Nog altyd stonden daar 'n paar oud-gedienden op post, en
bewaakten... ik weet niet wat!
Er is later gebleken dat ze niets bewaakten. Maar dit wisten op
dat oogenblik de gebrekkige stumperts nog niet Ze werden door de
bestbespraakten onder 't volk uitgescholden. "Bloeddieven" waren ze,
en--de lezer raadt het zeker al--"opvreters van Stad en Land."
Wouter vond--o, weelde, hy begon te denken voor eigen rekening!--dat
ze 'r niet uitzagen als lieden die zich vermaken met het opslikken
van zooveel grondgebied. Hy voelde medelyden met de arme kerels,
en... hoor, daar vernam hy iets dat hem in de ooren klonk als de
bekende kreet, als 'n beroep op _zyn_ hulp!
De toon was minder liefelyk, dat's waar, dan Amalia's:
Waar is... warre, warre, wou...
Wouter die me redden zou?
Maar de beteekenis was dezelfde. Geen houtzaagmolen kon duidelyker
kraken: "je bent iets... toon het!"
O, 't prachtig evangelie van den hoogmoed! Dàt wil ik blyven
verkondigen!
Een der oude soldaten die de zaak wysgeerig bleek optenemen, had op
zekere beleediging geantwoord:
--Jy weet het! Ga jy je gang maar! Als ik maar 'n pruim tabak had!
--Negerhit? vroeg Wouter snel, even bly byna over z'n nieuwbakken,
speciale zaakkennis, als opgewonden door 't denkbeeld dat hy 'n blyk
geven kon niet tot de "massa" te behooren.
De man begreep noch 't uitgesproken woord--_negrohead_--noch de
bedoeling, en meende dat het kind zich aan den kant van z'n aanvallers
geschaard had.
Wie kon ook raden dat zoo'n kleine jongen 'n geheel àndere beweegkracht
in z'n ziel had, dan die waardoor zich de "massa" liet voortdryven?
--Komaan, jy snotjongen, hou jy 'r je nu maar liever buiten! Wacht
tot je droog achter je ooren bent!
--Ik wil je tabak geven! schreeuwde Wouter door 't gejoel heen.
--Hè?
--Tabak, negerhit... echte! riep Wouter.
--Dat salje wel s.....s-gauw late, brulde een kerel die achter onzen
kleinen zelfdenker stond. Lâ-de fent ferèkke!
"_S...s-gauw late_" beduidt: iets _volstrekt_ niet doen, iets zóó
byzonder-overdreven nalaten, dat men reeds alleen by de gedachte aan
't wèl doen, de koorts zou krygen van verbazing, of ... 'n slag in
't gezicht. Dit laatste werd blykbaar hier bedoeld.
Wouter keerde zich om, zag op tot den waarschuwer die zich bediend
had van 't prachtig bywoord dat zoo moeielyk te vertalen is, en zei:
--_Ik_ zal dien man tabak geven!
Ach, hoe heerlyk hy dat "ik" intoneerde! De "nieuwe hoed" uit z'n
leeslesje was er niets by.
--_Ik_ zal dien man tabak geven, _ik_!
"Of sterven!" zeid-i er niet by. En dit hoefde ook niet. Men kon
't hem aanzien dat-i hiertoe bereid wezen zou als 't gevorderd werd.
Hyzelf had nooit geweten dat-i zoo moedig was!
Hy drong door de menigte heen, en kocht in den eersten tabaks-winkel
den besten, wat-i hebben wilde, niet zonder wat te luchten te hangen
van z'n zaakkennis. Al ware hyzelf in 't bezit geweest van twee
"gevestigde" zaken, hy had niet met meer _aplomb_ z'n bestelling
kunnen doen. De bediende in den winkel mocht toezien dat-i goed woog,
en zich onthield van elke poging om den neergelegden schelling te
doen doorgaan voor 'n zesthalf. Hy had te-doen met iemand die 't wist,
met 'n specialiteit!
Nu, 't liep goed af. Wouter besteedde een stuiver, en kreeg behoorlyk
het te veel betaalde terug.
Die schelling... o, hoe gelukkig dat Willem en Sietske hem begeleid
hadden tot aan de huisdeur, toen-i zoo-even de Holsma's verliet! Dit
had God nu eens goed beschikt! Hierdoor immers was-i in 't heerlyk
bezit gebleven van 't geldstuk, dat z'n moeder hem had meegegeven
"voor de meid" omdat ze, vooral jegens den dokter, zoo op 't fatsoen
gesteld was.
Maar 't aanbieden van de zonderlinge versnapering aan den soldaat,
had moeite in. Er moesten veel mannen worden op-zy gedrongen. Ook
vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen...
De kleine hinderpaaltjes belemmerden Wouter 't meest.
--Wilje me-n-asjeblieft even doorlaten, vroeg hy met 'n stemmetje zoo
zacht, op 'n toon zoo smeekend en onderdanig, zoo uitermate fatsoenlyk
en bescheiden...
Wat er 'n inspanning noodig was om door al die menschen te dringen,
waarvan geen enkele hem bedreigd had!
Toch naderde hy de plek vanwaar-i was uitgetogen om z'n
heldenfeit voortebereiden. Hy hield den papieren kegel hoog boven
't hoofd--waarlyk, er zyn wel eens minder eerbiedwaardige vaandels
opgestoken, dan dat peperhuis met 'n stuiver tabak!--en bereikte den
man die hem met het vreemde bywoord gedreigd had...
Wèg was z'n beschroomdheid! Ruwer dan eigenlyk noodig was, en met meer
uittarting dan 't aanspraak-maken op verschooning kon voorbereiden,
zette hy den kerel z'n schouder in de lenden, en boorde zich dóór
tot de voorste ry:
--Dáár, man! Ziedaar tabak--negerhit, weetje?--'n snotjongen ben
ik _niet_!
De soldaat nam, en pruimde. Wouter keerde zich om, en keek den man
aan die zoo zonderling lucht had gegeven aan z'n overtuiging: dat-i
't wel s...s-gauw "late sou." Hy scheen te vragen welke aanmerking
de profeet te maken had op dit protest tegen z'n voorspelling?
De zaak liep goed af. Het verwonderde Wouter dat niemand hem stompte,
sloeg of uitschold. Misschien zou dit dan ook geschied zyn, als niet
de verheugde tabakspruimer door 'n nogal bekende soldaten-aardigheid,
de voorsten van den troep aan 't lachen had gemaakt:
"beter 'n halve pruim in je mond, as 'n heel stuk in je... kraag!"
Al wat de voorvechter van 't non-interventiestelsel tegen Wouter
inbracht, toen deze zich zegevierend verwyderde...
O, _Thermopylae_! O, Miltiades! O, Glorioso! O, Ivanhoe! O,
Kolokotroni! O, riddereer! Welke dame zal z'n harnas ontgespen? Hoe is
de kleur van den sluier dien-i voortaan dragen zal... rechter schouder,
linkerheup, rozet...
De bywoordman verzekerde aan de omstanders dat "die kleine jongen
'n s...s-brutale bliksem" was.
Wouter antwoordde niet, al had-i het recht gehad te verzekeren
dat de man zich bedroog. De door hem--tot z'n eigen verrassing
waarlyk!--aan den dag gelegde moed was 'n uitvloeisel van geheel àndere
gemoedsgesteldheid dan brutaliteit. Hy was bescheiden, verlegen,
beschroomd. Maar hy had nu ondervonden dat er omstandigheden konden
bestaan die hem 'n oogenblik lang boven deze fouten verhieven, en
deze ervaring deed z'n ziel groeien.
In zeer langen tyd was-i niet zoo vergenoegd ingeslapen als den avond
van dezen dag.
Och, als Femke 't gezien had!
Maar deze stemming zakte weer gedurende de weinige maanden van z'n
leertyd op den _Zeedyk_. Hier zag hy dagelyks het gemeene van even
naby als op die markt, zonder daaraan 't verheffend denkbeeld van
stryd te kunnen verbinden. Integendeel. De Weledele heer Motto had
hem 'n onverstoorbare beleefdheid voorgeschreven, en zelfs betuigd
dat deze eigenschap "in den handel 't _voornaamste_ was."
Nu, beleefd en vriendelyk wàs Wouter. Gewoonlyk meende hy dat de
onaangename indruk dien het trivale op hem maakte, aan z'n eigen
onbedrevenheid moest worden toegeschreven, en--als met de leugens--kwam
soms de wensch in hem op: "wanneer toch zal ik groot genoeg zyn,
om me zoo mannelyk uittedrukken?"
Wie weet of-i niet gestrand was op de klip der hypermetaforische
bywoorden, wanneer z'n lektuur hem daarvoor niet bewaard had?
Neen, ook zonder die boeken zoud-i ontoegankelyk gebleven zyn voor
deze soort van gemeenheid, door z'n onbederfbare lust in 't exakte,
een der meest loffelyke wyzen waarop poëzie zich openbaart.
Eens was-i genoodzaakt geweest, 'n kwajongen die steenen in den winkel
wierp, te berispen en zelfs te dreigen. Hierop was 'n scheldwoord
gevolgd, dat in den mond der amsterdamsche straatjeugd bestorven ligt:
_dief_! En wel met 'n onzindelyk toevoegsel dat nu niet ter-zake dient,
en dat ik dus mag overslaan.
--Hoe kan die jongen beweren dat ik 'n dief ben, en ... zoo
onzindelyk? had Wouter aan den heer Motto gevraagd. Ik had gezegd dat
ik hem 'n klap geven zou als-i weer met steenen wierp. Waarom noemt
hy my nu _dief_? Dat 's iemand die steelt, niet waar?
De heer Motto was er de man niet naar, om 't verschil tusschen
schelden en kwalificeeren te verklaren. En Wouter berustte. Hy had
zich meer geërgerd over 't gebrek aan logischen samenhang dan over
de beleediging, en hierin lag inderdaad iets ... goddelyks. 't Was
'n schending der wereld-orde, iemand _a_ te noemen omdat-i _b_
was. Iets als misdaad tegen den Heiligen Geest van 't 2 × 2 = 4! 'n
Hinkend rym. 'n Onmogelykheid!
En... 't straatjongetje dat zich aan al deze gruwelen had schuldig
gemaakt, was nog 'n hoofd kleiner dan hy! De hier gepleegde
verkrachting van de Rede, was alzoo ditmaal geen uitvloeisel van
begeerlyke volwassenheid!
Maar ... maar ... al de wèl "groote" menschen? Vanwaar by hèn dan dat
gedurig afwyken van 't ware, juiste, stipte? Waren _zy_ zoo achterlyk,
of was die straatjongen z'n leeftyd vóór? Moest Wouter terug of moest-i
vooruit, om aantelanden op 't punt waar zich 't grootste gedeelte van
z'n omgeving scheen te bevinden? Zoud-i ooit ver genoeg komen om als
de Weledele Heer Motto aan 't hoofd te staan van twee "zaken" ... nu
ja "gevestigd" waren ze na 't overhaast vertrek van den patroon niet
meer. Maar 't waren "zaken" toch, en ... gevestigd geweest!
--Als ik den man hier had zou ik 'm verscheuren, zei de moeder. Ik
dacht het wel dat-i met m'n geldje-n-op den loop zou gaan! 'k Heb
't altyd gezegd, niet waar, Stoffel?
--Ja, moeder. Zoo'n cautie is 'n gevaarlyk ding...
--Dat heb je-n altyd van die menschen met 'r geloof! Ik vraag je, wat
doet het er toe of men protestant is of ... wat anders! Wat heeft zoo'n
man 'n jongetje P. G. te vragen in de krant, en dan... wegteloopen met
'n mensch z'n geld! Ik vraag je, wat doet er de godsdienst toe? Ik
wou ... ik wou ... dat-i 'n roomsch jongetje genomen had, met 'n
... koussie van duizend!
--Ja, moeder, dit was zeker beter geweest.
--'n Roomsche is net zoo goed als 'n ander, dit zeg ik maar! Waarom zou
'n roomsche jongen niet even goed snuif kunnen wegen, en boekhouden, en
op den winkel passen, en ... koussies geven, als 'n griffermeerde? De
menschen lyken wel mal met 'r verschil van geloof. De een is net zoo
goed als de ander, vindje niet, Stoffel?
--Ja moeder.
--'t Is om 'r griezelig van te worden, als ik bedenk dat zoo'n kerel nu
in Amerika van myn geldje den prins speelt. Maar, Wouter, jy hebt ook
schuld. Jy had me moeten waarschuwen dat de man niet deugde. Kon _ik_
't weten, ik arme weduw die hier in m'n huiswerk zit?
--Moeder, ik wist het ook niet.
--Je had dan maar beter moeten opletten. Maar je geeft er niet om of
je moeder aan 't bedelen raakt. En, Stoffel, wat zullen we nu met
'm beginnen? Naar zee gaat-i _niet_, dat zeg _ik_! Ik kan 't voor
God niet verantwoorden dat-i aan boord van zoo'n schip onder allerlei
soort van volk komt, niet waar, Stoffel?
--Ja, moeder.
--En dat-i daar vloeken leert...
--Zeker, moeder.
--En z'n geloof kwyt raakt! Want, dit zeg ik maar, wie niet by z'n
geloof blyft ...wat zeg jy, Stoffel?
--Ja, moeder, 'n mensch moet altyd by z'n geloof blyven.
--Honderd gulden! 't Waren zeeuwen ... ik zie ze nog! Wat heeft zoo'n
gemeene kerel 'n protestantsch jongetje te vragen?
"Wel," veroorloofde zich Wouter te denken, de man bleef by z'n
"geloof."
Maar aan de ontleding van den zotteklap zyner moeder besteedde hy
minder moeite dan aan byna alles wat tot hem kwam van buitens'huis. De
_blunders_ in redeneering waaraan z'n verwanten zich schuldig
maakten, waren zoo menigvuldig dat-i er aan gewoon was geraakt en uit
vermoeienis de taak had opgegeven daaruit wys te worden. Eén woord van
Holsma of oom Sybrand strekte hem tot tekst van lange overpeinzingen,
maar de _bitjara kossoeng_ van z'n familie maakte niet veel meer
indruk op hem dan 't gegons van 'n byenzwerm.
Iets minder gewoon was-i nog altyd aan onzin die door anderen geuit
werd, al stonden ze dan niet hooger dan z'n huisgenooten. Juffrouw
Laps, byv. was hem 'n wel onbehagelyk, maar toch de nieuwsgierigheid
prikkelend, studie-exemplaar. En z'n belangstelling in 't oplossen
van de raadseltjes die ze opgaf, werd te grooter naarmate hy meer
acht-sloeg op 't gebrek aan samenhang of overeenstemming in haar
manieren.
Sedert eenigen tyd bezocht zy de Pietersens drukker dan ooit, en
telkens onderging Wouter by die gelegenheden 'n reeks van tegenstrydige
indrukken. Ze was bar, nydig, en te-gelyker-tyd weer op-eens ... och,
er was niet uit het schepsel wys te worden.
Het heldenfeit met de tabak was gedeeltelyk bekend geraakt. Wouter
had eerlyk de vyf stuivers verantwoord, die hem van den providentieel
gespaarden schelling waren overgebleven...
Twee jaren geleden zoud-i dit niet gedaan hebben. Doch sedert dien
tyd had zich 't besef van ridderlykheid in hem ontwikkeld. Tegen 'n
flinken roover zag-i nog altyd eerbiedig op, maar 't weg-grissen van
'n paar stuivers ... hy vond dat-i daartoe nu te groot was geworden. De
helden uit z'n boeken zouden zich over hem geschaamd hebben.
Hoe dit zy, 't uitgeven van den eenen stuiver waarmee de veteraan moest
getroost worden over 't gemis van de verteerbare Landen en Steden die
anders z'n gewoon voedsel uitmaakten, drong Wouter tot het aanroeren
van 't gebeurde. Hy sloeg in z'n relaas van de zaak, 't gevaar dat-i
geloopen had, over. En ... niet uit bescheidenheid. Hy had gaarne
wat gestoft op z'n moed, maar voelde dat de kans op afkeuring van z'n
verkwisting, grooter was dan die op lof over z'n ... ja, hoe moet ik
't noemen?
De door hem begane afwyking van spaarzaamheid werd dan ook zeer kwalyk
genomen, en 't was wel gelukkig voor hem dat-i de by-omstandigheden
niet had aangeroerd, waardoor z'n onpartydige mildheid was bestempeld
geworden tot uittarting.
--Denk je dat de stuivers my op den rug groeien? vroeg z'n moeder. Jy
verdient immers geen duit! Mag jy tabak koopen voor ouwe soldaten? Moet
ik nog meer ten-onder, na de honderd gulden die je me weer gekost hebt?
By zulke toespraakjes viel 't Wouter zeer moeielyk, de toonhoogte van
z'n ziel behoorlyk gestemd te houden. En dit lukte dan ook niet. Hy
antwoordde weinig of niets. Wat het ergste was, hy vond in zichzelf
geen steun, want ... z'n moeder had niet geheel-en-al ongelyk!
Edelmoedigheid is 'n versnapering waarvan men zoo min mag snoepen
als van andere lekkerbeetjes. Al zag nu Wouter dit nog niet in,
toch voelde hy z'n onvermogen zich grondig te verdedigen tegen de
beschuldigingen die z'n moeder tegen hem inbracht.
Dat zy niet in-staat zou geweest zyn de oorzaken te begrypen die
hem tot handelen opwekten, deed minder terzake. Maar hyzelf gaf
zich daarvan geen rekenschap, en hy stond dus weerloos tegenover de
bewering dat-i gehandeld had als 'n gek. Dit werd te erger toen men
de aanklacht overbracht op 't laagste terrein dat men kiezen kon,
op kinderachtigheid.
De moeder had het woord: "verkwisting" uitgesproken, maar Stoffel
zette haar te-recht:
--Né, moeder, dàt is het niet. De zaak is dat-i zoo achterlyk blyft
in alles. Hy weet nog niet met geld omtegaan, dàt is het!
--Precies! Hy weet nog niet met geld om te gaan. Alle andere kinderen
van zyn jaren ... als ze-n-'n stuiver hebben, wat doen ze? Ze bewaren
hem. Of ... ze koopen er wat voor. En hy? Wat doet-i? Hy geeft hem
weg! Zal je dan nooit verstandig worden, jongen?
Misschien was Stoffel's opmerking niet kwaad gemeend, maar ze
wondde Wouter diep. Een "verkwister" is dan toch altyd 'n persoon,
'n man. Was men maar zoo goed geweest, hem dáárvoor uittemaken!
"_Prodigue, prodigue_... asjeblieft _prodigue_!" mompelde hy
treurig. Want--tot verbazing van den lezer misschien--hy kende
dit woord.
In een der omnibus-slaapkamers hing 'n stelletje grof gekleurde platen
die de parabel van den verloren zoon voorstelden. 't Was 'n fransche
uitgaaf, en door vergelyking met de Schrift, verkeerde de heele familie
langen tyd in de vaste meening, dat de daarop voorkomende uitdrukking:
_prodigue_ niet anders kon beteekenen dan "verloren." Dit had dan ook
Stoffel tegen een van z'n kollegaas beweerd, die hem met behulp eener
dictionnaire beter inlichtte. Na veel gekibbel over de goddelooze
fransche drukfout ...
--Want: "verloren" stáát er, zei juffrouw Pieterse. En wat in de
Schrift zelf staat, zal toch wel waar zyn.
...na eenig tegenstribbelen dan, wilde men wel aannemen dat de
beteekenis van 't woord _prodigue_: "verkwister" wezen kon. En in
die benaming had Wouter veel zin.
_Eerste tafereel._ De zoon die bezig was met... verkwisten en
verloren-gaan, neemt afscheid van z'n vader. De oudeheer had 'n
purperen tabbert aan. Mooi genoeg. Maar de verkwister zelf ... o hé! Er
fladderde hem 'n mantel om de schouders--'t scheen erg te waaien in
dien zuilengang!--'n mantel ... prinselyk! En z'n turksche broek was
van puur goud! De jongen had 'n krommen sabel op-zy, en op z'n hoofd
'n tulband met aigrette ... zeker 'n onix, of sardonix, of paarl,
of ... edelsteen! Men kan er den geleerden Schrant op nalezen. Zulke
zaken kosten niets op 'n prent.
De oudeheer keek verdrietig--en daarin had de man geen ongelyk--maar
... al die beladen kameelen! En die slaven! En al die toestel voor 'n
verre, verre reis! 'n Pikzwarte knecht hield 'n paard by den toom. 'n
Ander den stygbeugel, en scheen te manen: "komaan, verloren-gaande
zoon, styg op! We worden gewacht op de tweede prent!"
Welk jongetje zou niet graag zoo'n verloren zoon willen zyn? Die
kromme sabel alleen was de zonde waard.
_Tweede tafereel._ Hm ... _scabreus!_ Nu ja, maar niet voor Wouter,
die in z'n onnoozelheid geen gewicht hechtte aan al de zonderling
opgesierde juffrouwen op de plaat. Hoofdzaak was dat er dapper gegeten
en gedronken werd, en 't gezelschap scheen eensgezind, want dat eene
meisje in glimmend satyn, hing allervriendelykst over den schouder
van den verlorene. "Liever zóó verloren, dan anders gevonden" moest
de indruk zyn dien 't feest maakte op de verbeelding van 'n kind. De
ware beteekenis van het tafereel dat zich inspande om afschrik van
liederlykheid inteboezemen, ontsnapte aan Wouter's opmerking. Of
liever, hy _wist_ wel wat het beduidde, maar ... _voelde_ anders. En
alweer was z'n hoofdindruk dat-i met genoegen de betrekking van
verloren jongetjen aanvaarden zou. Wat hem 't meest aantrok was noch
de spys en drank waarmee de tafel overladen scheen, noch vooral de
zondig-gekleurde wangen van de dames die zich bezig-hielden met doen
verloren-gaan. Neen, hy was nayverig op de onburgerlyke losheid van
't gezelschap. Om ten-overvloede den aanschouwer te doordringen van
't begrip: _verkwisting_, had de teekenaar 'n wynvaas doen omwerpen
door 'n paar jachthonden...
Jachthonden ook! Dus: jacht! O, goden, 't is te veel!
...de wyn stroomde, en ging verloren alsof-i zelf 'n wegloopende zoon
was. Dit beviel Wouter byzonder. Niemand van de gasten bemoeide zich
met zoo'n kleinigheid, zelfs de schenkers niet. 't Had eens moeten
gebeuren in den huize Pieterse, al was 't maar met 'n dubbeltjes-kruik
scharrebier geweest!
_De teekenaar spreekt:_ "meent ge dat ik den verleidelyken indruk
van zulke schetsen niet voorzag? Wordt ze niet uitgewischt door wat
er volgt?"
Volstrekt niet! Zie maar:
_Derde tafereel. Heerlyk!_ Hoe romantisch is die wildernis! O, wie
daar zoo mocht zitten op 'n rots, starende in de onpeilbare diepte van
't verschiet, en ... alléén!
Denken, denken, denken!
Geen meester of moeder, geen broêr of patroon schryft daar voor
wat men te doen hebbe met z'n hart, z'n tyd, z'n elbogen, en z'n
broek! De jonge man op 't plaatje had er geen aan, en men kon duidelyk
bespeuren dat-i zich niet geneeren zou straks met uitgestrekte armen
en beenen zich op z'n rug te leggen, om zon, maan en sterren te laten
voortdryven voorby z'n wydgeopende oogen! Men kon wis 'n dubbel stel
longen gebruiken in zoo'n ruimte, en ook de ziel zou onbelemmerd in
zich opzuigen wat ze verkoos. Wouter vroeg zich af waaraan hyzelf
denken zou, als-i 't eens mocht gebracht hebben tot zoo'n verheven
keizerschap over 't onmetelyk Ryk: eenzaamheid!
Hm! Op dat rotsblok daar naast hem kon z'n Femke zitten! O, goddelyk
verloren-zyn ... met haar! Het begon hem te verwonderen dat er maar
één verloren zoon in de Schrift voorkwam. Van alle zonden kwam hem
'n wèl-gekonditioneerde verkwisting de aanlokkelykste voor.
En de woestyn was zoo... dragelyk. Er stonden boomen in. Die zou men
beklimmen als men terdeeg verloren was, en van de takken bouwde men
dan handig 'n hut ... voor Femke, natuurlyk.
De verkwister op de prent scheen hieraan nog niet gedacht te
hebben. 't Is waar ook, waarom was de groen-satynen juffer niet by
hem? Er zal afgesproken zyn dat ze hem straks komt opzoeken, dacht
Wouter. Ze zal nog niet geheel gereed wezen met 'r verkwisting. Och,
dat ze zich haasten mocht! Hy wacht haar met smart. Maar dit is ook
't eenige verdriet dat 'n rechtgeaarde verkwister uit de profane
wereld meeneemt in de prettige woestyn.
Toch moet ik erkennen dat de varkens waarmee de prent gestoffeerd was,
er leelyk uitzagen. De moralizeerende teekenaar had de arme dieren
gekozen tot schildhouders van de zonde, en dus hun physionomien bedeeld
met waarschuwende trekken. En ook de trog had 'n onsmakelyk voorkomen.
--Als 't my gebeurt, neem ik schapen mee, zei Wouter, en Femke zal
ze kammen!
De teekenaar moet alzoo toestemmen dat zelfs het derde tafereel
niet toereikt om behoorlyken afschuw inteboezemen van verkwisten
en verloren-gaan.
Maar ... 't _vierde_? Evenmin! Minder nog!
Die oudeheer is allervriendelykst, en we zyn weer in de zuilengang,
waar zoo-even die kameelen zoo geduldig stonden te wachten. Een van de
thuisgebleven slaven klapt in de handen, en slaat de oogen ten-hemel
... uit blydschap zeker dat het Woutertje van de prent terug is.
Maar... _hy?_ De wezenlyke Wouter? Teruggekeerd? Vriendelyk ontvangen
in z'n allerprettigsten rang van gewezen en genezen verkwister? Niets
van dit alles!
Kameelen? Neen! Schapen in de woestyn? Neen! Ach, neen, geen onkambare
zwynen zelfs!
En dan dat geslachte kalf! Dáárin lag de snydende tegenstelling met de
burgerlykheid die Wouter beknelde. Juffrouw Pietersen slachtte nooit
iets, en nam by Keesje's vader osselappen op 't weekboekje. Slechts
nu-en-dan by hooge uitzondering 'n ribstuk.
Op 'n heel kalf was geen kans, of men verloren was geweest of
niet. Maar dit belette toch niet dat de rang van verkwister hooger
stond dan die van kleinen dommen jongen die nog niet weet omtegaan
met geld!
En zie, ditmaal had-i aan z'n vriendelyke vyandin Laps iets te danken,
dat hem weer 'n beetje bemoedigde. Zy namelyk haalde inderdaad
de Schrift by de zaak, toen deze haar--op z'n pietersens!--werd
medegedeeld. _Zy_ sprak wel degelyk van varkenshoeden. Wouter had
graag geantwoord:
--Goed, wèl, best, juffrouw Laps, asjeblieft! Maar ... och, mogen
't deze keer geen schapen zyn?
Hy begreep heel goed dat ze niet gevoelig zou wezen voor 't beoogde
kammen, en dus ook niet voor 't blauwzyden halsdasje dat Femke's
lievelingslam zoo snoepig staan zou.
Maar ... 'n verkwister wàs-i, verzekerde 't mensch.
Goddank!
_Toulon est là_! Woedende uitval van den auteur tegen
monologen, met 'n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (_De
uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen
't voorbeeld._) Gesprekken op den _Olymp_, waarby _Jupiter_
't wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan
'n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en 'n pastoor,
alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.
--Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want,
wat doet-i? Hy verkwist z'n moeders goed. Als die man pruimen wil,
laat 'm zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik
heb altyd zuur moeten werken voor m'n boeltje, niet waar, Stoffel?
--Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het 'n kinderachtigheid van
Wouter is.
--Net wat ik zeg, 'n kinderachtigheid!
--Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i
recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat
de Heer z'n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur 'm 'ns by me. De
fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze
verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend 'm 'ns by me.
--Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!
--Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...
Ze sprak de waarheid!
... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib,
of ... Nebukadnezar, of ...
Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat
was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat
oogenblik 'n briefje te schryven had gehad--aan Femke liefst!--zoud-i
zeker geroemd hebben: "begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo
slecht als drie oude koningen met hun allen!"
En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!
--Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het
midden, en z'n voeten zyn van klei. De Heer zal 'm wis en zeker
omgooien! Stuur 'm 'ns by me.
De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in
de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel
genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch
Stoffel hadden den moed, Wouter's wegblyven voor hun eigen rekening
te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.
--Maar, m'n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i
... o! Wat moet ik doen met zoo'n kind?
Wouter was te zacht om z'n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By
elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van
lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich
alsof ze...
Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze
menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was
geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy 't gewaagd
had zich in dit geval te beroepen op 't oordeel van z'n moeder. In
tegenwoordigheid van Laps zou men z'n opmerking bedolven hebben
onder 'n stortvloed van verwytingen over z'n "brutaligheid." En na
't vertrek van 't schepsel, had men hem gezegd:
--Je bent toch 'n dom kind! Begryp je dan niet dat ik 't mensch toch
niet in 'r gezicht zeggen kan dat ik 'n hekel heb aan haar geoefen?
Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens
optehalen van z'n vergryp, ontsnapte hem 'n eenvoudig woord waaruit
z'n belaagster 'n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.
--De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven,
en toen ...
Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu
waar _Toulon_ lag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden
... als ze neembaar was!
--Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je 'm niet
dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by 't weggaan. Ferseeren
helpt niet. Men moet ieder z'n eigen sinnigheid laten. Ik geloof
werachtig dat jelui 't kind te veel besikkeneert. Lieve god, wie zal
nu zoo'n bereddering maken om 'n stuiver!
--Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. 't Zou waarachtig wel lyken
of 't me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op
aan! We kunnen altyd nog wel 'n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?
--Ja, moeder, maar 't wordt toch tyd dat Wouter...
--Komaan, wat 'n geseur om 'n pruimpie tabak! De Heer zal 't
zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! "Zoo wat ge den minsten myner
broederen gedaan hebt...
Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps
't verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet
hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd
dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.
Ja, ja, 't is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en
... sommige anderen!
De moeite die zich de Pietersens getroostten om 't raadseltjen
optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze
waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring
van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over
de oplossing, dan schynbaar van z'n lust in stiptheid en z'n begeerte
om te _weten_, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in
zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met 'n bepaald
vraagstuk bezig te houden. Z'n gemoed zag er uit als 't naaikistje van
'n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.
De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden
soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar 't grootste gedeelte
paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in
't Mensch-worden was 'n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat
niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.
Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z'n gaven en
streven--_Trieb!_--lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde
ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige
verwarring even schadelyk.
De regeling der indrukken die Wouter's weinigje ondervinding had
te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die
indrukken niet waren vergezeld geweest van z'n voorbeschiktheid tot
zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout
aan: hy was 't omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had
nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde
waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i
moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan
met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.
Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouter
_berustte_ niet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning
die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.
Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z'n
onbegrepen leed te klagen aan Femke.
Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had
hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar
huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.
By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan-
en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en
wanneer ik daarvan den _juisten_ tekst geven kon, zou ik 'n heerlyk
hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.
Toch wil ik het by benadering beproeven.
Nogeens op volkomen juistheid maakt m'n schildering geen aanspraak.
--Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden
zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M'n moeder houdt niet van
je ... doe 't niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren
waar ik begraven ben. Wil je dan 's avends op m'n graf komen? Eens
maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de
bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die 't
gek zullen vinden als je komt kyken naar 't graf van 'n kleine jongen.
Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien,
en heb 'n deenschen matroos gezien, die 'n zwaren baard had, en
kleiner was dan ik ... wezenlyk!
Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze 't behangsel veranderden. Die
bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd
is, en ze lykt ... nu eens op 'n gebroken toren, dan weer op twee
vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar 't gáát niet! En
dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En
dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog
driftiger ... over m'n eigen domheid, begrypje?
Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is
niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!
Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle
gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou
juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor 't eerst!
Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den
bybel staat! Waarom zou hy 't áánzien zoo moeielyk maken! 't Is
onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem--om allerlei vragen te doen,
weetje?--en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond
blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!
En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik
zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik
in den hemel! 't Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die
bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk
goed en wel hier ben--in den hemel, weetje, Femke--nu kryg ik niets te
weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m'n wil, en
in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m'n oogen moeten
sluiten voor 'n licht dat alles even donker maakt als in m'n bedstee...
Ik doe het niet, Femke. Ik doe het _niet_! Ik sla m'n oogen _niet_
neer!
En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven
mocht in den hemel, ik doe het _niet_!
Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist
om alles te _weten_.
En als dàt niet kan...
Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God
zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!
Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze
vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst
nogeens in den handel.
Ik heb je nooit zien voorbykomen op den _Zeedyk_, en ik was er bly
om. Als ik je gezien had...
Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m'n
kerfbuis had aangehad...
Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te
komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk
zyn. Voor my was 't niets, weetje--gut, ik kan zelf al vloeken, en
gemeene woorden weet ik ook!--neen, voor _my_ was 't niets! Ik heb eens
"godverdomme" gezegd tegen 'n Rus die me slaan wou. 't Is heusch waar
dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland
durven gaan, vooral by 't paardenvolk, omdat men dan gauwer by de
Turken is. Op den _Zeedyk_ heb ik met één hand den winkeltrap over
de toonbank gezet, en m'nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was
dan-i gedacht had.
En vind jy 't ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden
soldaat...
Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! 't Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik
kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...
De "massa" is niet dom, Femke, maar ze is...
Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je
bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn
ze dom? Ook niet! 't Zyn maar gegooide steenen. Begryp je 't
onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of
niet-verstandig... niemendal?
O, en hoe 't afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En
waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z'n been had
gebroken, even voor 't uitzeilen. 't Had God maar één woord hoeven te
kosten! Neen ... niet eens 'n woord. Hy heeft maar te willen! Och,
men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En
daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.
En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan
kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeien wat
verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets
te zeggen wat niet precies waar is.
Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag 't eens
aan pater Jansen. Maar myn ... dominee--onze paters heeten dominee,
weetje!--myn dominee gaf me nooit 'n antwoord dat ik begrypen kon.
Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem
niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z'n
grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou
hem wèl begrypen! En jy zeker ook?
Vind jy 't mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken:
hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...
Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daar _zy_ begrip, en er
_is_ begrip!
Want ... begrip en licht is 'tzelfde, weetje!
En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen
slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want
ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te
laten had! Zou je dat niet mooi vinden?
't Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken
zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...
Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch,
als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig
oorlogen noemen--met de jaartallen er by, Femke!--van christenen
tegen christenen. Hoe vind je dàt?
En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.
Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten,
die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus' wil. Ik zal 't hem vragen.
Als ik er ben--in den hemel, meen ik--en ze bidden dan weer zoo
tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd
eerst op met vechten! Dan zal _ik_ zien wie gelyk heeft, en ieder
't zyne geven naar behooren.
Want dat eeuwige vechten is te ruw. 't Is Turkenwerk. Menschen van
goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.
Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen
... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.
Hy wéét niet hoe raar 't hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien
dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik
zal 't hem zeggen.
En ook ... dat er 'n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker,
weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft
niemendal! Zou jy 'r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van
al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!
Maar wèl zou 't goed zyn als je wat beter zeep had--ze ruikt zoo!--en
als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen
pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...
Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de
aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden,
als we maar weten _hoe_? Dit moeten we trachten te leeren, en als we
ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom
Sybrand heeft gezegd dat er 'n tyd komen zal dat men 'n zwavelstok
kan aansteken aan den muur!
Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want
jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe
leven wy. Zóó is 't eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen,
Femke, waarom ik dat geloof. Er was 'n tyd dat men geen boek kon
drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen
ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook--verbeeldje, hoe lastig in
de kerk!--zoodat het heel wat in-had, 'n boek te krygen. De menschen
hadden kramp in de vingers van al 't geschryf. En nu? Gut, by m'n
gewezen patroon--hy is weggeloopen naar Amerika--stond 'n heele winkel
vol boeken, en de menschen betaalden 'n gulden per deel ... als pand,
weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken--'t gebeurde
te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen,
want er zyn verssies op gemaakt--nu, toen was 'n boek zoo duur, zóó
duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor
'n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by,
en ook 't weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster
en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten,
en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles
koop je nu voor één dubbeltje! Is 't waar of niet!
Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie 't voorspeld had, zou
niet geloofd geworden zyn. Toch is 't gebeurd!
Zóó zal 't ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen
ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke,
als ik 'n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods
wil niet zyn!
Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te
zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook
niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als
we dien kenden, zou er in 't vinden geen kunst liggen. En hy helpt
ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z'n Almacht?
O, Femke, als _ik_ almachtig was, ik zou je...
Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen
begrypen! De engelen moesten 'n katechismus maken met honderdduizend
vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en
geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.
Kyk, zóó--maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze
niet weet:
_Waarom valt 'n appel?_
_Groeit 'n boom van-boven of van-onder?_
_Waarom ben ik zoo verdrietig?_
_Waarom gaapt men elkaar na?_
_Hoe weet iemand of de pyn die hy in 't hoofd voelt, hoofdpyn is?_
_Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?_
_Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i
de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?_
_Hoe verstond-i Gods taal?_
_Zou_ Stoffel _wel eens 'n fout gemaakt hebben?_
_Waarom begryp ik nooit wat juffrouw_ Laps _zegt? Is 't waar dat zy
de genade heeft? Hoe kom_ ik _er aan?_
_Wat moet 'n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?_
Alles? Hm?
De lezer ziet dat Wouter's bescheidenheid zich niet uitstrekte tot de
_res divinae_, en dat wèl beschouwd de "Heer" meer reden dan juffrouw
Pieterse zou gehad hebben, hem z'n "brutaligheid" te verwyten.
Toch klaagde _zy_ altyd, en de "Heer" zweeg. Hy was goedertierener
dan zy.
Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de "paden" in den omtrek van
Femke's huisje tot getuigen, dat ik z'n mymeringen hoogst-onvolkomen
heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot
meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou 't er nog slechter
afgebracht hebben dan ik.
De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo
moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan
voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed
was van tegenstrydige aandoeningen die zich z'n ziel schenen te
betwisten. Wel brak hier-en-daar 't gezond verstand door, maar
onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. 't _Gevoel_ was er. De
_Verbeelding_ was er. De _Moed_ was er ...
Nu ja, en toch ... toch ...
Ik beroep me weer op 't overhoop-gehaalde "moeder's naaikistje." Wouter
grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in
z'n gemoed had neergelegd.
Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa
genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien
te beschouwen hebben als _corollair_.
Het _sentimenteele_ is voorzeker 'n uitvloeisel--'n leelyk uitwas
vaak!--van _sentiment_. En 't sentimenteele wàs er!
_Moed?_ Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er
heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en
lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoed
dus... 'n leelyk ding! Maar toch... 't is niet ieder gegeven, God te
roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan 'n zondebok
van de "massa."
En de _Verbeelding_?
"Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!" hoor ik den lezer
roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet
gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter's idealen niet precies
gekopieerd waren uit z'n romans. Iets dat anders wel eens 't geval
is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.
En ook 't hysterisch element--wie 't weglaat by menschschilderen
of geschiedschryven, is 'n knoeier of 'n huichelaar, d. i. beide
tegelyk--ontbrak niet!
Er staan of liggen my 'n paar beelden voor den geest, die de stemming
van Wouter's gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken
onklassisch. In-godsnaam--d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor
't litterarisch gehalte--Wouter's ziel geleek op 'n schotel melkpap
waaruit de bliksem schoot, op 'n donderend bloembed.
Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen
wezen als 't weer mislukte. Maar na 'n paar alineaas gepeins vergat
hy... Femke niet, maar z'n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z'n
mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem
Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande,
onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar
teruggeroepen in... 'n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde,
haar had toegevoegd:
--Ach, had je me niet nog 'n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg
juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!
'n Zonderling vryertje!
Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner
gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben
over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We
zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn,
weersgesteldheid... zeker, maar: _waarom toch_, o God? zou Wouter
gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.
Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen,
en hy verveelde zich. Z'n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal
werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar
frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach,
de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...
--Ik wil haar zien, riep hy, ik _wil_! En als vrouw Claus weer naar
wurmen vraagt... 't kan me niet schelen: ik wil Femke zien!
Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd "binnen" geroepen. Dit
was wel 'n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo'n klink
optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi
en dien heldhaftigen Lord.
De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk
voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan 'n wasemende waschtobbe--de
zeep stonk... turksch!--en pater Jansen rookte even huiselyk 'n
goudsche pyp.
--Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat 's goed! Dat 's nou 't
jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?
De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door,
zonder 't minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
--Ja, juffrouw, ik kwam 'ns kyken of....
--Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-'n boteram? En hoe maakt
't je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is
'n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer
beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... 'n beroerte,
of ... wat was 't ook?
--Gut né, juffrouw....
--Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet
in z'n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek
geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. 't Zal
'n ander geweest zyn, 'n mensch heeft zoo veel aan z'n hoofd. Houd
je van kaas? 't Is leidsche.
De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui 't gezien had,
was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van
"_Burgerstand_" II of III. (Pp) heerscht 'n fatsoenlyke schrielheid
die niet bestaat by wat men--gek genoeg, als by uitsluiting--den
_werkenden_ stand noemt. Arbeiders--mits de zoodanigen die hun geld
niet besteden aan jenever--zyn minder bekrompen in de toedeeling
van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche
namen geven en de "_Kersnacht_" laten reciteeren, of in andere
fatsoenlykhedens doen.
Wouter had nooit zoo'n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het
ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting
van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...
O, realistische Fancy?
... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter
verwacht had.
By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en 't gevolg
was van z'n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat 'n pastoor,
'n geestelyke, 'n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van
bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling
genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze
soort van godverkondigers--hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!--hadden
zich steeds aan hem geopenbaard op 'n manier die hem dwong hen
aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed,
dat 's waar, maar ze hadden 'n driekantigen hoed op 't hoofd, en heel
andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien
zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten
aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig
sprinkhanen. Wouter wist alzoo 't kostuum der leeraren in _zyn_ kerk,
vry wel pas te maken by z'n indrukken. En dit kostte hem op 't eerste
gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk 'n ander
jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.
Maar ... de houding! Maar ... 't spreken! Maar ... de toon!
De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken
wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als 'n boek, en hoestten
heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen
't geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als 'n
wysgeer, dan toch ongemaakt als 'n boer. Van pedanterie vond men by hem
geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder
onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht
de schaapjes van z'n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur,
niet uit pronkerigen weldadigheidszin--hyzelf was doodarm--maar
omdat-i in de lagere standen zich meer op z'n gemak voelde. Ook hield
hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was
haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak
nu-en-dan 'n preek jen over de zonden van den dag--de lezer heeft
er een te-goed!--katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles
zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z'n ... ambt uit,
als 'n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon
te leggen in de mededeelingen: dat hy "by de kerk" was gegaan, en:
dat z'n broers in Noordbrabant de zaak van z'n vader voortzetten,
die hoefsmid en herbergier was geweest.
--En wat wil _jy_ worden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want
... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in
boekbinden? Dat 's 'n goed vak.
--Ik ben ... in den handel geweest, m'nheer, en ... ik ga er weer in.
--Wel, jongen, dat 's goed! Dan kan je-n-'n ryk man worden. Vooral
hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is 'n handelsstad.
Wouter sprak 't niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er
bytevoegen: "'t Is de grootste koopstad van Europa, m'nheer!" Maar
... hy was verbluft door 't ... onhemelsche van pater Jansen's
taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... 't bevreemdde
hem.
't Zou nog erger worden!
--'n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet 'r bleekjes uit. M'n
broer by Vucht knypt 'n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel
eens een noordbrabantsche mik gegeten? 't Is 't beste brood! Maar ham
is ook niet kwaad. 'n Mensch die niet goed eet, wordt ... kreuzelig. Ik
eet altyd twee boterammen als ik by Vrouw Claus kom, maar ik ben
lang zoo sterk niet als m'n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis
'ns zien! Dat's me-n-'n pret!
Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de
toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt
niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i
nog nooit boodschappen uit den hemel t'huisgekregen! En uit den hemel
kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval--'n
ongemaaktheid te-meer!--die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de
rookwolken van z'n pyp in.
O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche
verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken
gewoonheid. Ook _zyn_ Fancy was goedig, en _bourgeois_, en
onopgesmukt... als 't haar zoo 'ns in den zin kwam! Ook _zy_ zou den
neus niet hebben opgetrokken voor "mik" en kermispret!
Maar... Wouter meende juist dat dit 'n fout van haar was! Hy
beschuldigde z'n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van
verregaande onaanzienlykheid.
En zie, daar zat 'n man met 'n vreemde jas aan--en dus tot verkondiger
geykt!--zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade,
geen geloovery--en geen hel vooral!--in de wereld was! Die man kende
God--hy werd er voor betaald!--en was kinderlyk verheugd over de
kracht van z'n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker,
en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!
Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo
liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom,
en dacht, en dacht, en ... zei:
--M'nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist
verstaan had. Eindelyk:
--Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...
--Maar, pater, riep Vrouw Claus, 't kind is niet van de kerk! Ben je
wèl, jongen, of heb ik 't mis?
--Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...
--Nu ja, aangenomen, maar ...
--Op de Noordermarkt, juffrouw!
--Juist, maar zie je, in _die_ kerk ...
De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen
dat die aannemery niet de rechte was.
--Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?
--Gevormd?
--Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...
Wat Wouter 'n zonderling gezicht zette! _Hy_ niet gevormd!
... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje
... dan....
In-godsnaam! Wouter moest tot z'n schaamte erkennen dat-i 'n ongevormd
wezen was, 'n _moles_, 'n "massa" misschien, een van de ergste dingen
die hem konden overkomen.
--Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
--Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs
van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem 'ns hooren opzeggen. Dàt
's 'n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m'n eigen kind, maar ... dàt
's me-n-meid!
--Ja, Femke is 'n heel braaf meisje, zei de pater, en ...
Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
... ik heb nooit moeite met haar.
Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan
ook pater Jansen. Z'n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van
't meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als
'n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i "zoo goed schuurt."
En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z'n
onderbroeken zoo netjes versteld!
O Fancy!
Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter's
schoonheidsgevoel niet, of althans z'n schoonheidsgevoel niet
het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy
versmaadde 't rangverschil tusschen pater's onderbroeken en den
melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door 't burgerlyke,
noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien,
paters en Mensheid!
Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in 'n deel van
Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat
niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ... _vooral_
't menschelyke niet!
Wouter was _zestien_ jaren oud, reeds 'n kleine man dus, en ... iets
anders nog: 'n mannetje!
Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z'n onderbroek!
--Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als 'n weerliggie! Is er niet
wat van je stuk, pater? Stuur 't maar gerust hier!
Wouter gloeide. Waren 't dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen,
of ... vesten, of ... ziedaar--als 't dan volstrekt iets wezen moest
van verdrietigen aard--al was 't dan maar 'n bovenbroek!
... stuur 't maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...
Wáár zou ze wezen?
... _ik_ zal je boeltje wel heel maken! Dat kan _ik_ ook nog wel!
Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het,
en laat Femke waar ze-n-is!
Maar... wáár zou ze zyn?
Zoo _dacht_ Wouter. Ziehier wat-i _zei_, de leugenaar, de gauwdief,
de huichelende booswicht ... het menschje:
--Hé, 't is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten
hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?
--Fem? Wèl, die is by 'n nicht van ons, die 'n meid ziek heeft, want
... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen
van onze nicht.
Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De
deugniet zette 'n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z'n
stoel--Wouter wist nog niet hoe men 'n bezoek afbreekt: velen leeren
het nooit!--verliet hy met pater Jansen 't huisje.
Het verregaand liberalismus van juffrouw _Pieterse_ is oorzaak
dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom pater _Jansen_
zoo doof was aan z'n linkeroor.
--Wil je me-n-'n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m'n
rechterzy, want ik ben doof hier.
En hy wees op z'n linkeroor.
--Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik 'n kleine jongen was... kan
je goed klimmen?
--N...é, m'nheer!
--Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon
klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens 'n bloempotjen
uit 'n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was
niet gemakkelyk, in 't geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik 't
potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want
het was 't potje van 'n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den
pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar
aan de twintig _confiteors_ zat ik vast, hoorje, vast als 'n bliek
aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... 't is 'n gemeene visch. Nu,
er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...
Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor.
Op 't simmenarie was 'n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de
Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want
... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z'n
naam was anders, dit begryp je. Die Vink was 'n slechte jongen. Maar
nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z'n tellen! Help 'ns kyken,
of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem 'ns hooren als-i
'n brok uit de _Vulgata_ opzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar,
en vergiste zich nooit in 'n tekst.
Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon
... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in
gedrag ...
Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als
Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo'n goeden voet
met de professers. Ik mag je z'n naam wel noemen, omdat-i dood is,
en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette
Kruger. O, 'n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.
Ja, Kruger was 'n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien
wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen
zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd
want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.
Eens nu, toen de tyd van 't examen naderde, was Kruger's vader ziek
geworden--en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer,
want hy was Vink 'n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven
zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone
lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal
geweest zyn, als-i maar kon meedingen in 't _Specimen_, klasse:
_rhetoriek-eerste_, en: _theologie-derde_. Daarvoor worden hooge
punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de
kleine les best missen.
We hadden in _rhetoriek-eerste_ dat jaar: _de eloquentiâ_, en in
_theologie-derde: de substantiâ archangelorum..._ heele moeielyke
stukken, dit voel je wel!
Kruger zond z'n: _de eloquentiâ_ van-huis--en 't was heel goed
... mooi, hoor!--maar hy schreef aan onzen pater _theologie-derde_:
dat-i 'n: _de substantiâ archangelorum_ reeds vroeger had behandeld
... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was>
en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z'n pleizier doet ...
--Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met
'n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier,
zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik
'n last van dàt kind!
Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking
met pater Jansen af.
De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby
Wouter's woning, en z'n moeder die juist in onderhandeling was met
'n groentejood over 'n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich 'n
beroerte te krygen van ergernis.
--Met 'n pastoor! Stoffel, kom 'ns gauw beneden ... de jongen loopt
met 'n pastoor!
Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen
'n lieve goede man die zoo'n bejegening niet verdiende. En dit was
de zuivere waarheid.
De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove
slechts bereikte aan den linkerkant?
Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z'n woning
was, en dat-i geroepen werd door z'n moeder, antwoordde de man
heel goedig:
--Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-'n volgenden keer vertellen
waarom ik zoo doof ben aan m'n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?
Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z'n tranen af.
Het kwam hem voor dat z'n moeder 'n zware zonde begaan had, en dat
'n vyftigtal _confiteors_ ...
Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op 't "simmenarie" 't
krabbedieven van 'n bloempot gestraft wordt?
--Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen
terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw
Dungelaar ... 't was om de bloemen niet, en ook niet om den pot,
zieje, maar alleen omdat ik zoo'n lust in klimmen had. Anders ... men
moet nooit iets wegnemen wat 'n ander behoort, al staat het nog zoo
hoog. Dag, jongeheer!
En na 'n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging
de man zyns weegs.
Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...
--'t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.
--Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk
heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo'n manier komt er nooit
iets van hem te-recht.
Onze wysgeer had wel 'ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in
dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet
leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel
begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.
--Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, 't kind moet werk hebben. Als-i
maar letterzetten wou! Of in 'n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet
dat-i zelf 'n schoen maakt!
--Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loop
_ik_ met 'n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar
m'n school ga.
--Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.
--Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther,
dat was ook 'n soort van pastoor. En wat deed-i?
--Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.
--Luthersch, moeder! Nu, dat 's byna 'tzelfde. We moeten niet zoo
bekrompen wezen, moeder!
--Wel neen, 'n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd
zeg. Want, Stoffel, wat doet er 'n mensch z'n geloof toe, niet waar,
als-i maar braaf is, en niet roomsch.
Enz. Enz. Enz.
Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw
Claus den rang aanmatigde van iemand die "in den handel" geweest was,
en weer "in den handel" gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer "in."
Door bemiddeling van zekeren leerkooper die--kommercieel
gesproken--zeer na verwant was aan de schoenen die voorgaven uit Parys
gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by
'n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende
zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou 'n nieuwen leertyd
ingaan op 't wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
De zaak erlangde haar beslag op 'n woensdag, en de nieuwe betrekking
zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.
Voor 't evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk
wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets
wat-i niet was--god-bewaarme!--tot 'n romanheld.