Velen vergissen zich in de meening dat de leugen altyd 'n uitvloeisel

wezen zou van 't _belang_. Aanvankelyk is ze, even als sommige

lichamelyke wanstaltigheden, slechts 'n gevolg van knelling. Een kind

dat geen weerklank verneemt op de uiting zyner aandoeningen, wordt

beschroomd, en vreest zich belachelyk te maken. Het gedurig vermanen,

onderwyzen, berispen, werkt verlammend. De jonge ziel trekt schuw

haar begeerige voelhoorntjes in en sluit weldra ook de onschuldigste

gewaarwordingen in haar binnenste op. Hieruit vloeit dat hygen naar

't onbekende voort, naar 't verre--dikwyls naar 't onbereikbare--dat

mensch en Menschdom kenmerkt. Want de Maatschappy werkt hierin op

gelyke wyze als het gezin en 't ouderlyk toezicht. "Dat mag niet!" en:

"dat is onbehoorlyk!" wordt er van alle kanten geroepen, zoodra

iemand zich veroorlooft zichzelf te zyn. "Hoe dwaas!" is terstond

het algemeene oordeel over alles wat afwykt van den regel waaraan

men gewend is. De meesten gaan 'n wyden stap verder, en noemen 't

"misdadig" wanneer de eenling zich aanmatigt z'n individualiteit te

bewaren, of zelfs wanneer-i blyk geeft daarnaar te streven.

't Gevolg is: _leugen_. Want de lust om zich te verzetten tegen

overmacht, is weinigen gegeven. En de kracht!

Opmerkelyk is 't dat de enkele die dit beproeft, niet het minst wordt

uitgejouwd door de velen die eenmaal dezelfde aandrift voelden,

doch uit lafhartigheid en gemakzucht het strydperk ontweken of

verlieten. Wie 'n waarheid verkondigt die tegen den gewonen sleur

inloopt, vindt z'n gevaarlykste tegenstanders niet onder de aanhangers

der bestreden dwaling, maar onder hen die, in den grond van hun gemoed

zyn meening toegedaan, niet verdragen kunnen dat 'n ander den moed

had die meening te openbaren. Het vóórgaan wordt door achterblyvers

opgenomen als verwyt. Er zyn duizenden en duizenden die evenmin als

Wouter lust zouden hebben juffrouw Laps te bezoeken, maar Woutertje

had buikpyn noodig om zich te vrywaren tegen verkettering over z'n

tegenzin. En dit lukt niet eens altyd, want:

--Ik geloof niets van je buikpyn, zei de moeder. 't Is maar weer

omdat je 'n ondeugend kind bent, die nooit wil doen wat men hem zegt.

Daar Stoffel dit ook vond, werd er krygsraad gehouden, en Wouter

veroordeeld den zwaren tocht te ondernemen. De katechizatie die hem

te wachten stond ... och, 't leek niets naar 'n katechizatie! Hy werd

ontvangen met 'n vriendelykheid die hem verbaasde, en heelemaal in

de war bracht.

--Zoo lieve jongen, ben je daar? Wat kom je laat! De kerk is lang

uit. Ga zitten, ventje. Kyk eens wat ik voor je bewaard heb, expres

voor jou!

Ze drukte hem op 'n stoel, en schoof hem allerlei lekkernyen

toe. Wouter was verlegen. En dit werd er niet beter op, toen ze hem

streelde en liefkoosde.

--En vertel nu eens wat van de preek, zeide zy toen het kind zich

aan haar onverwachte vriendelykheid zoo goed mogelyk poogde te

onttrekken. Wat heeft de dominee al zoo gezegd?

--De tekst was...

--Nu ja, straks als je mond leeg is. Eet maar eerst 'n paar

taartjes. 'n Mensch kan niet alles te-gelyk doen. Daar is chokola,

en 'n likeurtje kryg je-n-ook. Ik heb altyd gezegd dat je 'n lieve

jongen bent, maar ze moeten niet zoo op je hakketeeren. Sla maar toe,

m'n jongen, en doe gerust of je thuis was...

Nu, dit was eigenlyk 't ware woord niet om Wouter op z'n gemak te

zetten. Thuis!

Na de eerste verrassing over de vreemde ontvangst, begon hy angstig

te worden. Zonder de minste redeneering, en alleen om ... om...ja

waarom? Op-eens stond-i op, en verzekerde dat z'n moeder hem bevolen

had niet lang uitteblyven.

Er was weer geen woord van waar. Juffrouw Laps protesteerde, maar

Wouter hield vol. In-weerwil van haar dringende vriendelykheid wist-i

zich door den vyand heenteslaan.

Na beloofd te hebben dat-i zeer spoedig weer "eens zou terugkomen"

raakte hy de trap af, en op-straat. Hier doorstroomde hem 'n

onbeschryfelyk gevoel van verlossing. Onbeschryfelyk vooral voor

hemzelf. Nooit was hy zoo ... hartelyk behandeld, nooit althans

bejegend met zooveel vertoon van hartelykheid. Vanwaar dan z'n

tegenzin? Hy herinnerde zich dat ze hem by z'n vertrek 'n kus had

willen geven, en dat-i zich door 'n snelle wending daaraan onttrokken

had. Waarom? Dit wis-i alweer niet, maar het denken hieraan verzaakte

hem 'n zenuwachtige rilling zooals de schok waardoor we soms in den

overgang van waken tot slapen worden gestoord.

En zoud-i nu terstond naar huis gaan? Wat zou hy opgeven als reden

van z'n spoedige terugkomst.

Onwillekeurig richtte hy z'n schreden naar de aschpoort. Het was z'n

voornemen niet, Femke te bezoeken, volstrekt niet, waarlyk niet! Hy had

z'n gekleurde Ophelia immers niet by zich? Ligt hierin niet 'n duidelyk

bewys dat-i by 't verlaten van z'n woning niet aan Femke gedacht had?

En zelfs toen-i op den buitensingel z'n molens in 't gezicht kreeg...

Ach, ze zwegen! Was er geen wind, of hielden ze zondag?

De buitensingel was vol wandelaars. Juister gezegd, en

vooral amsterdamscher: er was veel volk op de been, dat daar

"kuierde." _Gewandeld_ wordt er door de zondagsmenschen eigenlyk

niet. Woord en zaak zyn te voornaam voor de burgerlui die daar

heen-en-weer slenteren, en zich verbeelden dat ze "buiten" zyn,

omdat ze stoffig zand in-plaats van straatsteenen onder de voeten

hebben. Het zondagsgenoegen van de meesten is heel melankoliek! Of

schynt dit maar zoo? Genieten de wandelaars meer of iets anders dan

op hun gelaat te lezen staat? We willen dit hopen.

Wouter volgde een der stroomingen, en wel juist die waardoor hy Femke's

huisje nader gedreven werd. Toen hy voor de lage omheining stond,

die 't erfjen afschutte aan den wegkant, durfde hy niet binnengaan,

en daar hy dit niet aan zichzelf bekennen wilde, schoof hy de schuld

van z'n beschroomdheid op Ophelia die thuis gebleven was.

--O, als ik m'n prent maar hier had! zuchtte hy. Dan zou ik zeker ...

Dit is de vraag! Ik geloof dat Wouter, met prent en al, even schuw zou

geweest zyn. Hy wist niet wat-i zeggen zou, en zelfs niet of hy iets

te zeggen had. Wat zoud-i antwoorden als Femke's moeder hem vroeg:

"maar mannetje, wat kom je hier eigenlyk doen?

Wy, schryver en lezer, _wy_ zouden misschien kunnen antwoorden. En

't is de vraag of onze wysheid wyzer wezen zou dan de domheid van 't

kind dat daar weifelend stond te leunen op 't lage hekje. Hy staarde

met open mond het huisjen aan. Z'n knieën knikten, 't hart bonsde,

tong en verhemelte waren droog. Waarom toch?

Een klein zuiltje rook dat uit den schoorsteen opsteeg, maakte hem

wakker. Als er eens brand kwam in Femke's huisje! Dàn immers moest-i

wel binnen gaan! Dàn zou 't hem vrystaan haar te redden haar in z'n

armen te nemen, haar wegtedragen, ver weg, heel ver ... tot aan 't

einde der wereld, of buiten de stad tenminste! Hier-of-daar waar men

gekleed gaat in rood fluweel en groene zyde, ergens waar de heeren

groote zwaarden dragen, de dames lange sleepen! Wat zoo'n sleep Femke

goed zou staan! En ze zou te-paard zitten, en hy zou haar volgen

... neen, naast haar ryden met 'n valk op z'n vuist!

--Als er maar brand kwam!

Maar er kwam geen brand! Dit zag Wouter ook wel. Die rook ... och,

't was zoo'n gewoon huishoudelyk rookje! Hy staarde op andere

huisjes in de buurt, waar ook iets scheen gekookt te worden, en

overal veroorloofden zich de schoorsteenen getuigenis afteleggen van

'n bezigheid, die niet van Femke's bezigheid scheen te verschillen. Hoe

was 't mogelyk!

Eén onderscheid bleef er toch, al wisten die domme wolkjes zelf het

niet: zy hadden Femke gezien! Ze waren gezien door Femke! Zoo-even

nog huisden ze in de turven die door háár hand waren geschikt op de

vuurplaat! Warlend hadden ze dat verblyf verlaten, bly misschien dat

ze werden opgezonden om straks Wouter van haar te groeten... ach

waarom steeg ze niet mee op, zyzelf! 't Zou juist hebben gepast

by z'n aandoeningen. En al hadden alle wandelaars geroepen: "zie

daar geschiedt 'n wonder. Een meisje stygt uit den schoorsteen

ten-hemel!" ... Wouter zou gezworen hebben dat het geen wonder was,

maar Femke die omhoog zweefde, gedragen door de opgetogenheid van

z'n hart.

Hèm kwam 't eer als wonder voor, dat ze niet scheen te weten dat

hy dáár stond, zoo vurig verlangende haar te zien, zoo getergd

half-voldaan door 't aanschouwen van iets dat misschien door haar

gezien was, en toch, toch te schuw om 't erf optegaan, den klink van

de deur te lichten, en binnentredend te roepen: "Femke, hier ben ik

... waarlyk, ik kon niet eer, maar nu, zoodra ik kòn: hier ben ik!"

Want hy had 'n gevoel alsof hy zich over z'n lang wegblyven

verontschuldigen moest. Juist andersom dan by veel andere verhoudingen

waarin men zich van gemaakte afspraken tracht te ontslaan, voelde hy

zich als 't ware gebonden door afspraken die niet gemaakt waren.

Daar naderde 'n troep wandelaars die te lang schenen gerust te hebben

in een der etablissementen langs den weg, waar men "ververschingen"

bekomen kon. Al te ververscht, plukten zy in 't voorbygaan Wouter

van z'n hekje, en namen hem in de vlucht van hun sukkeldrafje mee.

Nu dit was zoo kwaad niet. Waarom toch zoud-i daar langer staan

kyken naar dat huisjen en dien rook? 't Zou wel zonderling wezen

als nu juist op dit oogenblik de zoo vurig gewenschte brand kwam. En

... zonder brand? Bovendien, daar-i Ophelia niet by zich had...

Maar... morgen! Morgen zoud-i zeker z'n prent meenemen. En hy

beloofde zichzelf dat-i dan niet zoo kinderachtig zou blyven staan

voor dat hekje!

Hy voelde schaamte tegenover de bonte heerschappen met pluimen,

zwaarden en harnassen, op z'n prenten. Zeker hadden zy moed, al

die koningen, ridders en pages ... waarom anders zou men ze hebben

uitgeteekend, en zoo prachtig opgetooid? Als 't niet beterde, zou

men nooit hèm op 'n prent zetten, zoo'n laffen durfniet!

Maar hy zou zich beteren, ongetwyfeld, waarlyk, zeker, heusch! Hoe

verder hy zich verwyderde, hoe mannelyker hy zich voornam den volgenden

dag onvervaard het huisjen intestappen, en flink tot Femke's moeder

te zeggen: goeden dag, juffrouw, hoe vaart u!

Het viel hem moeielyker te bepalen wat-i aan Femke zelf zeggen

zou. Telkens maakte hy lange redevoeringen gereed, die sterk naar

boeken en boekjes riekten, en dus niet veel deugden. Nu-en-dan zelfs

betrapte hy zich op 'n regel uit Bilderdyks "_Floris_" en voorziende

dat het meisje hem niet begrypen zou, wapende hy zich in de voorbaat

met de verzekering dat dit de woorden waren van onzen grootsten

dichter.

Of ze dáárvoor gevoelig wezen zou?

En by dezelfde gelegenheid zoud-i dan tevens haar vragen wat 'n

"wulp" was, en 'n "echtkoets" en "kuisheid" en zoo voort. Al wat-i

niet wist en toch zoo gaarne weten wilde, zoud-i aan haar vragen,

en al verwachtte hy dan niet dat het ongeleerde meisje hem op den

weg helpen kon, het was hem reeds 'n heerlyk vooruitzicht al die

mysteriën met haar te zullen bespreken.

Aldus begon zich in den knaap het in-eenvloeien te openbaren der

verschillende soorten van ontwikkeling, waarop ik vroeger gewezen

heb. Ik beweer nog altyd niet dat we hier met eigenlyke liefde te

doen hebben, maar zeker is het dat Wouters neiging voor Femke, welken

rang die dan ook mocht innemen op zielkundig, en--waarom zouden we

't ontkennen?--ook op stoffelyk gebied, zich vereenzelvigde met lust

tot onderzoek. Och, hy wist wel dat er van haar niets te leeren viel,

vooral niet omtrent zaken die te-huis behooren in 'n boek. Maar er

waren er ook van andere soort, en Femke kwam hem zoo heel groot voor,

of liever: "groot." Ze was volwassen, en dit brengt in de oogen van

'n kind 'n hooge waardigheid mee.

Doch al zou er blyken dat ze in geen enkel opzicht instaat was z'n

nieuwsgierigheid te bevredigen, dan nog voelde hy zich sterk tot

haar getrokken door de begeerte háár iets meetedeelen van _zyn_

kennis. En waar deze te kort schoot, zoud-i met onbeperkte gulheid

Femke deelgenoot maken van z'n onkunde. Ook dan toch gàf hy haar wat,

en ze zouden iets in gemeenschap bezitten. Het kwam hem verrukkelyk

voor, te-zamen met haar iets niet te weten, waaruit natuurlyk 'n

vereenigd streven naar kennis moest voortvloeien.

Hy was brandend nieuwsgierig naar alles wat ze hem zou te zeggen

hebben, daar-i 't waarschynlyk vond dat ook zy levenslang al haar

aandoeningen had opgespaard voor haar eerste vrindje. Met schrik

bedacht-i nu dat hy van die vriendschap niet zeker was! Ze had in

z'n ziekte naar hem gevraagd ... nu ja, maar misschien was ze juist

toevallig voorby z'n huis gekomen, en dan was 't zoo heel moeielyk

niet, even aanteschellen, en te vragen: hoe vaart Wouter?

O, dat valsche mensch-exemplaartje! Hyzelf durfde niet

binnengaan. Femke had wèl gedurfd, en toch... toch mocht ze niet al

de eer hebben van den moed die Wouter zoo onbereikbaar toescheen toen

ze gevorderd werd van hemzelf. Zoo zyn we. Het doet niet tot de zaak

dat het meisje, niet als Wouter geplaagd door aandoeningen die ze

meende te moeten verbergen, minder moed behoefde dan hèm voor zoo'n

bezoek noodig voorkwam. Want dit verschil was hem onbekend. Hy had

evenmin besef van haar eenvoudigheid, als bewustzyn van de oorzaken

die hem beletten eenvoudig te zyn, en 't ware dus eerlyk geweest

haar te bewonderen met dezelfde overdryving als waarmee hy zichzelf

beschuldigde van lafheid. Maar dit deed-i niet. Hoogstens verdiepte hy

zich in gissingen omtrent de manier waarop ze hem had weten te vinden.

't Is waar ook, dacht-i, hoe wist ze waar ik woonde? Hy berekende

dat ze zich veel moeite moest getroost hebben om dit uittevorschen,

en hieruit putte hy weer wat hoop dat-i wel inderdaad Femke's vrindje

was. Haar éérste vrindje? Wie kon dit weten? Zoo'n groot meisje heeft

al zoolang geleefd met haar moeder, en met schoolkameraadjes, en met

jongetjes die haar komen bezoeken by de bleek! En met pater Jansen...

Dien pater Jansen had-i graag 'n hartelyken stomp gegeven. Wat moet

men doen om _pater_ te worden, Femke's pater? Als er mogelykheid was

op zoo-iets! Met het grootst genoegen zoud-i dan aan Femke uitleggen

al wat maar eenigszins dienen kon voor haar zaligheid, en hy wou

haar graag 'n zoen geven, elken keer als ze haar "vragen" goed had

opgezegd. Jazelfs, hy zou haar 'n zoen geven als daaraan wat haperde

of ook al wist ze 't eerste woord niet van haar lesjes met die ivoren

torens. Och hy zou voor Femke zoo'n vriendelyke pater zyn!

Hoe legt men het toch aan, om 't zoover te brengen in de wereld? En

kon men er zeker van zyn, dat 'n pater altyd durfde binnengaan als-i

ergens wezen wilde?

Hy zag duidelyk in, dat-i vóór alles die gekke beschroomdheid moest

overwinnen. Wat zou Mungo Park wel gezegd hebben, als-i hem daar zoo

besluiteloos had zien staan voor dat hekje? Zeker, zeker, dit begreep

hyzelf wel, zóó kon men geen werelddeelen innemen. O, meende hy, als

't maar om Afrika ware te doen geweest, dan zoud-i wel doorgedrongen

zyn tot in 't binnenste binnenland, nog veel dieper-in dan ver over

de blauwe bergen die den achtergrond vormden van al de prentjes in

z'n boekje. Maar ... dat hekje? En ... Femke's moeder? En ... Femke

zelf? Ware hy maar zeker geweest háár te vinden, alléén haar! "Toch

niet, antwoordde hy zichzelf, dàn juist zou ik niet hebben durven

binnengaan!"

Nu kwam 't hem voor, dat-i liever Femke's moeder had gevonden. Hy

zou dan aan die vrouw gezegd hebben ... ja wat? Neen, neen, zoo heel

aanlokkelyk was de ontmoeting met Femke's moeder niet.

Zou men ook aan Mungo Park gevraagd hebben: wat kom je hier in Afrika

eigenlyk doen?

En ... àls men 't gevraagd had ... welnu, _hy_ kon makkelyk

antwoorden. Zoo'n reiziger in 'n boek met prentjes is nooit verlegen.

Hier begon Wouter schoone toespraken te houden tot al de negerkoningen

die hy met lans en zwaard overwonnen had. En al de vrouwen des lands

kusten hem de handen terwyl-i voorby reed, zittende op 'n schimmel

met vuurrooden schabrak. En hy informeerde zich heel minzaam naar

de lieve meisjes die Park hadden verpleegd in z'n ziekte: "omdat de

vreemde witte man ver was van moeder of zusters, en geen huis had." Hy

zou ze koninklyk beloonen...

Want Wouter was koning in al dat veroverde land Koning, en ... Femke

koningin! Wat de groote fluweelen mantel haar prachtig staan zou! En

die gouden diadeem!

Ach, er was ter-nauwernood verf genoeg in Wouters gemoed, om al die

heerlykheid naar behooren te kleuren. Maar wàt er mocht overschieten,

_zy_ kwam niet te-kort. Háár sierde hy op in z'n vlammende verbeelding,

haar 't eerst, haar 't meest, haar byna alleen. Byna, ja ... want

hyzelf was er by, maar kon dit anders? Hoe zou ze koningin van heel

Afrika kunnen wezen, zonder 'n koning! En wie anders kon dit zyn dan

hy, Wouter, haar vrindje?

Och dat veroveren van werelddeelen was zoo'n gemakkelyke zaak, meende

hy. Wel speet het hem zeer dat-i pas dertien jaren oud was, en dus

gevaar liep dat anderen hem vóórkwamen en Afrika bezetten, terwyl

hy door den verraderlyken Pennewip werd opgehouden met verbuigingen

en die vervloekte _regula de tri_! En hy wist zeer goed dat er nog

zooveel andere zaken moesten geleerd worden, voor men werelddeelen

veroveren kan, of zelfs koning worden van 'n kleiner land. Ook z'n

zakgeld moest eenige veranderingen ondergaan, want zes duiten in de

week waren by de grootste zuinigheid inderdaad niet toereikend voor

z'n plannen. De Hallemannetjes ... nu ja, die kinderen ontvingen

hooger toelaag, maar ze dachten gelukkig niet aan Afrika. Voorloopig

vreesde hy hun konkurrentie niet, doch wel dat misschien hier-of-daar

'n ander kind, iets nader aan 't grootzyn dan hy, hem den pas zou

afsnyden. En nog meer belemmeringen sloegen z'n vlucht neer. Hoe moest

hy 't aanleggen, dacht-i, om niet bekeven te worden door z'n moeder,

wanneer hy op z'n tochten in dat onmetelyk binnenland eens wat langer

uitbleef dan de huistucht der Pietersens veroorloofde?

Inderdaad, al die moeielykheden waren niet te miskennen. Onze kleine

droomer zag geen kans ze uit den weg te ruimen, en daar toch z'n

verbeelding niet verkoos zich te laten stuiten, sprong ze er over heen.

Al wat er met hem en Femke in Afrika geschiedde, zou beschreven

worden in fraaie boeken met gekleurde plaatjes. Hy zag zich op 'n

salomonischen troon waarvan 't model aan z'n prentenbybel ontleend

was, en ze zat naast hem... zy! En groots was ze niet, want ze wilde

't heel wel weten "voor 't aangezicht van 't geheele volk" dat ze

vroeger maar 'n bleekmeisje zonder kroon of statie was geweest, even

buiten de aschpoort. Dit mocht bekend zyn aan allen die daar geknield

lagen voor haar troon, en ieder mocht het vertellen aan ... ieder,

wanneer men dan maar nooit vergat er by te zeggen dat ze koningin

was geworden omdat Wouter haar had liefgehad. En 't volk hoefde nu

voortaan niet te knielen, zou ze zeggen...

Nu ja, dacht Wouter, by buitengewone gelegenheden staat dat zoo

kwaad niet. Als hy bezoek ontving van z'n moeder en van Stoffel,

by-voorbeeld. Die twee mochten 't wel eens zien, vond-i, hoe al die

menschen hem vereerden, en... háár vooral, haar die zoo onheusch was

bejegend toen ze in z'n ongesteldheid naar hem was komen vragen. Maar

als moeder en Stoffel 't éénmaal gezien hadden, was 't genoeg. Dan

zoud-i alles vergeven, en voor z'n moeder 'n groot huis laten bouwen,

vol regenbakken en waschtobbes. Ook besloot-i 'n ruime school te

laten oprichten voor Pennewip, met groote zwarte borden, inktkokers,

schryfboekjes en kleurige landkaarten van Europa, en tabellen van 't

vervelende nieuwematenstelsel. En hy zou z'n ouden meester vergunnen

daarin den ganschen dag onderwys te geven, van 's morgens vroeg tot

's avends laat... ja, den geheelen nacht dóór! Mocht dit soms de

jongetjes vervelen..

Wouter was bezig met de moeielyke oplossing van 't vraagstuk hoe hy

te-gelyker-tyd Meester Pennewip en de afrikaansche jeugd zou tevreden

stellen, toen Leentje de deur opende. Zonder het te weten namelyk

had-i z'n woning bereikt, en daar aangescheld, zoodat hy zich vry

onverwachts zag overgeplaatst in 'n geheel anderen kring dan waarin

hy sedert 'n half uur zich bewoog. Hy had inderdaad eenige inspanning

noodig om te begrypen wat z'n moeder bedoelde, toén ze hem vroeg hoe

z'n bezoek was afgeloopen, en of Juffrouw Laps tevreden was geweest

over 't verslag van de preek?

Preek? Laps? Och, wat was dit alles ver! Stamelend en zonder eigenlyk

te weten wat-i zeide, sprak hy eenige woorden uit die z'n moeder en

Stoffel in den waan brachten dat het door hem afgelegd examen niet naar

den eisch was afgeloopen. Wat zoud-i dan ook over den uitslag van z'n

bezoek uit 'n godgeleerd oogpunt kunnen zeggen? De heele theologie

was immers allerschandelykst achterwege gebleven. En ook dit kon-i

niet erkennen zonder zekere gaping te doen in 't oog vallen, die z'n

relaas heel onvolkomen maken zou. Hy was lang genoeg uitgebleven om

de vier boeken _Mosis_ aftehandelen, en begreep dat die tydruimte

niet te vullen was met twee taartjes en 'n kop chocola. Voorbereid op

't na-examen dat hem tehuis wachtte, was hy volstrekt niet. Van 't

oogenblik af dat-i de aschpoort en z'n molens had weergezien, had-i

zoo weinig aan juffrouw Laps gedacht, dat 't mensch zonder genade zou

gestikt zyn, als hy belast ware geweest met het leveren van haar adem.

't Was 'n geluk dat-i niet van pater Jansen sprak, of van dien rook,

of van Afrika. Een geluk dat-i gedeeltelyk te danken had aan z'n

hakkelen, want wie goed luisterde naar z'n mededeelingen, kon in

waarheid betuigen dat-i volstrekt niemendal zei.

Behalve de niet geheel willekeurige tegenzin om melding te maken

van dat uitstapje naar den buitensingel, bestond er nog 'n reden

die Wouter belette 'n duidelyk verslag te geven van z'n bezoek. Hy

was even verlegen iets te zeggen over de ondervonden vriendelykheid,

als-i over die onverwachte vriendelykheid zelf geweest was. Ze had

hem zeer gestuit, en nu kwam 't hem voor dat er iets laakbaars lag

in 'n aandoening die hy zeker nog minder by z'n moeder en Stoffel

zou kunnen rechtvaardigen dan by zichzelf. "De jongen lykt wel mal,

meende hy te hooren zeggen. Als men hem beleefd ontvangt, loopt-i

boos weg. Wat is er aantevangen met zoo'n kind?"

Z'n stamelen bracht evenwel 'n heel andere werking voort dan-i

verwachten kon. Er scheen 'n reaktie te hebben plaats gehad sedert

men hem de deur uitzond. Misschien hadden z'n beide inkwiziteurs zich

bezig gehouden met wat ergernis over de schriftgeleerdheid van de

oefenaarster, althans Stoffel brak Wouters gehakkel af met z'n gewoon:

--Zie je wel, moeder, juist wat ik altyd zei. Daar hoort wat toe om 't

háár naar den zin te maken. Ze weet altyd alles beter dan 'n ander...

--Zóó is het, riep de moeder. 't Mensch is gek en verwaand, dat zeg

ik! En zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of men van zoo'n kind vergen kan

dat-i alles precies onthoudt, wat de dominee gezegd heeft? Dat kan

ikzelf niet. En jy ook niet. En de meester ook niet. En ik zeg dat

geen mensch dit kan. En dit dan te verlangen van zoo'n kind! Ze doet

het maar om den profester te spelen ... dáárom doet ze 't!

Dit was Stoffels gevoelen ook, en de moeder werd welsprekend door

z'n byval.

--Wat verbeeldt ze zich wel, ging ze voort. Meent ze misschien dat

zyzelf 'n dominee is, omdat ze zooveel teksten uit het hoofd kent? Het

mocht wat! En dan met al die wysheid te liggen sikkeneeren op 'n

kind dat pas ziek geweest is! 't Is 'n ware schande! Wat hoefje ook

daarheen te gaan, Wouter? Je hebt niks met het mensch te maken. Wat

doe je in haar huis? Ik zeg maar altyd...

Hier bedacht de redenaarster dat zyzelf Woutertje tot z'n bezoek

gedwongen had. Ze viel zich daarom in de rede met 'n vermaning om

z'n zondagsche broek uittetrekken. En haar ontevredenheid over de

verkeerde richting die ze aan haar oratie gegeven had, uitte zich

in 'n splinternieuwe zooveelste lykrede op Wouters vorig pakje:

"waarvan ze zoo weinig pleizier had gehad, omdat-i zoo _sleetsch_

was. Er moest zoo zuur voor gewerkt worden!"

--En dan zoo'n kind 'n heel uur lang op 'n droogje te laten zitten! En

ze had nogal gezegd...

Dit was nu toch meer dan Wouters rechtsgevoel verdragen kon. Hy

viel z'n moeder in de rede, en verzekerde dat juist integendeel z'n

gastvrouw hem zeer gul ontvangen had, en dat ze zelfs...

Hier stuitte hy weer op de bovenmatige vriendelykheid waaraan-i geen

naam geven kon. Waarom toch?

Uit verlegenheid weidde hy breed uit over de chokolade...

--Zoo? Wel, jongen, waarom sprak je daar dan niet terstond van? Nu,

dat's hetzelfde. Ik wil maar zeggen: dàt had er dan ook nog moeten

bykomen, dat ze je niet eens wat voorgezet had! Want... zóó zyn die

menschen! Altyd hebben ze wat te vitten op 'n ander, maar naar zichzelf

kyken ze nooit. Ik geloof óók wel aan de Genade, en ik houd er óók wel

van zoo nu-en-dan eens, als m'n huishouden aan-kant is, wat degelyks

te hooren uit de Schrift, of van 't Geloof, of zoowat, maar om nu

juist eeuwig en altyd dáárover te praten ... neen! In 't praten zit

't 'm niet, wat zeg jy, Stoffel? Ik zeg dat 'n mensch z'n werk moet

doen in de wereld, en jy, Wouter, trek toch je nieuwe broek uit,

dat heb ik je nu wel al honderdmaal gezegd. Trui, geef 'm z'n ouwe!"

Trui gehoorzaamde. En Wouter ook. Maar hy beloofde zich vast en zeker,

dat-i in Afrika alle dagen op z'n zondags zou gekleed gaan.

Onze held legt weer 'n bezoek af, en woont akelige tooneelen

by. Sporen van kannibalismus in _Europa_. Saturnalie op

dokters studeerkamer. Vreeselyk tafreel van kinderen die hun

vader mishandelen.

Den volgenden dag schelde Wouter by den dokter aan. Z'n hartje beefde,

want dat huis zag er heel voornaam uit. Hy werd binnen gelaten en,

na aangemeld te zyn, uitgenoodigd: "maar boven te komen." Dit "maar"

is 'n onbeminnelyk uitvloeisel van amsterdamsche dienstmeiden. Ik gis

dat ze hiermee geen ander kwaad bedoelen dan zekere voorbereidende

oefening in 't gebruik van stopwoorden, met het plan om eerlang aan

't verzenmaken te gaan, en historische treurspelen te schryven.

Dokters-Kaatje was nog zoo ver niet. Ze geleidde Wouter heel prozaïsch

naar de "studeerkamer" waar dokter Holsma bezig was met het vervullen

van den natuurlyken vaderplicht: hy onderwees z'n kinderen.

Er waren er drie. Een jongen, wat ouder dan onze Wouter, zat alleen

in 'n hoek aan 'n klein tafeltje te schryven of te rekenen. De beide

anderen, 'n knaapje van Wouters leeftyd, en 'n meisje dat een paar

jaar jonger scheen, stonden by de tafel waaraan de dokter gezeten

was, en waarop 'n groote aardglobe stond, die blykbaar 't onderwerp

was van de les. Dit begreep Wouter eerst later, want hy had nooit

met kennis zoo'n grooten ronden bol gezien. Hy wist niet dat er

nog 'n andere manier bestond om de ligging van landen aanschouwelyk

voortestellen, dan op de platte kaarten. Zoo was er meer in de kamer,

dat-i wel zag, maar ter-nauwernood waarnam, en niet opmerkte. Toch

prentte zich alles diep in z'n geheugen, en later, veel later eerst,

geraakte hy in-staat zich rekenschap te geven van de indrukken die

hy by z'n binnentreden opving.

Toen de meid de deur der Kamer opende, vernam hy de stemmen der

kinderen, en ook die van den vader. Zelfs hoorde hy lachen, maar

zoodra hy z'n figuurtje vertoonde, werd alles als door 'n tooverslag

op-eens doodstil. De twee kinderen by de groote tafel stonden als

soldaatjes. Er was iets styfs in hun voorkomen, dat Wouter zeker zou

hebben doen lachen, als-i niet te verlegen geweest was om 't komieke

daarvan te vatten. Zelfs het meisje zette haar lief gezichtjen in

'n plooi van officieelen ernst... o deftiger dan hy ooit by de oudste

menschen had waargenomen, zelfs in de kerk. Gedurende den tyd dat de

dokter Wouter verwelkomde, en hem 'n stoel aanwees, stond de kleine

jongen zoo-waar met den pink op den naad van de broek, als wachtte

hy op 'n: ingerukt ... marsch! of: rechts-om ... keert!

De grootere die alleen zat, had by Wouters binnentreden steelsgewys 'n

oogenblik opgekeken, en hem aangezien met de eigenaardige uitdrukking

van vyandelykheid jegens onbekenden, die den mensch zoo ongunstig

onderscheidt van sommige andere diersoorten, en die we vooral

kunnen waarnemen by wilden, kinderen en ... sommige vrouwen. Het

onuitgesproken: "_wie ben jy?_" heeft by zulke gelegenheden den rang

van stilzwygende oorlogsverklaring.

By kinderen is dit verschynsel dagelyks waartenemen, en ik geloof dat

het aan weinigen onbekend is. Om 't optemerken by de mensch-exemplaren

die in de aardrykskundige schoolboekjes uitdrukkelyk "wilden" genaamd

worden, zou de Europeaan op-reis moeten gaan. Wat de derde soort van

individuen betreft, die zich aan deze specifiek-humane ongerymdheid

schuldig maken ... men behoeft slechts acht te geven op de blikken

waarmee "dames" die elkander op 'n wandeling ontmoeten, dit kenmerk

van haar al te primitieve menschelykheid ten-toon spreiden. Ze

meten elkaar, wegen elkaar, oordeelen, beoordeelen, veroordeelen,

en verdoemen elkaar. We zien daaruit dat de slagtanden van 't

kannibalismus nog altyd niet geheel-en-al zyn uitgevallen. Laat ons

aannemen dat de lieve Natuur dit aldus heeft verordend, opdat we niet

te grootsch zouden wezen tegenover honden en engelen. Zy bewaarde de

_rudera_ uit 'n lang verloopen tydperk onzer ontwikkeling, als om ons

toeteroepen: "vergeet niet dat ge eenmaal zoo geweest zyt. Ge ziet

wel, als niet die Mevr. A, B, C, enz. 'n zyden japon aan 't lyf en

'n heer aan den arm hadden, zouden ze elkaar opeten!"

't Is mogelyk dat die "dames" 't zoo kwaad niet meenen, en dat

enkelen, ook zonder heer of zyden lappen, zich wel van anthropofagie

zouden onthouden. Ik heb de hier bedoelde _mene-mene-tekel_-woede

waargenomen by zachtmoedige schepsels, die in gewone omstandigheden

waarlyk niet in-staat zouden zyn 'n levend konyn te verslinden. Om

evenwel deze zachtmoedigheid niet meer eer te geven dan haar toekomt,

moet men hierby niet uit het oog verliezen, dat zoo'n beestje zich

nooit schuldig maakte aan ... ja, waaraan?

Wat is dan toch eigenlyk de misdaad van 'n dame die op de wandeling

mededames ontmoet? Haar misdaad? Wel, men kent haar niet. Is dit

niet onvergeeflyk? Ze veroorlooft zich te bestaan, dáár te zyn, te

loopen, te ademen, zeker soort van jurk te dragen zelfs, en ... men

kent haar niet!

Het is te verklaren dat soms de lintjes van Mevrouw A. niet behagen

aan Juffrouw B. 't Is verschoonbaar dat de hoed van Freule C. niet in

den smaak valt van Miss D. Het is begrypelyk dat de Wed. E. 'n heel

ander streepje zou gekozen hebben dan dat waarmee Mlle F. vandaag zoo

byzonder mooi schynt te willen wezen ... maar toch, ligt er in dit

alles 'n reden om elkaar zoo boos aantezien, en maar heel-eventjes-byna

niet te byten?

In dat: "ik ken je niet, dus: vyandig!" openbaart zich 'n zonderlinge

opvatting van humaniteit. Misschien noemde ik die ten-onrechte:

primitief. Wel schynt ze te dagteekenen uit den tyd toen we in

holen of op boomen woonden, maar 't is te veronderstellen dat ze

door andere gewoonten van liefelyker aard is voorafgegaan. Het kan

zyn dat die kleinsteedsche barbaarsheid eenmaal iets nieuws was, en

voor beschaving doorging. Ze wyst op stamgemeenschap, die 'n gevolg

was van wryving. Op aansluiting, die samenging met afzondering. Op

gebrek aan voedingsmiddelen, dat elken vreemde deed aanzien als 'n

indringer, als 'n veroveraar, als 'n dief. Eenmaal moet dit anders

geweest zyn. Geheel onvervalscht primitief zyn alzoo onze wilden,

dames en kinderen niet! De geslachtsboom hunner schuwheid klimt

hoogstens op tot de troglodieten, maar gewis niet tot het paradys.

Zoo... damesachtig dan, had Willem Holsma den kleinen bezoeker even

aangekeken, heel even! Wouter zelf bemerkte het niet, maar Dr. Holsma

wel. En Willem scheen te weten dat z'n vader scherp zag. Vandaar de

haast om voorttegaan met de sinussen waaraan-i bezig was, of met den

Titus Livius die hem vandaag begunstigde met 'n _pensum_.

--Zoo, ventje, ben je daar, zei de dokter. Komaan, dat's heel braaf

van je. Wat heb je daar?

En op-eens zich tot de soldaatjes keerende:

--Help me onthouden, jongens, dat ik je straks aan-tafel iets vertel

van ... Olivier van Noort. Jy ook, Willem, denk er aan.

Wouter kneep verlegen in de opgerolde hooggekleurde _Lady_ Macbeth,

en wist niet recht hoe hy z'n geschenk aan den man zou brengen. Hy

vond die kamer zoo prachtig, en die meubels, en die groote kasten

vol boeken ... och, z'n prent kwam hem zoo leelyk voor! Hy had het

ding wel willen inslikken.

Men had hem van-huis allerlei lessen meegegeven, en voorgeschreven

hoe hy staan, zitten en spreken moest. Hy stond daar dus vry links,

en sprak bedremmeld. Met groote moeite bracht-i er uit, dat hy den

dokter kwam bedanken "voor z'n beterschap... naast God."

Het was koddig te zien hoe de beide soldaatjes zich op de lip beten,

en ik moet erkennen dat ook Holsma zelf niet zonder inspanning 'n

ernstig gelaat vertoonde.

--Naast God? Ja ... juist! Heel juist! Braaf gezegd, kereltje! En

heb je dan nu God wel bedankt?

--Zeker, m'nheer! Alle avenden in m'n bed, en gister in de kerk ...

De kleine Sietske werd hier bezocht door 'n dykbreuk van

ondeugendheid. Ze proestte in lachen uit. Het ongeval dreigde

aanstekelyk te worden. Willem scheen redenen te hebben z'n neus

veel harder te snuiten dan voor 't gewone doel van dien handgreep

noodig is. Ook Herman bewoog zich, en keek Wouter schalks aan. Maar

de dokter scheen met dit alles geen genoegen te nemen. Hy sloeg met

'n liniaal op tafel, dat de aardbol er van sidderde.

--Orrrde! riep hy met 'n donderende stem, die Wouter bang

maakte. Orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch huishouden onder

de les? Ik zal jelui allemaal ... orrrde!

Daar begon 'n klok te slaan. Sietske scheen te tellen, en stak by

elken slag 'n vinger op.

--Ik zal jelui allemaal ...

--Vyf! juichte Sietske. M'n hand is uit, kyk maar, tot den pink toe:

vyf! Vyf uur, vadertje, mannetje, tirannetje! Hoera... hoera!

De beide jongens begonnen meeteschreeuwen. 't Was 'n _quodlibet_ van

_gaudeamus_ en _vive la joie_, en _God save the King_... help mee,

jongens! _Vive la vacance, le maître en pénitence... Wilhellemus al van

Nassouwe... met de ellebogen door z'n... hoed._ Help! Herman! Help,

Willem! Wraak, wraak, wraak! _A bas les tyrans! Amour sacré_--pak

'm beet, Willem, jy bent de sterkste--_de la patrie ... de heer van

Son is 'n brave kapitein ... hy regeert z'n volkje_, neen... _daar

gang 'n patertje langs den kant_... wraak! _So, so wie ich dich

liebe_--wraak, wraak, wraak! Houdje goed, Herman, dapper! Ik zal

de linkerhand wel houden. Toe, jongens!--_Hier ligt myn Damon_,

neen ... _io vivat, io vivat ... boum, boum, boum_... hoera! _Dans

son bivouac, le troubadour fidèle_ ... wraak! _Fleuve du Tage_

... wraak! _Oh, shall he, boys ... oh, shall he, boys ... oh, shall

he_ ... wraak! _Pro salute horum_--geen latyn, riep Sietske--_hop

maar Jannetje, hop maar ... sing, Sally, ho_ ... wraak!

Wouter wreef z'n oogen uit, en vertrouwde z'n ooren niet. Wat-i hier

zag gebeuren, ging z'n begripjen àl te ver te-boven. Nooit had hy

kunnen droomen dat de wereld tooneelen opleverde, als waarvan hy hier

'n voorbeeld zag. Van tooveren had-i wel eens meer gehoord, en ook

het ten-hemel varen van Elias in 'n gloeienden wagen kwam hem, na

wat bybelstudie, zoo erg vreemd niet voor. Maar dat Willem, Herman

en Sietske hun vader, zoo'n deftigen dokter, om den hals vielen,

tegen hem opklauterden, en hem byna de kleeren van 't lyf plukten

... ongehoord! Hy had niet zoo ruw durven omgaan met 'n ouden pantoffel

van z'n moeder, of met Stoffels afgelegde kleeren. 't Verbaasde hem

dat de wereld niet verging.

--Nu, nu, nu, riep de onttroonde tiran, wat inschikkelykheid,

jongens! Kan ik 't helpen, dat jelui geen pleizier hebt in

aardrykskunde?

--Breng 't dierbaar dochtertje naar den spiegel, papa, riep nu Sietske

die te-paard op z'n schouders zat.

De vader gehoorzaamde. Maar hy hinkte, want Herman was op z'n

linkervoet gaan zitten, en omarmde de kuit. Willem trok hem aan

den arm voort. By den spiegel gekomen, begon de kleine amazone te

deklameeren en te gestikuleeren:

--O, dierbaar _Afrika_...

Een schrik doortrilde Wouters leden. Daar roerde 't nest waarlyk z'n

werelddeel aan, zyn Afrika! Was 't niet of ze 't er om deed!

--O, _Afrika, Sofala, Monomotapa, Monoëmugi_ ... prachtig! Nog 'n

oogenblik, papa, dierbare schooltiran--houd vast, Willem, toe!--ik

wil heel Afrika aan den spiegel vertellen, en zien hoe ik m'n gezicht

vertrek. _Mesopotamië, mesopomamo_ ... mondvol, mooi! _Nigritië_--blyf

staan, papa, ik ben nog niet half klaar. Willem, help me! M'n paardje

trappelt zoo ... hu, hu!--_Aethiopië_--Herman, houd z'n beenen vast

... niet kittelen, dan val ik.--_Marokko ... Schiermonnikoog ... hu,

hu, paardje, met je vlassen staartje ... Alexandrië, Soudan, Egypte

... Weesp, Rotterdam, Haarlemmermeer, Kolvemersburgwal_--de les is uit,

ik mag zeggen wat ik wil--_Krom-elleboogsteeg, Algiers, Cleopatra,

Karel de Groote_... wie vangt me?

--Ik, riep Willem.

Sietske werkte zich omhoog tot ze op vaders schouders stond, en sprong

op Willem toe, die haar handig opving en op den grond zette.

--Oef! riep de dokter.

--Oef, oef, oef? O, dierbare vader, we zyn nog lang niet aan _oef!_

Twee volle uren les, en dan terstond: _oef!_ Waar zou dat heen? O,

neen, dierbare tiran van _Monomotapapa_, van _Monoë ... muggen,

muggi_ bedenk dat 'n welgeschapen kind z'n rechten heeft. 't Is

'n ware schande ... ga jy 'ns voort Herman, ik ben 'r heesch van!

--'n Ware schande ... nu jy, Willem!

--'t Is 'n ware schande, m'nheeren, zoo afrikaans-miserabel

heden-ten-dage de europesche vaders hun nederlandsche kinderen

behandelen.

--Weg met de ouders! Roep mee, papa!

--Weg, weg, weg met ...

... met de kinderen, smokkelde papa er tusschen. Maar Sietske betrapte

hem op dien vreeselyken wanklank.

--Wat moet ik hooren, sakkerloot! Geen schelmstukken, dierbare

Vader! _Orrrde... orrrde! Wat is dat hier voor 'n samojeedsch

huishouden ... nà de les!_

--Juist, schreeuwden de jongens, _orrrde_ na de les! Dat is de ware,

rechte orde!

--En ... wat zie ik daar? riep Sietske. Wie heeft daar de mooie nieuwe

prachtige hemelsche verrukkelyke liniaal stuk geslagen? 'n Zaag,

'n zaag, papa's onschuldige liniaal is 'n zaag! O, die vaders, die

vaders! Toe, papa, wees gezeggelyk, en roep mee: leven de kinderen!

--Ja, ja ... uit onbeklemde borst, papa!

--Leven de dierbare ... papaas, riep de vader, en hy werd voor dien

oproerkreet weer duchtig gestraft.

--Als ik vader ben, zal ik me heel anders gedragen, zei Herman.

--Ik ook! beloofde Sietske. Nooit, nooit, nooit meer dan 'n halve

sekonde les in ... de eeuw. Nooit _Sofala, Monomotapapa_ ... kom-aan,

dierbare vader, roep mee: leven de kinderen! Of anders...

--Leven de...

Weer sloeg de klok. Eén slag. Nu stak de vader 'n vinger op.

--Kwartier, jongens! De saturnalie is uit! Komt allen mee--jy ook,

mannetje--mama wacht ons zeker met het eten.

Willem nam Sietsken op z'n rug, en Herman besteeg Papa. Zoo gleed

de familie de trap af. Wouter volgde, maar _Lady_ Macbeth verdween

platgedrukt in z'n zyzak. Hy was onthutst, en had moeite zich te

overtuigen dat-i hier dezelfde persoon zag, die...

Beerevellen? Gouden pen? Maar hoe was dit alles mogelyk? Het was

immers toch geen droom, dat hy en al de zynen zoo hoog tegen de

duizelingwekkende deftigheid van dien man hadden opgezien? Hy begreep

er niets van.

In de eetkamer heerschte weder 'n geheel andere toon dan vóór en na

vyven in de school.

--Stel den jongeheer aan mama voor, zei de dokter.

Hy wendde zich tot Willem. Maar Sietske vroeg:

--Papa, mag ik het doen?

Holsma knikte. De kleine meid nam Wouter met kluchtige deftigheid by

de hand, en leidde hem naar 'n dame die aan de gedekte tafel bezig

was met sla-aanmaken.

--Mama, dit is 'n jonge-heer ... gut, ik moet je naam weten! Hoe

heet je?

--Wouter Pieterse.

--Dit is de jongeheer Wouter Pieterse, die papa komt bedanken omdat-i

... ziek geweest is, en die ... de jonge-heer blyft hier immers

eten, papa?

... die hier blyft eten, Mama.

--Als mama 't goedvindt, zei de vader.

--Juist, als mama 't goedvindt.

Mevrouw Holsma zette Wouter met 'n paar vriendelyke woorden op z'n

gemak. 't Was noodig!

De kring waarin hy zich hier bevond, behoorde tot den deftigen

middelstand, maar onzen Wouter kwam alles vorstelyk voor. Men wees hem

'n plaats aan, en 't deed hem genoegen dat-i zat. Drievierde van z'n

postuurtje was nu geborgen onder de tafel. Dit was zóóveel gewonnen

voor z'n pynlyke beschroomdheid. Byna alles wat-i zag en hoorde,

verbaasde hem. Toen-i z'n handen vouwde...

--Wou je bidden, mannetje? vroeg de dokter.

--J...a, m'nheer, stamelde Wouter.

--Dat's 'n zeer goede gewoonte. Ga gerust je gang. Doe je dat altyd

aan-tafel?

--Ja, altyd... by warm eten, m'nheer!

Er was tucht in dat huis: niemand lachte.

--Bid jy er maar gerust op toe, jongen!

De dokter maakte gebruik van 't oogenblik dat Wouter de oogen gesloten

had, om zonder 'n woord te spreken z'n kinderen tot beleefdheid te

vermanen. Ze volgden dien wenk trouw op. 't Was hun schuld niet, dat-i

later inzag 'n zonderling figuur te hebben gemaakt in _dien_ kring.

--Je doet er zeer goed aan, zei Holsma. Wy doen 't niet, en ... daaraan

doen we misschien ook goed.

--Wel zeker, zei de moeder. Ieder moet handelen naar z'n overtuiging.

Dit zoo eenvoudig woord trof Wouter dieper dan iemand had kunnen

veronderstellen. _Hy_ ... 'n overtuiging! Het korte gezegde van

Mevrouw Holsma kende hem 'n waardigheid toe, 'n gewicht, en 'n recht,

waaraan hy nooit gedacht had. Onder 't gebruiken van de soep, dacht

hy voortdurend: ik mag 'n overtuiging hebben!

Het was hem vroeger nooit in den zin gekomen dat 'n zaak ànders kon

worden opgevat, dan ze door z'n moeder, of door Stoffel, of door wien

ook--mits 'n volwassen persoon!--werd voorgesteld. De geheele kwestie

over bidden of niet-bidden kwam hem niet zóó belangryk voor, als

't vernomen nieuws dat _hy_ 'n overtuiging hebben kon. Z'n gemoedje

zwol er van...

De dokter, die 'n menschenkenner was, korrigeerde den loop dien

Wouters gedachten namen:

--Ieder moet handelen naar z'n overtuiging. En om tot overtuiging

te geraken, moet men veel onderzocht hebben. _Ik_ ben overtuigd dat

onze kleine gast heel gaarne wat van die dopërten zou willen. Help

'm eens, Sietske!

Sietske deed het met veel gratie.

Wouter had den zin van Holsma's woorden zeer goed begrepen, en

... zelfs de oorzaak van dien overgang op de dopërten. Hy _voelde_

ten-minste dat de schoolmeestery na klokkeslag _vyf_ zonder genade

ter-zy gezet was, en dat de vriendelyke gastheer hem slechts even

ter-loops had willen waarschuwen tegen koppige onbekookte betwetery,

zonder daaraan den makkelyken toon opteofferen, die inderdaad aan-tafel

heerschte.

In-weerwil namelyk van z'n beschroomdheid, of liever juist inverband

met deze eigenschap, was Wouter hoogst-intelligent. De oorzaak dat

dit onbekend was aan byna allen die hem tot-nog-toe gadesloegen,

lag in 't gebrek aan zelfvertrouwen, dat hem belette zich te

uiten. Gewoonlyk scheen het alsof hy veel later dan anderen iets

begreep, omdat hy--fyner bewerktuigd misschien, en meer eischende van

z'n doorzicht--niet zoo spoedig als vele anderen met de slotsommen

zyner overleggingen tevreden was. Gedurende z'n ziekte had Holsma deze

eigenaardigheid opgemerkt, en hieruit vloeide de belangstelling voort,

die hy 't kind betoonde.

Wouters beschroomdheid was gedeeltelyk 'n gevolg van de methode waarop

men hem 't weinigje kennis dat-i bezat, had meegedeeld. Al wat men hem

leeraarde, was steeds in de oogen der sprekers 'n onomstootelyke zaak

geweest. Tweemaal twee is ... zóó-veel, Prins die of die is 'n held,

brave kinderen komen in den Hemel, God is groot, de Batavieren zyn

byzonder dapper, 't ware geloof is in de Noorderkerk, enz. enz. Hy

wist niet dat er _twyfel_ bestond, en hield dus z'n begeerte om iets

meer van de zaken te weten, voor ongepast en zelfs misdadig. Slechts

enkele malen had-i even beproefd lucht te geven aan z'n weetgierigheid,

maar 't was hem slecht bekomen. Op de katechizatie was z'n rechtsgevoel

gestruikeld over die vuile historie van Jakob en Ezau. Byna voelde hy

'n oogenblik den moed iets aftekeuren in 't gedrag van den aanstaanden

aarts-vader, en hy begon reeds met 'n enkel bescheiden woordje ... maar

de dominee overlaadde hem met verwyten. "Zulke vragen pasten geen

kind!" heette het. Wouter moest bedenken dat de Heer vanplan was uit

Jakobs stam voorttekomen, en dat alzoo die linzen-historie volkomen

_fair play_ was. "Men moest niet verstokt zyn." De arme jongen bad

dien avond wel 'n uur lang dat God hem toch niet zoo erg verstokken

zou. En 't hielp. Het duurde vele jaren voor-i zich weer waagde aan

zedekundige analyse van Jakobs handelingen, en van Gods ingenomenheid

met dien schurk.

Zoo ging 't met alles. Uit vromen afschuw van verstoktheid, berustte

hy in al wat men hem zei. Doch daar hy de aldus opgedrongen denkbeelden

niet verteren kon, werd z'n ziel daarmee niet gevoed. Hy sprak, ook in

z'n binnenste, al de klanken die hem waren voorgepreekt, geloovig na,

en verweet zich z'n ontevredenheid als iets ondankbaars, en als 'n

overblyfsel van de oude verstoktheid die God zeker niet zoo heelemaal

op-eens genezen kon.

Het schynt zonderling dat hy niet dacht aan de mogelykheid van

beredeneerden twyfel. Hy wist toch dat duizenden en millioenen menschen

veel zaken geheel anders beoordeelden dan z'n moeder en Pennewip, en

dat dus de mogelykheid zich kon voordoen, jazelfs de noodzakelykheid,

dat er soms 'n _keuze_ tusschen meeningen moest gedaan worden. Welnu,

hieraan dacht-i niet! Dit was dom, bekrompen en--by Wouter in zeer

letterlyken zin nog--kinderachtig, maar 't was zoo...

Toch kunnen we 't hèm niet zeer kwalyk nemen, als we opmerken hoe

't heele menschelyk geslacht aan 'tzelfde euvel mank gaat. Wouters

onaanzienlyke omgeving scheen hem groot toe, omdat-i haar van te naby

waarnam, en nog niet gewoon was z'n blik te vestigen op voorwerpen die

verder-af lagen. Men behoeft slechts 't huis Pieterse en Woutertje

zelf eenige malen te vergrooten, om 'n gelyk-soortig verschynsel

_overal_ te kunnen opmerken. De een zweert by z'n dorp, de ander by

z'n gemeente, 'n derde by z'n vak, enz. Zelden ontmoet men 'n wydte

van blik, die zekere altyd betrekkelyk nauwe grenzen overschrydt. 't

Verschil ligt in de maat onzer bekrompenheid, maar ... bekrompen zyn

wy allen. Byna altyd keuren wy de zeden, manieren, denkbeelden, die

niet in ons kringetje tehuis behooren, onvoorwaardelyk af. En zelfs

daar waar ons oordeel zich eenigermate heeft vry gemaakt, blyven we

toch onbewust altyd nog de slaven van onzen smaak.

En een der tegenstellingen waaruit de gansche wereld gemaakt is vinden

wy ook hier. In-weerwil der gehechtheid aan 't naast omliggende,

worden wy beheerscht door 'n zucht om alles te verheffen en naar alles

te haken wat vreemd en ongewoon is. Trekvogels en hokvast te-gelyk,

beminnen wy wat ons benauwt, en we schrikken voor 't geprezene terug,

zoodra 't afwykt van de zaken die wyzelf veroordeelden, maar die

ons ketenen met de kluisters der gewoonte. Dat loven en roemen van

't vreemde zèlf is 'n gewoonte van zekere wereldverbeteraars, en de

minste huisbakkene niet. Ze gelyken hierin op den oester die de vlucht

van den arend bezong. 't Beest rymde zoo mooi, dat Jupiter hem 'n paar

vlerken zond, met 'n aanstelling tot vogel. Maar de zanger wees die

onderscheiding af omdat-i 't jammer vond de schulp te verlaten,waarin

hy geen wieken bergen kon. [25]

De lotgevallen van 'n vlalepel met een handleiding tot

het begraven van ongelukken, 'n Oude historie uit _Straat

Magellaan_, niet ontoepasselyk op andere straten.

De eigenaardige beschroomdheid die soms getuigenis geeft van iets

goeds, vindt men nu-en-dan by kinderen, en ze wordt door opvoeders

gewoonlyk verkeerd beoordeeld, 't geen blykt uit de overdrevenheid

waarmee ze het tegendeel pryzen. "Dàt zal 'n man worden!" hoort men

dikwyls zeggen van den knaap: _qui ne doute de rien_.

Ons Woutertje twyfelde aan alles wat hem niet werd ingegeven van

buiten-af, en dus aan z'n eigen zelfheid het meest. Men meene vooral

niet dat ik dit goedkeur of aanprys. Ik neem hem slechts in bescherming

tegen den àl te ongunstigen uitslag eener vergelyking van zyn linksheid

met de _suffisance_ van anderen. Het mag niet ontkend worden dat

ziekelyke zwakte 't gevolg wezen kan van te fyne bewerktuiging,

en dit is wel te betreuren. Doch er is versterking denkbaar, terwyl

't verfynen van grove organismen my moeilyk of onmogelyk voorkomt.

Wouter dan was beschroomd en links. Na al het zonderlinge dat-i op

de studeerkamer van den dokter had bygewoond, voelde hy zich wel

eenigszins voorbereid op ongewone dingen, maar dat Willem en Herman,

en zelfs de nog jongere Sietske, zoo onbeschroomd op hun bord durfden

nemen wat ze verkozen, verbaasde hem alweer veel meer dan de luchtvaart

van Elias. By Genoveva in de bekoorlyke wildernis, jazelfs in Afrika,

kon 't niet vryer en gemakkelyker toegaan. Hy was ontsteld van de

vreemdheid. Inderdaad ontsteld en zenuwachtig, en wel zóó dat-i,

toen z'n buurmeisje hem aan 't dessert 'n schotel roomvlâ overreikte...

Geschied is het, o goden! En ... ik moet het vertellen. Kon ik nu maar,

als 'n oude kroniekschryver, de schuld werpen op raadgevers:

"de dat riet en dede niet wale."

Helaas! Welke geheim-hofraad ter-wereld kon Wouter geadvizeerd hebben,

den porseleinen lepel over den rand van de schaal te doen buitelen,

en dat ding--met wat vlâ er by, waarachtig!--te doen neerkomen in

Sietske's schoot? Hy deed het, _hy_! Hoogst-eigenhandig. en _proprio

motu_! Geen Stoke kan 't goedpraten. En zelfs Bilderdyk niet.

Och, hoe droevig! Juist begon-i 'n beetje verder op z'n stoel te

schuiven dan by de soep! Nog 'n oogenblikje maar, en hy zou inderdaad

gezeten hebben. Misschien ook had-i weldra iets gezegd. Was hem

niet 'n land van Afrika in den zin gekomen, dat Sietske vergeten

had optezeggen tegen den spiegel? Dàt had-i willen noemen! Niet om

doortegaan voor knapper dan zy, o neen, maar om iets minder dom te

schynen dan-i er zeker uitzag. Helaas, na die malle lepel-historie

... och! Hy had liever 'n pink gemist, z'n hand, z'n arm ... alles! Ja

... hy wou dat-i ergens onder den grond zat!

Al deze indrukken bestormden hem te-gelyk. Voor-i nog genaderd was

tot de vraag hoe z'n onhandigheid zou worden opgenomen, ja terstond

na de katastroof, en alsof 't er by behoorde, begon Sietske:

--Papa zou iets vertellen over Olivier Van Noort.

Ze stond even op, reinigde haar jurkjen, en bood Wouter 'n anderen

lepel aan, dien ze van 't wandbuvet had genomen.

--Toe, papa, over Olivier Van Noort! Papa heeft het beloofd.

En allen drongen om 't hardst op de toegezegde vertelling aan. Ook

Mevrouw Holsma scheen daarin byzonder veel belang te stellen. Wouter

voelde heel goed dat men bezig was de herinnering aan z'n ongelukje

te bedelven onder gesprek. Dit roerde hem. Hy was waarlyk zulke

liefelykheid niet gewoon, en toen Sietske weer plaats had genomen,

zag ze dat er 'n traan over z'n wangen rolde.

--Mama, ik heb 'n zilveren lepel by de vlâ gelegd. Dit is immers

goed? Zoo'n porseleinen ding is topzwaar... ik heb 't wel al driemaal

laten vallen, en Herman kan er ook niet mee terecht.

De moeder knikte haar vriendelyk toe.

--Krygen we nu Van Noort, papa?

--Ik durf haast niet. Jelui zult zeggen dat ik weer van geografie

begin.

--Foei, papa, aan tafel!

--Ja, ja, zei de moeder, ik heb al lang gemerkt dat de saturnalie

van maandag, woensdag en vrydag 't hevigst is. 't Huis dreunt altyd

na de geografie.

--'n Vol kwartier is te lang, klaagde Holsma.

--Oude privilegien, papa! zei Willem.

--Nu, dit mag waar zyn. Maar toen de zaak aldus werd ingesteld,

was je alleen. Dat ging nog. Jy bent eigenlyk de uitvinder van die

barbaarsheid. Toen Herman 't eerst in de les kwam...

--Zóó'n kereltje was je toen, wees Willem, misschien wel wat héél

laag. Je kon geen _a_ voor 'n _b_.

--Dàt is niet waar! Moeder had me lezen geleerd. Mama, mag ik u de

helft geven? Ik heb hier de mooiste abrikoos van den heelen schotel

... waarlyk by-ongeluk! Toe, mama, neem hem heelemaal.

--Omdat ik je lezen geleerd heb?

--Olivier Van Noort, papa!

--Lezen ... hm! bromde de vader. Alsof je lezen kon! Zie me zoo'n

verwaand kereltjen eens!

--Ik niet lezen! O papa, luister eens:

Herman nam 'n ulevel, ploos er 't devies uit, en las:

Een vader die z'n zoontje plaagt ...

--Dat staat er niet, riep Sietske. _l'Amour est un enfant tromp ..._

--_Trompette_, zei Willem.

--Olivier Van Noort, papa!

Men hoorde bellen aan de huisdeur. Een oogenblik daarna trad 'n heer

de kamer in, die door de kinderen met veel blyken van genegenheid

als oom Sybrand begroet werd.

De huisheer noodigde de gansche familie in den tuin, en droeg Herman

op, 'n klein boekje dat-i hem uitduidde, van z'n studeerkamer te halen:

--Maar jongen, sla nu niet verraderlyk de globe stuk. Dat arme ding

kan 't niet helpen dat jelui zoo'n dommen hekel hebt aan geografie.

Herman beloofde plechtig dat-i by deze byzondere gelegenheid niet den

minsten sluipmoord begaan zou. In den tuin komende, waar de anderen

reeds gezeten waren, bracht-i 't 5e deeltje mee van de "_Nederlandsche

Zeereizen, naar oorspronkelyke journalen uitgegeven door_ Bennet _en_

Van Wyk."

--_Lees_ nu eens wat je daar vindt aangestreept met potlood, zei

Holsma. We zullen zien of moeder die abrikoos eerlyk aan je verdiend

heeft?

--O papa, al...

--Nu?

--Al komt er nu soms 'n domheid van my aan den dag...

--Dat zou moeder niet kunnen helpen, meen je? Heel goed, jongen! Lees

maar op.

Herman las:

"Den volgenden morgen (5 _November_ 1599) ging men weder

onderzeil, om de vermaarde, doch zeer gevaarlyke straat

_Magellaan_ aan te doen, waartoe zy reeds veertien maanden

besteed, en meer dan honderd man van het scheepsvolk door

ziekten enz. verloren hadden.

Toen zy in den mond der straat kwamen, die hier 7 mylen

breedte heeft, liep de Admiraal Van Noort, met het jagt er

binnen; dan tot groote verwondering van den Admiraal, werd

hy door het schip van den Vice-admiraal Jakob Claesz Van

Ilpendam niet gevolgd, die op hunne vorige ankerplaats _de

los Virgene(?)_ weder ankerde, zonder dat men de redenen,

die hem daartoe bewogen, konde doorgronden."

"Den 10n November deed de Admiraal met een schot sein voor

den Vice-Admiraal, om by hem aan boord te komen, daar hy--Van

Noort--geene sloep had, om naar hem toetezenden; hierop kwam

de Schipper van den Vice-Admiraal met eene sloep aan boord,

wien hy den toestand van zyn schip te kennen gaf, en zeide,

dat hy begeerde den Vice-Admiraal in persoon te spreken,

terwyl hy hem eenen brief voor hem medegaf, waarby hy verzocht

om een anker en een touw, hetgene hy zeer benoodigd had.

Den volgenden dag schreef de Admiraal nogmaals aan Van

Ilpendam, zyn vorig verzoek herhalende; dan kreeg tot antwoord,

dat hy geen anker noch touw wilde afstaan, en meende evenveel

magt te hebben als de Admiraal zelf. Zulk een grof antwoord,

werd door Van Noort zeer kwalyk genomen, en dit schryven door

hem bewaard."

"Den 24n November passeerde de Admiraal de eerste engte, die

slechts 1/2 myl wyd is. De Vice-Admiraal bleef echter terug."

"Den 14n December kwam tot groote vreugde der overige

schepelingen, het Vice-admiraalschip, dat steeds achteruit

was gebleven, by de andere schepen ten anker."

Den 28n December werd aan boord van den Admiraal de breede

Krygsraad belegd, waarin besloten werd den Vice-Admiraal in

apprehensie te houden, doordien hy zich aan plichtverzuim en

ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt; dit vonnis ter uitvoer

gebragt zynde, liet de Admiraal de artikelen van beschuldiging

opmaken, waarvan kopy aan den Vice-admiraal werd gegeven,

ten einde hy zich binnen den tyd van drie weken op dezelve kon

verdedigen; by voorraad werd tot Vice-admiraal bevorderd ...

--De naam van den plaatsvervanger doet er niet toe, zei

Holsma. Volgende bladzy!

Herman sloeg 'n blaadjen om, en ging voort:

"Den 8sten (_Januari_ 1600) ging eene sloep en jol van den

Admiraal aan land, om mosselen te zoeken. Het volk dat

in de jol was, kwam het eerst aan land, en werd door de

inboorlingen, die zich verscholen hadden, overvallen, die

er twee van afmaakten, en eenen kwetsten, doch het volk der

sloep, dat gewapend was, dreef hen op de vlugt, terwyl zy de

dooden evenwel met zich voerden, waardoor men veronderstelde,

dat het menschenëters waren."

"Den 24n dier maand werd de Vice-Admiraal Jacob Claesz. Van

Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om zich tegen

de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen, en daar hy

by meerderheid van stemmen veroordeeld werd...

--Genoeg! riep Holsma.

En hy tikte met 'n waarloos tuinstokjen 't boek toe.

--'t Zal me benieuwen wie goed geluisterd heeft.

--Ik kan de mosselen niet by de zaak te-pas brengen, zei de moeder.

--Die mosselvangst hoort er toch by, zei de dokter. Ik streepte dit

aan, om de opmerking die de matrozen by deze gelegenheid maakten

aangaande de bewoners van dat land.

--Als ze maar 't ware verstand van mosselen hadden, riep Sietske. Er

zyn vergiftigen onder.

--Er was 'n _R_ in de maand.

--Aan de zuidpool hebben de maanden andere namen, en de mosselen

'n ander ... klimaat, meende Herman. Wat wy _Februari_ noemen, komt

daar in 't hartje van den zomer.

--Neen, zei Willem, de zomer heeft in die streken geen hart. Wel komt

hy in 't hartje van Februari ... als-i komt. Maar gewoonlyk komt-i

byna niet. De straat Magellaan ligt tusschen 52 en 54 breedte-graden.

--Dat is niet nader aan 'n pool dan wy hier op den Kolveniers-burgwal.

--Ja, maar ... zieje, de onderste helft van ... de kaart is veel

kouder en natter, riep Sietske.

--Wat 'n barbaarsche uitdrukking!

Sietske beweerde dat Willem pedant was. Hy plaagde haar met: "ja,

kind!" Ze zei, 't kwam van Livius en kegelsneden.

--Pedanterie, kind, is de byzondere deugd die 'n oudsten broeder

versiert.

De dokter zei er niet duidelyk neen op, en vroeg wat-i genoteerd had?

Vaders gewoonte kennende, had het aanstaand studentje by 't begin

van de lezing, 'n zakboekjen uitgehaald, en daarin nu-en-dan iets

opgeschreven. Hy beweerde dat de _taal_ van 't voorgelezene zeer

onzuiver was, en wilde voorbeelden daarvan aanhalen. Maar ze werden

hem geschonken.

--Zeker, de taal is slecht, zei oom Sybrand. Hadden de

verzamelaars maar liever den oorspronkelyken tekst van de journalen

geëerbiedigd! In-plaats van de eigenaardigheden der uitdrukkingswyze

van oude zeelui, geven ze 'n modelletje van de hedendaagsche

rechtschryvery. En als die malle verwaandheid zich maar tot spelling

bepaalde! Ze hebben ook den styl ... verbeterd, naar ze meenen. Zulke

lui zouden in-staat zyn, Mozes en Aäron 'n paar horloges op zak te

geven, en--om de deftigheid--onzen Lieven-heer 'n staart-pruikjen in

den nek. Wat niet geschuurd, geschaafd, gevyld, gelikt, en ... bedorven

is, deugt niet in het oog van die heeren. Het is de vraag of een van

de zeeluî die deze journalen schreven, ooit zulk slecht hollandsch

leverde als zyzelf. Hun slordigheid van uitdrukking doet ons naar

de oorspronkelyke manuskripten verlangen. Maar men kan zeker zyn

dat de moderne verbeteraars de geslachten der woorden trouw hebben

opgezocht in de boekjes die daarover heden-ten-dage ... hoe heeten

ook de taalkenners van deze week?

--Siegenbeek en Weiland, oom.

--Zulke menschen stichten veel kwaad. Ze lokken de aandacht van de

hoofdzaken af, om die te vestigen op allerlei gekheid. Wie precies

weet wat mannelyk of vrouwelyk is, en waar-i 'n onnoodige letter meer

of min mag gebruiken, gaat voor bekwaam, geleerd en bruikbaar door, en

kan alle andere bekwaamheid missen. Zoo schryven ze nu "zoo" en "oogen"

met twee _o_'s, naar ik hoor. Straks verandert dit weer. Dan komen er

weer nieuwe professers die hun leven gewyd hebben aan de ontdekking

dat er twee _o_'s zyn in "vrolykheid" en maar één in "drogen" ...

--Hé, oom! riepen de kinderen, met 'n verbazing die het tegenwoordig

geslacht verbazen zal.

--Geloof me jongens, ze zyn er gek genoeg toe! Hm ... gek? Als men

op zoo'n goedkoope manier aan den kost komen kan! Gek zyn de menschen

die zich laten bedotten door zulke kwakzalvers. Tegen dien tyd zullen

dan ook de reizen van onze ouwe zeeluî weer vertaald moeten worden

in nog nieuwer spelling, die dàn de ware alleen-zaligmakende wezen

zal. Op die wyze wordt er nooit iets klassiek.

--'t Is waar, zei de dokter, dat die schoolverwaandheid veel

bederft. Waar de "letterkundige" bekwaamheid van deze soort een

maal voet heeft gevat, matigt ze zich alles aan. Er wordt byv. in

die boekjes gesproken van "roeiriemen" en "verdek", woorden die

nooit over de lippen van 'n zeeman komen. Ook geloof ik niet dat

men op zeeschepen 'n "jol" heeft. Ik ten-minste heb aan-boord nooit

van zoo'n ding hooren spreken. Ze hebben daar 'n barkas, 'n boot,

sloepen en vletten. Maar dit kan ik mis hebben. Als bewys hoe ver de

verwaandheid van lettermannen gaat, in veel journalen supprimeeren

zy brutaal-weg de oorspronkelyke berichten over Landen en Volken,

en geven 'n pover artikeltjen over zoo'n land of volk uit hun eigen

"Aardrykskundig Woordenboek" in de plaats. Die berichten zyn onvolledig

en onnauwkeurig, zoodat ze over weinig jaren even verouderd zullen

wezen als die van de arme schepelingen, zonder daarvan de autenticiteit

te bezitten, noch vooral het naïve. Ze missen dus al de belangrykheid

der eerste rapporten die den stempel van hun tyd dragen. We vernemen

nu niet welken indruk 'n nieuw ontdekt of weinig bekend land op de

eerste bezoekers maakte, noch welk nieuws ze van hun tochten te-huis

brachten, en wat er meer of min geloovig werd aangenomen...

De geschiedenis der dwalingen is de geschiedenis van ons geslacht!

... we moeten slikken wat zekere m'nheer Van Wyk _thans_ over de

door oude reizigers bezochte streken... meent te weten. Als zulke

menschen den bybel vertaalden, zouden ze de verspieders die Jozua

naar Kanaän zond, laten terugkeeren met 'n hedendaagsche beschryving

van Palestina, liefst van eigen maaksel, en by grieksche mythologie

zouden ze erfzonde en drieëenheid te-pas brengen, omdat die sprookjes

voorkomen in hun kathechismus. Ze meenen dat er niets bestaan kan

zonder hun schoolwysheidje van vandaag. Maar zeg eens, Willem, wat

heb je meer in je boekje?

--Papa, den 10en November had Van Noort geen sloep, en den 8en

Januari ging men van z'n schip met 'n sloep aan-wal om mosselen te

zoeken. _Quaeritur_ waar die sloep vandaan kwam?

--Hy kon zich 'n sloep hebben doen afstaan van een der andere

schepen. Maar ik herinner me iets van 't maken van zoo'n vaartuig.

De dokter bladerde even:

--Ziedaar, zeide hy. En Herman las:

"Dienzelfden dag--2 December--verzeilden de schepen naar een

ruime opene baai, alwaar de Admiraal de timmerlieden en volk

aan land zond, om eene sloep te bouwen, waarvan de kiel 37

voeten lengte had; ook werd de smedery aan land opgezet,

waartoe men smeekoolen van het hout dat er in overvloed

voorhanden was, liet branden. Zy vertoefden hier twaalf dagen,

wanneer de sloep afgetimmerd was. Deze hunne legplaats,

verkreeg den naam van den _Oliviers-baai_."

--Dit vraagstuk is dus opgelost. Wat heb je meer?

--De uitdrukking "_in apprehensie_ houden" bevalt me niet.

--'n Stadhuiswoord!

--Juist daarom. By mosselen en matrozen komt dit niet te-pas, dunkt me.

--Maar 't was 'n rechtzaak!

--_Apprehendere_ beteekent aanvatten, aangrypen...

--O hemel, daar komt Livius!

--Neen, kind... Suetonius. _Apprehendo bucculam_--voel maar!--beduidt:

ik knyp m'n zusjen in haar linkerwang, om haar eerbied inteboezemen.

--Domme jongen, met je latyn!

--En wat heb je nu tegen de _apprehensie_ van dien Ilpendam?

--Ook op dien naam heb ik aanmerking. Ik geloof niet dat de man

zoo heette. 't Zal iemand geweest zyn die van het dorp Ilpendam

geboortig was. De naam Jacob Claesz komt me voor 'n zeeman van zyn

tyd gepaster voor.

--Dit kan gegrond zyn.

--En Van Noort dan? riepen 'n paar anderen. Die had ook 'n vàn!

--Dat was 'n Admiraal!

--De ander was Vice-admiraal. Dat scheelt zooveel niet.

--Hm! Dien _rang_ hadden ze eigenlyk geen van beiden. Het waren

tydelyke titels ... zooveel als Bevelhebber en Onderbevelhebber van

de expeditie. 't Heele eskader was slechts vier schepen sterk, en by

't uitzeilen bemand met 284 koppen. Dit is te weinig voor 'n admiraal

in gewonen zin. Waar blyven je aanmerkingen over _apprehensie_?

--Wel ... de krygsraad kon hoogstens besluiten hem in hechtenis te

_nemen_. De beteekenis van _apprehendere_ is: aangrypen, aanvatten. Men

kan iemand niet in "aangryping" houden.

--Korrekt! zei de vader. Korrekt als 'n zonnestelsel...

--Met deklinatien, mompelde oom Sybrand. Hy heeft byna gelyk, maar

hy weet niet waarom.

--Willem, verschik je stoel even. Je poot staat op m'n breikatoen.

--Willems poot heeft mama's draad in _apprehensie_ ... gehouden,

plaagde Herman.

Oom Sybrand fluisterde Sietske in 't oor.

--_Hoe weet je, dat apprehendere_ "aangrypen" beteekent?

--'t Staat in alle woordenboeken, kind.

--Wat nu, oom? Laat me niet in den steek.

Oom fluisterde: "'t is knoeilatyn, neen ... 't is latyn ... ook

'n knoeitaal!"

--'t Is knoeilatyn, of ... zoo-iets. Ik heb niet goed verstaan,

oom. Niet te veel te-gelyk!

--Kind, bezondig je niet. Als 't niet te veel eer voor je was, zou

ik je 't woord wyzen by Cicero.

--Oom?

Sybrand fluisterde.

--Je heele Cicero verstond z'n eigen latyn niet.

--O goden, wat moet ik vernemen, hier in m'n vaders eigen

tuin! Kind, ga naar 't land, en sny biezen! Profaan wezen, ik ontërf

je! Kandidaat-bakvisch, stekelbaars, witbloedig gekorvene boosdoenster,

gekneusd atoom, o gy gedrochtelyke zuster, _horresco_! Papa, ik ben

verontwaardigd.

--Dit schynt wel!

--Je zit weer op m'n kluw, jongen!

--Oom, wat moet ik nu zeggen. Geef me 'n flinken latynschen vloek, toe!

--Vraag 'm naar den wortel.

--Juist! Precies! Zeg eens, wysheid, weet je wel eens wat de wortel

is van je ... Cicero?

Tot Wouters verademing berstten allen in lachen uit. Hy had nooit

scherts bygewoond, en meende dat Willem inderdaad op Sietske verstoord

was. Z'n misverstand was te natuurlyker, omdat-i de kleine weerlichtjes

van 't gesprek niet volgen kon. Ook waar-i nagenoeg begreep wàt er

gezegd werd, vatte hy den toon niet. In de omgeving waaraan hy gewoon

was, heerschte iets zwaars dat hem neerdrukte. Hier evenwel scheen

alles te huppelen, te zweven. En toch voelde hy zeer goed dat er in

dezen kring geen spraak was van lichtvaardigheid. Zou dàt nu wezen

wat Juffrouw Laps "wereldsch" noemt, dacht hy, en zou nu die heele

familie niet in den hemel komen? Dit denkbeeld verontrustte hem. Hy

vond dat het toch jammer wezen zou! Maar die uitdrukking van den

dokter over erfzonde en drieëenheid...

Doch z'n aandoeningen waren te gemengd om hierby lang stil te

staan. Wat hem bovenal trof, was z'n eigen onwetendheid. Het verdriet

hierover werd nog grooter, toen 't gesprek 'n litterarische wending

nam, waarbyd-i gedurig werd gekweld door den indruk: och, dit zou ik

ook wel kunnen _begrypen_ ... als ik 't maar _wist_!...

Oom Sybrand leî aan Willem uit dat er veel eenzydigs was in de manier

waarop men de zoogenaamde klassieke talen behandelde. [26]

Daar kwam zoo-waar 'n boodschap van Juffrouw Pieterse. Ze liet vragen,

waar Wouter bleef? 't Speet hem zoo! Hy zag den dokter verzoekend aan.

--Wou je gaarne nog wat blyven, mannetje?

--Ja, m'nheer, ik weet nog niet wat er verder met dien Vice-admiraal

gebeurd is.

--Kyk, dat bevalt me! riep Holsma. Hy heeft goed geluisterd. Juist over

't vonnis van dien Jakob Claesz had ik 'n opmerking te maken. Kaatje,

zeg dat de jongeheer nog wat blyft. Hy is hier wèl.

Wouter had zich nooit zoo gelukkig gevoeld.

--Dat's waar ook. We weten nog niet welk vonnis die krygsraad

uitsprak. De tucht moest gehandhaafd worden. Toch niet de kogel? vroeg

Sybrand.

Holsma schudde ontkennend het hoofd.

--Dit verwondert me. Nu, des-te-beter, als men meende dat zóó'n

strengheid niet noodig was...

--Het vonnis was strenger, zei de dokter. Het was vreeselyk! Lees

eens voort, Herman, waar je zoo-even ophield. Juist het eigenaardige

van de straf trof me zoo. Hy werd veroordeeld tot ... leven onder

menschen die hem dooden zouden.

Herman las:

"Den 24sten (_Januari_ 1600) werd de Vice-Admiraal Jakob

Claesz. Van Ilpendam voor den breeden krygsraad geroepen, om

zich tegen de hem ingeleverde beschuldigingen te verdedigen,

en daar hy by meerderheid van stemmen veroordeeld werd,

besloot men hem alvorens van hier te vertrekken, aan land

te zetten, welk vonnis dan ook den 26sten werd ten uitvoer

gebracht; men gaf hem wel eenig brood en wyn mede; dan dit kon

niet lange strekken, zoodat hy spoedig onder de inboorlingen

moest geraken, die hem waarschynlyk zouden afmaken. Nadat het

vonnis volvoerd was, beval de Admiraal dat men op de schepen

een gebed zoude doen, waarby een ieder vermaand werd zich

aan zulk een streng voorbeeld te spiegelen."

--Er ligt 'n vreeselyk treurspel in die gebeurtenis, zei oom Sybrand.

--Men kan zich inderdaad geen pynlyker tragedie voorstellen, hernam

de dokter. We zagen uit de ontmoeting met die matrozen, hoe vyandelyk

de stemming der ingeborenen was. Ik laat nu daar, of ze werkelyk

menschenëters waren. Het wegdragen hunner gesneuvelde landgenooten zou

misschien kunnen pleiten voor zekeren graad van beschaving. Misschien

moesten die lyken met eenige plechtigheid teraarde besteld of verbrand

worden. Er wordt evenwel ook op andere plaatsen in 't Journaal van

kannibalismus gesproken. Van 'n kind dat men aan-wal geroofd, en

geleerd had zich eenigszins in 't hollandsch uittedrukken, vernamen

onze reizigers dat z'n landgenooten--sommige stammen althans--zich

daaraan inderdaad schuldig maakten. Doch hoe dit zy, de krygsraad

verkeerde in de _meening_ dat de ongelukkige dien men verstiet,

onder menschenëters kwam. De zeer christelyke Nederlanders benoemen

't barbaarsche Vuurland tot beul.

--En dat gebed!

--Niet waar? 't Is om te yzen! Zoo'n afschuwelyke klucht na 't bloedige

voorstuk! Na de katastrofe, de parodie! God moest er bykomen om de

akeligheid kompleet te maken! Dit ontbreekt nooit! Zeker hadden die

Vuurlanders 't ware geloof niet, en zy aten hun gevangenen op, of

maakten ze af, zònder God. Maar zy die 't ware Geloof hadden, doemden

den ongelukkige tot zoo'n straf ... mèt God! Wat is beter? Ik zie

hierin geen ander verschil dan dat de geloovers by gelyke wreedheid

nog den schimp voegden van de bespotting.

--Maar, papa, de tucht moest gehandhaafd worden, zei Willem.

--Ongetwyfeld! Indien ik lid van den krygsraad geweest was, had

ik--voor-zoover ik vertrouwen mag op de zeer gebrekkige mededeeling

der zaak in 't Journaal--voor den dood gestemd. Ik zou dit zeer

treurig hebben gevonden, maar ... noodzakelyk! En zelfs duid ik het

noch Van Noort noch den Krygsraad ten-kwade, dat ze maar van hun

tyd waren. De straf van "aan-wal zetten" schynt in vroeger eeuwen

by zeelieden gebruikelyk geweest te zyn. Alexander Selkirk die 't

model leverde van Robinson Crusoë, was op zoo'n wys op z'n eiland

geraakt. En ook in de oude Journalen van onze zeeluî komen dergelyke

gevallen vry dikwyls voor. Maar ik blyf er by, dat het 'n _wreed_

gebruik was. Tracht u eens den toestand voor den geest te halen van

den veroordeelde die met 'n weinig brood en wyn op zoo'n ongastvrye

kust aan-wal stapt! Hy _wist_ wat er met de matrozen die oesters

gezocht hadden, gebeurd was. Stel u eens voor, wat hy gevoelen

moest toen de sloep die hem gebracht had, zich verwyderde! Toen de

matrozen--kort geleden nog z'n ondergeschikten--hem dwongen de hulk te

verlaten! Toen ze hem "vaarwel" zeiden! Denkt eens na, jongens, over

de vreeselyke beteekenis van dàt _vaarwel_! Die wegvarende sloep was

't laatste punt van z'n aanraking met de maatschappy. Die matrozen

zouden 't schip weerzien: hun _te-huis,_ waar ze kameraden hadden,

en leeftocht, en aanspraak op onderlinge bescherming. Dit alles was

voor hem verloren, onherroepelyk! En men gaf hem wat brood en wyn

mee, om de marteling te rekken van 't besef dàt dit alles voor hem

verloren was! Zou dit weinige voedsel langer duren dan 't ontwyken

van de wilden dien men had opgedragen hem te verscheuren?

De schepelingen die daar wegroeiden, zouden misschien 't Vaderland

weerzien, hun dorp, hun huis, hun gezin! En ze zouden van de reis

verhalen! En daar klonken stemmen--de ongelukkige moet ze gehoord

hebben in z'n verlatenheid!--stemmen die aan de teruggekeerden

vraagden: "waar is myn zoon, waar is myn broeder, waar is myn

echtgenoot, waar is onze vader, uw Vice-admiraal Jakob Claesz. Van

Ilpendam?"

Denkt eens, kinderen, wat hy moet ondergaan hebben by 't staren op den

geringen voorraad voedsel die hem was meegegeven. Hoe vreeselyk moet

hem 't aanschouwen geweest zyn van den wedloop die er zou gehouden

worden door wilden en ontbering, en waarvan de prys zyn leven was! Wie

of wat bestemde de richting die hy insloeg? Waar zoud-i na eenig

doelloos omzwerven zich ter-ruste leggen en waarom? Immers wat baatte

het of hy rustte, of zich vermoeide, of rechts liep, of links ging,

of hy by 't strand bleef of heuvels beklom, of neerdaalde in laagten,

of 'n woud indrong... wachtte hem niet overal de akeligste dood?

Zeker zal hy aan 't strand gestaan hebben, wuivend met muts of doek,

en roepend, schreiend, vloekend, smeekend... waanzinnig van woede,

van berouw, van angst, van ongegronde hoop, en van 't besef vooral

dat er voor hem niets te hopen viel. Toch immers lag daar nog

altyd 'n schip, daar lagen vier schepen, waaronder het zyne, zyn

"_Fredrik Hendrik_" waarmed-i zoo trotsch geparadeerd had in het Y

voor Amsterdam. Daar immers voer 'n sloep, bemand met hollandsche

matrozen. Daar waren menschen, schepelingen, zyn ondergeschikten nog

kort geleden... medemenschen en landgenooten ook thans nog. Zouden ze

hem op die kille kust overlaten aan z'n lot? Maar dit was onmogelyk,

onmogelyk! Dit kon niet waar zyn!

En toch, toch...

Hadden niet zyzelf hem uitgeworpen? Waren zyzelf het niet, die den

laatsten band afsneden, waarmee hy gehecht was aan de mensheid, zy

die hem met 'n marlpriem de vingers losbraken van doft en sloepsboord,

toen hy zich daaraan vastklemde met den kramp der wanhoop?

Als er 'n hond ware achtergebleven in de wildernis, zou men medelyden

gehad hebben, en voorzeker had men zich moeite gegeven om 't arme

dier te redden. Maar hèm redde men niet! Hem mocht, hèm wilde men

niet redden!

Indien een van de roeiers 'n muts had achtergelaten aan den

wal... misschien zouden zy teruggekeerd zyn om 't verlorene te

zoeken. Maar om hèm aftehalen keerde men niet terug!

Hoe moet hy gestaard hebben op de vlag van het schip, de welbekende

vlag, het symbool eenmaal van gezamenlyke kracht, van vereeniging, van

broederschap. En nu? Weldra zoud-i haar voor 't laatst gezien hebben,

haar en alle andere kenmerken van welke nationaliteit ook, haar en

de sporen van al wat menschelyk is. Spraak, taal, kennis, geheugen,

bekwaamheid, moed... alles was hem voortaan overbodig. En zelfs

de hoop, die laatste gezellin van den ongelukkige, kon hem slechts

byblyven in 'n maat die door pyniging hem ontrukte aan de weldadige

wezenloosheid der vertwyfeling. Alle aanraking met de mensheid was

hem afgesneden, op 't vooruitzicht na, verscheurd en verslonden te

worden door 't laatste deel dat-i van die mensheid ontmoeten zou.

De Krygsraad vonniste "by meerderheid van stemmen" staat er. Niet

by _algemeene_ stemmen. We mogen dus aannemen dat enkelen een

minder wreede straf hadden voorgesteld. Ook zullen er onder de

overige schepelingen wel sommigen geweest zyn, die den veroordeelde

genegen waren. Volstrekte eenstemmigheid in 'n zaak van dezen aard

is ondenkbaar. Misschien heeft men aangedrongen op verzachting van

het vonnis, op gratie, op... de doodstraf! Dit moet den ongelukkige

bekend zyn geweest, en voedsel gegeven hebben aan martelende hoop. De

mogelykheid bestond immers, dat men aan-boord van 't admiraalschip na

de aanvankelyke uitvoering van 't vonnis, zich geroerd voelde? Het

kòn immers wezen dat die aandoening zich bemachtigde van Van Noort

zelf? Was deze niet eenmaal z'n ambtgenoot, z'n kameraad, z'n makker,

z'n vriend? We kunnen aannemen dat de keus van den onderbevelhebber

der expeditie met de wenschen van den chef overeenstemde. En al ware

het dat de Admiraal ontoegankelyk bleef voor medelyden, bestond er niet

eenige kans dat hy zou moeten toegeven in den algemeenen aandrang? Zou

't niet zelfs kunnen liggen in 'n welbegrepen taktiek, de opgelegde

straf te verzachten, om in den vervolge de aanspraak op gehoorzaamheid

te versterken door 'n beroep op de thans in-acht genomen matiging?

De arme balling moet _gehoopt_ hebben.

Zoolang die schepen daar lagen...

Helaas!

Daar klinkt het schril maatgeluid der matrozen by 't ankerwinden! Hy

hoort het neerklikken van den pal in 't braadspil. [27] Elke

tik van den yzeren tong die het terugloopen van den windenden

cylinder belet, verkort den kabel die 't schip verbindt met anker

en bodem. Het vaartuig sliert onwillig met flauwe bochten in de

richting van de plek waar 't anker den grond vat. En hy, de ervaren

zeeman, neemt nu duidelyk de verandering in toon en tempo van den

maatzang der matrozen waar. In-den-beginne waren die klanken haastig,

verward, ongelykmatig. Ze getuigden noch van inspanning, noch van de

noodzakelykheid om de krachten van allen te vereenigen in gelyktydigen

ruk. Gedurende het ophalen van de "bocht" liep het geklikklak van

't yzeren staafje den nog onnoodigen maatzang voorby. Naarmate het

touw aan bocht verloor, en de hoek zich verstompte die 't op den

bodem beschreef, volgden de gillende tonen langzamer op elkander. Ze

werden scherper afgedeeld in tempo, en begonnen nauwkeuriger overeen

te stemmen met het vertraagd neertikken van den pal. Na elken lang

uitgehaalden gil der matrozen, die allengs getuigde van grooter

krachtsinspanning, hoorde men den metaalslag van 't kleine voorwerp,

als 'n uitroepingsteeken op de verzekering dat er 'n stap méér was

gedaan ter-voorbereiding van 't wreed vertrek. Eindelyk staat de kabel

loodrecht. De nu aantewenden kracht werkt vertikaal. Het schip neigt

den boeg als 'n toornig rund dat den vyand afwacht op de laaggehouden

hoorns. Als 'n onwillig paard dat den kop neerbuigt tusschen de

gestrekte voorbeenen. De _Frederik Hendrik_, _zyn_ schip, _zyn_

trouw schip, wil niet van de plaats. Het breekt z'n waterlyn, en heft

den achtersteven omhoog, en _jumpt_, en schynt zich te willen laten

neerhieuwen in de diepte, liever dan z'n bevelhebber te verlaten, die

daar handenwringend om genade staat te smeeken op 't vreemde strand...

En nog altyd haakt de yzeren klauw van het anker in de slib, in 't

zand, in de steenen, in 't koraal, in de spleet van 'n onderzeesche

rots misschien...

Zou die bodem medelyden met hem hebben, en 't anker niet loslaten?

Helaas, de grond is week, en niet bestand tegen 't laatste

"_o... ho... ho... iiii!_" dat 'n eind maakte aan allen twyfel.

De zeilen, reeds onder 't ankerhieuwen gedeeltelyk van de belemmerende

geitouwen ontslagen, klepperden en fladderden besluiteloos, Van-tyd

tot-tyd sloegen ze _back_, en vertoonden een schyn van onwil tot het

verrichten van den dienst dien men straks van hen vergen zou. Met hun

bolle zyden drukten ze tégen de masten, als poogden zy uit angst voor

de noodlottige beslissing, den arbeid der matrozen te verzwaren.

Maar ook dit had opgehouden. Door 'n kleine beweging van 't roer

boden de vaartuigen hunne zyden aan den toedringenden luchtstroom. De

zeilen werden gespannen en gericht. De balling hoort de kommandoos van

schoot-aanhalen en brassen... de eigenaardige zangen ook, die alweder

de rukkende uitvoering van deze bevelen vergezellen... de schepen

zetten koers... verwyderen zich... raken uit zicht... het vreeselyk

vonnis is wel inderdaad ten-uitvoer gelegd in al z'n strengheid!

De goede dokter hield hier eenige oogenblikken op, als om den indruk

waartenemen, dien deze schildering op de kinderen maakte. Wouters

maagdelyk gemoed was zeker 't meest aangedaan. Het kostte hem moeite

zich voortestellen dat er sedert die gebeurtenis ruim twee eeuwen

verloopen waren, en hy betrapte zich telkens op den wensch, 'n

schip uitterusten, dat koude verre Vuurland optezoeken, en den armen

verlatene aftehalen! Even als by die droomery met de wegvlietende

strootjes, meende hy de stem van den ongelukkige te hooren, die

verwytend riep: waar blyft Wouter?

Als 'n bliksem schoot hem de gedachte door de ziel: maar God dan? Waar

bleef God? Wat heeft God voor den armen Jakob Claesz. gedaan?

De dokter bemerkte dat hy iets zeggen wilde, en kwam z'n beschroomdheid

te-hulp door hem vriendelyk aantezien. Dit gaf onzen kleinen wysgeer

moed, en wel eenigszins hakkelend, maar toch met iets ferms in

z'n toon, alsof hy 'n zwarigheid oploste, vermande hy zich tot de

opmerking:

--Hy zal gebeden hebben, en op God vertrouwd!

Indien iemand die niet gelooft, ronduit z'n meening zegt in 'n

kring van geloovers, neemt men 't hem zeer kwalyk dat hy den moed

heeft van de leer aftewyken. Twyfelaars en ontkenners zyn gewoonlyk

zachtmoediger. Niemand van 't gezelschap riep: foei!

Waarlyk, dit zou ànders geweest zyn, als Willem of Herman zich in den

huize Pieterse uitdrukkingen veroorloofd had, die evenzeer indruisten

tegen de dáár gehuldigde begrippen, als Wouters gezegde tegen 't

gezond verstand dat in dézen kring geëerbiedigd werd. Zelfs de kleine

Sietske begreep reeds dat God niet op-eenmaal om-den-wille van Jakob

Claesz. den aard der Vuurlanders veranderen kon, en dat het hopen op

Gods hulp den hoogsten graad van wanhoop aanduidt. Maar de dokter

die zeer goed wist welken indruk Wouters onnoozelheid gemaakt had,

beschermde hem goedig tegen de nogal gemakkelyke tegenwerpingen die

hy had uitgelokt, en bracht het gesprek op 'n ander onderwerp.

--O zeker, m'n jongen, het is te hopen dat hy... op een-of-andere

wys den moed hebbe opgedaan om z'n lot te dragen. En al ware dit zoo

niet... er zyn nog andere opmerkingen over deze zaak te maken. Bedenk

eens hoe het gevoel van de wegzeilende schepelingen moet geweest zyn,

toen zy den veroordeelde uit het oog verloren! En wat al inspanning was

er vooraf gegaan! Het drama had zeker reeds lang geduurd, voor zich de

onwilligheid van den onderbevelhebber duidelyk genoeg openbaarde, om

daarvan melding te maken in 't Journaal. Hy moet aanhang gehad hebben,

zéker op 't schip dat rechtstreeks onder z'n bevel stond, misschien wel

op de andere schepen ook. Van Noort was zeer streng, en zal daartoe

hoogstwaarschynlyk byzondere redenen gehad hebben. Wie zegt ons of

hy op de aanhankelykheid en 't plichtsbesef van alle bevelhebbers,

officieren en manschappen onvoorwaardelyk rekenen kon? In-allen-geval

_wist_ hy niet, in-hoe-verre daarop staat te maken viel. Tusschen 't

eerste blyk van ongehoorzaamheid en 't by-een roepen van den krygsraad,

ligt 'n geruime tyd. Er moet in die weken veel voorgevallen zyn,

waarvan Herman niets heeft voorgelezen, en dat dan ook niet in 't

Journaal van de reis staat, althans niet in de jammerlyk verknoeide

uitgaaf die daarvan dezer dagen in 't licht kwam. Hebben de heeren

taal- en stylverbeteraars iets weggelaten, dat in deze zaak eenige

opheldering zou kunnen geven? Ik weet het niet. Dat er reeds vóór

't beleggen van den krygsraad wryving en spanning bestond, blykt uit

de uitdrukkelyk vermelde vreugd die er by de schepelingen heerschte,

toen de Vice-admiraal zich op den 14n December weder by 't eskader

had gevoegd. Men gevoelt dat er angst bestond voor den uitslag der

oneenigheid. Nu, die uitslag was dan ook treurig genoeg!

--'t Zou nòg erger geweest zyn als de weerspannigheid vasten voet

had gekregen, meende oom Sybrand. Ik bewonder de geestkracht van Van

Noort. In zùlke omstandigheden zyn zùlke mannen noodig.

--Misschien!

--Het komt me voor, dat hy z'n plicht deed. Het behoud van _allen_ was

hem opgedragen en daarom moest hy, waar 't noodig bleek, streng te-werk

gaan met den enkele die zich verzette, en 'n slecht voorbeeld gaf.

--Dit kàn gegrond zyn. 't Is evenwel jammer dat er in datzelfde

Journaal blyken voorkomen van 'n ruwheid, die 't recht geven tot

twyfel of er ook in deze zaak wel met de noodige matiging is te-werk

gegaan. Van Noort heeft eenmaal 'n spaanschen loods over-boord

doen werpen, omdat de man beweerde dat hy op 't Admiraalschip

vergiftigd was. Doch zoowel in deze zaak als in die van den armen

Jakob Claesz. zyn de berichten zeer schraal. Er blykt, byv. niets van

de _oorzaken_ der weerspannigheid van dien onderbevelhebber. Indien

het hem ware te-doen geweest om zich aan 't gezag van Van Noort

te onttrekken, had hy zich zeer gemakkelyk van 't eskader kunnen

afscheiden, wat dan ook by dergelyke expeditien herhaaldelyk

geschiedde, 't Was moeielyker by-een te blyven, dan elkaar uit het

oog te verliezen. Wy weten te weinig van de zaak om 'n oordeel te

vellen. Ook dit voorval, als de geheele Geschiedenis--ik bedoel,

de groote!--is zeer onvolledig geschreven. We kunnen slechts raden,

gissen. Alleen de vreeselykheid van 't geslagen vonnis ligt ons

duidelyk voor oogen. En wat me daarin 't meest treft, is de lakonieke

vermelding van de waarschynlykheid dat "de inlanders den veroordeelde

wel zouden afmaken." Ik weet ter-nauwernood wat onmenschelyker is,

de veronderstelde aard van die Vuurlanders, of 't gebruik-maken van

hun wreede eigenaardigheid? 't Menschen-eten is verboden, maar wel

scheen het geoorloofd, aan mensch-eters 'n mensch te eten te geven. De

Romeinen wierpen hun misdadigers in 't wilde-beestenperk. Hier zien

wy de funktien van verscheurend dier opdragen aan _menschen_!

--'t Waren _wilden_...

--Ja, maar zy die 't vonnis sloegen, gingen voor _beschaafd_ door. En

bovendien, ook die wilden behooren tot ons geslacht. Het trof me reeds

als kind, dat Robinson Crusoë, die zich zoo ongelukkig waande op z'n

onbewoond eiland, van schrik dacht te sterven toen hy door 't zien

van voetstappen ontdekte dat z'n eiland _niet_ onbewoond was. Och,

kinderen, 't is zoo treurig dat de mensch 'n vyand van den mensch is.

--De beschaving...

--Beschaving legt 'n vernis over onze boosaardigheid, en nog niet eens

altyd. De aard der wilden breekt telkens door. Let er maar eens op,

met welke blikken wy of... sommigen onzer, iemand begroeten dien we

niet kennen!

De dokter zag Willem even aan.

--Het schynt wel of ieder die zich verstout eenigszins aftewyken van

de maniertjes waaraan wy gewoon zyn reeds daarom alleen onze vyand

is. Zuivere welwillendheid is zeldzaam. Waar we haar ontdekken,

werd ze gewoonlyk opgewekt door oorzaken van-buiten-af. Op en door

zichzelf schynt ze niet te kunnen bestaan. Waarom toch?

Holsma sprak hierop weder van beschaving, van de _ware_ die iets

anders en iets meer behoort te zyn dan vernis. Hy betoogde dat er

in geestelyke ontwikkeling 'n hefboom ligt om 't zedelyk standpunt

te verhoogen, en eindigde met de opmerking dat het laagstellen

of minachten van 't onbekende veelal voortsproot uit gebrek van

zelfkennis.

Toen Wouter vertrok, deden de kinderen hem uitgeleide tot aan de

huisdeur, en Willem was byzonder vriendelyk.

De dokter namelyk had 'n byzondere manier van zedepreeken. Hy wist wel

op welk onderwerp 't gesprek zou uitloopen, wanneer-i begon met die

treurige geschiedenis van Jakob Claesz. En ook ik had er m'n redenen

voor, toen ik van de troglodieten overstapte op Olivier Van Noort.

Een splinternieuwe _gradus ad Parnassum_, niet precies

dezelfde die _Faust_ ten-geschenke kreeg van _Mephisto_. Twee

ouwerwetsche spiegels voor hedendaagsche spelprofessors. Wenken

omtrent 'n meer nieuwerwetsche wyze van taalbeschouwing.

Wanneer de lezer gewoon is aan effekt-romans, zal 't hem bevreemden

te vernemen dat Wouters bezoek by de familie Holsma grooten invloed

uitoefende op 't ontwikkelingsproces van z'n geest. Het spreekt

vanzelf dat dit zich niet terstond openbaarde, doch er was 'n kiem

van verandering in z'n gemoed gelegd, die niet weder kon verstikt

worden. Van zelfstandig denken was nog geen spraak, maar hy wist nu

toch dat er iets àls zelfstandig denken mogelyk was, al durfde hyzelf

zich die weelde niet aanmatigen, waartoe hem dan ook de noodige rypheid

ontbrak. Niet hy, Wouter, zou 'n meening hebben, maar hy begon toch

intezien dat er andere meeningen bestonden dan die van z'n omgeving,

en dit was 'n groote stap.

Boven alles echter--heel gelukkig inderdaad!--drukte hem z'n gebrek

aan kennis. Het was hem duidelyk geworden dat de kinderen in wier

gezelschap hy eenige uren doorbracht, zoo veel meer wisten dan hy,

en dit maakte hem zeer bedroefd. Wat baatten hem al z'n koningen

Israëls! Wie was het toch die zoo schrikte van voetstappen? De arme

jongen had nooit iets van De Foe's kluizenaar gehoord. Hy vroeg aan

Stoffel, en deze zou wel in-staat geweest zyn hem intelichten, als

Wouter den naam van Robinson maar onthouden had.

--Voetstappen? Voetstappen? Hoe kan ik je antwoorden, als je niet

zegt welke voetstappen? Voetstappen van _wien_, meen ik. Men moet

altyd namen noemen, als men iets te vragen heeft.

--Juist, zei de moeder, als je wat weten wil, moet je namen noemen. En

maakte mevrouw-zelf de slâ aan? Dat vind ik al heel zonderling! Nu,

de knecht zal zeker uit geweest zyn.

By al de verhalen die Wouter omtrent z'n wedervaren werden afgeperst,

had hy instinktmatig vermeden melding te maken van de byzonderheden die

in z'n omgeving niet te rekenen hadden op 'n gunstig onthaal. Geen

woord van de saturnalie! Niets van 't verzuimd bidden by warm

eten! Ook verzweeg hy de gemakkelykheid waarmee die kinderen zich

schenen te bewegen, en de ongedwongenheid hunner deelneming aan 't

gesprek. Toch was de schroom om zaken aanteroeren die in zyn kring

minder gewild waren, misschien overbodig. Men vergeeft zooveel aan

beerevellen! Maar dit ging z'n berekening te-boven.

Juffrouw Pieterse informeerde zich herhaaldelyk of-i wel "fatsoenlyk"

geweest was? En Wouter beaamde dit in alle oprechtheid zonder eigenlyk

te weten wat ze bedoelde, daar hy in z'n gemoedje noch ondervinding

noch besef had van het tegendeel. Ja toch ... de geschiedenis met dien

topzwaren vlâlepel! Zou dàt misschien onfatsoenlyk geweest zyn? Hy

wilde de beslissing dezer vraag liefst niet laten afhangen van z'n

moeder, en zweeg er dus over ... och, hoe lief van de wilde Sietske,

z'n onhandigheid zoo te bedekken! Maar dit zou hyzelf ook gedaan

hebben, al wist-i dan zooveel minder dan de kinderen van den dokter.

Met schrik vernam hy dat de dag naderde, waarop z'n gedwongen

afwezigheid van Pennewips school een eind nemen zou. Meer dan ooit

voelde hy dat de bronnen van kennis die daar voor hem ontsloten werden,

niet voldoende waren. Of althans hy meende dit. Maar aan tegenstand

was niet te denken. Hy was ontevreden met zichzelf, met alles! "Van

my zal nooit iets terecht komen!" zuchtte hy.

Hy verscheurde z'n _Lady_ Macbeth die hem leelyker voorkwam dan

ooit. En ... Ophelia?

O hemel, den ganschen dag had hy niet aan Femke gedacht! Dit kwam hem

zeer slecht voor. Was 't omdat ze maar 'n bleekmeisje was, en omdat

de kinderen van den dokter zooveel voornamer waren?

Dit denkbeeld verschrikte Wouter erger, dan de gedachte aan diefstal

of moord. Hy kon niet leven met zoo'n zelfverwyt, en nam de eerste

gelegenheid waar, om de schuld af tedoen. Want 'n schuld wàs het,

naar-i voelde.

En dit gevoel gaf hem moed. Met z'n gekleurde prent in de hand,

stapte hy ditmaal moedig 't welbekende hekje binnen, en klopte aan

de deur van Femke's huisje. Er werd "binnen" geroepen. Z'n hart

bonsde benauwend, maar nu moest-i z'n heldenstuk wel dóórzetten. Hy

stond op-eenmaal voor 't meisje, dat met haar moeder bezig was

aan vrouwelyken arbeid. De hartevrouw van m'n held stopte kousen,

ruwe dikke onoogelyke wollen kousen! 't Is hard voor 'n schryver,

zoo-iets te moeten boekstaven. Om evenwel aan Wouters onbedorvenheid

de eer te geven die haar nog altyd toekomt...

Want afkeer van praktischen eenvoud _is_ bederf!

... om hem te schetsen zooals hy wàs, zy hier erkend dat die kousen

hem in 't minst niet hinderden. De periode van verdraaide poëzie en

valsche romantiek was nog niet voor hem aangebroken.

Wanneer hyzelf had moeten beschryven hoe hy 't aanlei om z'n bezoek te

rechtvaardigen, en iets te zeggen dat tot inleiding van 'n gesprek

zou kunnen dienen, zouden deze byzonderheden waarschynlyk voor

't nageslacht zyn verloren gegaan. En ook ik weet maar ten-deele

hoe de overgang geschiedde, tusschen z'n bedremmeld binnentreden

en 't plaatsnemen op 'n matten stoeltje dat Femke hem vriendelyk

toeschoof. Hyzelf herinnerde zich daarvan niets dan den bezielenden

blik waarmee ze hem aanzag, en haar uitroep:

--Ah!

En ze had hem de hand toegereikt.

--'t Is de jongeheer van onlangs, zeide zy tot de moeder, als

begrypende dat deze zich Wouter niet herinnerde. 't Is de kleine

jongen die zoo ziek geweest is. En hoe gaat het nu? Je ziet bleek.

--Ga zitten, jongeheer. Ja, je ziet er bleekjes uit. Zeker van

de wurmen?

--Wel neen, moeder! 't Kind heeft zenuwkoortsen gehad.

--Ja juist, koorts! Ik wil maar zeggen dat het ook wel eens van de

wurmen komen kan. Geef 'n kommetje, Fem, en schenk hem in. Je moogt

immers wel koffi drinken? Anders, als je met wurmen geplaagd bent...

Ik moet erkennen dat die wurmen van Vrouw Claus onzen Wouter meer

hinderden dan haar kousen. 't Mensch scheen zich voorgenomen te hebben

hem daarmee te plagen, en kwam er gedurig op terug.

--En waar bleekt je moeder? vroeg ze. Niet dat ik 'n ander wil

onderkruipen, godbewaarme, maar... àls ze soms niet tevreden was met

'r waschvrouw... 't kon gebeuren, zie je. Nu, dan is ieder zichzelf

de naaste, en ik rekommandeer me. Als er inktvlekken in 't goed zyn,

maakt Fem ze 'r uit, met "zuringzout" weetje? En nooit raakt er

'n stuk weg ... ja, eens is 't gebeurd, 'n paar mansetten, maar die

hebben we vergoed met 'n zesthalf ... vraag maar aan Femke.

Helaas! Dàt zou hy nu van Femke moeten vernemen, hy die haar zooveel

anders te vragen had! Vrouw Claus maakte 't hoe langer hoe erger. Ze

tastte hier niet de valsche poëzie aan, waarmee hy nog niet besmet was,

ze stoorde, belemmerde en bedierf de _werkelyke_ vlucht van z'n gemoed,

die beter pleging verdiende.

En zie, het meisje begreep 't ongepaste van dien wanklank! Zou dit

aan fyner bewerktuiging te danken geweest zyn? Was 't 'n gevolg van de

betrekkelyke maagdelykheid harer indrukken? Speelde hier de liefelyke

jeugd 'n rol?

Van alles wat, misschien. Doch zeker is 't, dat de herinnering aan

de manier waarop Wouter haar had ingeleid in de geheimenissen van

Aztalpa, grooten invloed op haar beoordeeling uitoefende. Ze had

Wouters ziel in groot ornaat gezien. En al was dan ook de opschik

waarmee hy by die gelegenheid z'n welsprekendheid getooid had, te

bont en te kleurig voor geoefenden smaak ... Femke's smaak was niet

geoefend. Voor haar vertegenwoordigde Wouters opgetogenheid _het_

schoone, _het_ verhevene, en daarom stond ze hoog genoeg om zich

gestuit te voelen door de platheid van den toon dien haar moeder

aansloeg. Ze zon op middelen om daaraan 'n eind te maken. Maar ook

hier alweer, even als in Wouters eigen omgeving voor hemzelf, was de

rechte weg afgesloten. Femke kon immers niet zeggen: moeder spreek

toch wat ... peruaanscher!

't Eenige wat ze voorloopig doen kon, was hem te vragen wat het

rolletje beteekende, dat-i nog altyd in de hand hield?

Zeer bedremmeld bracht Wouter uit, dat dit 'n geschenk voor háár

was. Het meisje voelde zich getroffen door de hartelykheid die hierin

doorstraalde, en verzekerde met 'n eenvoud die meer ernst bevatte

dan iemand gissen kon, dat ze die prent altyd bewaren zou.

--Ja, zei de moeder, en dan moet je de kreukels er uit stryken. Want

... stryken doen wy ook, jongeheer. We brengen de wasch kant en klaar

thuis, en nooit heeft iemand de minste reden tot klacht. Zeg dit gerust

aan je moeder. Daar heb je nu by-voorbeeld je kraagje ... ik zeg dat

het niet goed gestreken is. De ruimte zit in 'n plooi over 't stiksel

heen. Ook is 't slordig geblauwd ... vraag maar aan Femke. Zeg, Fem,

is 't niet streeperig?

Ei ... zyn hemdskraag slordig geblauwd? Streeperig? Niet goed

gestreken? En dat alles was nogal door de wyze Petrò gedaan! Ook dáárin

alzoo bestond verschil van opvatting of methode? En ook dáárin alzoo

was de traditie van den huize Pieterse niet alleen-zaligmakend? Het

scheen er dezer dagen op toegelegd, onzen Wouter te schokken.

Maar Femke zat op heete kolen. Na eenig vruchteloos onderzoeken

wie Ophelia was, en na even vruchtelooze pogingen om 'n gesprek

aantevangen dat in Wouters smaak vallen kon, bedacht zy 'n uitgang. Er

moest volstrekt iets hier-of-daar bezorgd worden, meende zy, en:

"de jongeheer kon wel 'n eindje meegaan."

--My wel, zei de moeder.

Het jonge paar vertrok.

Femkes boodschap scheen weinig haast te hebben. Ze sloeg met Wouter

een der paden in, die in den omtrek van Amsterdam _de_ paden genoemd

worden, en dan ook niets zyn dan dat. Wie daar wandelt moet leeftocht

van indrukken meenemen om zich niet te vervelen.

Nu, dáárvan had onze Wouter voorraad! Hy had Femke zóóveel te zeggen,

dat-i byna niet spreken kon. En ook zy had zich meer met hem bezig

gehouden, dan zyzelf zich bekennen wilde, meer vooral dan hy gissen

kon. Ze begon met de mededeeling dat ze aan haar moeder geen bericht

had gedaan van de onvriendelyke ontvangst die haar ten-zynent was

te-beurt gevallen, en wel omdat ze wilde voorkomen dat haar moeder,

indien Wouter eens mocht terugkeeren...

--O, Femke, je dacht er dus aan, dat ik je zou komen opzoeken?

--Ja, zei 't meisje aarzelend maar toch met 'n flinkheid die Wouter

verrukte. Ja, ik dacht wel dat ik je weer zou zien. En ik heb 'n mis

laten lezen voor je beterschap.

--Heusch? vroeg Wouter die ter-nauwernood wist wat dit beduidde. Heb

je dat heusch voor me gedaan?

--Ja, en zelf gebeden ook! Want ik had het jammer gevonden, als je

gestorven waart. Ik geloof dat je-n-'n goed jongetje bent.

--Ach, ik had eer moeten komen! En dit wilde ik ook, maar ... Femken,

ik durfde niet.

Hy verhaalde hoe hy op dien zondag in haar nabyheid geweest Was. Het

meisje schreef z'n beschroomdheid aan vrees voor haar moeder toe.

--M'n moeder is 'n heele brave vrouw, zieje. Ze zal niemand te-kort

doen, maar ... och, je begrypt me wel. Ze heeft de gewoonte niet,

met menschen omtegaan. Ik ben beter thuis in de wereld, omdat ik

kindermeisje geweest ben, wel drie weken lang. Als noodhulp, weetje,

want voor 'n wezenlyke kindermeid was ik nog te jong. 't Was by

'n nicht van ons, waar de meid ziek was, want we zyn eigenlyk van

beste familie, weetje. Maar dit doet er niet toe. Zeg me liever,

of je nu heelemaal beter bent?

Wouter gaf verslag van z'n ziekte, en geraakte onwillekeurig op

't onderwerp dat hem voornamelyk bezig-hield, op z'n onkunde.

--Alle kinderen verstaan fransch, klaagde hy, en dit wordt niet

onderwezen op m'n school. En wie geen fransch verstaat, kan nooit

'n groot man worden.

--Och, dat geloof ik niet. De kruienier in de Molstraat heeft drie

eigen huizen, en ik weet dat-i geen woord fransch spreekt.

Wouter had eenige moeite haar aan 't verstand te brengen dat hy iets

anders bedoelde dan 't bezit van drie huizen, ofschoon ook dit hem

niet verwerpelyk voorkwam.

--Ik wilde zoo graag ... zieje ... zoo graag ... iets als ... ja,

hoe zal ik je dit uitleggen? Ik wou...

De afrikaansche heerschappy zweefde hem op de lippen. Maar hy had

den moed niet, z'n eigen droomen in woorden overtezetten.

--Je weet, Femke, dat we hier in Europa wonen. Nu, daar ginds, ver in

't zuiden, heel ver ... ik zal 't voor je uitteekenen. We kunnen hier

wel 'n oogenblik zitten, niet waar, dan zal ik je precies uitleggen

wat ik bedoel.

Hy geleidde 't meisje naar 'n stapel gezaagde planken, en nam daarop

naast haar plaats, nadat-i hier-of-daar 'n takje had weten machtig

te worden, dat hem dienen zou tot graveerstift om 'n wereld in 't

zand te teekenen.

--Dit is Europa. De aarde is rond ... dat wil zeggen, ze bestaat uit

twee helften ... als pannekoeken ... kyk, 't lykt wel 'n bril. Nu,

met die eene helft hebben we niet te maken, dat is Amerika ... zet

'r gerust je voet op. _Hier_ wonen wy ... daar ligt Engeland ... heel

omlaag is Afrika. De menschen zyn daar ... onbeschaafd. Ze kunnen

niet lezen zelfs, en dragen maar heel weinig kleeren. Maar als er

'n reiziger komt, behandelen zy hem zeer vriendelyk. 't Staat in 'n

boekje. Daar wou ik heengaan, en aan al die menschen lezen leeren,

en kleeren geven, en zorgen dat er in 't heele land geen onrecht

geschiedde, en dan zouden wy...

--Ik ook? vroeg Femke verbaasd.

--Ja zeker! Ik wou je vragen met my daarheen te gaan? We zouden man

en vrouw zyn. Je begrypt wel, als ik koning werd in dat land ... dat

jy dan ...

--_Ik?_ Koningin?

Het meisje berstte in lachen uit. Ze vertrad, onwillekeurig op-staande,

al de koninkryken die Wouter zoo-even aan haar voeten had neergelegd.

--Maar ... wil je dan niet m'n vrouw worden?

--Wel neen, malle jongen! Ik begryp niet waar je de gekheid vandaan

haalt. Weet je dan niet dat je nog maar 'n kind bent?

--Wil je dan wachten tot dat ik groot ben? Wil je my niet aannemen

voor je vrindje?

--Wel zeker! Maar dan moet je niet zulke zotte praatjes bedenken. Niet

dat je later niet naar Afrika zoudt kunnen gaan. Waarom niet? Er

gaan zooveel menschen op-reis! By ons op 't "pad" woonde vroeger 'n

timmerman, die met z'n heele familie naar Haarlem verhuisd is. Maar

... trouwen!

Weer lachte zy schaterend. En Wouter leed er pyn van. De arme jongen

trof 't ongelukkig met z'n eerste liefdesverklaring. Op-eenmaal werd

het meisjen ernstig:

--Ik geloof dat je 'n goed kind bent, zeide zy, en ik houd veel

van je...

--En ik! riep Wouter. O, Femke, ik heb altyd aan je gedacht in m'n

ziekte ... als ik denken kon. Want ... in de koorts ... ik kan niet

weten waaraan ik gedacht heb in de koorts, maar 't zal wel aan jou

geweest zyn! En met de prent die ik voor je kleurde, heb ik gesproken

alsof jy het was. En die prent antwoordde, en begon zóó op je te

lyken, dat ik heusch meende jezelf te zien. En dan heette ik Kusco

of Telasco, en jy was Aztalpa, de dochter van de zon. Zeg. Femke,

mag ik je vrindje wezen?.

Het meisje bedacht zich eenige oogenblikken, en voelde in haar

onverschoold rein-menschelyk hart, aandrang tot het verrichten van

'n goede daad. Hoe werkte die aandrift? Waaruit ontstond ze? Was

zich 't zeventienjarig meisje bewust van den invloed dien Wouters

... kinderachtigheid op haar uitoefende? Waarschynlyk niet. En ook

ik kan niet zonder inspanning doorgronden waarom ze zich moeite gaf

ditmaal naar 'n antwoord te zoeken dat iets minder krenkend was dan

'n lach.

Ze lachte dus niet. Het zou wreed geweest zyn tegenover de teederheid

die onmiskenbaar in z'n toon lag.

--Zeker, zéker mag je m'n vrindje zyn! Maar ... maar ...

Ze zocht 'n voorwaarde, 'n beletsel, iets dat hem niet kwetste, en toch

terugvoerde naar 't standpunt dat z'n leeftyd hem naar hare meening

aanwees. Hy was gegroeid sedert z'n ziekte, dit is waar, maar toch

... Femke had kans gezien hem op den arm te nemen en de heele stad

doortedragen, hem die 'r zoo prettig van droomde háár te redden uit

'n brand.

--M'n vrindje, ja ... maar ... dan moet je-n-ook alles voor me doen

wat ik verlang.

Alles slechts? Och, 't kwam Wouter zoo weinig voor!

--Alles, alles, alles! Wat? O, gauw, zeg me wat ik voor je doen kan!

't Werd benauwend voor 't meisje. Want ze wist niet wat ze eischen

zou. En ze was nu wel genoodzaakt iets te noemen. Welnu dan, ze had

altyd gehoord dat vlytig leeren nuttig voor kinderen was. Als ze hem

eens dáártoe aanspoorde?

--Luister, Wouter, ik heb uit jok aan m'n moeder verteld dat je-n-'t

knapste jongetje van je school was ...

--Ik? riep Wouter met komieke verbazing.

Het schynt zonderling--doch we nemen dezelfde anomalie in de

groote-menschenwereld waar--dat hy nooit had achtgeslagen op de

onevenredigheid tusschen z'n hoogdravende aanspraken en verregaande

onbekwaamheid. Hy wilde alles, en kon niets. Deze rekenfout was te

opmerkelyker in hem, omdat hy zich die onbekwaamheid zoo goed bewust

was, en dus niet als vele anderen ter verontschuldiging zich beroepen

kon op eigenwaan. De allereerste in 'n heel werelddeel... dit kon

wel. 't Wenschje was billyk en matig, maar:

--Maak dat je binnen drie maanden de eerste bent op je school, zei

Femke die niet weten kon dat er sarkasme lag in haar eisch. Zieje,

anders mocht misschien m'n moeder te weten komen dat ik over je gejokt

heb, en dit wou ik niet graag. Als je zorgt dat het geschiedt...

--O, Femke, ik zal het doen!

--Ga dan nu naar-huis, zei ze, en begin er terstond aan.

Zoo zond ze hem weg. By 't afscheid nemen vond ze op-eenmaal dat-i te

groot geworden was om hem 'n zoen te geven. En toen pater Jansen, die

'n paar uur later haar moeder bezocht, vroeg van wien ze die prent

had ...

De man zei dat Ophelia in 't Hollandsch zooveel beduidde als Flora

die in vroeger tyd beschermheilige van rozen en vergeetmenietjes

geweest was.

...toen, toen werd Wouter in haar oogen weer op-eenmaal 'n heel klein

kind. Dat-i nog in de wieg lag durfde ze wel niet zoo rechtuit zeggen,

maar toch:

--Och, heeroom, die prent is van 'n jongetje, van 'n klein jongetje. 't

Kind zal zoo omstreeks de tien jaar oud zyn, of ... negen. Ja, ouder

dan negen is-i zeker niet!

--Ben je mal, meid, riep de moeder. De jongen is vyftien!

--Ja juist, vyftien, of ... zoo-iets. Ik wil maar zeggen dat-i nog

'n kind is.

Ze bloosde, en was verstoord op haar moeder, en borg Ophelia in

'n verscholen hoekje. Vrouw Claus en pater Jansen hebben de nieuwe

uitgaaf van de bloemengodin nooit weergezien.

"O, Femken, ik zal het doen!" had Wouter gezegd.

Er begon waarlyk kans te bestaan dat-i wat vlugger leerde, nu Pennewips

schoolkennis voortaan de livrei dragen zou van Femkes invloed. Wouter

begreep zeer goed dat ze met het vergen van den voorgewenden dienst,

geen andere bedoeling had dan z'n eigen belang. Maar die bedoeling zelf

was liefelyk, en 't zou hem immers leelyk hebben gestaan wanneer-i,

na zóó hoog te hebben opgegeven van wat hy wel voor haar zou willen

doen, op dien onverwachten eisch geantwoord had: o, alles alles,

maar ... juist dit ééne niet!

Dat-i liever z'n dame gediend had in 'n gevaarlyke expeditie, spreekt

vanzelf. Maar men heeft z'n heldendaden niet voor 't kiezen. Herkules

en St. Joris zelf zouden zich heden-ten-dage wel moeten vergenoegen

met het bevechten van miniatuur-draken. Hoe dit zy, Wouter nam

z'n taak ernstig op. Hy begon z'n "_Ippel_" z'n "_Strabbe_" z'n

"_Oefening in 't kunstmatig lezen_" z'n "_Vaderlandsche_- en andere

_Geschiedenis_-boekjes" lief te krygen als gewaardeerde vyanden, die hy

onder de oogen zyner uitverkorene verslaan zou in eerlyken stryd. Zelfs

over "_Pietersons Geslachtlyst van nederduitsche naamwoorden_" begon

z'n gemoedsstemming zeker waas van poëzie te verspreiden, dat alle

andere Herkulessen zou beschaamd gemaakt hebben over de nietigheid

van hun werk.

Tournooi-verslagen had-i nog niet gelezen. Geen toovergodin bezorgde

hem 'n gewyd harnas. Geen Minerva leverde hem 'n Meduza-kop tot

schild ... och, niets van dat alles, maar toch ... Slachterskeesje

mocht oppassen!

Tot Wouters eer moet ik zeggen dat-i den jongen ridderlyk

waarschuwde. En werkelyk, drie maanden daarna was hy de eerste van

de school. Pennewip zelf was wel genoodzaakt te erkennen:

--Het is bevreemdend! Men zou ook kunnen zeggen, het is

... verwonderingwekkend, jazelfs in zekeren zin voorbeeldeloos,

of ... zonder voorbeeld!

De allernaaste aanleiding tot dezen uitroep was dat Wouter in zeker

opstel heel kordaat van 'n wyf had gesproken: "dat zyn muts betastede

en op deszelfs hoofd zettede."

Was 't niet jammer, de lieve geestdrift van 't kind te verknoeien

aan zulken onzin? [28]

_Wouter_ moet 'n beroep kiezen. De keerzy van

den roem. _Wouter's_ begrippen over kommanditair

wereldbestuur. Oorzaken van 'n ergernis die, viâ _Missolunghi_

uitloopt op _Femke_.

Wouters uitgeleerdheid op de school bleef nog altyd zonderling afsteken

by de rechten die men hem scheen toetekennen in den huiselyken

kring. De oorzaken hiervan waren: eerstens, dat hy de jongste was,

en bovendien 'n _iongen_n die tegenover meisjes altyd eenige jaren

minder telt dan z'n doopceel. Ten-tweede ging hy diep gebukt onder

de atmosfeerdrukking der verwaandheid van z'n broêr Stoffel.

--Nu ja, moeder, de eerste by Meester Pennewip. Maar ziet u, daarom

is-i nog geen professer. Er zyn nog heel andere scholen in de stad,

waar hy misschien de allerlaagste wezen zou.

--Wel zeker, Stoffel, dat zeg ik ook altyd. Er zyn andere scholen. Maar

ik wou nu maar weten wat we met 'm zullen aanvangen. Letterzetten

wil-i niet. En naar zee ... nu dat's me-n-ook wat!

"Dat 's me-n-ook wat!" beduidt: 't is te gek om van te spreken. Onder

de tallooze plannen, wenschen, idealen, waarmee Wouter zich sedert

eenigen tyd had bezig gehouden, behoorde ook de op-eens ontwaakte

lust om zeeman te worden. Geheel vreemd was hem dit denkbeeld nooit

geweest--er was iets Afrikaansch in--maar hy voelde zich daarin

versterkt door de geschiedenis van den ongelukkigen Jakob Claesz. De

gedachtenloop die hiertoe leidde, is niet moeielyk nategaan.

Met de eigenaardige beschroomdheid die we dikwyls in hem waarnamen,

had-i z'n wensch geopenbaard. Maar ze was met even eigenaardige

afkeuring ontvangen geworden. In zeer veel hollandsche huisgezinnen

namelyk, is de zeevaart--als baden en zwemmen--'n uitspatting,

'n misbruik, 'n losbandigheid, 'n paradox, 'n _hors d'oeuvre_ of

'n ondeugd.

--De goeie God zal me bewaren, hoop ik, voor zoo'n affront, riep de

moeder. Heb ik je daartoe opgebracht? Heb ik er dàt nu van, jongen,

dat ik je zoo goed heb laten leeren van sogrefie en alles? Zal je

dan nooit ophouden met akeligheid!

Wat zou Wouter doen? Hy mompelde iets van ontdekkingsreizen, van

onbekende koninkryken, van Straat _Magellaan_... helaas!

Stoffel vond ook dat zoo-iets niet te-pas kwam en verhaalde treffende

voorbeelden van jongelui die naar zee waren gegaan nadat ze zich

aan-wal niet goed gedragen hadden, waaruit hy met de logiek die in

zyn kring voldoende was, betoogde dat men nooit naar zee moest gaan.

En Wouter van zyn kant, had geen lust in al de schitterende loopbanen

die men hem voorsloeg. Hy wilde geen schoolmeester worden, geen

schoenmaker, geen leerling op 'n notariskantoor, geen bediende in

'n winkel, geen aptekersjongen...

Om rechtvaardig te zyn moet ik erkennen dat de redenen van z'n tegenzin

in al deze vakken, niet veel gegronder waren dan de bedenkingen die

men tegen het door hem gekozene inbracht.

De gesprekken die hieruit voortvloeiden waren kurieus, doch hadden de

verdienste dat zekere hoofdzaak ruiterlyker by den naam werd genoemd,

dan by zulke gelegenheden wel eens 't geval is. De meer of mindere

kans op "geld-verdienen" werd flinkweg op den voorgrond gesteld, en

zelfs de vraag: welk vak mogelykheid aanbood om _zeer spoedig_ "in de

verdiensten te komen?" Alleen Stoffel meende aan boekerige deftigheid

schuldig te zyn, nu-en-dan de gemeenplaats over 't "worden van 'n

nuttig lid in de Maatschappy" voor-den-dag te brengen. Toevallig--en

zeer by-uitzondering--had-i hier met 'n kind te doen dat deze versleten

en huichelachtige fraze in ernst opnam. Wouter wilde inderdaad iets

tot-stand brengen, iets leveren:

de plaats betalen die het lot hem bood.

...en iets meer dan dat, als 't mogelyk was! Kon hy 't helpen dat

het hem toegelegd plaatsje zoo bekrompen was? Hy voelde aandrift tot

het goede, tot het ongewone, tot het moeielyke, en z'n lust tot de

zeevaart sproot niet zoozeer voort uit rechtstreeks verlangen naar

'n werkkring die hem trouwens geheel onbekend was, als uit de hoop

dat-i daarin gelegenheid vinden zou...

Wie beschryft al de verrukkelyke droomen die hem z'n verbeelding

voorspiegelde? [29]

Na 'n koncilie, waarby de hulp van meer autoriteiten werd ingeroepen,

dan ik in-staat ben optegeven, kwam Stoffel tot het besluit: "dat

Wouter byzondere geschiktheid had voor den handel." En juffrouw

Pieterse was dit volkomen met hem eens.

Het plan om in den handel te gaan, lachte Wouter toe. Misschien wel

omdat-i niet recht wist wat het was.

Hy vroeg 't aan Stoffel.

--Wel, begryp je dát nu alweer niet? "In den handel" beduidt zooveel

als... koopman worden.

--Maar... wàt moet ik dan verkoopen? En hoe kan ik weten wat de

menschen noodig hebben?

--Och, je moet je dit nu niet zóó voorstellen alsof je langs de

huizen liep met 'n pak koopgoed, en overal moest aanschellen om te

vragen of iemand wat van je hebben wil. Je bent en blyft toch altyd

even dom. "In den handel" zieje, beduidt zooveel als...

Stoffel begon te hakkelen. Hy was de eerste niet die over 'n definitie

struikelt, en zal de laatste niet wezen. Maar weinigen hebben by

zulke gelegenheden terstond 'n bondgenoot by de hand, die hen zoo

flink uit den nood helpt als hier geschiedde.

--Hoe kan je toch altyd zoo dwarsdryven, Wouter! riep juffrouw

Pieterse. Daar heeft nu Stoffel je de zaak zoo duidelyk uitgelegd,

en je houdt je weer net of je 'r niks van begrypt. Wie ter-wereld

heeft je toch gezegd dat je langs de deuren loopen zou met 'n pak

op je rug, als 'n oliekoop of 'n _mersan de la perreplu_? Heb ik je

daartoe opgebracht, en je de eerste van je school laten worden? Je bent

'n ondankbaar kind. Wat helpt het nu of je-n-al zooveel weet, en mooie

trekletters zetten kan, als je telkens je moeder zoo veraffrenteert!

Lezers die op rechtvaardigheid gesteld zyn, zullen 't vreemd

vinden--en onbillyk misschien--dat Wouter hier begraven werd onder

'n stortvloed van verwytingen. Onbillyk? Zeker! Maar ... vreemd? O,

neen. Ik beweer exakt te zyn in de teekening van zekere manier waarop

nu-en-dan gepolemizeerd wordt, en waarin juffrouw Pieterse 'n ware

virtuoze was. Aan de stiptheid die ik my tot regel stel, heeft dan ook

't woord _parapluie_ in haar mond het vrouwelyk geslacht te wyten. Ze

volgde hierin zeker straatlied van die dagen, waarvan de door haar

gebezigde uitdrukking 't onvervalscht refrein was.

Maar... als nu Wouter eens "in alle bescheidenheid" de opmerking

gemaakt had, dat-i geen aanleiding had gegeven tot deze preek? Wel,

dan had men hem bedolven onder 'n tweede predikatie over de verregaande

brutaligheid van 't gelykhebben, wat dan ook in zekere omstandigheden

inderdaad 'n fout _is_.

Niet zoozeer omdat-i dit inzag--daartoe is dieper wysheid noodig dan

hem gegeven was!--als wel uit ongewoonte om z'n meening te zeggen, die

toch nooit werd aangenomen, besloot hy zwygend by de eerste gelegenheid

de vereischte inlichtingen te vragen aan z'n Egeria, aan... Femke.

Dat hy, in-weerwil van z'n onkunde niet ontevreden was met het

vooruitzicht "in den handel" te gaan, is niet onnatuurlyk. In de

eerste plaats zou 't vervelende school-gaan 'n eind nemen. Dit was

'n zékere winst. De minder stellige voordeelen eener verandering

van standpunt, mat-i af naar z'n hoop, en naar den wensch om _iets_

te zyn, wàt dan ook! 't Zou dan toch al heel slecht geschapen staan

met "handel" wanneer daarin niet iets beters te bereiken was dan 'n

geminacht schooljongensschap, dat hem meer begon te drukken naarmate

hy hooger stond aangeschreven in Pennewip's achting. Het was namelyk

ten-zynent 'n _tic_ geworden--en z'n by uitstek domme zusters deden

dapper mee--hem z'n arithmetische, aardrykskundige, grammatikale en

kalligrafische kennis of bekwaamheid aanterekenen als 'n verpletterend

servituut. De geringste fout tegen huis- of fatsoentucht werd door

verrekte armen vaamsgewys uitgemeten, en in bezwarend verband gebracht

met z'n veronderstelde schoolwysheid. Z'n onoverwinnelyke tegenzin

in zuurkool, byv. "paste geen jongen die zooveel boekjes van-buiten

kende" en als-i na 'n wandeling wat later thuiskwam dan hem genadig

was toegestaan, moest-i de vraag hooren: of dàt nu 't goede gedrag

was van iemand die zoo'n uitstekend onderwys te danken had aan z'n

moeder, en zulke mooie krulletters maken kon in één trek?

De bespottelyke ingenomenheid met Wouter's vermeende gaven, maakte

hem die schoolkennis tot nacht- en dagmerrie, en 't had er veel van

of men hem by-voorbaat wilde genezen van mogelyke roemzucht.

Natuurlyk kende hy zichzelf volstrekt niet, en had dus niet den

minsten grond om aan die laatste veronderstelling 'n plaatsje te

gunnen in z'n overwegingen. Ook wanneer dit anders geweest ware,

zoud-i tot het besluit gekomen zyn dat de onwelwillendheid zyner

omgeving 'n veel minder wysgeerig-liefderyken grond had, dan voortydige

bezorgdheid voor z'n zedelyk welzyn. De zaak kwam eenvoudig neer op de

onsmakelyke stroefheid die, naar zeker soort van burgerlyke opvatting,

de gezellin behoort te zyn van 't goede.

De oorzaken van zoodanig genotbederf zyn niet ver te zoeken. Ze

liggen in bekrompenheid van verstand en hart. De Bybel en 't

christendom--vooral het dor protestantismus!--hebben er geen goed

aan gedaan.

Is 't wonder dat de Pietersens niet weten omtegaan met kinderen, zy

die 'n God dienen, wiens hoofdbezigheid eeuwen lang schynt bestaan

te hebben in vloeken en razen tegen de menschen die hyzelf gemaakt

had? Het eeuwige vitten van Wouter's moeder was alzoo goddelyker

dan zyzelf wist, en ook sprak ze meer waarheid dan haar bekend was,

toen ze op den plechtigen salie-avend verzekerde: "ik doe daar m'n

godsdienst mee!" Wel zeker!

Het verspreiden van geluk, en 't zoeken van genot in deze

levensrichting, stond niet in den katechismus van Wouter's

omgeving. Met den besten wil mogen wy dus 't verdriet dat

hem voortdurend werd aangedaan, niet op rekening zetten van 't

hooghumanistisch streven om hem afschuw inteboezemen van vermoeiende

beroemdheid.

En toch, toch... Wouter wàs eerzuchtig! Maar hy was het in geheel

andere maat, en op gansch ander terrein dan ooit iemand had kunnen

gissen. Al de geneesmiddelen die men hem--al was 't dan doelloos--ingaf

tegen hoogmoed, waren niet toereikend om afbreuk te doen aan 'n

zelfgevoel dat waarlyk de perken van 't ooit _da gewesene_ ver

te-buiten ging.

"Eerzuchtig? Hoogmoedig? Onbescheiden? Verwaand? Veeleischend van de

toekomst, tot het brutale toe?"

Waarom vraagt ge dit, lezer? Omdat het kind zoo gaarne koning van

Afrika wilde worden?

De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 1 Uit de 'ideen' verzameld · 第 17 / 20 题