gaf naar het door den aksacale

bewoonde gedeelte der woning, sluiten; ook liet ik den stal door een

beschot in tweeën splitsen. Deze maatregel was dubbel noodig, omdat

mijn huisheer, tengevolge van zijne betrekking, allerlei soort van lui

bij zich moest ontvangen, die dikwijls rumoer genoeg maakten. Daarop

liet ik mijne kamer zoogoed mogelijk schoonmaken, ik liet een groot

venster in den muur aanbrengen en een kachel zetten, omdat ik niet,

op de manier der Sarthen, mij met een bekken vol gloeiende kolen wilde

behelpen. Door mijne binnenplaats liep eene tamelijk heldere beek,

door een paar boomen overschaduwd; ik hield er een haan en een paar

kippen op na; in mijn stal stond een klein kirghisisch paard, sterk

en goed in 't vleesch, met dikken staart en zware manen. Ik was dus

nu volkomen geïnstalleerd: het werd tijd, mijne studiën te beginnen.

Evenals in alle steden van Centraal-Azië, zijn ook te Tasjkend de

huizen van leem gebouwd, die zich echter tot eene zoo vaste massa

samenvoegt, dat de woningen eene groote mate van stevigheid bezitten,

en in dit droge klimaat het zeerlang kunnen uithouden. Bij sterken en

aanhoudenden regen krijgen zij het evenwel te kwaad: hier verliest er

een het dak; ginds bezwijkt een der hoeken; bijna overal dringt het

water in de benedenvertrekken door;--maar houdt de regen op, dan is

de aangerichte schade ook in weinige uren hersteld. De aardbevingen,

die hier vrij dikwijls voorkomen, richten erger verwoestingen aan:

somwijlen worden dan gansche straten en wijken vernield.

Het hout is in dit land zoo duur, dat de inboorlingen, zelfs

de rijksten onder hen, zich te gronde zouden richten, indien zij

voor den bouw hunner huizen zich van steenen, in den oven gebakken,

zouden willen bedienen. Wel heeft men steenkolenmijnen ontdekt, maar

die steenkool is ook verre van goedkoop; en het is der moeite niet

waard, de steenen in de zon te laten drogen, want de gekneede leem

doet voor zulke steenen niet veel in stevigheid onder. Daarom is het

niet waarschijnlijk dat de inboorlingen zeer spoedig het voorbeeld der

Russen zullen volgen, die bij voorkeur gedroogde steenen gebruiken. De

openbare gebouwen, zooals de moskeeën, de bazars, de karavanserais,

worden doorgaans met in het vuur gebakken steenen gebouwd.

Het bouwen van huizen gaat hier nog gauwer in zijn werk dan bij

ons. Men maakt eene soort van pap van aarde en _samane_ of fijngehakt

stroo, en laat de daarvan gekneedde kluiten in de zon drogen. Inmiddels

wordt het houten geraamte der woning in elkaar getimmerd en opgezet;

dan wordt de ruimte tusschen de latten met droge kluiten gevuld,

die door middel van slijk, met stroo vermengd, tot een geheel worden

verbonden. Het dak bestaat uit een houten zoldering, met een laag

aarde bedekt. De woningen der aanzienlijken hebben doorgaans twee

verdiepingen, en onderscheiden zich daardoor van de huisjes der armen:

nare krotten, zonder licht of lucht, walgelijk onrein, met nissen in

den muur, vilten lappen en matten op den grond, een haard van klei in

een hoek of in het midden der kamer. Van tafel of bed geen spoor. In

den zomer kan men, desgevorderd, nog in deze spelonken leven; maar

des winters is het er bijna niet uit te houden: de regen dringt door

het dak, de wind fluit door de vermolmde balken en wanden, de koude

dringt van alle zijden naar binnen, en de brandstof is zeer duur

in Centraal-Azië.

De huizen der meer vermogenden zijn vrij wat beter ingericht. Langs

de binnenplaats loopt eene breede, overdekte galerij, door fraaie

houten zuilen gedragen. Gedurende drievierden van het jaar is deze

galerij de verblijfplaats der familie, waar gegeten en gearbeid,

gepraat en gerookt wordt. Onder de galerij komen de deuren uit van de

verschillende kamers, die meestal zeer netjes zijn, en dikwijls met

smaakvolle teekeningen langs de wanden en aan de zoldering versierd,

waarvan het alleen jammer is dat de kleuren zoo schel zijn. In den muur

zijn nissen aangebracht, die dikwerf in kleine kompartimenten zijn

verdeeld. De houten vloer is met stukken vilt en tapijten bekleed;

op sommige plaatsen bevinden zich diepe openingen, bestemd voor de

dagelijksche reinigingen. Een groote vierkante opening dient om

in het koude jaargetijde het kolenbekken daarin te plaatsen. Des

winters plaatst men boven dien bak eene soort van tafel, die met

kleeden wordt overdekt, welke tot op den grond afhangen, de kolen,

dus eenigermate van de lucht afgesloten, verteeren langzamer,

waardoor brandstof bespaard wordt. Is het koud, dan schaart zich de

familie rondom deze tafel; ieder wikkelt zich zoo dicht mogelijk in

de dikke gewatteerde kamerjapon, en steekt zijne handen onder het

kleed, boven het kolenvuur.--In den laatsten tijd hebben eenige

aanzienlijke inwoners van Tasjkend, in navolging der Russen, het

traliewerk met geolied papier, dat bij wijze van venster diende,

vervangen door wezenlijke vensters met glasruiten. Deze vensters zien

echter allen op de binnenplaats uit; waarschijnlijk zullen er nog vele

jaren moeten verloopen, eer de inboorlingen zich zoover emancipeeren,

dat zij ook aan de straatzijde hunner woningen vensters maken.

Ik zal in geene uitvoerige beschrijving treden der moskeeën van

Tasjkend, die allen van baksteen zijn gebouwd, enkelen uitgezonderd,

die van leem zijn. Geen enkele is van gehouwen steen of uitsluitend van

hout. In het algemeen bestaan zij uit eene groote zaal, aan drie zijden

door eene breede, open galerij omgeven, die op houten zuilen rust,

deels gebeeldhouwd, deels met marmeren ornamenten belegd. De muur en

de zoldering der galerij zijn in den regel versierd met schilderwerk in

sterk sprekende kleuren, somwijlen ook met beeldhouwwerk. Ik heb reeds

gezegd, dat de geloovigen hun schoeisel in deze galerij laten staan,

alvorens zij het bedehuis binnentreden.--Terwijl zij bidden, houden

de ware geloovigen het gelaat gewend naar eene spits toeloopende nis,

in den naar de zijde van Mekka gekeerden muur aangebracht. Alleen in

de aanzienlijke moskeeën vindt men een predikstoel, die eenige treden

boven den grond is verheven. Hoewel de muren zorgvuldig gewit zijn,

is het in deze moskeeën, met hare weinige en zeer kleine vensters,

toch tamelijk duister. De grond is bedekt met matten, vilten kleeden

en witte katoenen lakens.

Dicht bij den bazar staat eene groote moskee met twee minarets,

door een der laatste gouverneurs van Tasjkend gebouwd; een man, die

zich aan schandelijke knevelarijen en afpersingen schuldig maakte,

maar wiens naam toch in gezegend aandenken bij het volk is gebleven,

dank zij de door hem gestichte scholen en moskeeën.

Ik sprak daar van scholen. Te Tasjkend, evenals in de andere steden van

Centraal-Azië, vindt men de lagere scholen bij de kleine moskeeën; de

scholen van hoogeren rang zijn of aan de groote moskeeën verbonden, of

somwijlen in afzonderlijke gebouwen gevestigd. Als ik mij wel herinner,

bezit Tasjkend zeven zulke hoogere scholen of _médressehs_, die door

een zeker aantal _mollahs_, meesters, gehouden worden. Waaraan het

deze inrichtingen het meest ontbreekt, dat zijn de leerlingen; zelden

zag ik in eene médresseh meer dan tien knapen te gelijk bijeen; de

meeste cellen van het ruime gebouw waren doorgaans ledig en gegrendeld.

De mollahs, ook de knapsten onder hen, weten bitter weinig, en dat

weinige heeft nog niets te beduiden: het is louter conventioneele

kennis, geheugenwerk. Als een mollah den Koran kan lezen en verklaren,

en bekend is met de commentariën door eene menigte muzelmansche

theologen over dit heilige boek geschreven, dan is hij voor zijn vak

bekwaam. Hoe meer hij van den Koran van buiten kent, hoe beter hij de

verschillende verklaringen onthouden heeft, des te grooter geleerde

is hij. Het komt daarbij louter op geduld en geheugen aan; heeft

men den eenen commentaar uitgelezen, dan begint men aan een ander,

en zoo gaat het voort, tot in het oneindige, altijd in hetzelfde

kringetje rond. Wetenschap, in den waren zin des woords, zelfs van

de meest gewone soort, moet ge bij de onderwijzers evenmin zoeken

als bij de leerlingen: hetgeen evenwel niet belet dat de mollahs een

zeer hoogen dunk van zichzelven hebben, en ook door het publiek met

eerbied worden aangestaard.

Ik herinner mij nog zeer goed het kleine manneke, dat ik in de

voornaamste moskee ontmoette. Hij was een mollah en reeds tamelijk

bejaard.

"Dat is," zoo werd mij verzekerd, de geleerdste man van de geheele

stad; hij heeft al de mollahs van Tasjkend onderwezen.

"Dat is heel knap; maar wie heeft hemzelf onderwezen?"

"Zijn vader, en zijn vader heeft te Bokhara gestudeerd."

Mijn geleider sprak die laatste woorden op een plechtigen toon uit,

tevens eene beweging met de hand naar het zuidwesten makende, alsof

hij zeggen wilde: "Daar ginds, daar ligt het groote brandpunt van

beschaving en wetenschap."--In Bokhara gestudeerd te hebben, geldt nog,

door geheel Centraal-Azië, voor de hoogste aanbeveling: daar vloeit de

onvervalschte bron der wetenschap, daar worden alle geheimenissen der

tegenwoordige en toekomende wereld ontsluierd. Treurig overblijfsel

van een sinds lang verbeurden roem!

Ik vroeg eens aan een geleerde van Tasjkend, wat hij alzoo

onderwees.--"Alles", kreeg ik ten antwoord.--"Dat is veel. Maar zeker

zijn er toch wel enkele vakken, waarin ge meer bepaald onderricht

geeft?"--Zoodra ik mijn vraag gedaan had, berouwde het mij. De mollah

begon nu op zijne vingers op te tellen, wat hij alzoo onderwees. Er

kwam geen einde aan. Inderdaad, hij wist alles en kon alles leeren!

De lagere scholen zijn niets anders dan groote vertrekken, vol kleine

kinderen. Reeds van verre herkent gij ze aan het gejoel en gegons. Op

den grond geknield of neergehurkt, schommelen de kleine bengels

rusteloos heen en weder, en herhalen achter elkander, op luiden,

half zingenden toon, eene of andere vanbuiten geleerde zinsnede uit

den Koran. Dat woelt en kruipt door elkaar, en schreeuwt en zingt en

snatert, dat hooren en zien vergaat. De meester zit mede op den grond,

gewapend met een lang dun riet, waarmede hij de ondeugendsten tot

de orde roept, en de luiaards tot ijver aanspoort. Telkens daalt die

rietstok op de handen of den rug van een of anderen kleinen deugniet

neder; dan is het huilen en schreeuwen, tot de meester, met forsche

stem, het zwijgen oplegt.

Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 5 / 12 题