Toen ik aan het fort Kazali of Kazalgue--of zoo ge liever wilt, het
fort Nommer I,--aankwam, mistte het zoo sterk, dat ik bijna geen hand
voor de oogen zien kon. Nader komende onderscheidde ik eerst eenige
windmolens, en daarna ettelijke kleine, lage huizen. Kazali ligt aan
den rechteroever van de Sir-Darja; de huizen van het vlek zijn uit
tichelsteenen opgetrokken, die in de zon zijn gedroogd. Zij doen
u denken aan de arme boerenwoningen in zuidelijk Rusland, met dit
onderscheid alleen, dat hier de daken plat zijn. De bazar is ruim en
goed ingericht: hier is de algemeene verzamelplaats der Kirghisen van
den omtrek, die russische artikelen komen inkoopen of hun vee te koop
aanbieden. De liefhebbers zullen zeker met belangstelling vernemen,
dat de kaviaar te Kazalgue voortreffelijk is: zij zou inderdaad
onvergelijkelijk zijn, zonder de slechte hoedanigheid van het zout,
dat bij de bereiding gebruikt wordt.
Het fort Nommer I is het punt van uitgang der stoombooten, die
de Sir-Darja bevaren. Bevaren is eigenlijk wat veel gezegd: die
booten toch sukkelen met groote moeite op de rivier voort, zonder
dat men eigenlijk weet waarom het zoo slecht gaat. Ligt de schuld
bij den scheepsbouwmeester, of wel bij de gedurige veranderingen,
waaraan het bed en de stroom van de rivier bloot staan? Misschien
hebben beiden deel aan dien toestand: maar hoe dit zij, zeker is
het dat de stoomvaart op de Sir-Darja in een jammerlijken toestand
verkeert, en dat daarin geene verandering is te wachten, zonder eene
afdoende verbetering van het bed der rivier zelf:--een werk, dat zeer
aanzienlijke sommen vereischen zou.
Twintig wersten van Kazali liggen de bouwvallen der stad Djanekent
aan den linkeroever van de Sir-Darja in de nabijheid van een meer. Ik
wenschte een uitstapje daarheen te maken, en vroeg en verkreeg daartoe
vergunning van den kommandant van het fort, den majoor Youry, die
mij zelf paarden verschafte en een gids medegaf, een Kozak, die de
turksche taal verstond. Zoo uitgerust toog ik dadelijk op weg naar
Djanekent. Wij volgden eenigen tijd de oevers van de Sir-Darja, tot
wij, bij eene bocht der rivier gekomen, rechts afsloegen. De weg was
zeer druk en levendig. Kirghisen trokken voortdurend heen en weder;
sommigen te paard, anderen op een kameel; enkelen, nederiger van
aard, zaten op een ezel; ik ontmoette er zelfs eenigen, die op een
os reden. Deze Kirghisen gingen naar het fort om schapen en runderen
te verkoopen, en zich in ruil daarvoor de noodige voorwerpen aan
te schaffen voor hunne kibitka. Langs den weg zag ik verscheidene
kleine kampementen van arme nomaden, die voor hun mager vee in deze
dorre streek een schraal voedsel zochten. Ik trad enkele dezer tenten
binnen: hier waren de vrouwen bezig de schapen te scheren, elders
zuiverden zij de wol, overal waren zij aan den arbeid, terwijl de
mannen niets uitvoerden. Bezochten wij eene kibitka, dan werden wij
steeds ontvangen met het traditioneele _aman tachar_ (ik groet u,
vriend). Zoo trokken wij langzaam voort in de richting van het veer
over de Sir-Darja, terwijl mijn Kozak mij eenige bijzonderheden
verhaalde omtrent den laatsten strooptocht van Sadike.
Sadike is de zoon van Kenissara, een van de onrustigste hoofden der
Kirghisen; en hij zelf is een niet minder lastige buurman. Hij zal
ons geen rust laten, zoolang zijn hoofd nog op de schouders staat:
en het laat zich niet aanzien, dat hij het spoedig verliezen zal:
de helden van zijne soort toch maken zich uit de voeten als het
gevaar nadert, en moeten zij bij ongeluk aan het gevecht deelnemen,
dan dragen zij wel zorg, op hunne vlugge paarden te vlieden, zoodra
zij zien dat de kans zich tegen hen keert.
Er liepen reeds sedert eenigen tijd onrustbarende geruchten. Sadike,
zoo heette het, rustte zich ten oorlog en had een aanslag op
Kazalgue in den zin. Reeds braken de meeste nomaden hunne tenten op en
verhuisden naar de overzijde van de Sir-Darja, want men wist zeergoed,
dat onze vriend alles uitplunderen zou wat onder zijn bereik kwam,
onverschillig of het vriend of vijand was. De kommandant van het fort
zond zeventig Kozakken van Orenberg op verkenning uit. Zeventig man
tegenover een duizendtal bandieten: de kans scheen hachelijk!
Toch zouden de Kozakken, indien zij maar den vijand onverhoeds
hadden aangetast, waarschijnlijk de zege hebben behaald; zij
zouden hem althans hebben tegengehouden en van verder voortdringen
afgeschrikt. Ongelukkig was het detachement niet genoeg op zijne
hoede. Niet ver van het fort, zetten onze soldaten zich neder om hun
eenvoudig maal van gort gereed te maken, terwijl een twintigtal hunner,
ongewapend, de paarden naar de rivier leidden om te drinken. Eensklaps
vertoonde zich de vijand, meer dan duizend man sterk, meer of minder
goed gewapend; velen alleen met lansen en pieken. Sedert langen
tijd had hij op zijne prooi geloerd. De Kirghisen wierpen zich op
de twintig manschappen, die op weg waren naar de rivier: en binnen
weinige oogenblikken waren genoegzaam allen vermoord. Twee of drie
Kozakken echter wisten zich te redden. Een ander, door een tiental
wilden achtervolgd, mikte, al vluchtende, nu op den een, dan op den
ander, en daar de ruiters der steppen er vooral niet op gesteld zijn,
den dood in de kaken te loopen, zou hij stellig ontkomen zijn, indien
hij niet bij ongeluk zijn patronen had laten vallen; voor het laatst
schoot hij nog eens zijn geweer af, en werd toen neergesabeld.
De vijftig mannen, die hunne gort kookten, waren getuigen van die
slachting, maar konden hunne makkers niet te hulp komen. Plotseling
overvallen, moesten zij in de eerste plaats op zelfverdediging bedacht
zijn. Zoodra de vijand de andere slachtoffers had geveld, sloot hij
ook hen van alle zijden in. Had hij zich aanstonds op hen geworpen,
zonder hun den tijd te laten zich op tegenweer voor te bereiden,
dan was er wel geen twijfel aan geweest of deze handvol Russen zou
spoedig bezweken zijn. Maar in plaats van aan te vallen, begonnen
de Kirghisen te overleggen wat te doen. De Kozakken grepen nu moed,
en vingen aan hunne positie te versterken. Met spaden, stokken en
hunne handen, groeven zij kuilen in den grond, waarin zij zich zoogoed
mogelijk verborgen; sommigen zetten zich daarin neder, anderen stonden
overeind, tot aan de borst of hooger gedekt. De uitgegraven aarde
vormde een soort van wal, waaraan met behulp van zadels, en allerlei
andere voorwerpen zooveel mogelijk stevigheid werd gegeven. De paarden
waren verloren: de Kirghisen hadden ze allen opgevangen. Inmiddels
viel de nacht en maakte een einde aan de vijandelijkheden.
Den volgenden morgen hervatten de zwervende zonen der steppe, onder het
aanheffen van woeste kreten, den aanval. De Kozakken gingen spaarzaam
om met hunne ammunitie: zij hadden slechts veertig patronen per hoofd,
en moesten zoolang mogelijk volhouden. Zij lieten dus den vijand
tot op korten afstand naderen, en losten dan hunne geweren op den
saamgepakten hoop: na iedere décharge waren de rangen der Kirghisen
gedund, en bleek de drift der aanvallers merkelijk bekoeld. Telkens
weken zij in groote verwarring terug, hunne dooden medevoerende,
wanneer zij daartoe den tijd hadden; maar des avonds lagen er nog
velen hunner aan den voet van den lagen wal, waar het doodelijk lood
hen getroffen had. Den volgenden morgen echter waren geene lijken
te zien: de Kirghisen waren des nachts, stil en heimelijk, tot nabij
den wal geslopen en hadden de lichamen hunner makkers weggevoerd.
Dit duurde alzoo drie dagen. Zonder spijs of drank, boden de Kozakken
met onbezweken moed een hardnekkigen tegenstand. Eindelijk trokken de
Kirghisen af. De Kozakken verbergden daarop hunne zadels in het zand,
en keerden, meer dood dan levend, naar het fort terug. De manschappen,
die op den weg naar de rivier waren gedood, werd het hoofd afgehouwen;
en hoogstwaarschijnlijk werden deze bloedige tropeeën, als de teekenen
eener schitterende overwinning op de russische legermacht behaald,
voor de voeten van den emir van Bokhara gelegd.
Intusschen vervolgden wij onzen weg, en kwamen weldra aan de tent, die
de plaats aanwijst, waar zich het veer over de Sir-Darja bevindt. Hier
is ook eene wacht van Kozakken, om te beletten dat de Kirghisen steenen
uit de puinen van Djanekent wegnemen. Met een groote pont werden wij
over de Sir-Darja gezet, in gezelschap van eenige kameelen, die lang
tegenspartelden eer zij in de schuit stapten, maar zich gedurende de
overvaart zeer rustig hielden.
Op den linkeroever gekomen, bevonden wij ons voor de vestingwerken van
Dsjan Kala, die nog vrijgoed in stand zijn gebleven. Zij bestaan in
aarden wallen, tusschen de vier en vier-en-een-half el hoog, met eene
gracht die nu gedempt is. Binnen die wallen is geen spoor van woning
te zien. Ten zuidoosten, op een afstand van ongeveer zes kilometer van
de rivier, ziet ge een grooten muur; een kilometer verder, verrijzen
eenige heuvelen, sommige met gras en struiken bedekt, andere geopend
en half afgegraven. Dat is het oude Djanekent. De Kirghisen hebben
onderscheidene heuvels omgewoeld, ten einde zich meester te maken van
de gebakken tichelsteenen, die daarin verborgen waren. Vreemd! Nu twee
of drie jaar geleden, vermoedde niemand iets van de aanwezigheid dier
steenen, bijna geheel in onbruik geraakt hier in dit land, waar alle
huizen en gebouwen uit leem en aarde worden opgetrokken. Men zag wel
hier en daar fragmenten van tichelsteen, maar niemand dacht er aan,
dat een zoo groote overvloed dier steenen in de met gras begroeide
heuvelen verborgen lag. Toch was bij de nomaden eene overlevering
bewaard gebleven, die van het bestaan eener groote stad in dezen
omtrek gewaagde; en dikwijls wezen zij den reiziger de eenzame
heuvelen, de overblijfselen van eene ongelukkige stad, die door de
slangen verwoest was. Volgens de traditie was deze stad eenmaal de
zetel van de vorsten des lands. De laatste hunner had de dochter van
een naburigen koning tot vrouw genomen; zij werd hem ontrouw, en de
beleedigde echtgenoot doodde haar. De vader van het slachtoffer was
een groot toovenaar. Om den dood zijner dochter te wreken, zond hij
slangen naar de stad, die den koning en zijn volk verslonden. Men
wees mij zelfs een heuvel, met dicht struikgewas begroeid, zeggende
dat het daar nog van slangen wemelde. Later deed ik opgravingen in
dien heuvel, maar vond geen spoor van eene enkele slang.
Zoodra het eenmaal was gebleken, dat hier een bijna onuitputtelijke
voorraad tichelsteenen voorhanden was, begonnen de Kirghisen alles af
te breken, en de steenen, die zij konden wegnemen, naar het fort te
brengen. Particulieren, die zich eene woning bouwen wilden, kochten
al deze steenen op. Zoo voortgaande, zouden de ruïnen weldra geheel
verdwenen zijn. Maar nu kwam de regeering tusschenbeiden. Zij verbood
dien handel, maar behield zich toch het recht voor, om zelf die
materialen te gebruiken ten behoeve van de fortificatiën. Het is te
hopen, dat zoo de opgravingen op groote schaal worden voortgezet, dit
onder behoorlijke leiding en met de noodige voorzorgen zal geschieden.
Ik liet ook eenige opgravingen doen, en vond menschenbeenderen en
beenderen van schapen, paarden en kameelen; voorts gebakken steenen,
houtskool en eenige aarden potten, waaronder enkelen van inderdaad
fraaie bewerking en met figuren versierd. Ik kon evenwel mijne
nasporingen niet voortzetten, omdat het mij daartoe aan tijd en
geld ontbrak. De Kirghisen toch voeren weinig uit, en dat weinige
doen zij nog slecht. Bovendien begonnen zij, zoodra zij zagen dat
ik belang in de zaak stelde, al zeer spoedig hunne eischen hooger te
stellen, naarmate zij dieper moesten graven. Ter voorkoming van alle
moeilijkheden, liet ik mijne opgravingen maar in den steek.
Gedurende mijn verblijf te Djanekent, bracht ik doorgaans den nacht in
een naburig kamp door. De kibitka, waar mij deze gastvrijheid bewezen
werd, behoorde aan een Kirghisen-familie, bestaande uit vader, moeder
en twee dochters, eene van dertien en eene van negen jaren. Er was
ook nog een volwassen zoon, maar dien ontmoette ik maar eenmaal in
de vaderlijke tent. Hij woonde in het fort, en dreef ik weet niet
meer welken handel, voor rekening van zijn vader.
De vader was een verstandig man, ruim veertig jaar oud, en in zijn
voorkomen meer gelijkende op een Nogaï dan op een Kirghise. Hij
was steeds gekleed in een wijden witten kamerjapon van kemelshaar,
en droeg op het hoofd een zoogenaamden _toppé_. Als het koud was en
hij op reis ging, dekte hij zich met een zeer hooge, smal toeloopende
muts van schapenvacht.
De mama, gansch niet vrij van praatzucht en oud voor haar tijd,
was eene echte vertegenwoordigster van de kirghisische type, platte
neus, kleine oogen, uitstekende wangbeenderen. Zij droeg een wijden
broek, met hooge laarzen daarover heen; een lang, grof, blauw hemd,
en omwikkelde haar hoofd en hals met een stapel doeken.
De oudste dochter, die zelden sprak, was krachtig en welgevormd. Zij
geleek veel op hare moeder, en ging ook evenzoo gekleed; alleen
droeg zij aan de armen en om den hals armbanden en kettingen van
glas en veelkleurige steentjes; hare koolzwarte in kleine vlechten
opgemaakte haren waren gewikkeld in een schitterend rooden wollen
doek.--Het jongste kind geleek op haar vader. Zij was grillig, maar
zeer innemend, en speelde onbeschroomd met mij. Haar hoofd was kaal
geschoren, met uitzondering van een krans van vlechten rondom het
hoofd en eene dergelijke vlecht op de kruin.
Als ik, bij zonsondergang, in de kibitka trad, vond ik de familie
doorgaans neergehurkt rondom het vuur, al knipoogende in de vlam en
den rook starende. De moeder en de oudste dochter waren altijd aan den
arbeid; de vader stookte met een kleine ijzeren staaf het vuur op, en
gaf zijne bevelen. De vrouwen bereidden de soep of bakten koeken. De
soep was zeer spoedig gereed: in een grooten ketel werd eene zekere
hoeveelheid water geschonken, vervolgens gort en een weinig meel
daaronder gemengd, en dan dat alles over het vuur gehangen tot het
water kookte. Wat van den maaltijd overbleef, werd in eene houten
terrine met een lederen bodem gedaan, en gedurende twee of drie dagen
werd de soep nu koud gebruikt. Het bakken der koeken vorderde weinig
meer omslag of tijd.
Om het koren te malen, gebruiken de Kirghisen een kleinen handmolen,
bestaande uit twee platte, ronde steenen. In den bovensten steen is
eene opening, met twee kleine dwarshoutjes voorzien, waardoor een
spil gestoken wordt, die op den ondersten steen rust. Het koren wordt
door de opening geworpen, waarna de bovenste steen door middel van een
langen stok, rechthoekig aan de spil bevestigd, wordt rondgedraaid. Het
meel dat aldus verkregen wordt, is met zemelen vermengd en tamelijk
grof. In het geheele kamp, uit zeven of acht tenten bestaande, was
geen andere molen te vinden dan die mijner gastvrouw; telkens kwam
dan ook eene of andere buurvrouw om haar meel te malen, of den molen
voor eenige oogenblikken te leenen.
Echter vermoed ik dat niet enkel de molen onze buren en buurvrouwen
zoo telkens naar de tent lokte. Mijne tegenwoordigheid in de kibitka
was zeker de voornaamste reden van deze drukke bezoeken. Zij wisten
dat de kibitka, waar ik tijdelijk mijn intrek genomen had, groote en
begeerlijke schatten bevatte: tabak en kruit voor de mannen; zeep,
ringen, naalden, enz. voor de vrouwen. Eigenlijk golden de bezoeken
dan ook niet zoozeer mijne gastvrouw en haar molen, maar veeleer mij
zelf: het einde was dat het grootste gedeelte van mijn kleinen schat
allengs in geschenken verloren ging.
De kibitka van mijn gastheer was versleten, maar wij hadden het er
warm: het vuur op de stookplaats werd geen oogenblik uitgedoofd. De
rook, die de gansche tent vervult, is echter voor iemand, die
daaraan niet gewoon is, eene onuitstaanbare kwelling. De Kirghisen
branden kameelenmest of struiken van de steppe, die zoo rauw,
nauwelijks aan stukken gehakt, op den haard worden geworpen, en toch
zeergoed branden. De zorg voor het vuur is doorgaans aan de kinderen
opgedragen. De Kirghisen gaan met hunne kinderen geheel anders om dan
wij: zij beknorren ze bijna nooit, en beschouwen ze eenigermate als
volwassenen. Het kleine dartele ding in onze tent kon soms haar vader
duchtig de les lezen. Was zij boos of kwaad gehumeurd, dan gaf men
haar een koek, of beloofde haar eenig geschenk, om haar weer tevreden
te stellen.
Op zekeren dag besteeg mijn Kirghise zijn kameel en toog op weg naar
het fort, waar hij, volgens zijn zeggen, boter ging verkoopen. "Hij
gaat geen boter verkoopen, verzekerde mij zijne echtgenoote; hij gaat
zijne andere vrouw bezoeken, die te Kazale woont, en die de moeder
is van den zoon, dien gij hier eens ontmoet hebt. Van de twee meisje
is het eene, dat, zooals gij zegt, op mij gelijkt, een kind van mijn
eersten echtgenoot; het jongste meisje is uit dit huwelijk. Toen mijn
eerste echtgenoot, die de broeder was van mijn tegenwoordigen man,
was gestorven, heeft deze mij tot zich genomen, met mijne dochters en
al wat ik had; want ik was zeer rijk. Ik bezat driehonderd schapen,
zes kameelen, een aantal paarden en vele wel voorziene koffers. Hij
had niets; ik heb alles aangebracht, zelfs deze tent, die toen nieuw
was en nu versleten is. Eene mijner dochters is gehuwd te Bokhara,
eene andere te Khiwa; ik heb bij mijn eersten man zes dochters
gehad. Ongelukkig werd mij nimmer een zoon geboren. Wie zou een zoon
met een dochter kunnen vergelijken? Wat beteekent een meisje?" en
dit zeggende spuwde zij met diepe verachting op den grond.
Zij voegde er bij, dat haar oudste dochter, dertien jaar oud, op
het punt van trouwen stond. De losprijs was sedert lang betaald;
zelfs was de bruidegom reeds verschenen om zijne bruid af te halen,
voor wie hij, als huwelijksgift, een zeker aantal schapen en paarden
had medegebracht; maar de vader van het jonge meisje had bovendien een
kameel geëischt, en de jonkman was weder vertrokken, om dien kameel
te gaan halen. "Wij zullen onze dochter op een fraaien kameel zetten,
zeide de moeder; wij zullen haar mooi aankleeden, en met een sierlijk
gewaad bedekken; ik zal zelf ook op een fraaien kameel gaan zitten,
en mijn kind naar hare nieuwe woning geleiden."
De bruid was bij dit gesprek tegenwoordig. Zij was verstrooid van
gedachten, en luisterde ternauwernood naar hetgeen gezegd werd, als
ging het haar niet aan; achteloos vlocht zij koorden van kemelshaar
om de tent mede vast te binden. Het jongste meisje, negen jaar
oud, was verloofd aan een Kirghise van veertig jaar, die haar voor
vier-en-zestig schapen en twee paarden gekocht had, en haar, na
verloop van drie of vier jaren, tot zich zou nemen.