III.

Wij vervolgen onzen weg langs den oever der rivier. De breede stroom

is bezaaid met eilanden en omzoomd met dichte rietbosschen; ter

wederzijde van de steile oevers strekken zich de eindelooze steppen

uit, waarop niets, zelfs geen doornstruik, groeit. Dikwijls brokkelen

de hooge oevers af, en storten in; ook verandert de rivier telkens

hare bedding; hare troebele wateren vlieten met snellen stroom. De

Amoe-Darja vertoont, naar men mij zeide, geheel hetzelfde karakter,

dat trouwens met de gansche gesteldheid der streek samenhangt;

slechts zijn hare oevers beter bebouwd.

Nabij het fort Perowski bereiken de biezen eene zoo aanzienlijke

hoogte, dat een kameel en een ruiter te paard daarin geheel

verdwijnen. In deze reusachtige rietbosschen leven een aantal tijgers,

die, naar men zegt, zeergroot en sterk zijn, en waarop zelden jacht

wordt gemaakt. De kozakken alleen en de russische soldaten durven

zich met deze dieren meten. Het russische gouvernement betaalt voor

den kop van iederen gedooden tijger eene premie van zestig franken;

de huid blijft het eigendom van den jager. Bijna altijd ontvlucht de

tijger den mensch; maar wee den ongelukkige, die op hem geschoten en

hem gemist heeft. Met een bliksemsnellen, geweldigen sprong werpt zich

het woedende dier op zijn aanvaller, die zijne onhandigheid doorgaans

met zijn leven boet. In deze biezen en rietbosschen huizen ook wilde

zwijnen en wolven in groote getale.

Op zes of acht mijlen afstands van het fort Perowski, bij eene vrij

sterke vorst, staken wij in eene ijzeren boot, die door Kozakken

werd geroeid, de Sir-Darja over. Op den weg van de rivier naar het

fort wordt het oog verkwikt door een weelderigen plantengroei; na de

dorre naaktheid der steppe, is het ware weldaad, lommerrijke boomen

weder te zien.--Het fort Perowski is het oude fort Ak-Metchet, in 1853

door den generaal Perowski met storm veroverd: vandaar de naam. Het

vorige jaar had diezelfde generaal voor dat fort Ak-Metchet het hoofd

gestooten. Toch was deze vesting niet geduchter dan alle anderen in

Centraal-Azië: de fortificatiën bestonden eenvoudig uit ellendige

aarden wallen; maar het fort werd toen verdedigd door Yakoub-Beg,

dien soldaat van fortuin, die tegenwoordig te Kashgar regeert, in

Opper-Turkestan, en een man is van zeldzame energie.

Voorbij het fort Perowski begint de weg te stijgen; tevens wordt hij

zandig en moeilijk begaanbaar; de zware wagens hebben soms dagen lang

werk om van het eene station naar het andere te komen. Zelfs mijn

mandewagen, hoe licht ook, maakte het mijn vier paarden zoo lastig,

dat zij somwijlen weigerden voort te gaan. Wat de koetsiers raasden

en tierden en de zweepen gebruikten! De streek wordt al fraaier en

fraaier: bloeiende eilanden verheffen zich te midden der wateren;

langs de oevers worden de boomen steeds talrijker, zoodat zij groepen

en boschjes gaan vormen. Overal vergezellen ons de fazanten, die

in dit gedeelte der vallei van de Sir-Darja zeer talrijk zijn. Deze

vogels zijn uiterst tam; als mijn rijtuig hun te nabij komt, vliegen

zij even op, en strijken zes of zeven schreden verder weer neder.

Inmiddels naderen wij langzamerhand de stad Turkestan, reeds van

verre kenbaar aan hare door grachten omgeven tuinen: een verkwikkend

gezicht voor wie zoo pas de doodsche steppe verlaten heeft. Weldra

onderscheidden wij de moskee van Hazrete, het groote heiligdom der

orthodoxe muzelmannen van Centraal-Azië; eindelijk teekenen zich de

kanteelen van den zwaren muur der citadel tegen de lucht af. Deze muur

draagt nog de sporen der russische kanonkogels; aan zijn voet staan

eenige kleine huizen, die bijkans geheel wegschuilen en tegenwoordig

tot kazerne dienen voor de Kozakken. Turkestan gaf zich, in 1864, na

eene korte verdediging van drie dagen, aan de russische troepen over.

De moskee van Hazrete werd, voor ongeveer vijfhonderd jaar,

gesticht op het graf van een muzelmanschen heilige, Hazrete of

Jassavy genoemd. Het is een fraai gebouw met sierlijke koepels; het

prachtig gekleurde émailwerk, dat vroeger deze koepels en geheel den

oostelijken muur versierde, is ongelukkig voor het grootste gedeelte

afgevallen. Het inwendige, dat zijn licht alleen ontvangen moet door

de smalle openingen in de koepels, is tamelijk duister. Eene hooge

en smalle deur, met een tapijt behangen, voert naar het eigenlijke

heiligdom, dat nog donkerder is dan de moskee. Te midden van dit

heilige der heiligen verrijst de hooge graftombe van Hazrete, met

rijk geborduurde tapijten behangen. De bodem der moskee is met zerken

geplaveid: iets zeldzaams in Turkestan. In een der vertrekken van het

gebouw ziet men nog eene groote koperen kuip, waarin, naar men zegt,

vroeger het eten der pelgrims werd gekookt.

De Russen, in de stad Turkestan gevestigd houden geen verkeer met

de inboorlingen, die, voor zoover ze geen nomaden zijn, onder den

algemeenen naam van Sarthen begrepen worden; zij wonen in de citadel of

in gehuurde woningen, waar zij zeer slecht gehuisvest zijn. Officieren

en soldaten zijn al even weinig met het land ingenomen, en beklagen

zich om het hardst over de duurte van allerlei onontbeerlijke zaken,

over het klimaat, over de schorpioenen en de spinnen, over wat niet al.

De stad, ten zuidoosten van de citadel gelegen; gelijkt op alle andere

inlandsche steden in deze streek; de huizen hebben geen vensters aan

de straatzijde, zoodat het familieleven voor alle bespieding veilig

is. Op aarden banken zitten Sarthen van allerlei leeftijd, ernstig en

kalm met elkaar pratende. De vrouwen, die ge op straat ontmoet, zijn

van het hoofd tot de voeten in eene soort van blauwen mantel gewikkeld,

haar gelaat is bedekt met een zwart netje van paardehaar, zeer dicht

gevlochten. Troepen bedelaars zwerven door de straten, of zitten op den

grond, met klagelijke stem uw medelijden inroepende. Derwisjen spreken

u om een aalmoes aan, en beloven u in ruil alle zegeningen des hemels;

zij zien er zeer zonderling uit, met hun door de zon verbrand gelaat,

hunne puntige mutsen, hun gescheurde kleederen; met hun bedelzak op

den rug, den staf in de eene, de houten nap in de andere hand.

In den bazar te Turkestan zijn zoowel inlandsche koopwaren als

voortbrengselen der russische nijverheid te krijgen. Men vindt er

een aantal etablissementen, zooals onze restaurants, waar vooral thee

en gebakjes verkocht worden. In de theehuizen zag ik, nevens groote

russische _samovars_, ook trekpotten van inlandsch fabrikaat, die zich

door hare fraaie vormen en zorgvuldige bewerking onderscheidden. Ik

kon de verzoeking niet weerstaan, een dier trekpotten te koopen: zij

kostte zestien franken, en was van koper vervaardigd; de ornamenten

waren zoo fijn gegraveerd, dat zij bijna op kantwerk geleken.

Behalve de moskee van Hazrete heeft Turkestan geen enkel merkwaardig

gebouw; de overige moskeeën onderscheiden zich van de gewone huizen

alleen door hare grootte, hare netheid en soms ook door een kleinen

koepel. Bij elke moskee behoort een met boomen beplanten voorhof, met

waterbekken en eene overdekte galerij; de zoldering en de kroonlijst

dezer galerij prijken met allerlei figuren, in sprekende kleuren en

dikwijls niet zonder smaak geschilderd.

Evenals in alle oostersche steden, zijn ook in Turkestan de straten

smal en donker; zij zijn bovendien van het eene einde tot het andere

overspannen met zeildoek, dat de zonnestralen afkeert, en in de

straten eene heerlijke koelte doet heerschen, waarbij iemand, die zoo

pas de naakte en brandend heete steppe rondom de stad verlaten heeft,

zich voelt herleven.

Tsjemkend, de eerstvolgende stad na Turkestan, ligt in een krans

van tuinen, die haar bijna geheel voor het oog verbergen. Van verre

ziet ge niets dan eene zee van groen, waarboven een schilderachtige

heuvel oprijst, die op zijn kruin een half tot puin vervallen vesting

draagt. De muren der citadel verheffen zich meer dan twintig el boven

de omliggende straten. Toch was zij niet bestand tegen de Russen,

die de sterkte stormenderhand veroverden, en in den roes der zegepraal

de stad plunderden.

De straten van Tsjemkend zijn--vreemd schouwspel in Centraal-Azië--met

grachten doorsneden, die gevoed worden door het van de naburige bergen

afstroomende water. Over deze grachten liggen bruggetjes, die naar

de deuren der verschillende huizen geleiden. Door de voordeur komt

ge, eenigszins zijwaarts afslaande, op eene groote binnenplaats,

met boomen, voornamelijk met populieren beplant, waarop de kamers

uitkomen. Deze kamers hebben geen vensters; boven de deur is een

klein traliewerk, met geolied papier beplakt. Is de deur gesloten,

dan is het in de kamer bijna volslagen duister; maar daar het klimaat

te Tsjemkend vrij zacht is, staan de deuren bijna altijd open; de

inboorlingen brengen het grootste gedeelte van den dag onder het zeil

voor de voordeur door. Het water der gracht wordt door buizen naar

de binnenplaats der huizen geleid; dit water dient voor allerlei

huiselijk gebruik en ook voor de keuken; vervolgens wordt het, een

eind verder, weder naar de gracht teruggevoerd. Ik wil wel bekennen,

dat ik te Tsjemkend soms met angstigen blik mijn thee aanzag: want,

alvorens in de trekpot te komen, had het water waarschijnlijk een

tiental huizen doorwandeld.....Bah! zeggen de muzelmannen, het water

is niet vuil meer wanneer de onreinheden den tijd hebben gehad zich

daarin zevenmaal om te keeren!

De afstand van Tsjemkend naar Tasjkend bedraagt slechts honderd-veertig

wersten (honderd-een-en-twintig kilometers). Het eerste station ligt

op eene hoogte, tusschen twee niet onaanzienlijke bergen; ge ziet

hier de overblijfselen van een groot gebouw, dat, volgens sommigen,

vroeger een school, volgens anderen, een karavanseraï, tevens vesting,

was. Voor dit laatste gevoelen pleiten de schietgaten in den muur aan

de wegzijde. Op dien weg is het levendig en druk genoeg. Voortdurend

trekken karavanen heen en weer, die naar Tasjkend, Kokhand of Bokhara

gaan, om handel te drijven; de geleiders; in den regel Kirghisen,

laten zich achteloos heen en weder schommelen op hunne kameelen,

terwijl zij hunne eentonige, weemoedige liederen neuriën. Verder

ontmoet ge Sarthen, met hunne witte tulbanden en veelkeurige kaftans;

ruiters, wagens, voetgangers, in bonte mengeling. Ter wederzijde van

den weg zijn Kirghisen-koloniën gevestigd.

Eindelijk, als ge nog twintig mijlen hebt af te leggen eer ge te

Tasjkend zijt, vertoonen zich reeds van verre de prachtige tuinen

en gaarden, die deze hoofdstad van russisch Turkestan met een gordel

van groen en bloemen omringen.

Van Orenburg naar Samarkand De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 12 题