Orenburg biedt niet veel bijzonders; de stad onderscheidt zich van
andere russische steden alleen door haar half-tartaarsch voorkomen,
waardoor zij u aan Kazan denken doet. Hare torens, hare minarets,
eenige moskeeën geven haar iets eigenaardigs. Reeds zoodra ge de
straten van Orenburg betreedt, treft u het oostersche karakter der
stad, die dan ook trouwens in het Oosten ligt, op de uiterste grenzen
van Europa en Azië. Wat zonderlinge, scherpgeteekende figuren,
wat afwisseling van kostumen! Hier ziet ge een russisch soldaat,
behoorlijk naar alle regelen gedrild; daar een Kozak van den Oeral,
die tucht noch wet kent. Ginds, een man uit Bokhara, met een langen
baard, een statig en ernstig voorkomen, en met een reusachtigen
tulband op het hoofd, waarvan het doek, zoo het losgewonden werd,
zeker eene lengte van tien of twaalf el zou hebben.
Op ongeveer vier wersten afstand van Orenburg staat een groot gebouw,
dat wel een bezoek waard is. Dit is de zoogenaamde Beurs: de algemeene
verzamelplaats der nomaden van geheel den omtrek, die hier van alle
kanten samenkomen, somwijlen vanzeer ver, te paard of op kameelen,
meestal alleen, maar soms ook met hunne gezinnen. Zij brengen koeien,
ossen, schapen, allerlei soorten van vee mede; zij hebben ook vilt,
wol en huiden bij zich, om die te verkoopen of te ruilen tegen
houten huisraad, brood, vaatwerk en meer dergelijke artikelen van
dagelijksch gebruik.
Omstreeks den middag heerscht de grootste drukte op deze Beurs;
het gedrang en gejoel doet u hooren en zien vergaan; koopers en
verkoopers schreeuwen en roepen om het hardst, ook al staan zij vlak
naast elkander. Alles loopt en dringt en duwt en woelt en krioelt
door elkander; men biedt en looft, men kijft en klapt in de handen:
dit alles veroorzaakt een rumoer, waarvan een vreemdeling zich
bezwaarlijk een denkbeeld vormen kan. Deze Beurs of bazar is een zeer
groot vierkant gebouw, met eene ruime binnenplaats in het midden;
langs de vier zijden bevinden zich de winkels, die op de binnenplaats
uitkomen, en daartegenover andere; winkels, welke een tweede gebouw,
midden op de plaats verrijzende, innemen. Op diezelfde binnenplaats
nabij de poort, die van den weg naar Orenburg toegang tot den bazar
geeft, staat eene kleine moskee, en daarbij eene russische kapel.
De kooplieden die dezen bazar bezoeken, behooren tot verschillende
nationaliteiten. In de eerste plaats ontmoet men onder hen Russen,
Bokharen en Kokhandsjis, dat wil zeggen, inwoners van het khanaat van
Kokhand. Voorts Tartaren, Bashkiren, Kirghisen, enz. Al deze kooplui
zitten met gekruiste beenen op den grond, naast hunne koopwaren,
die op een hoop liggen. Deze waren zijn van verschillenden aard:
vooreerst allerlei soorten van kleedingstukken, wollen en andere
stoffen, en vooral tsjapans of kamerjaponnen van allerlei grootte,
kleur en prijs. Dit kleedingstuk heeft langs de grenzen ontzaglijken
opgang gemaakt; iedere russische werkman of kleinhandelaar draagt
het geregeld; de inboorlingen, zegt men, leggen hun tsjapan nooit
af. Nevens dit artikel, dat in bijna ongeloofelijke hoeveelheid aan de
Beurs verhandeld wordt, vindt ge in de winkels eene menigte voorwerpen
van vilt; voorts snuisterijen, sieraden van glas of metaal, om de
begeerlijkheid der vrouwen op te wekken, en meer andere artikelen.
Kirghisische vrouwen, met hooge witte tulbanden op het hoofd, voor hare
kleine wagentjes gezeten, verkoopen _koumis_ aan hare klanten. Daar ik
dien drank nog niet kende, wilde ik hem proeven. Hij was veel minder
sterk dan ik gedacht had, maar daarentegen zeer zuur. Echter moet ik
er bijvoegen dat de koumis, waarin deze dames handelden, misschien
voor de helft met schapenmelk was aangelengd. Dat is dan ook de echte
drank niet, waarvoor steeds paarden- of kameelenmelk wordt gebruikt.
Nabij den ingang van den bazar ziet men ter wederzijde eene lange
dubbele reeks van kleine winkels, waarin handelaars in tabak, in
messen, knoopen en allerlei huiselijke gereedschappen, hunne waren
hebben uitgestald. Hier zijn gekleurde palen voor tenten te koop;
ginds grafzerken, met schreeuwende kleuren beschilderd; nog verder
verdringt zich eene kudde runderen of schapen, en om de dieren krioelen
koopers, verkoopers en toeschouwers bont dooreen. Daar, verder op,
ziet ge ontzaglijke hoopen wol:--de koopman is bezig, de natte wol
uit te zoeken en van de droge af te zonderen; dan, nogmaals schapen,
koeien, paarden; dan weer Russen en Kirghisen, die graan en meel
afwegen: de Rus biedt zijne waar te koop aan, de Kirghise voorziet
zich van den noodigen voorraad, om dien straks op zijne kameelen te
laden, en met zijne korenzakken naar zijne vilten tent of _kibitka_
terugtekeeren, misschien meer dan honderd mijlen ver in de steppen.
Tijdens mijn verblijf te Orenburg kwam ik in aanraking met een
gewichtig personage: een gezant van den emir van Bokhara, die
namens zijn meester over den vrede kwam onderhandelen. Zijn gevolg
was zeer gering: gelukkig trouwens, want zijne hoogheid de emir
had hem geen penning voor de reis gegeven. Hij zou dan ook van
honger zijn omgekomen, indien het russische gouvernement hem geene
tegemoetkoming van acht roebels per dag, dat is ongeveer zestien
gulden, had toegelegd. Zijne excellentie leefde nu zeer zuinigjes,
en verteerde voor zich en zijn gevolg niet meer dan twee roebels
per dag: hetgeen hem eene zuivere winst opleverde van zes roebels in
een etmaal. Ik moet echter daarbij voegen, dat het gezantschap voor
rekening van de russische regeering gehuisvest was, en dat de heeren
diplomaten zeer sober leefden van _plove_ (pilau) en thee. Na een
verblijf van twee-en-een-halve maand te Orenburg, kon de gezant van
den emir over eene tamelijk welgevulde beurs beschikken, en begon hij
zichzelf geschenken te geven: tshapans, een horloge, een speeldoos
en andere zeldzame gewrochten der westersche beschaving.
Voor mijn vertrek schafte ik mij een tarantasse aan, een soort van
zeer eigenaardige calèche: het rijtuig heeft de gedaante van een
korf of wieg, en is ook evenzoo luchtig gevlochten. De Orenburgers
gebruiken de tarantasse voor toertjes door de stad en den omtrek;
maar waarschijnlijk was ik wel de eerste, die met dit brooze rijtuig
een tocht ging ondernemen van twee duizend wersten over meestal
onbegaanbare wegen. Nadat ik mijn mand had volgepakt met alle
voorwerpen, die een kunstminnend toerist onmisbaar zijn--papier,
portefeuilles, draagstoel, parasol, instrumenten--bemerkte ik dat
er voor mij zelf nog maar een zeer klein plaatsje in de tarantasse
overschoot. Toch, hoe bekrompen en ongemakkelijk ook gezeten,
verliet ik Orenburg in mijn licht rijtuigje, en sloeg den weg in
naar Centraal-Azië.
De tocht van Orenburg naar Tasjkend is eene ware marteling! Toch is de
weg goed (nu en dan zandig) en tamelijk gelijk. Maar er komt geen einde
aan de haspelarijen, plagerijen en moeilijkheden van allerlei aard,
die u telkens uw geduld doen verliezen. Bij iedere halt is het eene
nieuwe ruzie met den chef van het station; onderweg ligt ge voortdurend
overhoop met de iamtshiks of postillons; aan paarden, wagen en tuig
is steeds iets defect, dat gedurig herstelling vordert. In één woord,
de geheele dienst is ellendig.
Van Orenburg tot Orsk is de weg goed; ook zijn hier de stations goed
ingericht. De dorpen en vlekken, die ge op uw weg ontmoet, worden
half door Kozakken, half door Tartaren bewoond: goede, brave lieden,
met wie de reiziger gaarne te doen heeft, en die hem bereidwillig
dienst bewijzen. Van de Kirghisen kan ik dit niet getuigen.
Orsk is niet eene dier steden, die reeds op het eerste gezicht
een aangenamen indruk maken. Men ziet er niets dan lage, half
ingestorte huizen. Zij ligt aan de samenvloeiing van de rivieren de
Oeral en de Or, de eerste van het noorden, de andere van het zuiden
komende. Evenals aan de andere stations, bestaat er wel eenige kans
dat gij een _samovar_, theeketel of bouilloir, en meer of minder
drinkbaar water krijgen kunt,--en dan nog! Maar wat ge in de eerste
plaats noodig hebt: paarden,--daar ontbreekt het aan.
Gij komt aan het station: er is niemand. Gij roept: er verschijnt
niemand. Gij roept nog eens en luider: geen antwoord. Wat te
doen? Wachten. Zoo wacht ge dan. Eindelijk verschijnt, ge weet niet
vanwaar, een Kirghise. Natuurlijk vraagt hij u, wat gij verlangt?
"Wat ik verlang? Paarden, natuurlijk!
"Paarden? Er zijn hier geen paarden."
Dat is het onvermijdelijke antwoord. Echter laat ge u niet zoo
afschepen.
"Maar wanneer kan ik ze dan krijgen?
"Morgen."
"Morgen! Dat ziet er mooi uit!"
Toch is dat gebrek aan paarden dikwijls maar voorgewend. Weet ge
het zoo aan te leggen, dat men u voor een officier of althans voor
een ambtenaar aanziet, dan is het best, tegen ieder uit te varen
en geen dreigementen te sparen. Herkent ieder in u den eenvoudigen
burgerman, dan schiet er niet anders over, dan in den zak te tasten. De
ontbrekende paarden komen dan ook weldra voor den dag. Meen echter
niet, dat ge nu uwe reis kunt vervolgen. Niet zoo haastig! Er ontbreekt
of hapert altijd iets, hetzij aan de teugels, hetzij aan het tuig,
hetzij aan den wagen, of wat dan ook. Toch is de uitrusting hoogst
eenvoudig. Het middelste paard heeft niets meer dan een halsband,
een zadel en een buikriem; de beide andere paarden stellen het met
een eenvoudigen vilten halsband en een paar riemen.
Is eindelijk alles klaar, dan komt het oogenblik van vertrekken. Geene
kleinigheid! De paarden der steppen zijn niet gewend aan het gareel;
als zij voorgespannen worden, steken zij onrustig de ooren op, snuiven
en trappelen en geven alle teekenen van ongeduld. Maar aan alles
komt een einde; de zweep zal nu het sein geven. "Ga zitten!" roept
de iamtshik u toe. Gij gaat zitten, met vreezen en beven. De wilde
paarden der steppen steigeren en schudden den kop; zij springen ter
zijde; zij breken de touwen en slaan den boom tot splinters! Dan
begint alles weder van voren af aan. Ten langen laatste zijt ge toch
op weg; nu gaat het voort, in vliegenden ren; maar telkens moet ge
halt houden, zonder dat ge met mogelijkheid bevroeden kunt waarom:
dit is het geheim van den koetsier, die geheel zijne eigene luimen
volgt. Al de iamtshiks, Russen zoowel als Kirghisen, schijnen
er bovendien vermaak in te vinden, hun zweep te laten vallen; ge
moet zoo telkenmale stilstaan, om die op te rapen. En dan--nu eens
breken de touwen, dan gaan de riemen los. Wee u, zoo ge de taal der
Kirghisen niet verstaat. Uw postillon, een halve wilde, heeft geheel
en al vergeten, dat hij op een rijtuig zit; hij denkt dat hij te
paard rijdt: hij ranselt zijne dieren op de onbarmhartigste wijze;
hij zit geen oogenblik stil; hij schopt met geweld tegen den wagen;
hij schreeuwt en gilt, en stelt zich aan als een bezetene.
Te Orsk begint de steppe, maar zij heeft nog niet dat doodsche
voorkomen, dat haar verderop eigen is. De grond is nog met hoog gras
begroeid; nu en dan ziet ge op kleine heuvels eenige winterdorpen der
Kirghisen, want deze nomaden hebben bereids hunne zomerkampementen
verlaten. Die halve wilden zijn niet allen herders; velen onder hen
houden zich in deze streek met graanbouw bezig; het brood is hier
dan ook buitengewoon goedkoop. De Kirghisen, die dit gedeelte der
steppe bewonen, staan onder de bevelen van een hoofdman, die te Orsk
woont, en op zijne beurt ondergeschikt is aan een districtshoofd,
te Orenburg gevestigd.
Wij zijn in het midden van September: overdag is het warm, maar
des nachts en in den morgenstond vriest het, en ondanks mijn pels
van schapenvacht zit ik dan te rillen van koude. Op den middag
daarentegen druppelt mij het zweet langs het gelaat. Zoo is het
klimaat der steppen, buitensporig zoowel in warmte als in koude.
Voort gaat de tocht; ik heb nauwelijks den tijd, eenige aandacht te
wijden aan de Kirghisen van deze woestijn, die deel uitmaken van de
Kleine-Horde, en weinig verschillen van hunne broeders der Groote-Horde
en der Middelste-Horde, van wie ik later spreken zal. Somwijlen
ontmoeten wij troepen kameelen, dikwijls bij honderden te gelijk. Op
het geklingel van de bellen onzer paarden, wenden zij hunne koppen
naar ons om, en volgen ons langen tijd als met aandachtigen ernst met
hunne nieuwsgierige blikken. Men weet hoe schuw deze voortreffelijke
dieren zijn. Het gebeurt wel eens, dat wij hen te dicht naderen: dan
vluchten zij in galop, naar alle kanten, met den staart in de lucht,
als verschrikte koeien. Niets is grappiger, dan zulk een tooneel. Met
zijne korter voor- dan achterpooten, maakt de kameel, als hij draaft
of galoppeert, een allerzotst figuur. In de vlakten van Orenburg ziet
men meer tweebultige kameelen dan dromedarissen; de reden hiervan moet
gezocht worden in de meerdere kostbaarheid der dromedarissen. Deze
laatsten zijn duurder dan de kameelen, maar kunnen ook eenige dagen
achtereen voedsel en drank ontberen, terwijl de kameel na verloop
van twee à drie dagen uitgeput is; bovendien is deze ook niet zoogoed
tegen de kou bestand; men vindt hem dan ook eerst verder zuidwaarts,
naar de zijde van Bokhara. In de karavanen, die wij ontmoetten, wees
men mij eenige dromedarissen, grooter en sterker dan de anderen:
zij behooren tot het ras, dat in Khiwa gevonden wordt.
De kameel is zeer gevoelig voor muziek: fluiten en zingen boeit
dadelijk zijne aandacht; zelfs als hij graast houdt hij, zoodra een
of andere toon hem treft, dadelijk op, steekt zijn kop in de hoogte,
en kijkt aandachtig naar de zijde vanwaar het geluid komt. De ruwheid
van de bewoners der steppe blijkt wel het meest in de wijze, waarop zij
deze zoo nuttige, ja voor hen onmisbare dieren behandelen. Voorzeker
worden, ook in andere landen, de kameelen niet vertroeteld, maar zij
worden toch niet zoo onbarmhartig behandeld als hier. Zoodra de kameel
zijn tweede jaar is ingetreden, doorboren de Kirghisen hem den neus en
steken een stokje in de opening, waaraan het touw wordt vastgemaakt,
dat als toom dient. Dit touw wordt dan doorgaans gehecht aan den
zadel van den ruiter, die aan de spits der karavaan rijdt; het arme
dier kan dus geen misstap doen, of ook zijn tred een weinig vertragen,
zonder dat zijn neus wordt opengereten, en het bloed hem langs den bek
vloeit. Somwijlen gebeurt het, dat door het voortdurend trekken en
rukken, het koord breekt, of de neusvleugels worden afgescheurd. In
elke karavaan zag ik verscheidene kameelen, die hevig uit den neus
bloedden; bij sommigen was een gedeelte van de bovenlip afgescheurd
of hing er bloedend bij.--Een goede kameel met twee bulten is tusschen
de zestig en honderd gulden waard; een goed paard kost zestig gulden;
een minder goed, dertig tot veertig gulden. Men moet zeker niet uit
het oog verliezen, dat de paarden der steppen bijna geheel wild zijn;
vandaar de moeilijkheid om zich van paarden voor rijtuigen te voorzien,
ondanks den lagen prijs en de voortreffelijke eigenschappen der paarden
zelf. Zij zijn van kirghisisch ras, klein en niet mooi, maar sterk en
taai; zij blijven het gansche jaar in de wei; des winters verwijderen
zij de sneeuw met hunne hoeven, om het bevroren gras der steppen te
kunnen bereiken.
Tusschen Orsk en Tasjkend liggen verscheidene russische forten, die
niet alleen de veiligheid op den weg moeten verzekeren, maar ook de
orde in het omliggende land handhaven. Het eerste fort, dat ge op uw
tocht ontmoet, is dat van Karaboutagh, schilderachtig aan den oever
eener beek gelegen; het klimaat is ondragelijk. Verderop ligt het
fort Oeral. Deze beide vestingen zijn tusschen 1840 en 1850 gebouwd,
en worden door Kozakken-familiën bewoond. Het oprichten van deze en
nog vele andere forten was een zeer verstandige maatregel, waardoor
een einde werd gemaakt aan de telkens herhaalde strooptochten der
roofbenden uit Khiwa, die ieder jaar tusschen de twee- en driehonderd
Russen als krijgsgevangenen wegvoerden. Van het fort Oeral tot aan de
rivier de Sir-Darja, vindt men slechts open dorpen; de rivier opvarende
komt men achtereenvolgens voorbij het fort Kazali, in officiëelen
stijl fort Nommer I; dan voorbij fort Nommer II; het fort Perowski;
het fort Dsjoelek; eindelijk langs de versterkte steden Turkestan,
Tsjemkend en Tasjkend.
Als gij het fort Oeral verlaten hebt, begint de eigenlijke steppe,
de naakte vlakte zonder een spoor van plantengroei. Tevens houden de
stations op, om vervangen te worden door tenten. Voorbij Djalangatshe
moet de reiziger zijn intrek nemen in eene kibitka, zoogoed mogelijk
door een veld van biezen tegen den wind gedekt. Gelukkig heeft men
tegenwoordig althans niets meer te maken met de Khirgisen. Kozakken,
tot de bezetting der forten behoorende, zijn belast met de zorg om de
reizigers bij hunne aankomst aan de stations te ontvangen, en alles
in gereedheid te maken voor hun vertrek. Sommigen van deze Kozakken
verstaan en spreken de taal des lands, en dienen als tolken tusschen
Orenburg en Tashkend.
Dicht bij het station van Térekti, op korten afstand van de heirbaan,
ontmoetten wij voor het eerst eene kirghisische _mazarka_, dat wil
zeggen, een graf. Eerst sedert drie jaren was dit monument opgericht,
en wel door Koun-Spaï, een rijken Kirghise. Het grafteeken bestaat uit
een plompen zwaren koepel, rustende op een vierkanten onderbouw, van
omstreeks vier el hoogte. Het geheele gebouw is uit leem opgetrokken,
zonder dat daarbij een enkele steen is gebruikt. Eene smalle en
lage deur geeft toegang tot het inwendige, dat drie graven bevat,
overvloedig met ornamenten versierd; ruwe en onbeholpen schilderijen
bedekken den wand: afbeeldingen van wapenen, paarden, karavanen,
kameelen, meer of minder duidelijk geteekend. Langs den geheelen weg
zagen wij eene menigte van zulke graven.
Intusschen gaan wij altijd voort naar het zuiden; de steppe wordt
gaandeweg minder naakt en doodsch. Wij ontdekken eerst eenige
struiken, dan eene bochtige oeverlijn, eindelijk een breeden band van
donkerblauw water: wij hadden den oever van het meer Aral bereikt, op
vijf-en-tachtig kilometer afstand van het fort Kazali. De heirbaan
volgt slechts even den zoom van dit groote meer. Op den oever
zaten en stonden groote vogels, zwart op den rug, wit aan den buik;
meeuwen vlogen of zwommen op het water; gansche scharen van eenden
spartelden en kwaakten in de kleine baaien en inhammen langs de kust:
een levendig en toch eentonig somber landschap.
Het station Akdjoulpace ligt vlak aan het meer Aral, op een droog en
zoutachtig terrein, dat vroeger door de wateren dezer binnenzee werd
overdekt, die steeds in omvang afneemt, en ongetwijfeld spoedig geheel
zou zijn uitgedroogd, indien niet twee zoo aanzienlijke rivieren als
de Sir-Darja en de Amoe voortdurend hare schatting aan het groote
meer brachten.