Hebt ge niet opgemerkt dat er naast stond: "of 'n bleekersjongetje?"

Was ook dat onbescheiden?

Neen, niet zulke nietigheden waren 't onderwerp van Wouter's

ongeëvenaarde eerzucht. Z'n wenschen zweefden hooger dan dit alles,

en wanneer-i droomde van koningschap, was 't by-wyze van spreken,

en omdat hy zichzelf geen rekenschap wist te geven van de matelooze

vlucht zyner begeerten, 'n vlucht zóó hoog dat-i alle verschil tusschen

'n bleekveld en 'n troon uit het oog verloor.

De Fancy-verschyning had hem aangestoken met onmetelykheid. Hy

onderging onbewust den indruk van 't verhevene, en z'n onwetende

ziel doolde rond in 'n oneindige reeks van middelen die hy te kiezen

had, en van wegen die hy wilde inslaan. Hy was goed, innig goed. Op

't gebied van het goede wilde hy 't hoogste grypen, het moeilykste

tot-stand brengen. Z'n weifelen in keus was 'n natuurlyk gevolg van

onwetendheid. By elk voorkomend geval greep hy met z'n verbeelding

terstond het uiterste, het hoogste, het beste, of wat z'n ongeoefend

oordeel daarvoor hield. Dat ook by hem alzoo 'n rol werd gespeeld door

de gewone fout van edele harten--'n zeer ongewone fout dus!--om de

zedelyke waarde eener handeling alleen naar de zwaarte van 't gebracht

offer te schatten, spreekt vanzelf. En tevens, dat dit hem verleidde

tot de zucht om offers te brengen waar ze òf niet noodig waren òf

niet verlangd werden, en in beide gevallen niet gewaardeerd. Ach, hoe

gaarne ware hy uitgetogen om hier-en-daar op kruiswegen by bekken-

en schildslag te doen bekend maken dat er 'n ridder was aangekomen,

die om de klandizie verzocht van wat martelary!

"Later, later!" dacht hy. Later, als-i bevryd zou zyn van schoolsche

en huiselyke banden. Dan zoud-i 'n werelddeel gelukkig maken. En nog

een. En nòg een...

Helaas, er stonden er maar vyf in 't boekje van z'n geografie!

Vyf werelddeelen slechts! 't Is niet de moeite waard om van te spreken.

Wat dàn? Wat daarna?

Hier begon zich z'n fantazie te verliezen in de ruimte, en

't firmament verwarrende met 'n gedroomden onstoffelyken hemel,

naderden z'n gedachten het Wezen dat men hem had opgedrongen als:

God. Maar dit bevredigde hem niet.

Geen "_Weg ter Zaligheid_" en geen katechismus was er in geslaagd

het kind den anderen god te ontrooven, dien hy in 't gemoed droeg,

en waarmee hy zich--ziehier z'n hoogmoed!--zonder de minste aanbidding

vereenzelvigde. God, of 'n god, moest noodwendig het _goede_ willen,

het goede zyn. Dit wilde en was Wouter ook. Hy stond dus zoo'n

Wezen zeer na, en beschouwde het in z'n trouwhartigen waan als z'n

natuurlyken bondgenoot, als z'n gezel, als z'n kameraad. Zoo voelde hy

zich prins van geestelyken bloede, al was hem dan de Fancy-vertelling

ontgaan, die ik in den aanvang dezer geschiedenis meedeelde om den

lezer inzage te geven in Wouter's stamboom.

Hoe hy 't aanleî om den god dien hy geschapen had, den god van 't

goede, overeen te brengen met het zonderling Wezen dat men hem deed

kennen in Kerk en School, is moeielyk te zeggen. In hooggestemde

gemoederen heeft de bybelgod veel tegen zich door de boekerigheid

waarmed-i noodzakelykerwyze wordt voorgesteld. Het kind kan niet

nalaten hem te beschouwen als onderwerp van leeslesjes, opstelletjes

of schooltaak--om nu niet te spreken van 't pynlyk stil-zitten in

de kerk--en al van-buiten leerende "dat God zoo byzonder groot is"

geeft het als onderwerp van vereering en smaak, de voorkeur aan 'n

straatgoochelaar, 'n kunstpaardjen of 'n handjevol kersen. Jazelfs

'n "kip te water" is smakelyker onderwerp van geestdrift dan die

vervelende "Heer."

Ouders en geestelyken weten dit wel, maar wat is er aan

te doen? Wanneer ze, om verveling niet tot bondgenoot van

onverschilligheid te maken, het onderwys in de "godsdienst" uitstelden

tot het kind meer ontwikkeld wezen zou, liepen ze gevaar zich 'n veel

lastiger vyand op den hals te halen dan gebrek aan belangstelling. Hun

pogingen zouden dan schipbreuk lyden op stellige ontkenning, want

"godsdienst" kan niet dan op zeer jongen leeftyd aan de patienten

worden ingegeven. En dit geschiedt dan ook overal, met het gevolg dat

de God des bybels in de gemoederen der jeugdige adepten 'n bescheiden

plaatsjen inneemt naast rekenen en versjes-opzeggen. We zagen immers

reeds hoe ook de eerwaardige Pennewip kind bleef op dit stuk, en in

z'n opvoedings-systeem het "breien en merken", waarin z'n ega zoo

uitmuntte, tot parallel-studie verhief van 't "psalm-zingen" en de

"leer der Zaligheid."

Hoe volleerd nu ook onze Wouter was in den katechismus--of liever,

juist omdat z'n god van school en katechizatie maar 'n onderwerp was

van leeslesjes--hy zag er geen bezwaar in, 'n geheel ander wezen in

z'n hart te dragen. En Jehovah schikte zich.

Bovendien, Wouters privaatgod was niet zeer aanzienlyk, en zelfs

niet verheven boven verwytingen. De kleine jongen veroorloofde zich,

hem kwalyk te nemen dat niet alles in de wereld overeenkwam met _zyn_

begrippen over 't goede, en hy was dan ook ernstig van plan allerlei

verbeteringen intevoeren, zoodra hy...

Wanneer? Hoe?

Dit: _wanneer_ en dit: _hoe_ speelden de hoofdrol in z'n gedachten. Het

denken hieraan beheerschte hem, en had den dubbelen invloed, eerst hem

neerslachtig te maken, en ontevreden met het tegenwoordige, vervolgens

kracht te geven tot geduldig dragen van de kleine tegenspoedjes die

hem drukten, omdat-i de hoop koesterde later alles te regelen naar z'n

wil. Later--mymerde hy dan--als-i zou aangekomen zyn op 't punt waar

hy wezen wilde! Later, als zyn God--dit was hyzelf, maar hy wist het

niet--ontwaakt zou zyn, of ... mondig! In zulke stemmingen zou 't z'n

gemoed verlucht hebben, wanneer-i had kunnen uitbersten in verwytende

jammerklachten. Maar hy was hiertoe te onbedreven in uiting. En,

bovendien, hy wist weinig van zichzelf, en zou inderdaad vreemd hebben

opgezien indien men hem den hier eenigszins beschreven toestand van

z'n gemoed had voorgespiegeld als de zyne. De mythologische poëzie die

in hem werkte, was hem evenmin bekend als aan Femke haar onschuld. Hy

droeg z'n hooggestemde levensopvatting in z'n binnenste, als 'n kool

vuurs. Ze brandde hem, martelde hem, maakte hem onvatbaar voor menige

andere smart, en jaagde hem voort, voort, naar...

Ja, waarheen?

Waarheen? Wanneer? Hoe?

Daar kwamen ze weer, die pynlyke vragen!

Ach, er was zoo véél te doen! En hy was zoo ver achter! Wat moest er

nog veel gebeuren voor-i 'n eind kon maken aan al 't verkeerde! En

dit toch was z'n roeping, naar-i meende. De straat was slecht

geplaveid. Daar ginds stond 'n huis op 't instorten. Leentje stak

povertjes in de kleeren. Er was onlangs 'n arme blindeman in 't water

gevallen, en verdronken. Er scheen niemand by geweest te zyn om te

helpen... ook alweer God niet. Bovendien, waarom was die man blind? En,

nu eenmaal blind zynde, waarom was-i arm? En, nu eenmaal arm zynde,

waarom ... och, er was geen eind aan verwytende vragen.

En telkens als er regen noodig was, bleef 't weken lang droog

weer. Maar 't plasregende als alles onder water stond. En dan las men

in de courant: als nu de wind maar oost werd! Welnu, de wind werd niet

oost. Wouter's God scheen niet te weten dat de wind oost worden moest,

en dus nog dommer te zyn dan zoo'n krant.

Is dat 'n behoorlyk bestuur? Is dat orde? Is dat 'n wereld

regeeren? Zóó slecht konden de zaken wel gaan zònder bestuur, zònder

almacht, zònder God!

O, er waren nog veel meer dingen in de war. De deugdzame Grieken

streden tegen de wreede Turken, en leverden dagelyks de by zulke

gelegenheden gebruikelyke heldendaden. Ieder had er den mond vol

van. Alleen God scheen alweer niet op z'n post te zyn. Marko Bozzaris

en Ypsilanti deden waarlyk hun best. Maar 't hielp niet veel. En al de

Grieken waren dapper. Maar dit hielp ook niet. En al de Turken waren

van 'n glad verkeerd geloof, 't Hielp nog niet. Zelfs hielp 't niet

dat ze zoo byzonder lafhartig waren, en overal by troepen te-gelyk

op de vlucht sloegen zoodra maar één Griek zich vertoonde ... tòch

werden elke week alle grieksche vrouwen, kinderen en grysaards

vermoord. Wouter's historische en krygskundige kritiek ging niet

ver genoeg om te vragen waarom de grieksche helden dit toelieten? Hy

hield zich aan de verantwoordelykheid van z'n god, en was recht boos

over zooveel plichtverzuim. Ignorantie kon de trage wereldbestuurder

ditmaal niet voorwenden. De zaak was _notoir_, want de kinderen op de

straat bezongen in tranenwekkende liedjes de heldendaden der Grieken,

en 't voortdurend wegloopen van die onchristelyke Turken. Menig

orgelman in Europa had goede dagen te danken aan de onmacht of de

onverschilligheid van Wouter's god.

En zie, daar vernam hy dat de ergernis over al dat plichtverzuim

zelfs was doorgedrongen naar vreemde streken, naar 't verre

Engeland... _hoofdstad: Londen aan de Theems met veel handel,

scheepvaart en 'n yzergietery. Beeft by 't hooren van 't Nederlandsch

geschut. De protestantsche godsdienst is de heerschende. Heeft ook

bezittingen in Aziën, Afrika, Amerika en Australië. Regeeringsvorm:

koninklyk. Getal inwoners ..._

Hm... zóóveel! Min één nu. Want zekere dwaas--dichter en lord was-i

ook--had er z'n zinnen opgezet om 't land uitteloopen, en met de

Grieken meetedoen. De man heette Byron, of zoo-iets, en verliet z'n

vaderland ...

Wel zeker, dit had Wouter ook willen doen--en met pleizier!--om

aan z'n god en die Turken 'n lesje te geven als-i maar... permissie

had kunnen krygen van z'n moeder, d. i. als-i maar niet 'n armzalig

schooljongetje geweest was! Ach, hoe gaarne had hy dien gelukkigen

engelschman gevraagd hoe men 't toch aanlegt om lord, dichter en

held te worden? En wat men doen moet, om van kleinen jongen zich

optewerken tot onsterfelykheid... niet die uit den katechismus! Een

voorrecht dat-i zou te deelen hebben met ieder ander die "geloofd

zal hebben en gedoopt zal zyn" kwam hem niet byzonder wenschenswaard

voor. Hy wilde in dit geval niets weten van verlossing, zoendood en

genade--altemaal dingen die zeer belangryk zyn in de schooltheologie,

en waarin-i dan ook op elk examen de eerste noot behalen zou--maar

de prikkel die hem thans aandreef, was van geheel anderen aard. In

z'n verbeelding zag-i hooggekleurde prenten met onderschriften als:

"Wouter's _begrafenis by Thermopylae_." De lykstaatsie bewoog zich

over 'n plaveisel van doodgeslagen Turken, drie man hoog, en zoo

breed als de prent maar eenigszins toeliet.

Daar by Thermopylae namelyk, had-i, zoud-i, moest-i...

Ach, ach, ach, hy had nog niets gedaan, niets nog! De Turken maakten

laaghartig misbruik van z'n verdrietige onvolwassenheid. En die

m'nheer Byron ook.

Was er niet valsheid in dat vooruitloopen van 'n mededinger,

die--geheel buiten zyn schuld immers--nog niet gereed was? Ook deze

onbehoorlykheid had God moeten voorkomen, meende Wouter. By zoo'n

verkrachten van wet en regel, was er geen eerlyk mededingerschap

mogelyk. Kon de Wereldgeschiedenis niet even wachten tot-i gereed was?

Dan zoud-i...

Wat? Hoe? Wanneer? Waarheen?

Alweer die martelende vragen!

Hy gevoelde behoefte om te schreien. En als-i de plaats voor 't kiezen

had gehad, waar-i door ontlasting van z'n gemoed z'n wrevel had mogen

verzachten tot weemoedigheid... och, dan had-i willen uitschreien

aan Femke's borst.

Het is opmerkelyk dat een der zéér weinigen die 't verband zouden

begrepen hebben tusschen... dat en dit, juist de Engelschman was,

die hy zoo verwenschte.

Ik geloof namelyk dat Byron--in-weerwil van z'n verzen dan--inderdaad

dichter was.

_Wouter's_ eerste studien in menschenkennis. _Il y perd son

latin_. _Leentje's_ extra-woordenboeksche bydrage tot de

kennis der nederduitsche taal. Een half dozyn verbazingen.

Niet dan zeer langzaam brak voor Wouter 't oogenblik aan, waarop hy

begon zich rekenschap te geven van 't verschil tusschen _uiting_ en

_daden_, of--want hiermee nam z'n studie 'n aanvang--tusschen _woord_

en _meening_. Maar dit oogenblik kwam toch, en wel nog juist by-tyds

om niet z'n naïveteit te doen overgaan in domheid. Een der eerste

aanleidingen die hiertoe meewerkten, was 'n schynbaar onbeduidend

voorval. Hy had op last van z'n moeder iets in 'n winkel gekocht,

en voor goed geld slechte waar thuis gebracht. De heele familie was

't eens: "dat dit nu al heel dom was voor 'n jongen die....

Volgt: de schoolknapheid.

...en: die in den handel zou gaan."

--Maar, moeder, de man zei toch....

Allen berstten uit in schamper gelach.

--Als men dáárnaar luisteren zou!

--Nu, wat men in zoo'n winkel zegt!

--Uiliger heb ik 't nooit gezien! Begryp je dan niet dat zoo'n man

bly is als-i z'n bedorven goedje van-de-hand kan zetten?

--Maar, jongen, ben je dan niet recht wys?

--Wat is er aantevangen met zoo'n kind!

De indruk van den storm die by deze gelegenheid over Wouter's hoofd

losberstte, was te dieper en blyvender omdat-i ditmaal zelfs by

Leentje geen troost vond.

--Ja, Wouter, zei ze, ikzelf moet zeggen dat het heel dom van je-n-is.

Dit "ikzelf" was hartelyk en verwaand te-gelyk. Het beduidde

zoowel: "ik, 't hooge hof van appèl!" als: "ik, die anders zoo

graag party voor je trek." Hoe ook opgevat, de slag was zwaar voor

Wouter's eigenliefde. Hy was dom, dommer, allerdomst, de domste van

allen. Leentje zelf had het nu gezegd.

--Maar de man zei toch...

--Gut, Wouter, de menschen liegen zoo! Wist je dàt niet?

--Maar ... hy gaf er z'n woord op!

--Wel zeker, dat doen ze-n-altyd, in alle winkels. Maar toch liegen

ze. Weetje hoe je doen moet, Wouter....

Hoe jammer dat dit gesprek plaats had in 'n burgerlyke

boven-achterkamer! Waarlyk, de schildery mocht aanspraak maken op

beter lyst. Leentje's woorden hadden verdiend te weergalmen langs

onafzienbare tempelgewelven, of als bedwelmende wierook heentedringen

door de spleten van 'n _krypt_. By de diepte van haar wysheid zou

'n ter-aarde gebogen priesterschaar niet misstaan hebben, noch

bebloede offersteenen, noch de bekende honderd ossen die bezig zyn met

overlyden aan ergernis over 't ontsluieren van 'n nieuwe waarheid. De

geheimzinnige Isis zal de mond openen...

--Maar hoe kan ik dan weten, Leentje, of zoo'n man de waarheid zegt

of niet!

--Wel, jongen...

De honderd ossen blazen honderd laatste adems uit. De stomme dieren

wisten wat er volgen zou.

--Wel, jongen, je moet altyd zelf uit je oogen kyken. Al wat de

menschen je zeggen, is maar _fut_, zieje!

Wouter kende dit woord niet. Als meer uitdrukkingen die tot 'n lager

soort van spreekwys behooren, was 't hem zeker meermalen in 't oor

gedrongen, doch altyd afgegleden op z'n onnoozelheid. Hy had het nooit

in z'n boekjes gevonden, en wist nog niet dat er zin kon liggen in

termen die niet waren geykt tot schoolgebruik. Voor weinige dagen nog

zoud-i in allen ernst aan Leentje gevraagd hebben onder welke klasse

van rededeelen 't gebezigde woord moest worden gerangschikt? Doch

'n toeval bewaarde hem ditmaal voor zooveel nuchterheid. Er lag in

Leentje's toon iets bepaalds, iets uitgemaakts, iets dat geen verder

redeneeren, en althans geen tegenspraak of twyfel toeliet, en deze toon

herinnerde hem aan 'n stembuiging, aan 'n toonval, aan 'n melodie....

Neen, 'n melodie was 't niet! Waar toch had-i--en onlangs nog--iets

gehoord, dat ... dat....

Iets dat ook Leentje zou hebben kunnen verkondigen. Iets waarop haar

maxime als 't ware 'n weerslag was....

Hy wàs er! Iets dergelyks immers had ook mevrouw Holsma gezegd. Hy

herinnerde zich haar: "wel zeker, ieder moet handelen naar z'n

overtuiging!" en op den klank af, begreep hy Leentje's apodiktische

uitspraak, zonder zich verder te bekommeren over den rang dien 't woord

"fut" bekleedt in de nederduitsche taal.

"Zelf uit de oogen zien!" En "ieder moet handelen naar z'n eigen

overtuiging." Hy dus ook. Hy, de kleine Woutertje Pieterse! Wel-aan

dan....

Ach, z'n nieuwe wysheid haalde hem dien dag 'n verdrietig geval op den

hals. 't Was diep in 't voorjaar, en de aardappelen die in ons landjen

't hoofdbestanddeel uitmaken der voeding van armen en burgerstand,

begonnen den dienst optezeggen. Ze waren byna zoo oneetbaar als de

nieuwe die men aan koningen prezent geeft. En Wouter nam de vryheid

dit, of zoo-iets, te zeggen.

Groot rumoer in den huize Pieterse! Zooveel brutaligheid had men nog

nooit bygewoond. Ieder was met die aardappelen volkomen tevreden,

ieder behalve die ondeugende jongen, die op z'n school....

--Zeg jyzelfs nu eens, Stoffel, of 't geen schande-n-is! De aardappelen

zyn verleje-n-Oktober "opgedaan" en de man zei, ze konden best

twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen,

overblyvers...

--Ja, moeder, riep Wouter, maar wat zoo'n man zegt, is... _fut!_

--Christenzielen, waar haalt-i de gemeenigheid vandaan! Moet ik nu

ook dàt nog aan je beleven? Maak dat je weg komt van tafel, of ik

zal je ... neen, zeg ik je, eerst je bord leeg! Leeg, leeg, heelemaal

leeg! Denk je dat ik je wil zien opgroeien voor't schavot? Ja, voor 't

schavot, zeg ik je! Want het is zonde wat jy doet, 'n ware zonde! Mag

je brutaal wezen tegen je moeder, en ... God verachten? Want dàt

zeg _ik_ maar, God heeft ze laten groeien ... die aardappelen! Weet

je dàt niet? Wat geeft het dan, of je-n-al allerlei dingen weet van

versies en sogrefie, en zoo-al? Wat zeg _jy_, Stoffel?

Men moet erkennen dat onze kleine ridder van de waarheid niet veel

voldoening had van z'n eerste heldenfeit. Toen-i zich later beklaagde

by Leentje, viel ook deze hem af, of althans niet onverdeeld by.

--Ja, zieje, Wouter, dat is nu zóó: de aardappelen, zieje, zyn ... niet

heel goed meer. En dat komt, omdat we ... Mei hebben. Want, zieje,

in Mei zyn de aardappelen altyd zoo slecht. Maar ... je mag daarom

niet brutaal wezen tegen je moeder. Want, zie je 'n mensch z'n moeder

... gut, _ik_ lust ze-n-ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil, dat je

moeder ... altyd je moeder is. Weetje wat je doen moet? Vraag haar

exkuus, en zeg dat je 't nooit weer zal doen.

--Maar, Leentje, als ik nu werkelyk die aardappelen zoo erg slecht

vind, en ze niet eten kan. En ... ieder moet toch handelen naar z'n

overtuiging, niet waar?

De laatste opmerking ging Leentje's sfeer te-boven. Ze bleef er by

dat Wouter vergeving vragen moest. En dit deed hy, maar met zwygend

voorbehoud zich schadeloos te stellen, zoodra hy....

Wanneer? Waar? Hoe?

Indien de oorzaak van z'n ergernis zich bepaald had tot de

slechte hoedanigheid der aardappelen, zoud-i reden hebben gehad

tot tevredenheid. Kort na z'n vreeselyke schavotzonde kwam hem

'n bondgenoot te-hulp, die den vyand uit het veld sloeg. By 't

behandelen van een der jonge-juffrouwen--in den burgerstand zyn altyd

'n paar huisgenooten ziek--had dokter Holsma gevraagd welk voedsel er

doorgaande gebruikt werd, en by deze gelegenheid het byna uitsluitend

gebruik van aardappelen, vooral in dit jaargety, verboden. Toen de

man over dit onderwerp begon, was Wouter angstig dat z'n moeder haar

denkbeelden, die hy meende te kennen, lucht geven zou op 'n wys die

niet paste by Holsma's toon en eenvoudige waardigheid. Maar hoe groot

was z'n verbazing, toen-i z'n moeder op-eenmaal welsprekend hoorde

worden in geheel andere richting dan onlangs toen _hy_ zich beklaagd

had over dezelfde zaak.

--Juist, dokter, zei ze. _Ik_ zeg ook dat het geen behoorlyk eten

is. En de kinderen ook. En Wouter ook. 't Kind kan ze niet eten, die

glazige dingen! En als 't nu uit zuinigheid was, dan zou ik zeggen:

wat God doet, is wèl gedaan, niet waar, dokter? Maar zóó deun hoeven we

't goddank niet te overleggen, en _ik_ zeg ook: liever goeie boonen

dan aardappels, die geen mensch eten kan. Daar heb je nu m'n oudste

dochter--Trui heet ze, maar we noemen d'r Sertrude--zy heeft óók

gezegd: niet waar, Trui?

--Ja, moeder.

Holsma verdiepte zich niet in de nasporing van wat Sertrude zou gezegd

hebben. Hy zei dat Wouter aanstaanden zondag by z'n kinderen verwacht

werd, en verzekerde juffrouw Pieterse dat aardappelen in 't late

voorjaar niet veel beter waren dan varkenskost. Deze waarheid, die

Wouter niet aan den man brengen kon, werd nu gunstig ontvangen niet

alleen, maar zelfs onder toejuiching ingehaald als 'n oude bekende

dien men byzonder genegen was. 't Spreekt vanzelf dat Wouter niets

van dien ommekeer begreep.

En zie, juist dienzelfden dag geschiedde er iets van geheel anderen

aard, dat de gelyksoortige strekking scheen te hebben hem wantrouwen

inteboezemen op z'n doorzicht. Juffrouw Laps werd verwacht. Hy had

haar niet weergezien sedert z'n ... zonderling bezoek, en wist dat

ook z'n huisgenooten nog niet in de gelegenheid waren geweest, van

háár kant iets te vernemen omtrent de wyze waarop hy zich ten-harent

gedragen had. Meer dan gewoonlyk zag hy tegen haar komst op. Hy

wist wel dat eens-vooral èlke omstandigheid tekst leveren kon tot

drukkende vermaningen, en zou dus bevreesd geweest zyn, ook al had

z'n afgelegd examen--of wat daarvoor heette doortegaan--'n normaal

verloop genomen. Maar nu?

Wat er eigenlyk geschied was, wist-i niet. Of liever, hy wist niet

waaròm er niets geschied was, en waaròm hy op zoo vreemde manier 't

mensch verlaten had? Zéker was het dat er iets haperde, en dit "iets"

zou wel op zyn rekening worden gezet. Bovendien, hy had z'n moeder in

den waan gelaten dat hy zich onder de leiding van de oefenaarster had

beziggehouden met genade, Israel, erfzonde en verwante rubrieken. Hoe

nu, indien zy aan 't licht bracht dat er over al die schoone vakken

geen woord gewisseld was, en dat Wouter's kwikzilverachtigheid daarvan

de schuld droeg?

De kans op ontdekking was des te grooter omdat de zeer ongunstige

stemming omtrent de oefenaarster, waarvan Moeder en Stoffel op den

bewusten zondag blyk gaven, juffrouw Laps waarschynlyk zou aanhitsen

tot wrevelige klacht. Hy zocht 'n middel om 't huis te verlaten,

en was juist gereed met 'n voorwendsel, toen er gescheld werd:

--Daar is ze, riep Petro die 't spionnetjen in 't oog had. Daar is

ze-n-al. Ze heeft 'r zwart merinossen japon aan, en drie korenbloemen

op 'r hoed. Toe, Wouter, je moet toch uit, doe jy maar 'ns open, als

'n jongen!

Hm, dit had-i liever niet gedaan! Op zoo'n wys hielp 't uitgaan niet

veel. Maar hy gehoorzaamde, als altyd. En zie:

_Tweede verwondering_.--Zoo lieve jongen, ben je daar om me de deur

te openen! Nu, dat is heel zoet van je ... ik heb altyd gezegd dat

je zoo'n best kind bent!

En ze gaf hem 'n tikjen op de wang. Wouter kleurde. Verlegenheid

en verbazing streden om den voorrang. Hy wilde langs de vriendelyke

bezoekster naar-buiten sluipen, maar ze liet het niet toe.

--Wat? Wou je uitgaan nu ik kom? Dat's niet mooi van je! Komaan,

die boodschap zal zoo'n haast niet hebben. Ik blyf niet lang. Wacht

maar even, dan kunnen we straks samen gaan. Hoe meer zielen hoe meer

vreugd, weetje. Dat zeg _ik_ maar.

En ze biologeerde Wouter de trap op, zoodat-i heel bedeesd met haar

weer de kamer binnentrad.

_Derde en vierde verwondering._ De heele familie Pieterse ontving

de bezoekster, alsof ze zich nooit had schuldig gemaakt aan

bybelverwaandheid. Geen spoor van verstoordheid over de bespottelyke

vordering: "dat zoo'n kind àlles weten zou!"

Als Wouter latyn te verliezen gehad had...

--Ga zitten, mensch, en neem je gemak. Mine-tje, leg jy nu eens de

juffrouw 'r hoed op 't kammenet ... korenbloemen, ja, net als Petro

gezegd heeft. Want Petro heeft je gezien, weetje, in 't spionnetje,

en ze zei ... nou, dat 's tot daaraan toe. En Sertrude zal de koffi

zetten, niet omdat we-n-anders op dit uur koffi drinken, och neen,

maar 't is gezellig. En hoe gaat het? We hebben je-n-in lang niet

gezien. Onze Mine heeft 't weer erg in den rug, en Louweris sukkelt aan

de fyt ... we hebben er koekdeeg op. Maar 't wil niet dóórgaan. Anders

... koekdeeg is 't beste. Voor de fyt niets beter as koekdeeg. Van

snyen houd ik niet, en Louweris ook niet. We hebben zoo'n goeien

dokter ... niet omdat-i zweeren snydt--gut né, want-i is dokter,

weetje, en geen surezyn--'t is maar om te zeggen dat we zoo'n goeien

dokter hebben. En hoe gaat het _uwe_!

De lezer zal zich wel nagenoeg kunnen voorstellen wat er op al die

praatjes werd geantwoord, mits-i zich 'n ander punt van uitgang

kieze, dan de zoo-even door Wouter ondervonden vriendelykheid op de

trap. Juffrouw Laps had verschot van uitdrukking op haar gelaat, en

't viel Wouter niet gemakkelyk zich te herinneren dat zy dezelfde

persoon was, die hem by 't binnenkomen zoo vriendelyk bejegende. Na

de verbazing over den toon die z'n moeder aansloeg, was dit dan ook

de oorzaak zyner:

_Vyfde verwondering._--En waarom ga je nu niet de deur uit? vroeg hem

z'n moeder. Ik kan je niet zeggen, m'n goeie juffrouw Laps, wat 'n last

ik van dien jongen heb! Zoo-even woud-i asseluut 'n boodschap doen--hy

moest 'n potlood koopen, weetje, om 'n landkaart te teekenen--want in

landkaarten is-i knap, en als 'n land niet deugt, veegt-i 't uit met

gommelistiek--en-i zei dat het moest, en dat het niet wachten kon,

zeid-i. En ik geef 'm 'n stuiver, en-i gaat, en ... daar zit-i nu

weer! Dat's geen manier van doen. Wat zegt uwe, juffrouw Laps?

--Wat _ik_ zeg? God-bewaarme, hoop ik, dat ik me moeien zou met

'n andermans zaken, juffrouw Pieterse. Dat's m'n zinnigheid en m'n

manier niet. Maar als je me vraagt, dan zeg ik....

--Maar, moeder, ik wil wel uitgaan! Ik wou juist uitgaan, toen....

--Zwyg, brutaal kind! Nu zàl je niet uit. Nu zeg ik je dat je dáár,

daar in 't hoekje, zal blyven zitten zoolang ik 't verkies. Ik kan die

koppigheid niet verdragen. Trui, geef de andere suikerpot ... er is

'n barsie in. Neem 'n boek, Wouter, en zit me niet zoo de woorden

uit den mond te kyken. Want, juffrouw Laps, dàt doet-i altyd. Wat

moet ik er in gods-heeren naam aan doen?

--'t Zit 'm alleen in de kerk, juffrouw, en in de dominees.

--In de dominees?

--Ja, juffrouw Pieterse! Wat ik je zeg! In de dominees en in de

kerk. Wat hoor je daar? Wereldsche praat, 't Ware geloof gaat te-gronde

met hun grieks en latyns en geleerdhedens! Denk je dat zoo'n kind wat

goeds leert in de kerk? Gekheid! Och ja, zoo dom was ik ook, toen

ik de genade nog niet had--met pinkster wordt het zeven jaar--maar

jawel! Prulwerk is 't, niets dan prulwerk. 't Heele woord "dominee"

komt in de Schrift niet voor. En "preek" ook niet. Wel lezen we dat

de vrouwen nederzaten aan Jezus' voeten. Dàt 's 't ware, zieje.

Natuurlykerwyze begreep juffrouw Pieterse 't verband niet, tusschen de

klachten over Wouter, en dezen onverwachten aanval op de officieele

kerk. Met de inschikkelykheid die in zulke gevallen 't kenmerk is

van verdraaide gemoederen, sloeg ze geen acht op 't ontbreken van

'n paar schakels in de redeneering, en begon meetespreken over de

onderwerpen die juffrouw Laps ter-tafel bracht. Wel was ze niet op

de ware hoogte van de zaak, maar zóó nauwkeurig kwam 't er niet op

aan. Logische geleidelykheid is geen suikerpot of jurk, waarin men

't minste scheurtjen opmerkt en betreurt.

--Ja, de dominees! Je hebt wel gelyk, juffrouw. Wil ik je-n-eens

zeggen wat de zaak is? 'n Dominee is net 'n mensch als 'n ander. Daar

heb je nu, byv. die man hier achter ons op de gracht ... hoe heet-i

ook, Sertrude?

Trui noemde een naam.

--Neen, dien meen ik niet. Ik bedoel ... och, 't is 'n naam die ... hy

heet ... help me toch, Trui? In de Lange-Niesel woont 'n man die byna

ook zoo heet, maar toch anders, heelemaal anders....

--De naam doet er niks toe, zei juffrouw Laps. Ik heb er niet tegen

dat het kind naar de kerk gaat, in 't minst niet! Al zingen ze daar

telkens gezangen die door menschen gemaakt zyn ...

De lezer weet, hoop ik, dat de psalmen 'n heel andere afkomst hebben?

... toch is 't beter dat-i dáár zit, dan dat-i zich thuis verveelt,

of rondloopt voor niemendal. Maar je moet niet denken dat het preeken

en bidden van de dominees aan den waren grond raakt, gut né! De

gemeente moet zich oefenen ... met mekaar, zieje! Dàt is het! Ik heb

verleje zondag duidelyk aan 't kind gemerkt dat jelui dit schandeloos

verzuimt. Wouter staat niet vast in de genade! In 't geheel niet,

volstrekt niet! 't Kind dobbert tusschen de vleeschpotten van Egypten

en den tabernakel des Heeren.

Hier volgde een beschryving van Wouter's gemoed, die juffrouw Pieterse

angstig maakte, en den betrokkene zeer verdrietig. Hy had den moed

niet, juffrouw Laps voor krankzinnig te houden--wat ze dan ook niet

was--en moest dus wanhopen aan z'n eigen verstand. Hoe toch kon zy

uit het voorgevallene by z'n bezoek al die gevolgtrekkingen halen? Er

was immers geen tyd geweest voor 'n theologisch woord. Hy had niets

gedaan dan hard wegloopen. En in-plaats van 'n berisping dáárover,

vernam hy eindelooze opmerkingen over meeningen die hy niet geuit had,

en over dwalingen die hy niet kende. Hy begon op wat toelichting te

hopen toen z'n moeder vraagde: uit welk boekje de juffrouw hem dan

"overhoord" had?

--Want, zieje, 'n ieder leert uit z'n eigen boek. En als je dan

op-eens uit 'n ander boek gaat vragen....

--Ik vraag nooit uit 'n boek, riep juffrouw Laps, met 'n waardigheid

die haar prachtig stond. Boeken zyn maar menschenwerk! Neen, dáárin

zit het hem niet!

--Maar, juffrouw, zei Wouter met z'n gewone bedeesdheid, u heeft me

niets gevraagd!

--Ik heb je niets gevraagd, zegje? Juist, zoo is het! Ik heb je

niets gevraagd? Dit moet ik nu hooren tot m'n dank! Je ziet nu zelf,

juffrouw Pieterse, dat het kerkgaan niet helpt. Zou anders 't kind,

na alles wat er gebeurd is, nog zeggen dat ik hem niets gevraagd

heb? Waar moet het naar toe, ik vraag je om Kristis' wil waar 't

naar toe moet? Zóó verzet zich de mensch, en weet niet wat tot z'n

eeuwigen vrede dient. De Heer kan toch niet telkens om den wil der

verstoktheid van 'n enkelen zondaar landplagen zenden, dat begryp

je-n-immers ook wel? Moest _ik_ je wat vragen, jongen? Of moest jyzelf

je zondig hart opdragen aan den Heer, tot verbryzeling en reiniging

en zaligmaking, hè? Gut, juffrouw Pieterse-n-als je-n-eens wist hoe

weinig uitverkorenen er zyn! Daar heb je nu, byv. Wouter. Geroepen

was-i, o ja ... maar dat's 't ware niet. Meen je dat-i komt? Dat-i

uitverkoren is, meen ik? Ik zeg: neen! Niet ... zie, zooveel!

En ze knipte met de vingers.

--Maar ... wat moet ik dan met het kind doen, juffrouw Laps?

--Stuur 'm gerust 'ns by me ... al was 't van avond nog.

Wouter rilde. Maar gelukkig drong z'n moeder dien dag niet op

de herhaling van 't bezoek aan. Integendeel, na 't vertrek der

oefenaarster, gaf de heele familie blyk van eenig gezond verstand

door de eenstemmige verklaring dat men toch eigenlyk uit haar praatjes

niet recht kon wys worden.

Dit troostte Wouter, die nog veel meer redenen dan de anderen had om

haar niet te begrypen. In z'n onnoozelheid meende hy slechts de keur

te hebben, háár voor waanzinnig te houden, of ... zichzelf!

_Wouter's_ intrede in 'n brok van de werkelyke

wereld. Taalkundigheid van den auteur, blykbaar in 't vinden

van den oorsprong van 't woord _hypotheek_, dat geboren

is op den zeedyk te Amsterdam. Zaken! Gods vinger in 'n

leesbibliotheek, naast snuif en tabak.

"In eene gevestigde handelszaak wordt gevraagd een jongeling

(_P. G._) van deftige familie. Vereischten zyn: eerlykheid,

goed zedelyk gedrag, en niet beneden de vyftien jaren. By

lust tot werken bestaat er vooruitzicht op salaris. Op 'n

fatsoenlyke behandeling kan men staat-maken. Reflecteerenden

worden verzocht zich met gefrankeerde en eigenhandig geschreven

brieven onder 't motto: "_Handel_" aantemelden by den boek-

plaat- en kunsthandelaar _E. Maaskamp_, Nieuwendyk by den

Dam te Amsterdam, waar te verkrygen is...

Welk kunstprodukt er in die dagen by Maaskamp van de pers kwam,

weet ik niet meer. Misschien iets van den aard der prenten die

Wouter kleurde. Bejaarde lezers zullen zich de hier bedoelde firma

herinneren, en de jongeren kunnen haar gebruiken als verklaring van

zekere uitdrukking die burgerrecht verkreeg in 't whistspel. 't Was

'n bonte winkel. Dáár zyn de hollands-fransche modeplaten verschenen,

waarnaar zich de "_incroyables_" en "_merveilleuses_" kleedden... niet

precies om te voldoen aan de proklamatie der Amsterdamsche Regeering

van 13 Juni 1795, die: "_bevallige tooy_" voorschreef "_bestuurd door

nette eenvouwigheid_."

De lezer vergeve my deze chronologische vingerwyzing, waaraan ik

hier bedachtelyk plaats geef om hem zooveel mogelyk in de war te

brengen. Ik wil namelyk by 't schetsen van Wouter's ontwikkeling niet

gehouden zyn aan tydrekenkundige stiptheid, en wel: 1º gemakshalve,

2º om wáár te blyven in hoofdzaken.

Ik weet zeer goed dat het "P. G." waarop met zoo aandoenlyke

geloofsvastheid gelet wordt by 't kiezen van keukenmeiden,

boodschaploopers en leerjongetjes, van later wording is dan de bloei

der Maaskampsche prentenkermis. Doch juist deze verwarring heb ik

noodig om my eens-vooral ontslagen te rekenen van tydrekenkundige

stiptheid. Juistheden van de hier verwaarloosde soort kunnen van hoog

belang zyn by geschiedschryvers die hun leven ten-pand geven voor

't korrekt aanhalen van 'n diploom. Psychologische kunstwaarheid

heeft àndere eischen.

Wanneer 't me, om Wouter te teekenen, gelegen kwam de republiek nà

Lodewyk, of Willem I vóór de republiek te zetten, zou ik 't zonder

gewetensbezwaar doen. Het ziekteverloop van onze Staatsgeschiedenis,

na den bouw der huizen langs Heeren- en Keizersgracht te Amsterdam,

zal men misschien kunnen waarnemen uit werken van andere soort dan

ik _nu schryf_. Of men 't ooit waargenomen heeft, is de vraag.

Met schryvers-almacht verkies en dekreteer ik nu dat het beminnelyk

"P. G." werkelyk voorkwam in de advertentie die de aandacht van

de familie Pieterse in zoo hooge mate opwekte. Stond het er niet

... welnu, 't had er moeten staan. Ik wil dit nu zoo.

--Ik zeg dat het niet mooier kàn, zei de moeder. En wat zeg jy,

Stoffel?

--Ja, moeder, 't kan niet mooier.

--Wat me zoo byzonder bevalt, is dat ze zoo aandringen op goed gedrag.

--Op goed _zedelyk_ gedrag, moeder!

--Ja, goed zedelyk gedrag ... hoor je wel, Wouter? Precies wat ik

je altyd gezegd heb. En ... er is uitzicht op salaris. Hoe vind je

dàt, Stoffel?

--Ja, moeder, maar ... hy moet lust in werken hebben.

--Daar moet je dan voor zorgen, Wouter! Lust in werken, zieje. Heb ik

je niet altyd precies 't zelfde gezegd? En ... ze vragen: "P. G." Dat

ben je, goddank!

--Ja, moeder, dat is-i!

--En, Stoffel, als _jy_ nu eens den brief schreef? Wat dunkt je

dáárvan?

--Maar ... er staat: eigenhandig!

--Wel zeker! Als jy nu eens 'n eigenhandigen brief schreef. Dat is

toch altyd beter, niet waar, dan dat zoo'n kind het doet?

Stoffel slaagde niet zonder moeite in 't begrypelyk maken dat hier

zeer in 't byzonder de eigenhandigheid van Wouter zelf bedoeld werd,

en dat de zyne--hoe mooi ook--in dit geval niet baten kon. Wouter

werd dus aan 't schryven gezet.

--Maar ... wat moet ik er boven zetten?

--Weet je dàt weer niet? 't Is heel eenvoudig! Je moet schryven:

_Weledele Heeren!_ Er staat immers dat het 'n gevestigde handelszaak

is?

--Ja, zei de moeder. En zet er by dat je vader ook 'n zaak heeft gehad,

'n _zaak_, zieje. We verkochten schoenen uit Parys. Anders denken ze

dat-i schoenmaker geweest is, en dat stáát niet.

--En schryf dat je de-n-eerste bent op je school ...

--En dat je van de Protestantsche Godsdienst bent ...

--En van goed zedelyk gedrag ...

--En dat je zooveel lust in werken hebt. Zieje, dan geven ze je

misschien terstond salaris.

Na eenige vruchtelooze pogingen op de lei, slaagde Wouter eindelyk

in 't voor-den-dag brengen van 'n staatstuk dat aan alle eischen

voldeed. 't Adres werd, na rype deliberatie: _Aan de Weledele Heeren,

den heeren ... motto_: "handel."

Maar ...'t frankeeren? Hoe te voldoen aan deze voorwaarde, als de jonge

handels-kandidaat den brief bezorgde in persoon? Stoffel had al z'n

wysheid noodig om te berekenen dat de Weledele Heeren ... _motto:

handel_, in dit byzonder geval wel iets door de vingers zouden

zien. "Maar, zeid-i, zeg 't er dan by, als je m'nheer Maaskamp te

zien krygt."

Met 'n bezwaard hart toog Wouter op-weg. Hy verbeeldde zich dat alle

voorbygangers 't hem aanzagen dat-i nu eindelyk de wezenlyke wereld

intrad, en bezig-was den "handel" te bestormen. De geringe dunk dien

hy van zichzelf had drukte hem neder. Hy vond er iets onbescheidens

in, zich aantemelden by _Weledele Heeren_ die 'n "gevestigde zaak"

hadden. Zóó stond er in de advertentie, en 't zou dus wel waar wezen.

By ieder manspersoon dien hy ontmoette, en die eenige deftigheid in

kleeding en voorkomen ten-toon spreidde, vroeg hy zich af: zou nu ook

die man 'n gevestigde zaak hebben? En 't was alweer karakteristiek,

dat-i verzuimde naar 'n antwoord te zoeken op de vraag: wat zoo'n

"gevestigde zaak" dan toch eigenlyk voor 'n ding was? En wat men te

verstaan had onder: niet-gevestigde zaken?

Nu, dit zoud-i spoedig genoeg te weten komen.

Stamelend vroeg hy aan 'n bediende in den winkel verschooning dat de

brief niet gefrankeerd was. Deze begreep hem niet, en smeet onachtzaam

Wouter's dokument in 'n bakje waarin reeds 'n paar dozyn stukken van

gelyken aard op 't goedgunstig welnemen van de Weledele Heeren Motto,

Handel & Cie lagen te wachten. Met verdere praatjes liet zich de

man uit den prentwinkel niet in, daar-i 't juist byzonder druk had

met het debiteeren van hoogkleurige Turkengevechten. De arme Wouter

watertandde naar zoo'n bonte schets van Grieksche dapperheid. Maar

wat baatte dit? Geld om er een te koopen, had-i niet. En bovendien

hy was op weg naar "handel" en niet naar heldendaden.

--Later, later! dacht-i.

Thuis-komende werd hy op de gewone wys over een-of-ander berispt. Z'n

moeder beweerde dat-i zeker niet fatsoenlyk genoeg den prentenwinkel

was binnengetreden. Anders toch zou die bediende hem wel vriendelyker

hebben te-woord gestaan. Ze vreesde dat dit 'n slechte noot zou

kunnen geven by de beoordeeling van z'n goed zedelyk gedrag waarop

de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, blykens hun advertentie,

zoo byzonder gesteld waren.

--En, zeg je, er lagen al zoo véél brieven aan dat adres? Gut,

Stoffel, als-i maar niet te laat komt! Wat hoeven nu al die menschen

zich terstond zoo haastig aantemelden, na zoo'n advertentie? Ieder

wil haantje-de-voorste wezen. God weet of er geen roomschen ook op

geschreven hebben, en of ze wel eens gelet hebben op 't goeie zedelyke

gedrag! Want, dit zeg ik maar, zoo zyn de menschen!

Er werd besloten dat Wouter nogeens naar Maaskamp gaan zou, en 't

adres vragen van de firma. Dan kon hy zich rechtstreeks aanmelden,

en al de anderen die nu "haantje-de-voorste speelden" zouden achter

't net visschen. Die onbescheiden haast was onverdragelyk, want het

was immers de vraag of ze wel behoorlyk protestantsch waren, en de

voorgeschreven lust in werken hadden? Juffrouw Pieterse was bereid

haar neus te-pand te geven op de zekerheid, dat er onder al die andere

kandidaten geen enkele zich zou kunnen beroepen op 't voorrecht dat

z'n vader schoenen verkocht die uit Parys kwamen.

--Dat kun je gerust aan die heeren zeggen, jongen! Je vader deed geen

steek. Hy kòn 't zelfs niet! 't Is maar, zieje, om te bewyzen, dat

we-n-ook 'n zaak hadden, 'n effektieve _zaak_! Gut, de man nam nooit

'n elst in z'n hand. Is 't waar of niet, Stoffel?

De Weledele Heeren Motto, Handel & Cie woonden ... ik weet niet waar

ze woonden, maar ze hadden 'n tabaks- en sigarenwinkeltje, gekombineerd

met 'n leesbibliotheek, gesticht op den _Zeedyk_, niet zeer ver van de

plek waarschynlyk, waar zes, acht eeuwen vroeger de "grootste koopstad

van Europa" werd opgezet door 'n paar visscherlui. Van parallel

tusschen 't succes dezer beide ondernemingen is nu geen spraak.

Wouter vond een van de Weledele Heeren kompagnons, in hemdsmouwen

achter de toonbank staan. De man was bezig met het afwegen van 'n paar

lood snuif, waarop 'n oud moedertje stond te wachten. Er werd dus wel

inderdaad handel gedreven in dat huis, en de heeren aanvragers hadden

de waarheid niet te kort gedaan, toen ze beweerden aan 't hoofd te

staan van 'n "gevestigde zaak."

Indien Wouter zich met eenig oordeel des onderscheids illuzien

gemaakt had over de beteekenis van 't woord: "handel" zoud-i by deze

gelegenheid zich zeer teleurgesteld gevoeld hebben. Maar dit had-i

niet gedaan, en wel verre van de meening dat die snuifman zich wat

hoog betiteld had, verweet hy met de eigenaardige weekheid van z'n

gemoed zichzelf dat-i de ware beteekenis van 't woord "handel" niet

vroeger had begrepen. _Nu_ wist-i 't! "Handel" beteekent zooveel

als in hemdsmouwen achter 'n toonbank snuif te wegen. En ... op den

_Zeedyk_ nogal!

Ik ben doordrongen van den voorgeschreven eerbied voor de beide

visschers--laat ons voor de gezelligheid hopen dat ze van tweërlei

geslacht waren!--die, zonder te weten wat ze deden, Amsterdam

"stichtten." Maar ook aan m'n lezers heb ik verplichtingen, en om

hunnentwil moet ik de treurige erkentenis afleggen dat het bedoeld

visscherspaar, evenmin als de Weledele Heeren Motto, Handel & Cie,

'n zeer fatsoenlyke buurt kozen voor de uitoefening van hun bedryf. By

stedenstichters is dit 'n allergewoonste, maar toch onverklaarbare,

fout. We mogen dan ook aannemen dat die visschers, als ze hun

belangryke onderneming eenige eeuwen later hadden aangevangen, hun

eerste hut zouden gebouwd hebben op de Keizersgracht, om 'n deftige

afkomst te bezorgen aan de patriciers die eenmaal de wel wat al te

bescheiden goedheid zouden hebben hun nazaten te worden.

Ook de heeren Motto, Handel & Cie hadden wel iets meer acht mogen

slaan op de keuze van 't plekje waaruit de adel van hun nageslacht

zou voortspruiten. Verwaarloosden ze dit uit nederigheid?

De tabaks- en sigarenhandel nam slechts de halve breedte van 't huis

in, en stond door 'n zydeur in gemeenschap met 'n leesbibliotheek, die

't vloerlokaal van de andere helft vulde. Boven de winkelraampjes,

rechts en links van den ingang, besloegen twee lankwerpige borden

de geheele breedte van 't perceel, en gaven door overeenstemming

van kleur, maaksel, symmetrische plaatsing en lettersoort der

opschriften, duidelyk te kennen dat ze, als de Mensch volgens den

bybel, bogen konden op eenheid van oorsprong, 't Moest 'n byzonder

domme voorbyganger wezen, die niet bemerkte dat de "zaak" van de heeren

Motto, Handel & Cie "gevestigd" was op twee industrien te-gelyk. Wie

niet rooken of snuiven wilde, kon zich hier van lektuur voorzien,

en omgekeerd.

Op het bord boven de tabak- en snuifhelft, werd verzekerd dat er

in die lokaliteit iets "gefabriceerd" werd. De ordonnateur van 't

opschrift scheen dus in de meening te verkeeren dat in dit byzonder

geval het vervaardigen van eenig voorwerp, of wel het toebereiden en

smakelyk maken daarvan, hooger stond in maatschappelyken rang, dan

't verkoopen. Juist andersom dus dan we 't genoegen hadden waartenemen

by de schoenenfabriek van de Pietersens. De geleerden zyn 't nog niet

eens, aan welken kant het grofst gedwaald werd. Eén ding is zeker: wie

't eene nalaat uit tegenzin, luiheid of onbekwaamheid, en 't andere

versmaadt uit welbegrepen eerbied voor z'n karakter, staat hooger

dan alle anderen. Uit de zoodanigen namelyk kiest men by-voorkeur de

voorgangers van de Volken die nog niet geheel ontaard zyn.

Of 't evenwel waar was dat er in de hier "gevestigde zaak" inderdaad

iets _gemaakt_ werd? Eigenlyk niet, wanneer we de papieren zakjes

uitzonderen, die geplakt zouden worden door den P. G.-jongeling

van allerbest zedelyk gedrag, die zoo'n byzonderen lust in werken

hebben zou.

De handelswaar waarmee 't winkeltje gestoffeerd was, bedroeg

ter-nauwernood de waarde van 'n jaar huur, en de booze wereld van den

_Zeedyk_ durfde zelfs beweren dat de twee blauw-porceleinen vazen,

waarop in ouwerwetsche krulletters de woorden: _rappee_ en _zinking_

te lezen stonden, voor drie stuivers in de week waren geleend van 'n

uitdrager in de buurt. Kwaadwilligen beweerden dat de man dagelyks

kwam kyken of z'n kostbare stukken nog wel behoorlyk schildwacht

hielden op de toonbank: [Greek: hypo Thêkê]

De winkel was zeer ondiep, en werd aan de achterzy begrensd door 'n

groen-saaien gordyn, die den binnentredenden kooper, mits-i niet scherp

zag, in den waan kon brengen dat er wat achter stak. En, zeer stipt

gesproken, was dit ook zoo. Er hing 'n verweerd scheerspiegeltjen in

die alkoof, ter opvroolyking van den eenzamen stoel--op dit oogenblik

getooid met de jas van den Weledelen heer Motto--en van 't halfrond

tafeltje dat tegen den wand leunde, waarop 'n pomadepot aan 'n kam

scheen te verwyten dat-i op zyn jaren zich bespottelyk maakte door

'n mislukte poging tot tandwisselen. De heer "patroon" Motto namelyk,

hield zich in de weinige oogenblikken die hy niet aan "handel" wydde,

niet ongaarne bezig met het verhoogen en verfynen van de hem door

Natuur verleende schoonheid, en was er in geslaagd rechts en links

van z'n gelaat 'n glimmende haarlok te ontwikkelen, waaraan-i veel

moeite en vet ten-koste leî, en die dan ook de bewondering opwekte

van al wat er vrouwelyks in den winkel kwam.

Dat overigens in dien winkel zelf 'n groote rol werd gespeeld

door leege sigarenkisten... zou niet begrepen worden door den

oudheidkundigen lezer, die Motto's lokken geen plaats geven kan

naast sigaren. De bloeityd namelyk van deze beide zaken staan niet in

synchronistisch verband, en juist om me te wapenen tegen aanmerkingen

op zulke fouten, voel ik me genoopt zoo onhebbelyk baas te spelen over

de geschiedkundige perioden van m'n verhaal. In Wouter's jeugd was 'n

sigaar nog altyd 'n zeldzaamheid, en ik maak me dus hier schuldig aan

'n gelyksoortige verkrachting van de waarheid, als Virgilius die Dido

laat hofmaken aan Aeneas, en als Florian die Zoroaster tot leermeester

van Numa Pompilius aanstelt.

--Zoo, wou jy hier in den handel komen? vroeg Motto, toen-i 't oude

vrouwtje geëxpedieerd had "met 'n snuifjen uit den pot _toe_." En

wat ken je-n-al zoo wat? Lezen, schryven, rekenen, fransch ... hè? En

wat doen je ouwers?

--In ... schoenen, m'nheer, uit Parys. Maar fransch ken ik

niet. Rekenen wèl ... den heelen Strabbe.

--Zoo? Ken jy rekenen? Hoeveel is dan anderhalf _pietje_? Wouter

stamelde dat-i 't niet wist, en gaf dus blyk van dezelfde domheid

als ik in de meesten van m'n lezers veronderstel, voor zoover ze

't geluk hebben minder dan 'n halve eeuw oud te zyn.

--Dàt moet toch iemand weten die rekenen kan! Je weet dus niet wat

'n _pietjen_ is? En ken je-n-'t verschil wel tusschen 'n _zest'half_

en 'n schelling? En tusschen _daalders_ en _acht-en-twintigen_? Kyk ...

De heer Motto trok de lade open, en scheen naar 'n "_daalder_"

te zoeken, doch om deze of gene oorzaak vergenoegde hy zich voor

deze keer met 'n "zest'half." Hy stelde Wouter's handelskennis op de

proef, door hem optedragen 'n "schelling'" daarnaast te leggen--in z'n

verbeelding--en zich dan met redenen bekleede rekenschap te geven van

't verschil. Dit alles moest men "in den handel" precies weten en

kennen, beweerde m'nheer Motto.

Laat ons rechtvaardig zyn, en iemand die de waarheid zegt, geen

geloof weigeren omdat-i vette lokken draagt, en in z'n hemdsmouwen

snuif verkoopt achter 'n toonbank. Het was zeer juist gezien van

den heer Motto, dat-i de kennis der geldsoorten onmisbaar achtte

voor iemand die "in den handel" gaat. De overlevering luidt dat-i er

grondbeginselig byvoegde:

--Dat's 't voornaamste!

--En fransch versta je-n-ook al niet? vroeg de heer Motto op niet

zeer bemoedigenden toon.

Helaas neen!

--En zouden je ouders genegen zyn om borgstelling voor je te storten?

Wouter gaf blyk dat-i deze vraag niet begreep.

--Borgstelling, weetje? Er gaat veel om in m'n zaak, en je begrypt

dat ik weten moet wien ik winkel en lâ toevertrouw. En ... versta

je deensch?

--N... e... e... n, m'nheer!

--Zoo! Deensch ook al niet? 't Is maar, weetje, omdat hier soms wel

'reis deensche matrozen komen om 'n onssie tabak te koopen. In 'n zaak

als deze moet je-n-alle talen kennen ... dat's 't voornaamste! Anders

ben je _fittu_! Grieken heb ik hier ook al gehad...

Wouter's gemoed sprong op. Hy had zoo gaarne willen vragen welke

heldendaden ze by zulke gelegenheden gewoon waren uitterichten?

--Ja, Grieken zelfs. Maar ze waren dronken, en wilden 'n pruim

negerhaar hebben voor niemendal. Daar doe-n-ik niet aan. Want op de

kleintjes passen is 't voornaamste! Anders ben je _fittu_, zieje? 't

Is maar om je te zeggen dat je-n-in den handel alle talen moet kennen,

om alle-man te-woord te staan. Dat's 't voornaamste! Maar dat's nou tot

daaraan toe, als je ouwelui maar behoorlyk borg kunnen stellen. Er is

soms wel tien gulden in de lâ, weetje, en in den handel moet 'n mensch

z'n zekerheid hebben. Dat's 't voornaamste! Anders ben je _fittu_,

dit begryp je zelf wel.

--M'n vader is dood, zei Wouter, alsof deze byzonderheid de

borgstelling minder noodzakelyk maakte, maar eigenlyk omdat-i niet

wist wat-i zeggen moest, en toch 'ns eindelyk wat zeggen wilde.

--Zoo? Dood? Ja, dat komt soms voor. Dood? Heel goed! Maar heb je

dan geen moeder die voor je storten kan?

--Ik... zal... 't... 'r... vragen, stotterde Wouter.

--Wel zeker! Ga jy 'r dat maar terstond vragen. Want, zieje, in den

handel komen geen praatjes te-pas. Zóó gezegd, zóó gedaan, dat's 't

voornaamste! Anders ben je _fittu_. Hier is nòg 'n winkel. Daarin heb

je ook te werken ... als je moeder storten kan. Dat's 't voornaamste!

De Weledele Heer Motto geleidde Woutertje in de leesbibliotheek. Langs

de drie wanden stonden eenige kasten met boeken die tot aan de niet

zeer hooge zoldering reikten. Overigens bevond zich in dat lokaal

niet veel anders dan 'n inslagtrapje dat dienen moest om de wat

hoog hangende vruchten der letterkunde te plukken, en 'n dik boek

waarin de protestantsche jongeling die lust in werken had, de namen

zou opschryven van de personen die zich aan dezen hengstebron kwamen

laven voor 'n dubbeltje per ingebonden teug in de week. In Wouter's

tyd namelyk, was de beschaving van deze soort duurder dan tegenwoordig,

en abonnement was uitzondering.

--Zieje, zei m'nheer Motto, daar is 't boek, of wat je zou kunnen

noemen: 't grootboek. Je verstaat toch 't boekhouden wel?

Wouter was genoodzaakt te erkennen dat ook dit alweer behoorde onder

de vele vakken die hy niet bestudeerd had.

--Ook al niet, jongen? Dat's toch in den handel 't voornaamste! Want,

zieje, wie dàt niet kan, is _fittu_. 't Is heel eenvoudig. Je moet

opschryven wie 'n boek haalt, met dag en datum er by, en 't huisnummer,

en de straat, en alles. En als ze-n-'t weerom brengen, dan haal je-n-'r

'n streep door. 't Zou er mooi uitzien als je dàt niet deed! En als

je de menschen niet kent, moet je...

--Pand vragen? riep Wouter snel, verheugd dat-i eens eindelyk wat wist.

--Ja, pand. Eén gulden voor elk deel van 't heele werk. Want, dit

begryp je, als er één deel weg is, is 't heele werk _fittu_. Van de

sigaren en de snuif zal ik je later alles precies uitleggen, maar ik

moet eerst weten of je moeder ... ga 't 'r maar 'ns gauw vragen! Ik

heb nu al zesmaal alles haarklein uitgelegd--want aan jongetjes die in

'n zaak willen, is waarachtig geen gebrek--maar als 't dan aankomt

op Mozes en de profeten--de borgstelling, weetje!--dan halen ze

bakzeil. En dat's toch 't voornaamste! Zeg dit aan je moeder. Anders

... je ziet er nogal knappies uit ... als ik maar zeker weet dat je

storten kan! Ajuus!

Wouter ging in zonderlinge stemming naar huis. Dat die man in

hemdsmouwen een niet by-uitstek bevoegd vertegenwoordiger van den

"handel" was, kwam niet in hem op. Hy-zelf had zich vergist, meende

hy, in 't weinigje begrip dat-i zich van dat woord vormde. Toch zoud-i

zeker 'n allerontmoedigendst relaas van z'n wedervaren hebben afgelegd,

indien niet die leesbibliotheek hem had aangetrokken. Wat al Gloriosoos

konden daarin zyn! En misschien nog schooner dingen!

Het aandringen op borgstelling werd door den daarop belegden

familieraad in-den-beginne niet zeer gunstig opgenomen. Maar toen

Stoffel verzekerde dat-i er meer van gehoord had, en dat het in den

"handel" gebruikelyk was, kwam men na eenig bieden en dingen tenlaatste

met de firma Motto, Handel & Cie overeen, dat er 'n som van honderd

gulden zou worden gestort, die 'n jaarlyksche rente van drie en-'n-half

procent zouden opbrengen. Héél aangenaam vond juffrouw Pieterse deze

transaktie niet. Ze was gewoon, door edelmoedige bemiddeling van

'n makelaar, vier percent van haar geldje te trekken. "Maar, zei ze,

men moest wat over hebben voor z'n kinderen."

Het bevreemdde Stoffel, die met de onderhandelingen belast was, dat-i

van de firma nooit iets anders te zien kreeg dan de eerste helft, of

't eerste derde. Hy was zoo vry z'n verwondering hierover in gepaste

bewoordingen te kennen te geven, en vernam nu dat het staartjen:

_& Compagnie_, tot de klasse der welluidende verzinselen behoorde,

en dat ook de heer Handel 'n voortbrengsel was van Motto's ryke

verbeeldingskracht. Als 'n Atlas droeg deze de dubbel "gevestigde

zaak" op z'n reuzenschouders. Vanhier dan ook dat-i in oogenblikken

van menschelyke zwakheid zich soms vermoeid voelde, en gelegenheid

zocht 'n deel van z'n last op den nek te wentelen van 'n protestantsch

jongetje dat lust in werken had, en ... _cautie_ stellen kon. Dit was

't voornaamste ... inderdaad!

Wel eenigszins ten-nadeele van z'n tabaks- en snuifkennis, omvatte

Wouter's gemoed het ander deel van z'n werkkring met 'n liefde

... och, als-i zooveel gesnoven of gerookt had, als gelezen, zou-i

ziek geworden zyn! En ... rechtstreeks gezond werkte dan ook het

verslinden van al die boeken niet! Met 'n waren geeuwhonger slikte

hy ryp en groen in--véél ryps was er niet by!--en las hy al sneller

en sneller. Hy begon zekere vaardigheid te krygen in 't voorzien van

den loop der geschiedenissen die hy in-handen kreeg, en was weldra

beter vertrouwd met den burgerlyken stand van helden en heldinnen

dan eigenlyk 'n auteur aangenaam is. De bekwaamste _faiseur_ kon

geen tien bladzyden lang 'n vondelingetje doodarm laten, zonder dat

Wouter de sterren en ridderkruizen zag schitteren, waarmee 't kind zou

getooid worden op 't laatste blaadje. Deze scherpzinnigheid ging in

't onbescheidene over. Komiek echter was het dat hy ook alweer van

dezen vooruitgang--eenigszins betrekkelyk verdiende het dezen naam,

want men kon 't als 'n stap tot hooger beschouwen--zichzelf geen

rekenschap gaf. Oppervlakkig beoordeeld, zou men meenen dat-i na

zóóveel welgelukte oefening in juistraden, die romanknoopjes beneden

z'n aandacht gesteld had. Toch was dit het geval niet. Ondanks alle

ontwikkeling van z'n _begrip_, bleef by hem de naïveteit van _smaak_

en _opvatting_ ongeschonden. Al _wist_ hy welke ridder straks onder

de hoede van 't Meduza-schild des schryvers, overwinnaar wezen zou

in het tournooi, toch had hy 't geduld zich langs de voorgeschreven

_ficelles_ te laten leiden tot op 't oogenblik van den officieelen

triumf, en hy zou 't zondig en deloyaal hebben gevonden, één sekonde

vóór den tyd Saksers en Normandiers toeteroepen:

Helpt eens kyken of niet de verzwakte Ivanhoe dien bluffer Brian de

Bois-Guilbert flink op den kop slaat!

En ... en--och, ik durf 't byna niet zeggen, doch wáár _is_ het!--hem

bezielde daarby 'n gevoel alsof hyzelf...

Ivanhoe was?

Neen! Alsof hy, Woutertje, voor de godheid gespeeld had, die den

uitgeputten brave kracht gaf tot het verpletteren van den krygshaftigen

booswicht. Met het wegloopen van Eachin Mac-Jan in _Valentins day_,

en den solieden moed van den nuchteren Sigismund in _the Maiden of the

mist_, is en was die ontknooping een der schoonste grepen van Walter

Scott, en ... van Wouter! Want hy zou precies zóó gehandeld hebben,

èn als auteur, èn als ridder, èn als beschikker over den uitslag van

'n godsoordeel!

En wat hy die arme Rebekka liefhad! En wat-i haar graag stammoeder

had gemaakt van alle engelsche ridders, van koning Arthur af tot dien

voorbarigen lord in Griekenland toe!

O, als _hy_ 't boek geschreven had, als _hy_ de god ware geweest,

die door bemiddeling van almachtige schryvers, helden en booswichten

op hun respektieve plaatsen zet...

Ja ... àls! Maar daar rinkelde dan op-eens de deurschel van de

snuifhelft, en er werden van den hoogmoedigen Wouter heel andere

dingen gevorderd, dan god-zyn. Er was tabak of snuif noodig.

't Eenige wat de omstandigheden hem in zulke oogenblikken vergunden op

't gebied van 't goddelyke te leveren, was dat-i nauwkeurig woog,

en niemand 'n sigaar "van de tien" in-handen stopte voor 'n dito

"van de acht." En zelfs dit konscientie-werk trof geen doel, want

de heeren Motto, Handel & Cie hadden de handelsgewoonte deze en

andere rubrieken aangevuld te houden uit de soort die eigenlyk "van

de twintig" zou moeten heeten, als zy 'n naam gedragen had. De heer

Motto beweerde dat z'n klanten gewoonlyk dronken waren, en dat men ze

in alle gerustheid koolbladeren kon te rooken geven. "Je moet altyd

zien wien je voor hebt, zeid-i, dat's 't voornaamste!"

Dit nu leerde Wouter in de bedoelde beteekenis, nooit. Tien was

hem _tien_, acht was _acht_, onverschillig met wien hy te-doen

had, en wat daarbuiten ging bleef hem uit den onbegrypelyke. Van

liegen om rechtstreeks voordeel had-i geen begrip. Wel van

onwaarheid uit verlegenheid of angst. Maar ook dan zelfs, indien

men hem op eenvoudige wys gevraagd had: "is 't _waar_ wat je daar

zegt?" zoud-i hoogstwaarschynlyk _byna_ altyd--en toen-i moediger werd:

_altyd_--geantwoord hebben: neen, ik heb onwaarheid gesproken!

Ik laat nu daar, in hoever deze logisch-moreele zin hem aangeboren

was. Zeker werd z'n afkeer van onjuistheid--vreemd genoeg!--gevoed

door al die lectuur. Dit klinkt te zonderlinger, als men in aanmerking

neemt dat slechts 'n zeer klein gedeelte daarvan tot de soort behoorde

van den aangehaalden Ivanhoe. Het lydt geen twyfel dat Wouter z'n tyd

beter had kunnen besteden, of liever dat dit het geval zou geweest

zyn met byna ieder ander kind. Maar z'n natuurlyke inborst dreef

hem--naast veel kinderachtigs, gelyk we reeds zagen by-gelegenheid

der kennismaking met Glorioso--om voornamelyk behagen te scheppen in

wat ik in _Millioenen-Studien_ "zedelyk rym" noemde. De als dapper

geschilderde ridder vocht tot-i overwinnaar of dood was. Alleen

doodelyk gekwetsten gaven zich gevangen. Zóó behoort het, en Wouter

zou precies zoo gehandeld hebben. De allerschoonste schoone van 't

stuk werd door ieder bemind, en de afgewezenen stierven van wanhoop,

of lieten zich aanwerven by 'n aan den dood gewyde kohorte. Dat's

korrekt! De deugdzamen bleven braaf, trots duivel en hel, en zelfs

in-weerwil van de verveling. Wie eenmaal door 'n schryver benoemd

was tot model, had geen smetjen op z'n kleed, 't Was de vraag of

zoo-iemand buikpyn of jicht hebben kon, en zéker is 't, dat-i in al

die boeken nooit jicht of buikpyn hàd. Prachtig!

Met de gebrekkigheid die zulke produkten uit 'n oogpunt van _Kunst_

aankleeft, liet Wouter zich nog niet in. Hy wist niet, of dacht er niet

aan, dat de voorgestelde volmaaktheid, 'n verkeerde voorstelling,

en dat alzoo die volmaaktheid valsch was. Hem was 't voldoende

dat ieder die in zoo'n roman werd opgevoerd, akkuraat deed wat de

schryver hem opdroeg. De booswichten deden niets dan verraden. De

helden sloegen alles dood. De boekschoone jonkvrouwen betooverden de

halve wereld. En, ook God--Wouter's god--vervulde in al die boeken

z'n plicht veel beter dan ... byv. op den _Zeedyk_, waar-i gister nog

'n kleinen jongen had zien mishandelen door 'n groote. 't Moest eens in

'n boek gebeuren ... alle ridders zouden te-hoop geloopen zyn!

En ook Wouter had getracht...

Kon hy 't helpen dat z'n patroon hem op strengen toon terugriep?

--Wat bliksem gaat dat jou aan? Jy heb je zaken hier in den winkel! Pas

dáárop! Nooit je-n-inlaten met 'n andermans krakeel... dat's 't

voornaamste!

Ziedaar 'n wysheid van àndere soort dan in z'n boeken stond!

Hy las er niet minder vlytig om. In-den-beginne zou de geschiedschryver

van z'n uit- en inspanning, by deelen geteld hebben. Zeer kort

daarna, by geheele werken, al waren ze zoo lang als de nooit ten-eind

gebrachte: _Sophia's reize van Memel naar Saksen_--och, Wouter vond

Sophia's oneindige reis veel te kort!--en eindelyk by planken. By

planken, ja, en juist zoud-i 'n begin maken met de laatste, toen-i op

zekeren morgen de deur van den winkel gesloten en verzegeld vond. De

Weledele heer Motto was als matroos naar Amerika--'t voornaamste

zeker!--en de ongelukkige dienaar van de beide snuifpotten had

'n verdrietig proces over de belangryke rechtsvraag of de pagoden:

_rappee_ en _zinking_ al dan niet mochten verzwolgen worden in de

"faillite massa."

Volgens Romeinsch Recht namelyk, en dit vooral behoort by kwestien

op den _Zeedyk_ te Amsterdam geraadpleegd te worden...

Nu ja, de Romeinen snoven niet, en gaven dus geen voorschriften over:

_râpé_. Ik weet niet hoe de zaak werd uitgewezen.

We willen hopen dat ieder 't zyne kreeg, tot de Romeinen toe. Juffrouw

Pieterse, minder gelukkig, was haar honderd gulden kwyt, en klaagde

als vroeger: "dat er met dien jongen altyd wàt was!"

Alsof Wouter 't helpen-kon!

Maar hèm speet het zeer dat-i zoo zonderling gestoord werd in z'n

lektuur. De geheimzinnige afkomst van den jongen roover lag hem wel

klaar voor oogen, maar... men wil toch altyd in zoo'n geval gaarne

weten of men juist geraden heeft. Om van myn kant het bankroet van de

Weledele Heeren Motto, Handel & Cie, voor den lezer zoo dragelyk te

maken als maar eenigszins wezen kan, wil ik hier wel verklappen dat

Bulwer's _Paul Clifford_ wel inderdaad de zoon was van de stiefdochter

zyner beminde ... neen, dit klopt niet. Iets van dien aard dan ... of

wat anders, als 't maar terdeeg spannend en onmogelyk is.

Over zekere digestie-verschynselen, en de betrekkelyke

bruikbaarheid van slecht voedsel.

Na de vermelding van dat proces over de snuifpotten, ligt het in den

aard der zaak hier de herinnering te verlevendigen aan 'n ander proces,

dat misschien in zeer ouden tyd zou kunnen gevoerd geweest zyn tusschen

bodem en zaad. Daarby had de vraag kunnen gesteld worden, wie van deze

faktoren 't meest bydraagt tot de eigenschappen van plant en vrucht, en

we mogen aannemen dat alle rechters zich inkompetent zouden verklaard

hebben. Eerstens omdat de zaak zeer ingewikkeld is. En vervolgens,

wyl ze had kunnen dagteekenen van vóór den tyd der Romeinen. De lezer

weet uit de snuifpot-kwestie en andere bronnen, dat geen verstandig

man in de negentiende eeuw zich aanmatigt 'n denkbeeld te vormen

van _Recht_, voor-i wel en deugdelyk in oude boeken heeft nagelezen

wat de Romeinen er van zeiden. Hun chicane-auguren zyn nog altyd in

hooge achting, te-meer omdat ze--na Cicero's waarschuwing--finaal

afgeleerd hebben elkaar in 't gezicht uittelachen wanneer ze 't

genoegen hebben 'n kollega-_auspex_ of 'n konfrère-_haruspex_ te

ontmoeten op den publieken weg. Wat ze binnen'skamers doen, staat

aan hun bescheidenheid.

Hoe dit zy, misschien was eenmaal de stryd tusschen grond en

zaadkorrel, 'n _question brûlante_, waarmee onze overgrootouders zich

den slaap uit de oogen hielden. Zonder wyzer te willen zyn dan 'n

Romein, of onvoorzichtiger dan die inkompetente rechters, waag ik de

gissing dat men by de pogingen ter oplossing niet uitsluitend letten

moet, noch op de hoedanigheden van 't gestrooide zaad, noch op die

van den bodem. Het komt me voor, dat ook--en misschien vooral--de

_verhouding_ tusschen wederzydsche deugden en gebreken moet in

aanmerking genomen worden.

Zéker is 't dat de in Wouter's gemoed uitgestrooide romanlektuur

niet zóó nadeelig werkte, als met schyn van grond zou gevreesd zyn

door iemand die de hoedanigheid van dit zaad op-zichzelf beschouwd

had. Ook de aanraking met dien Motto en 's mans zonderlinge klanten,

had minder schadelyke gevolgen dan, oppervlakkig beoordeeld, had

kunnen verwacht worden.

Dóórdenkende over den invloed dien een-en-ander noodzakelyk op Wouter's

ontwikkeling maken moest, kom ik zelfs tot het besluit--er hoort moed

toe!--dat deze invloed inderdaad gunstig geweest is.

Wouter's gemoed was zacht, tot het zwakke, weeke en ziekelyke toe. De

omstandigheden waarin hy door de onverantwoordelyke slordigheid

van z'n verwanten geplaatst werd, moesten hem òf neerbuigen en

zedelyk vernietigen--en hierop scheen de kans het grootst!--òf

... buitengewoon versterken. Een middelweg bestond hier niet. Ieder

die--zonder nauwkeurige bestudeering der eigenaardigheden van 't kind,

maar overigens voldoend ingelicht--van de zaak had kennis gedragen,

zou 't ergste gevreesd hebben, d.i. het gewone.

De verregaande zachtheid die aanvankelyk Wouter's hoofdeigenschap

uitmaakte, zoo ruw gewreven tegen een der onbehagelykste staaltjes

van werkelykheid die de buitenwereld leveren kon, dreigde te

bezwyken. Het moest schynen of z'n gevoel, na wat ziekelyk en

onvruchtbaar tegenspartelen, na wat gesukkel met miskende gevoeligheid,

zou worden verstikt, en daarmee de kiem van het goede. En dit zou

dan ook 't geval geweest zyn, wanneer-i alleen zacht was geweest,

niets dan zacht. Maar gelukkig bezat hy 'n andere hoedanigheid die hem

staande hield, en waarby de in de meeste andere gevallen zoo ongezonde

romanlektuur hem dapper te-hulp kwam. Wouter leefde maar voor 'n zeer

klein deel met moeder, broêrs en den Weledelen heer Motto! Z'n ziel

woonde elders, en nam deel aan den stryd dien z'n helden en heldinnen

te voeren hadden. Zelfs was-i daarby altyd voorganger, aanvoerder,

maarschalk en--alweer precies als in Afrika--koning. Meer nog, hy

voelde zich de verantwoordelyke persoon, de _deus ex machinâ_ van

rechts- en plichtswege. By elk dreigend incident, by elke krisis,

by elk gevaar dat deugd en eer kon te-gronde richten, meende hy den

angstkreet te verstaan: waar blyft Wouter?

De Weledele heer Motto zou zeker vreemd hebben opgezien, als-i had

kunnen weten welke vreemdsoortige mededingers hy had in het beschikken

over den dienstyver van z'n leerjongetje. Hy was er de man niet naar,

om den hartigen toon van Wouter's antwoord optemerken, als deze door

hem uit de eene winkelhelft in de andere werd geroepen. Dat haastig:

"ik kom!" waarmee dan 'n zwygend droomen van uren lang werd afgebroken,

klonk veeleer als 'n krygshaftig: "_ce sera moi, Nassau!_" dan als blyk

der gewilligheid die elk "patroon" eischen kan van winkeljongetjes die

lust in werken, en--onder borgstelling voor de geldlâ--'n behoorlyk

geloof hebben.

Wouter's ziel liep op stelten, en plaste onbesmet door 't vuil waarin

men zich veroorloofd had hem te werpen. Het scheen wel of-i zich tot

taak had gesteld z'n reinheid ongeschonden te bewaren, en zich te

oefenen in kracht. Noch 't een noch 't ander was echter het geval. Hy

kende de gevaren niet waaraan-i was blootgesteld, en had in deze

eerste levensproef z'n behoud alleen te danken aan ... smaak, die

toch niet eens zuiver was. Hoe immers had het in hem kunnen opkomen

de beelden die z'n droomen bevolkten, aftevallen ter-wille van den

Weledelen heer Motto en diens genooten? Waarom zoud-i spreekwys,

toon, manieren en ... gedrag van z'n omgeving hebben nagebootst,

hy die zoo precies wist hoe 'n edele ridder zich uitdrukt? Hoe

'n vorst behoort te spreken en te handelen? Wat er omgaat in 't

gemoed der jonkvrouwen van koninklyken bloede? En nu sprak ik nog

niet eens van z'n allerhoogmoedigsten godsplicht, van z'n eigen

zieleverwantschap, in vergelyking waarmede al die ridders en vorsten

en jonkvrouwen maar zeer gemeen volk waren! O, die grappig verheven

adeltrots! En zelfs wanneer men de aanduiding der oorzaken die hem

behoedden voor vernedering, stemmen wil op lager toon, dan nog zou

hy--op de bewustheid na--te vergelyken zyn geweest by den zwemmenden

krygsman, die geweer en kruithoorn opheft boven den waterspiegel,

niet achtend wat hem omklotst, alleen zorgend voor 't ééne noodige,

voor 't behoud van het _goede_.

Dat ons kind het goede voor-als-nog op 'n verkeerde plaats zocht, doet

hier niet ter-zake. Ik verdedig den maatstaf van z'n streven niet,

ik tracht te verklaren hoe en waarom hy staande bleef.

Zeker, zeker, Wouter legde hooger aan dan noodig was om 't punt te

bereiken waarop z'n leven moest uitloopen! Maar geen keus hebbende

tusschen _te_ hoog of _te_ laag, was 't voor hem 'n logische

noodzakelykheid zich tegen afdryven te waarborgen door de meening

dat men meer kon zyn dan _goed_, dat men edel moest wezen, en verheven!

Gewis, 't _is_ 'n fout--en 'n zeldzame!--maar beter dan menige soort

van _niet_ zeldzame wysheid, bewaarde zy onzen Wouter voor wegzinken in

't gemeene!

Ik zal wel genoodzaakt wezen soms terugtekomen op eenige byzonderheden

in de werking van zekere boeken op Wouter's gemoed. Evenals dokter

Holsma vroeg wat de familie gewoon was te eten, toen-i geraadpleegd

werd over de menigvuldige kwalen van Petrò, heeft de lezer eenig

recht op de kennis van wat er al zoo aan Wouter werd ingegeven in die

leesbibliotheek op den _Zeedyk_. En ik zou 'n slordige geschiedschryver

zyn als ik daarvan geen melding maakte.

Daar waren drie, vier, planken, die met 'r allen één schryver

torschten... [30]

Van Wouter's menschenkennis mag ik niet veel goeds zeggen, maar wèl

breidde zich de kring van de menschen uit, met wie hy kennis maakte.

Het spreekt vanzelf dat dit laatste woord moet worden opgevat in

allerlaagsten zin, daar hier van eigenlyke menschenkennis geen spraak

is. Nog minder van menschkunde.

By elke gelegenheid dat Wouter verschil opmerkte tusschen meening en

uiting, was hy verwonderd, en byna verbaasd. Toch kwam 't denkbeeld

dat zy die zich hieraan schuldig maakten, blyk gaven van valsheid,

niet in hem op. Indien hy als rechter de zoodanigen had moeten

vonnissen, zouden zy er beter afgekomen zyn dan ze verdienden, want

z'n hoofdindruk was: verdriet over eigen wanbegrip. Hy meende dat

het slenteren en draaien en 't schipperen met halve waarheden, tot de

attributen van volwassenheid behoorde, en wanneer-i zich rekenschap

had kunnen geven van z'n indrukken, zoud-i zich misschien betrapt

hebben op den hoogstonzedelyken wensch: och, wanneer toch zal ik

"groot" zyn, en bekwaam genoeg om zóó te liegen!

Een geheel anderen indruk evenwel ving-i by de Holsma's op, schoon ook

daar 't genoegen dat-i smaakte, geenszins onverdeeld was. Wel gelukte

het hem zich op den in dat huis doorgebrachten zondag iets minder

houterig aantestellen dan den vorigen keer, maar telkens bleek er dat

de behandelde onderwerpen z'n kennis teboven gingen, en tevens dat

de daar gebruikelyke luchtige vrye toon nog altyd boven z'n bereik was.

In dit laatste opzicht was-i door z'n schuwheid bewaard gebleven

voor ... erger dan niet te kunnen "meedoen." Hy onthield zich van

't belachelyk pogen.

Het dansen niet verstaande, had-i geen bokkesprongen gemaakt, en hy

was dus niet op z'n neus gevallen.

Als gewoonlyk had de dokter een door hem bepaald onderwerp aan de orde

gesteld, en het kind had met open mond zitten luisteren. Het betrof:

"de kunst van lezen." In-den-beginne meende Wouter allerbevoegdst te

zyn tot meespreken. Hy hoopte dit dan ook te doen met al 't gewicht van

iemand die de hoogste tevredenheid van Meester Pennewip had ingeoogst

over 't voordragen der bekende leerstelling: "myn vader gaf my dezen

nieuwen hoed." In de "_Oefening in 't kunstmatig lezen_" uitgegeven

door de Maatschappy _tot Nut van 't Algemeen_, kwam deze zinsnede

voor, en de leerling moest ze opzeggen met zooveel veranderingen van

toonbuiging, als er woorden in den zin waren. Wouter had Leentje in

verbazing gezet door al de wysheid die hy wist te verkoopen over dien

nieuwen hoed, en meende nu...

Doch Holsma behandelde iets anders. Maar 't was weer het oude: de

kleine jongen voelde dat-i achterlyk was. En dit smartte hem zeer.

De grond van z'n overtuiging in dit opzicht, lag niet zoozeer in

de behandelde zaak--deze was geenszins boven z'n begrip--maar in

de telkens aangehaalde voorbeelden, die hem blyken van kolossale

geleerdheid toeschenen alleen omdat z'm ten-eenen-male onbekend

waren. Zelfs de kleine Sietske ging hem in kennis ver te-boven. Het

besef hiervan drukte hem zóó, dat-i ook 't weinigje dat-i wèl wist

niet kon te-pas brengen. De goedigheid waarmee men hem trachtte op

den weg te helpen, ontsnapte niet aan z'n fyn gevoel, en maakte z'n

toestand nog pynlyker. In zekeren zin dus gevoelde hy zich in dezen

kring, die hem door gedeeltelyke zieleverwantschap toch zooveel nader

stond, even misplaatst als te-huis.

Hy meende dat die kinderen hem minachtten, en by Herman--die in latyn

deed--was dit dan ook inderdaad wel eenigszins het geval. [31]

De wyze waarop Holsma's klacht over gebrekkig lezen behandeld werd,

mag ik gedeeltelyk overslaan omdat ik by veel gelegenheden daarover heb

uitgeweid. De zaak kwam in zyn mond hierop neer, dat het voor 'n arts

zoo verdrietig was z'n patienten te zien vermoorden met rottekruid,

als-i met de meeste duidelykheid suikerwater had voorgeschreven.

--Maar, m'nheer, zei Wouter, wanneer men zich dan daarover

_beklaagt_? En als men dan _nogeens_ uitdrukkelyk zegt dat men geen

vergif bedoeld heeft?

--Dan... dan... zyn er die rondvertellen dat de auteur heeft

aangedrongen op verdubbeling van de dozis arsenikum.

--Rottekruid, weetje, fluisterde Sietske.

--Maar... dit is toch slecht, niet waar? En waarom zyn dan de

menschen zoo?

--Waarom? waarom? viel oom Sybrand in. Waarom? Dikwyls uit belang,

maar vaak uit domheid. Misschien ook omdat velen te traag zyn om met

eigen oogen te zien, en met eigen verstand te beoordeelen, wat er

geschreven staat. Dit vordert meer inspanning dan 't napraten van

wat anderen gezegd hebben. Juist die tragen vormen de meerderheid,

en ze worden door kwaadwilligen in beweging gezet. Men kan de groote

massa laten schreeuwen wat men wil.

Wouter begreep alweer 't woord "massa" niet, daar het in die dagen

nog niet tot de sfeer der Pietersens was afgezakt. Hy keek vragend

de kleine Sietsken aan, die hem zoo vriendelyk aan rottekruid had

geholpen.

--Dat is zooveel als... 'n heele troep, zei ze.

--De groote massa is altyd... dom, ging oom Sybrand voort, of...

--Maar, m'nheer, vroeg Wouter, hoe kunnen wy dit weten? Nooit immers

spreken veel menschen tegelyk?

Holsma begreep de oorzaak van Wouter's misverstand, en misschien

oom Sybrand ook. Daarom zeker had-i na "dom" nog iets anders willen

zeggen. Maar al de anderen vonden de vraag zonderling. De grootere

uitgebreidheid van den woordenschat waarover zy beschikken konden,

en de gewoonte zich eens-vooral te verbeelden dat ze elke uitdrukking

begrepen waarvan 't gebruik hun gemeenzaam was, bewerkte nu dat Wouter,

juist dóór z'n primitiviteit, hen overtrof in stiptheid van analyze.

Zoo ook zou hy Mozes in verlegenheid gebracht hebben door reeds by

_Genesis I_, vers 1, te vragen: "maar m'nheer, hoe weet ge dit?" Wel

te verstaan, indien hy Mozes en _Genesis_ had ontmoet in onheilig

gezelschap, waar 't denken aangemoedigd werd en 't meespreken

geoorloofd was.

De nuchterheid van z'n opvatting kwam gedeeltelyk voort uit het vreemde

der uitdrukking: massa. Dat oom Sybrand zich hiervan bediend had in

oneigenlyken zin, en dat Sietske's vertaling niet zeer korrekt was,

doet hier niets ter-zake. Het woord: "dom" beteekende naar Wouter's

schoolsche opvatting, dat men z'n les niet kende, dat men den naam van

zekeren berg niet wist, enz. Het zou immers nooit te-pas gekomen zyn,

Pennewip's leerlingen _en bloc_ 'n domme schoolmassa te noemen? De een

kende en wist wat, de ander niet. Hoe kon 't oom Sybrand bekend wezen

dat 'n "heele troep" menschen--zóó had Sietske vertaald--te-zaamgenomen

"dom" was?

Er is veel oefening in begrip noodig om intezien hoe weinig er door

sommigen kan begrepen worden.

Holsma hàd zich geoefend, en zag Wouter zeer vriendelyk aan.

Och, 't deed den jongen zoo goed! Naar de uitdrukking te oordeelen die

hy op de gezichten der anderen waarnam, meende hy 'n domheid gezegd te

hebben. Dit nu was onjuist. Hy had juist dóór en in z'n onwetendheid,

bewys gegeven van intelligentie.

Oom Sybrand had zich inderdaad versproken. En dit stemde hy toe. Juist

was er in die dagen--d.i. _niet_ in die dagen, want m'n kronologie is

allerverwardst--te Amsterdam iets gebeurd, dat hem aanleiding gaf tot

de toelichting: waarom men de "massa" niet zoozeer _dom_ noemen mocht,

als... als... ja wat?

Er was 'n verandering gebracht in 't belastingstelsel. Zeker bedrag dat

vroeger, in evenredigheid met de huurwaarde der perceelen, werd geheven

van de bewoners, zou voortaan worden ingevorderd van de eigenaars. In

zulke van verregaande oppervlakkigheid getuigende maatregelen

openbaarde zich ten-allen-tyde zeker soort van Staathuishoudkunde en

Philantropie. 't Moest beteekenen: we willen den druk laten neerkomen

op _bezitters_, niet op de minderbedeelden.

Ik gis dat de bezitters zoo vry zullen geweest zyn de te betalen

belasting, _plus_ 'n beetje winst, op den huurprys te leggen. Lood

om oud yzer.

Doch niet hierover wil ik spreken. De maatregel was òf zonder

gewicht, òf moest beschouwd worden als te zyn genomen in 't belang der

armen. Dit laatste denkbeeld was heerschend. De _eigenaars_ van kleine

huizen achtten zich in hun belangen gekrenkt. _Wie_ gebruikten zy nu

om hun wrevel bot te vieren? De vermeend-_bevoorrechten_! Het "gemeene

volk" doorliep, met stokken gewapend, de straten, en verbrandde de

meubelen die uit de woningen der eigenaars waren gehaald om op de

markt te worden verkocht ter kwyting van de belasting. Het wierp de

"dienders" te water, mishandelde de "veteranen" die te-dier-tyd

Amsterdam tot garnizoen dienden, en pleegde allerlei baldadigheid

van de gebruikelyke soort.

Dom! Zoo schynt het. En zeker getuigt het niet van byzondere

intelligentie, wanneer men z'n wrok lucht geeft--en op _die_

wys!--tegen een maatregel die naar 't gevoelen van de oproermakers-zelf

in hun eigen belang genomen was.

Kan men nu aannemen dat er onder al dit volkje niemand was die de

verkeerdheid van deze handelwys zou kunnen begrypen? Immers neen. En

dan toch alleen zou de beschuldiging van domheid op die menigte van

toepassing geweest zyn. Ieder _op-zichzelf_ was verstandig genoeg

om de zaak juist te beoordeelen. Met _hun allen_ echter sloegen ze

zonder de minste geldige reden den boêl stuk.

De oorzaak van deze schynbare anomalie ligt hierin, dat men de

intelligentien der individuen niet kan optellen. Vergaderingen,

kollegien, samenscholingen, benden, worden altyd geregeerd door iets

anders dan de _Rede_. Met hun allen weten ze niet, wat ieder-voor-zich

wèl weet. Met hun allen begrypen ze niet, wat ieder-voor-zich wèl

begrypt. Met hun allen hebben ze niet, wat ieder-voor-zich wèl bezit:

een _Ziel_.

Wie de "massa" van 't Volk _dom_ noemt, begaat de onnauwkeurigheid

die er liggen zou in de meening dat _vyf_ beminnelyk is, of _lucht_

driehoekig. De "massa" als zoodanig, denkt niet, en kan dus niet

verkeerd denken. Ze wordt in zekere richting gestuwd, of blyft

geketend liggen, naarmate dit door individuen begeerd, of door 'n

samenloop van omstandigheden gebracht wordt. Haar hoofdeigenschap,

in stilstand en beweging beide, is: traagheid.

Wouter had schik van z'n vraag, waarop Holsma nagenoeg in den geest

van 't bovenstaande antwoordde.

Toch bleef hy verdrietig over z'n onkunde, en hy nam zich voor,

meer te leeren.

_Strabbe's_ regula van "menging" onder de oogen

gezien, in-verband met de manier om onbruikbare

zedelyke thee te krygen, tegen zóóveel 't pond

verkoopbare... fiktie. Onsmakelyke bywoorden. Bespottelyke

heldenmoed die van beter getuigt. Alweer Juffrouw _Laps_!

Toen Wouter dien avend naar huis ging, stuitte hy by 't overgaan van

een der pleintjes die men te Amsterdam "markten" noemt, op 'n bende van

't gemeen, die bezig was de geschonden rechten der "huisjesmelkers"

heel nadrukkelyk te wreken op zichzelf.

--Die... _massa_ is niet dom, mompelde hy gedurig, als om zich goed te

doordringen van de pas opgedane wysheid. _Dom_ is ze niet! Misschien

zelfs niet _onwetend_ ... neen, ook dit is onjuist. 't Is maar

dat ze... niets weten _met hun allen_. Zeker zyn er wel verstandige

menschen onder, die wat zouden kunnen begrypen, als ze maar... zich de

moeite gaven te denken. Of... als iemand hen op het denkbeeld bracht

dit eens te beproeven. Ze weten misschien niet dat ze 't kunnen.

't Scheelde weinig of hy had het volk toegesproken. Wat-i zou te zeggen

gehad hebben, ware gewis begrepen door ieder afzonderlyk, maar niet

door de "massa" die aan de wetten der logika slechts gehoorzaamt,

voor-zoo-ver deze zich openbaren op _dynamische_ wys. Vanhier dan

ook dat elk individu, die toch het zyne bydraagt tot vorming van 't

geheel, zich beschouwt als daartoe niet te behooren, en zelfs zich

daartegenover stelt. Ieder zegt: "ze" deden dit of dat. "De menschen"

liepen, schreeuwden, tierden, als dwazen. "Ze" wisten niet wat ze

wilden. "Ze" waren gek, wreed, lafhartig, enz.

Niemand spreekt by zulke gelegenheden van "ik" noch zelfs van:

"wy." 't Is hiermee als met den tafeldans, waarby ieder meent slechts

de beweging te _volgen_, en geen besef heeft hoe dat vermeende "volgen"

wel degelyk de uitwerking heeft van _meestuwen_. Ook deze begoocheling

komt alzoo neer op gebrek aan juistheid in dynamische schatting, op

'n vergissing.

Hoe dit zy, men ziet dat onze Wouter begon te _denken_, en dat het de

moeite beloonde, zaad van denkbeelden neerteleggen in z'n gemoed. Hy

zag in dat de "massa" waarop hy stuitte, te laag stond om... dom

te zyn.

Ook kon men ze--in hoedanigheid van "menigte" alweer--niet beschonken

noemen, al zy 't dan dat het getal nuchtere lieden die aan de

samenscholing deelnamen, zeer gering was. Zelfs in dit opzicht alzoo,

was hier de kollektiviteit die we thans overal zien opdringen niets

dan 'n fiktie. _Een Menigte_ kan zoomin drinken als denken, en heeft

dus even weinig kans om beschonken te zyn, als dom of verstandig. _Een

Menigte_ is, zielkundig gesproken, heel iets anders dan dit alles. Zy

is niemendal.

Met de toepassing dezer stelling op de te volgen methode: _om te

geraken tot waarheid in het algemeen_, kon Wouter zich nog niet

inlaten. 't Was al wèl dat-i over de ydelheid van 't kwalificeeren-zelf

nadacht, en aan den voorrang die op verstandelyk, en dus evenzeer op

_zedelyk_ terrein toekomt aan den individu.

Hy voelde--en zeer ten-rechte, waarlyk!--dat hy hooger stond dan

al die menschen te-zamen, en dat dit het geval zou gebleven zyn, al

ware Stoffel er by geweest, of zelfs meester Pennewip ... ja, al was

't die goede dokter Holsma.

Maar... hy kon zich niet voorstellen dat deze zich ooit verlagen zou

tot 'n deel van zóó'n geheel!

Later eerst zag hy in dat iemand van eenige waarde evenmin kan opgaan

in elke andere samenkoppeling, en dat de ikheid...

Wel zeker: "ieder moet handelen naar z'n eigen overtuiging!" Zóó

had Mevrouw Holsma gezegd. En wat werd er van de mogelykheid der

toepassing van deze blyde boodschap, wanneer men met die overtuiging

slordig omging? Als men haar vervalschte volgens Strabbe's "_regula_

van menging?"

_"Een kruienier heeft thee van negen stuivers, van acht stuivers,

en van zeven stuivers het pond, en wenscht..."_

De goeie Strabbe geeft z'n kruieniers nooit _Souchong_ van geen-één

stuiver te mengen onder de "massa" die hy verkoopen wil tegen zóóveel

winst op het pond. Men bedenke dat ik van den goeden ouden tyd spreek.

En Wouter ging met denken voort.

..._hy wenscht van al die theesoorten een_... "massa" _te maken_...

Daar is 't woord weer, het nieuwe woord van de Holsma's! Welnu,

gedachten, meeningen, overtuiging, geweten, verstand, hoop, vrees,

liefde, haat, deugd, en vooral: _zedelyke verantwoordelykheid_... dit

alles is geen _thee_, die men mengen kan om ze aan den man te brengen

tegen zekeren prys!

Wie 't beproeven zou, verrekent zich, omdat de _menging zelf_

'n vernietigenden invloed uitoefent, die aan Strabbe's rekentalent

ontsnapte, maar begrepen wordt door beoefenaars der _regula_: "van

den mensche en deszelfs eigenaardigheden."

Ik weet waarlyk niet welk deel van deze opmerkingen aan Wouter behoort,

en wat volgens de "Gezelschaps-rekening" den auteur toekomt. Daar

echter de dissolatie der maatschap tusschen dien kleinen jongen en my,

nog niet op-hand is, kunnen wy deze vraag ongelikwideerd laten. 't

Is wel mogelyk dat ik Wouter 'n beetje wyzer voorstelde dan-i nog

wezen kon. Maar ... de kiem was gelegd. En vergaan zou ze _niet_!

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 18 / 20 题