Wat stond zich de maan te vervelen,
Dien avend in 't luchtruim alleen!
De sterretjes waren verdwenen.
Omdat zy te flikkerend schéén.
Het is voor zoo'n maan niet pleizierig
Alleen aan den hemel te staan.
Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,
En helpt het humeur... naar de maan.
Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,
En troostte wat smachtend gevoel,
En hielp een paar dichters aan verzen,
Maar bleef als die verzen zoo koel.
Zy straalde wat hoop in de harten,
En droogde in 't voorbygaan een traan,
Maar 't mooist wordt ten-laatste vervelend...
Ze had dit zoo vaak al gedaan.
Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...
Vervelend was al wat ze zag.
"Och, riep zy, als dàt niet verandert,
"Dan neem ik als maan m'n ontslag.
"Ik sta als een gek te schynen,
"En schitter me kreupel en lam.
"Geen mensch die me 'r ooit voor bedankte,
"Of die er notitie van nam.
"Dat menschvolk is bitter ondankbaar!
"Voor 't zonnetje maakt men zich mooi,
"Háár opent men deuren en vensters...
Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
"Men moest daar beneden bedenken
"Dat 'k nooit van m'n overvloed scheen.
Ikzelf sta in 't kryt by m'n zuster...
"Die leent me... sints Genesis één.
"'t Is drukkend--vooral aan famielje--
"Zoo'n schuld van 'n eeuw of wat licht!
"Ik schrik als de zon me komt manen,
"En bleek wordt m'n mane-gezicht."
Zoo pruilde op een avend het maantje,
En dit had de nachtwind verstaan.
Hy vond dat ze recht had tot treuren,
En was met haar droefheid begaan.
En suizend begon hy te jagen
Langs wegen en vaarten en wei:
"Hop ... hop ...al wat mee kan, aan 't dansen,
"Wy geven de maan een party!
"Hop, hop... in de rondte... naar boven...
"Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!"
Daar dansten de bladen in de ronde,
Of schuifelden voort in galop.
Daar knakten de takken der boomen,
En zeiden de stammen vaarwel,
En zwierden als dansende spoken,
En speelden een wonderlyk spel.
Daar vlogen de pannen der daken,
En namen hun deel aan het feest.
De schoorsteenen bogen deemoedig,
Als waren zy hoflui geweest.
De molens vergaten het malen,
En noodden de boomen ten dans,
En walsten met hunne beminden
Op hun muren en wallen en schans.
"Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...
"Dien weg uit... omlaag by de poort...
"Wat 'n vischlucht!... om 't even... vooruit maar!
"Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!"
_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
Daar naderde joelend de bruiloft,
En huppelde om 't slapende kind.
Haar bleekgoed rees op van de zoden,
En danste op muziek van den wind.
Daar neigden de hemden potsierlyk,
En boden elkaêr hun manchet.
Daar danste een pudiek chemisetje
Met 'n onderbroek een menuet.
Daar lonkte de slaapmuts van passie,
En maakte haar pluimpje zoo mooi.
En drukte aan het fladderend jabootje
Heel sentimenteelig de plooi.
De zakdoeken werden zoo dartel,
En waagden zich boven hun stand,
En reikten aan nuffige kraagjes
Hun opengewerkten rand.
De slobkous, verliefd van complexie,
Maakte aan een fichutje de cour,
En sloot het verrukt in z'n knoopen,
En zuchtte zoo innig: bonjour!
Daar walste een bretel met een vestje,
Een kindersok met een servet,
En 't windje gaf lustig de maat aan,
En maakte geen eind aan de pret.
En warrelde vroolyk daartusschen,
En joeg alles rond op de baan ...
En suisde: "hop, hop ... à vos dames ...
"Wy geven een bal aan de maan!"
_Daar zat een slapend meisje in 't gras... of 't_ Femke _was?_
En dichter en dichter gedrongen,
Sprong alles om 't slapende kind ...
Daar fladderden wild haar de lokken
Omhoog, op muziek van den wind ...
Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!
En ylings ... de stoet nam haar meê,
En droeg haar ... o hemel ...
--Femke ... Femke!
--Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning,
die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en
halsboordjes, op weg was naar de maan ...
Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen
werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit
hoofdstuk zoo dramatisch begint.
Het "huis" Pieterse vergaderde voor Wouter's bed. Daar was de edele
stamvrouw, gehuld in 't eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien
neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar
domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten
de meisjes niet meer, na 't verhuizen. Truitje was Gertrude geworden,
zoo goed als 'n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina,
en wie haar pleizier woû doen, sprak de _a_ uit als een _e._ Dat
gaf zoo'n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond
nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje
heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.
Hyzelf kwam ook voor 't licht, en verbaasde zelfs z'n moeder die
zooveel van hem wachtte, door z'n deftigheid in gang en houding.
--Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
--O, moeder, moeder ... Femke!
--De jongen is gek, was 't eenstemmig oordeel der Pietersens.
En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
--Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte
... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter
van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet,
Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek
passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ... een
weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze
weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!
--Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder,
aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft
... of beide.
En voor 't eerst van z'n leven misschien, had Stoffel een goede
gedachte:
--Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.
Zoo was het. De arme jongen was aangetast door 'n
zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer
die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke
terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter's gemoed. Maar dit
kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van
't kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking
nuttig. De dokter vertelde haar, tot 'r groote verbazing, dat men z'n
kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er
lucht, licht, leven, beweging, _genot_ noodig is tot ontwikkeling van
ziel en lichaam. Dat _straffen_--met of zonder _Heer_ dan--niet te-pas
komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding
... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord
had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...
--Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i
komt. Hy schryft z'n receppies met 'n gouwe pen, en z'n koetsier
heeft een bruine beer om z'n hals ...
Ja, juist! zoo'n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen
die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden,
dan zou 't gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal
is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in
't geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En
ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.
--Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter
er was. Ga 't haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is,
meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo
laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet
toch zout wezen ... en maak 'n praatje ... 't is niet om te praten,
weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... 't is maar,
weetje, om te weten of de menschen 't gezien hebben? En jy, Petró,
denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want 't is
m'n 'n man ... zoo'n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak
... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar
ik ben benieuwd of ze 't gezien hebben in de komeny.
Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat
jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter's ziekte. Er was iets
voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur. _Alas, poor mankind!_
_Weêr een avendje._
--Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m'n oom? Jelui
bent allemaal gevraagd, en ik heb 'm gezegd dat er een vers wezen zou.
--Dat 's moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen
verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we 't hèm eens vroegen?
--Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik
geskandeliseerd.
Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er
veel tegen.
--Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort
doen aan 't respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd,
dan is respekt nummer een, en zoo'n vers...
--Maar de jongens op je school hoeven 't niet te weten...
--'t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo
niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte
... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is
me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt
er van. Ieder moet op z'n zaken passen. Zoo'n vers ... dat is goed en
wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...
--En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.
--Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de
bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...
--Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!
--Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat
komt... hoe zal ik 't je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je
begrypt, by zoo'n vak als 't onderwys, heb je allerlei soort van
dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar
eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?
--Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...
--Amsterdam aan 't Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen,
want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat
onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z'n suiker met wat anders,
en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy 't pond moet verkoopen,
om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de
gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu
moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.
Stoffel ging dien middag vroeger naar z'n school dan gewoonlyk, en liet
jufvrouw Laps heel ongesticht achter. 't Mensch wou maar niet begrypen,
hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen
voor Stoffel's rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse
praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar
meester Pennewip zelf.
De man zag vreemd op, by 't bezoek van het vertoornde zoogdier,
maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.
--Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?
--Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van
oesterschelpen en eieren?
--Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik
bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy
deze uitdrukking begrypt--het is eene beeldspraak, juffrouw--op welken
trap dan van den ladder der maatschappy?
--In de granen, meester. Meent u dat?
--Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn
... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als
groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven
hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt
ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,--die door sommigen
onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen
beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten--zeker is het, dat Jozef
granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps,
wy lezen in _Genesis XLI_...
--Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao's wagen, en droeg een witte zyden
rok. Myn oom is fakter. Dat was m'n vader ook.
--Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan
zegt _Genesis_ niets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse
van personen ...
--Myn oom is wéwenaar ...
--Ziet ge, daar hebt gy 't verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat
Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On,
en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote--of volgens sommigen,
echt_genoot_--reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den
graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als 't u ernst is
uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een
myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.
En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden
kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar
ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat
hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom
een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden
in een hofkoets. Maar 't bezingen van een "fakter" liet hy over aan
't genie van den _vliegenden theeketel_ in de Peperstraat. Dit was niet
mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was
gegooid door z'n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i
geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid
beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?
Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte
kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door
't bezoek.
Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers
kant en klaar zou maken. Hy zou 't den volgenden ochtend by jufvrouw
Laps komen opzeggen, en als 't waardig werd gekeurd de tolk te zyn
van hare gevoelens jegens 'r oom, zou Klaas meêgenood worden op 't
avendje. En, had z'n vader gezegd, dan zou hy 'n witten das om hebben,
met 'n opstaand boordje.
--ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift
toch alles vooruit wist.
En 't mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte
overeenkomst te vinden tusschen Jozef's verheffing en de apotheose
die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze
een mantel in de hand hield.
De _poëta laureatus_ meldde zich den volgenden morgen by haar aan,
en dreunde z'n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt
voorgelezen op 't avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding
maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens
plaats vond.
Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust
voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van 't behangsel, en dwong
zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over
elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen
... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was 't vermoeiend,
maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was
't nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen
die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige
indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was
hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest
deelnemen aan 't bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en
warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de
afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar
't baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen,
die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging
om haar vasttehouden ....
Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding
was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden
dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan
wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...
Schreiend riep hy zachtkens Femke's naam, zacht genoeg om niet te
worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven
aan zyn beklemd gemoed ...
--Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook
verbeelding?
Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en 't was Femke's stem!
--Ik _wil_ weten of ik droom, zeî 't kind, en hy richtte zich overeind
in z'n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik
heet Wouter ... Laurens is op 't letterzetten ... dit is alles juist
... ik droom niet ...
En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond
en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe
komen aan zyn gehoor ...
--O God ... Femke's stem! Ja, ja, zy is het!
Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van 't bed af, de deur uit, rolde de
trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van 't bleekmeisje,
dat in 't portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin
der Pietersens.
Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst
meende zy dat het om 't prentje was, waarop Aztalpa de beide
broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter's schoolmeesterlyke
broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den
almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke
verlangde Wouter weêrtezien. Om z'n persoon kon 't niet wezen--zoo'n
kind!--maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in
't hart van dat meisje Wouter's persoon in-een met de verhalen die
hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie. _Qui
bene distinguit, bene docet_, ja, en zelfs: _qui bene distinguit,
bene discit_... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy
onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die
niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met
allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of
genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes
in elkander zaten, waarmeê Femke--die lieve karper!--zou rondzwemmen
in den vyver van haar zestien jaren.
--Leg 't goed in de zon, riep haar de moeder toe...
En dit vertaalde Femke aldus: _zon_... _Peru..._
Aztalpa... Kusco... Wouter!
--Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke
vertaalde: _moedig in den stryd tegen de vyanden van_ Peru... _hy de
edelste telg der_ Inca's... Telasca... Wouter!
Och... alles riep: Wouter!
En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden,
ongeduldig. Den derden, ongerust...
--Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat 'n vers
moest maken...
--Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je 'm te vinden?
Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter
woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed
in haar voornemen om 't kind optesporen, welks woning zy niet wist,
en die moed wilde zy verbergen. Waarom?
Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy 't: _hoe mal!_ dat zoo
vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is 'n eigenaardige _pudeur_ in
liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy 't goede dat in ons is,
en pronken liever met fouten. Dit is huichelary _à rebours_.
Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld
mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep
met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel
wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in
de Hartestraat. De loop der straten die in 't eerste hoofdstuk der
geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort,
voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen
held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter--Femke was
ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na--vraagde
zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: "om 't boek over
die gravin met den sleep?"
--Hé? Hoe is de titel?"
--Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar 't is over een roover ... de
Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och 't is my te doen om een
jongetje dat gelezen heeft in zoo'n boek. Ik wilde u vragen waar dat
jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...
--Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om
jongetjes optezoeken.
--Maar m'nheer, ik wil er voor betalen, zei 't meisje, en zy legde
haar schat op de toonbank.
--Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!
Nu werd Femke boos:
--Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me
niet doen. Als je 't niet zeggen wilt, dan kun je 't laten ... maar
ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.
En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:
--Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?
--Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?
--Ik vraag 't boek van den roover en Amalia, zei Femke.
O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen
om-niet ... zy voelde zich _klant_ nu.
--Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?
--Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe, _asjeblieft_,
help my...
Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich
optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.
Vry spoedig noemde hy Glorioso...
--Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.
--Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom,
om 't dierbaar boek te krygen.
--Neen, neen ... ik heb 't boek niet noodig, ik wil maar weten waar
het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag
voor betalen!
En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet,
zei de man. "Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men
't hem vrindelyk vraagde." Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had
iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.
De man zag na in 't register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke
opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees
het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg
nemen kon....
Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegd
geld meêtenemen. De man liep haar achterna om 't terug te geven,
maar-i had moeite om 'r intehalen. Zoo liep ze!
Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse,
verhuisd was "naar een fatsoenlyker buurt." 't Was nog al ver, maar
't meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd
ze ontvangen met een barsch "wat moet je?" van de jonge-jufvrouwen.
--Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter 't maakt?
--Wie ben je?
--Ik heet Femke, jufvrouw, en m'n moeder is een waschvrouw ... maar
ik wou weten hoe 't met Wouter is?
--Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse,
die kwam aanloopen op 't gerucht.
--Och jufvrouw ... wees 'r niet boos om ... ik wou 't zoo graag weten
... en m'n moeder weet er van, dat ik hier ben om 't te vragen. Wouter
heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o
god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...
--Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg
je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...
--Om-godswil, jufvrouw! riep 't meisje, en wrong de handen.
--De meid is mal! Duw 'r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...
Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich
gereed haar bytestaan, maar 't moedig kind hield vol. Ze greep de
leuning van de trap, en klemde zich vast.
--Gooi 'r de deur uit, die brutale meid ...
--O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan
... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan
zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw
... en ... of ... hy ... sterven ... zal?
Hier berstte 't kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van
de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by
't aanzien van Femke's smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden
burgerlyke zielen.
Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. 't
Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in
aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De
"heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys"
komen daar niet.
--Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ga _niet_! Ik _wil_ weten,
of 't kind ziek is ...
Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich,
rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor
Femke's voeten in zwym.
--Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden
roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men
wees haar Wouter's bed, en daar legde zy 't kind neer. Niemand had
den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzette voor de legerstede,
en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht,
rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve
wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: "Och, neem
't me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo
dacht ik aan dat kind!"
De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en 't huis Pieterse is
present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den
salon op.
--'t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat
wou ze eigenlyk, dat meisje?
--Gut m'nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan
Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd
schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen
Mina! gooi 'r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...
--Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en
toonde een blauwe plek aan de pols, waaruit _ik_ zou besluiten dat
Femke háár had beet gehad.
--Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal 't haar verleeren!
--En _ik_, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel
meer. Maar zeker is 't, dat Femke's naam _nu_ niet zou getriumfeerd
hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
--Een gemeene meid, m'nheer!
--Een _heele_ gemeene meid!
--O, zoo'n gemeene meid!
--En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
--Ja, dat was moeielyk... ik zei...
--Né moeder... _ik_ zei...
--Né, _ik_!
--Né, _ik_!
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor 't middelpunt
der gebeurtenissen die 'r werden verhaald.
--Ik wou wel 'ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei
jufvrouw Laps. Ja, oom, er is 'n verrassing...
't Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar
iemand anders, als zy iets te vertellen had.
--Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
--Moeder ... ik zei ... dat het schande was.
--Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water
... en toen we 't niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de
pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte
een doek nat, en legde dien op Wouter's hoofd. Ik was ontdaan over
zooveel brutaligheid. En ze huilde, of 't naar jongen was, m'nheer! Nu,
't kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we
by waren!
Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
--En toen bleef ze nog wat zitten voor 't bed, en praatte met
Wouter ...
--Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw
Laps. 't Is maar, weet u, oom, omdat we 'n verrassing hebben.
--En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.
--Net 'n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze
waarheid zeiden.
--En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat
zal mis wezen ...
Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de
katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer
in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster
van haar discours verbleeken zou voor de zon van 't vers dat
Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve
katechiseermeesters er deftig uit! Wat 'n stap, wat 'n houding, wat
'n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
--Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen
op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u
wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u
begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!
--Ja oom, er is een verrassing.
--Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen
heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de
stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want
mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.
--Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er
een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
--Ja, 't is frissies. Koud kan ik niet zeggen, 't Is wat je noemt
... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen
... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
--Och ja! riep 't heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te
wezen. Verbeelje 't lot van een armen drommel die in dezen kring eens
had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig
was men 't eens, ditmaal.
--Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?
--Ga je gang, nicht. Wat is het?
--Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn
zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te
na ... maar 't is mooi, dat durf ik gerust zeggen. 't Is niet om te
roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik
roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z'n mondje klein, alsof-i met z'n lippen te
drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z'n
vest. Z'n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs
in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op
'n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op
'n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke
jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van
de soort die ik bedoel, _adept-clowns_ in de kermistent des Heeren,
_pierrots van de onanie_.
--Dus, myn heer, 't is niet om te roemen ... haal 't maar voor den dag,
Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... 't is mooi! Want ziet
u, in de Schrift ...
Klaas haalde z'n vers voor den dag.
... in de Schrift wordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van
weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat
doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol
weduwen ...
Klaas legde 't vers voor zich op tafel.
... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de
weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
--Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw
Laps.
--Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig
weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z'n armen op, streelde z'n boordjes, en begon:
Al de weduwen der Heilige Schrift
Worden hier tot een vers gezift;
Ter verblyding op 't verjaren
Van godzalige weduwnaren;
Juichend, bloeiend in den Heer,
Aan Jehovah lof en eer.
--Dat is 't opschrift, lichtte de vader toe.
--Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezen
Dat 'n weduw in 't huis van haar schoonvader moet wezen;
En Exodus XXII, ik zeg 't zonder vrees,
Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
--Merk op, myn heer, dat het vers en 't kapittel beide twee-en-twintig
zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods
wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;
Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;
Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis
Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;
Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons weten
Dat een weeuw zonder kinderen 't brood van haar vader mag eten;
En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,
Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;
In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
--Hé? vroeg jufvrouw Laps.
--Ja, dat wil zeggen: _majesteit_, legde de Katechiseermeester
uit. Luister maar verder, jufvrouw... 't is niet om te roemen... ik
zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
met geschreeuw,
Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;
In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoord
Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;
Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen
Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;
In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld
Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op 't veld;
In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven
Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.
Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt 't voort:
Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;
Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,
In vers 19, dat men 't recht van de weduw niet mag buigen;
_Twee_ Samuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van
Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by 't leven van haar man...
--By... _wat_? vraagde jufvrouw Pieterse.
--Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet
hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...
--De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en
staan niet om-en-om.
--Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester
bent ... maar dàt kan _my_ nu niet schelen. Ik vind die by ... by
... by ... hoe zal ik zeggen?
--Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.
--Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort
Klaas!
--_Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... 't is om de meisjes._
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in
zoo'n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn,
en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands
bywyf te willen worden.
--Ga voort, Klaas!
--Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden
gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...
--Maar, jufvrouw, 't staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten
tegen 't woord des Heeren?
--Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk
is. Myn man ...
--Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe
zal toch niet tegen de Schrift ...
--Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van
gemeenigheid. Kom, Sertrude ...
Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was
zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger
dingen uit die _Schrift_ geslikt, zonder de minste walging. Maar
't verhuizen van een zystraat naar 'n hoofdstraat ... en kinderen
met fransche namen ... en 'n dokter met bont op z'n koetsier ... och,
't is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten
samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.
Als ik nu 'n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te
regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven,
om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel
in 't gemeene. De bybelwoede openbaart zich 't duidelykst by _groot_
en _klein_ gemeen. De tusschenstand schrikt terug voor 'n naaktheid
van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal,
maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens "fatsoen" _bewys_
noodig heeft.
Extra-fine-superior-water-colours ... warranted! _Oude en nieuwe
prenten. Stoffelsche wyshedens._
De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen
hy zich sterk genoeg voelde om voor 't eerst het bed te verlaten,
vond de familie dat-i "groot" geworden was. En wie dit niet zelf kon
zien, zei 't den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak
overtuigd dan juffrouw Pieterse. "De jongen was uit al z'n kleeren
gegroeid, verzekerde zy, en 't zou heel wat _in_ hebben, hem weer
fatsoenlyk voor den dag te doen komen!" Na van Wouters ziekte zooveel
_wichtigkeit_ te hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon
't mensch zich nu al toeteleggen op 't uitbuiten van de belangwekkende
bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z'n beterschap.
't Kind zat prenten te kleuren, die hy met 'n verfdoos ten-geschenke
had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel
gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond 'n woord op,
dat niemand begrypen kon: _warranted!_ En ook de moeder hield zich
overtuigd dat het wel "goed spul" wezen zou, omdat "zoo'n dokter toch
'n heele man is!"
Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op
weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had,
dan de figuren die den huiselyken tegenspoed van _Jan de Wasscher_
moesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt
onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak
van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn
om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen
staan te laag om 't dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers
zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor 'n eenigszins
volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter's tyd de
kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen
zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten
zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze
gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo'n vel
papier--dat in de kinderwereld _de_ prent heette--verdeeld was, had
de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder
in 't minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen,
noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De
rechter-bovenhoek van 'n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt 'n
stuk hemel en 'n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of
drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing 'n roode of groene
vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, 'n sloot, en
'n heele kudde schapen met herder en al, in 't blauw. Zoo'n prent was
"gekleurd" en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar
de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden
ze ook 'n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes
dat de middelste rei vormde, _sans façon_ werd doorgescheurd, en al
zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige
kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun 'n even
bruikbaar voorwerp als 'n halve koek.
't Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo'n vandaalsche berusting
ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in 't bezit gezien van
wat beters, doch nooit van 'n schat als die hem nu van den goeden
dokter was ten-deel gevallen. Z'n nieuwe prenten bestonden meerendeels
uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak
by 't kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in 't
schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die
daarop waren voorgesteld. Men vond er _Genoveva, den verloren Zoon, de
ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen,
gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan,
den dood van Marco Bozzaris, 't beleg van Silistria, Salomo's Recht,
de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena "princesse
van het Oosten"_ en wat er al verder by zoo'n kollektie behoort.
Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen
uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de
zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uit _Macbeth_,
_Othello_, _Koning Lear_, _Hamlet_, _Tooverfluit_, _Barbier van
Sevilla_, _Freyschütz_ en nog 'n tal van andere stukken, waarvan het
een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte
zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z'n helden
en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd
ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men
't on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts
scheen de familie door 'n soort van H. Geest geleid te worden tot
eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en
de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom
anders zou die verf _vleesch_kleur heeten? Hamlet voer er slecht by,
en kreeg 'n welvarender tint dan by z'n melancholie paste.
--Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden,
klaagde Wouter.
--Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z'n moeder. Wacht
tot-i van z'n school komt.
En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel
van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol
die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de
Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich
de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten
op 'n toon alsof er geurige wysheid van z'n lippen vloeide. Z'n
heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.
--Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... 't zyn, om zoo te zeggen,
de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld,
die daar... met 'n kroon op z'n hoofd, dat is 'n koning.
--Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde
de moeder.
--Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i
gedaan heeft?
--Wel zei Stoffel, 't staat er onder. Je kunt toch lezen?
--Macbeth?
--Wel zeker! Dat is Macbeth, 'n beroemde koning uit den ouden tyd.
--En die daar, met 'n zwaard in de hand?
--Ook 'n koning... of 'n generaal... of 'n held... of zoo-iets. 't
Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander
de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies
weten kan.
--En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.
--Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?
--Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?
--Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?
Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
--Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan 'n mensch antwoorden kan.
Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, 'n gelegenheid te
zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit
was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang
inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen
waren voorgesteld.
De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld,
en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had
de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op
'n woord dat-i niet vertalen kon--'t spreekt immers vanzelf, dat we
hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?--toch was de hoofdzaak
helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters
fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide
zich die fantazie niet.
Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere
leeftyden heenstapt over ongerymdhedens, _niet_ zonderling? Ze blyft
in-allen-geval opmerkelyk.
Maar we willen nu liever dat gebrek aan _kritiek_, in Woutertje
beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op 't laatste plaatje volkomen
gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo
lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van 'n woesteling als
de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis
jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke
dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen
zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag
dit wel, en hy was er wel jaloers op...
Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens,
waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo'n woestynleven
opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid 'n plekjen optezoeken,
waar 't ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar 't kwam hem niet in
den zin, naar de herkomst van zoo'n garderobe te vragen. [17]
De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. En _Salomo's Recht_ ook. Al
had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek,
van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier 'n bybelsche zaak
gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere
beschouwingen te plaatsen over 't Beleid der Justitie in Israël, zou
in 't huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men
nog heden in de meeste kringen z'n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter
zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te
vinden, en om niet te denken aan al 't ònrecht dat gewis niet uitblyven
kòn, in 'n land waar 't Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
Bevolking-statistiek van een onbekend Keizerryk. De
geest van _Femke_ komt manen, en wordt in die funktie
welwillend bygestaan door _Wouters_ neus. We staan voor 't
kleine te laag. Rehabilitatie van _Petrus. Ophelia_ zonder
vlekken... niet _warranted_ voor de toekomst. Beschouwingen
van _Stoffel_ en _Leentjen_ over dramatische kunst.
Niets alzoo boeide onzen Wouter zoozeer, als die zwygende ernstige
peinzende, tot opheldering uittartende poppen. Als sfinksen drongen
zy zich aan z'n verbeelding op, en schenen te eischen dat hy hen zou
toespreken, en dwingen tot antwoord. Zonder dat hy zich reden wist
te geven van z'n indrukken, kwamen die stomme beelden hem als spoken
voor, die om zynentwil verschenen waren. Als geesten die hem iets te
zeggen hadden, die hem kenden, en van hem wilden gekend zyn.
Met huivering en iets als schaamte hield hy lange gesprekken met de
voorwerpen van z'n vereering, en al verstond-i de antwoorden niet,
toch voelde hy zekere voldoening. Al die voornaam gekleede personen
schenen het niet beneden zich te achten, in aanraking te komen met
het kind dat zich zoo nederig voelde in z'n katoenen nachtjapon, met
'n "bakkertjen" op 't hoofd.
Toch waren de onderwerpen van de gesprekken die hy voerde, stipt
besloten binnen de grens van de gegevens waarover hy in z'n herinnering
te beschikken had, al zou dan ook menigeen, indien Wouter overluid had
durven denken, telkens hebben uitgeroepen: waar haalt de jongen 't
vandaan? Och, hy rangschikte. En zelfs de onwillekeurigheid waarmee
dit geschiedde, had hare niet moeielyk aantewyzen oorzaken. Hoe
nauwer z'n omgeving, hoe wilder de sprongen die hy wel maken _moest_
om de leedjes van z'n ziel uittestrekken, zoodra hy rondhuppelde op
't onbegrensd terrein dat hèm behoorde. O, die dolle Keizer Wouter in
't breed domein dat-i bezig was te veroveren! O, die onverzadelyke
Alexander Philipse in z'n nachtjurk!
Maar... dat domein was schraal bevolkt. Dit is waar. Hy moest zich
vergenoegen met de gegevens die z'n eigendom waren, met de weinige
personen die hy kende, en met het mikroskopisch-kleine beetje dat-i
beleefd had.
De helden van z'n prenten bracht-i in aanraking met den dokter die hem
zoo liefderyk had behandeld, of met de sujetten uit z'n nog altyd niet
vergeten Glorioso. Ook de welbekende peruaansche geschiedenis leverde
eenige onderdanen aan z'n Ryk. Hy huwde Telasko uit aan de min van
Juliet, en de priesters van de Zon kregen 'n schitterende _revanche_
op Elias en _I Kon._ 18. Meester Pennewip ontving 'n splinternieuwe
pruik, en wel van gouddraad, waartoe 't model werd ontleend aan den
strooien krans van zekeren King Lear, die 'r heel verdrietig uitzag,
en z'n leed scheen te willen verzetten door met 'n soort van arlekyn
gehurkt in 'n hoekje te zitten. Leentje zei, die magere man met bellen
was zeker 'n nar, want: "narresleden rinkelden óók zoo. Dat zou Wouter
van den winter hooren, zoodra er sneeuw lag."
Waar onze kleine man verlegen was om sujetten die tot brug konden
dienen tusschen weten en gissen, tusschen tastbaarheid en droom, maakte
hy gebruik van de personen die hy onder z'n venster zag voorbygaan. Met
zoo'n sober materiaal moest-i zich behelpen. Toch deed-i dit liever
dan dat-i uit armoed aan bouwstoffen, zou hebben gebruik gemaakt van
z'n onmiddellyke omgeving. Het scheen hem niet in den zin te komen,
een van z'n verwanten te kiezen tot paranimf zyner gedachten. Zelfs
Lady Macbeth, die er toch niet heel vrindelyk uitzag, en zoo huiselyk
haar handen waschte, scheen hem van hooger natuur dan z'n moeder of
jufvrouw Laps. Niets kwam hem aanzienlyker voor, dan daar als pop op
zoo'n prent te staan.
En de kleeding! Kronen, diademen, _toques_ en beretten! Helmen met
fladderende vlerken, met 'n bos pluimen, met yzeren tralies als 't
venster van 'n gevangenis! Zwaarden en dolken met kruisgevest waarop
men zweren kon! Lange sleepen, gepofte mouwen, gordels met afhangende
_châtelaine-_keten... alles van goud zeker, en hy zou er dan ook braaf
wat gittegom aan te-koste leggen! En wat aardige kereltjes waren die
pages met 'n vogel op den kruk! Zelfs zoo'n vogel was byzonder, en
gaf raadsels op. Want hy had 'n kapjen over z'n gezicht, als iemand
die niet bekend wil zyn. Neen, neen, al die schoone zaken behoorden
by Wouters omgeving niet! "Hoe is 't mogelyk, dacht-i, dat iemand
die zulke prenten bezit, ze verkoopt? De dokter heeft ze zeker geërfd."
Al had-i geweten dat Lady Macbeth de gepersonifiëerde voorstelling
was van misdaad, dan nog zoud-i 't heiligschennis geacht hebben,
haar in aanraking te brengen of te vereenzelvigen met de draagsters
eener deugd, die hem instinktmatig tegenstond door burgerlyke
ordinairheid. De eerste, inbreuk op deze richting was door dien
strookrans van Koning Lear veroorzaakt, en misschien zou 't daarby
gebleven zyn, wanneer hy niet op een-maal in Ophelia's gestalte iets
ontdekt had, dat hem herinnerde aan... Femke. Zóó ook zou zy kunnen
staan, meende hy, bloemen vernielend, en de blaadjes om zich heen
strooiende...
Hy schrikte!
Wel had-i 'n flauwe herinnering dat er gedurende z'n ziekte iets met
het meisje was voorgevallen, maar 't rechte wist-i niet. Aztalpa's
moeielyke keus... staande en liggende regels van 't vers dat-i niet had
kunnen maken... de bons van z'n val, toen-i in z'n ziekte Femke's stem
gehoord had... de wilde bruiloft van 't bleekgoed... pater Jansen met
de zaligheid... alles was hem één verwarde klomp herinnering. En hy
nam zich dit kwalyk, als iemand die door slordigheid iets kostbaars
liet verloren gaan of bederven. Hy trilde by 'n onbestemd gevoel,
en spande zich in om terug te vatten wat ontglipt scheen aan z'n
gemoed. Toen-i met 'n paar gemaakt-onverschillige woorden naar "dat
meisje" gevraagd had...
O, die kleine huichelaar! Waarom noemde hy 't lieve kind niet by haar
naam? Als ik liegen mocht, zou ik bepleiten dat-i 't goed meende. Men
zou kunnen veronderstellen dat in zyn gevoel Femke's naam te liefelyk
klonk voor de ooren van Sertrude, Mine en Petró...
Neen, neen, neen! Zóó is 't niet geweest. De besten onder ons hebben
iets van Petrus, met z'n: ik ken dezen man niet! Juist de besten het
meest. Ik zal trachten hiervan iets uitteleggen. Misschien verklaart
dit het vertrouwen van Jezus op den apostel die hem verloochende.
Och, de preek is te makkelyk. Ik vrees dat de lezer me begrypen zal
voor ik gereed ben, en me de konklusie afsnyden met 'n: dat spreekt
vanzelf, ik heb 't nooit anders ingezien.
Om Petrus te leeren begrypen, den moedigsten van Jezus' volgelingen,
behoeft men zich slechts voortestellen dat er, vóór 't verraad, aan
_Judas_ gevraagd was: zyt gy ook niet uit zyne discipelen? Judas zou
waarachtig niet neen gezegd hebben! Een betuiging kost den laaghartige
niets, maar den oprechte is zy 'n daad. Petrus was niet gereed voor
'n offer, vooral omdat het gevorderd scheen zonder dat het op 'n offer
geleek. Voorzeker zou hy z'n heer niet verloochend hebben, indien hem
de vraag ware gedaan door gewapende en dreigende krygslieden. Hy had
z'n karakter niet by-de-hand, omdat de ondervraging geschiedde door
'n dienstmaagd, en... eens verloochend hebbende, struikelde hy over
de geringe moeielykheid van 't terugkomen op z'n woord, hy die zich
met moed en lust zou hebben teweer-gesteld tegen 't schrikkelykst
gevaar. Waar 'n held zich klein toont, is 't by vergissing... het
toonen niet, maar 't klein-voelen zelf. We kunnen dien toestand
vergelyken by de penurie van den ryke die, ongewoon aan geringe
geldelyke bezwaren, verzuimd heeft zich by zekere gelegenheid te
voorzien van pasmunt.
Wel jammer, dat die pasmunt zoo'n groote rol speelt in de wereld! En
heel onbillyk, dat lieden die _gewoon_ zyn aan kopergeld, zich zoo
vermeien in den nood van den millionair wanneer hy tengevolge van _hun_
armoed, z'n bankpapier niet gewisseld kan krygen!
Waarachtig, onze Wouter zou Femke niet verloochend hebben als men
den dood gezet had op z'n... liefde! Nu, liefde was 't eigenlyk
niet. Misschien ook was het dit wel, of iets er van. Maar dan moeten
we 'n gansch ander woord zoeken voor de duizend-en-een aandoeningen
die daarvoor in de wereld en litteratuur gewoonlyk worden aan de
markt gebracht.
Naar "dat meisjen" alzoo had-i gevraagd, 't Was al veel dat-i z'n
lippen niet kon dwingen tot de uitdrukking: "die meid" gelyk volgens
anderen de ware lezing was in de huisannalen der Pietersens.
En men had hem afgescheept met 'n paar onverschillige woorden, die hem
deden voelen dat er in die omgeving geen plaats was voor z'n roman,
al stelde hyzelf die zoo byzonder hoog niet. Hy nam zich voor, Femke
te bezoeken, zoodra hy 't huis zou kunnen verlaten, en klaagde aan
z'n moeder, dat het "bakkertje" hem zoo kneep... omdat-i niet graag
door Femke, als ze soms mocht voorbygaan, wou gezien worden met
'n kinderachtige pluimmuts. Zoo'n ding paste niets by peruaansche
brandstapels. En zelfs by "ivoren poorten" maakte het 'n ontwydend
effekt.
Al was er veel uitgesleten van de indrukken die hem overweldigden,
en neerwierpen op 't ziekbed, toch was-i braaf genoeg om iets als
zelfverwyt te voelen dat-i zich zoo lang had bezig gehouden òf met
niets, òf met iets anders dan 't meisje dat hem zoo'n hartelyken
zoen gaf, toen-i dapper geweest was. Dat wegwerpen van vernielde
bloemen door Ophelia, had wel iets van: zie Wouter, zóó hebje met my
gedaan! Waren we niet afgesproken dat...
Wel neen, afgesproken was er niets. Toch kwam 't Wouter voor, dat-i
'n woordbreker was en 'n gloed van schaamte overtoog z'n gelaat.
Die Ophelia... ja, ja, ze wàs het! Want zie, daar kwam Petrò met
'n bak hemden en sokken en allerlei ondergoed, dat zich in een der
talryke stadiën bevond, die men 't vuillinnen laat doorloopen, voor
't geschikt is om weer op-nieuw vuil gemaakt te worden. Wasschen,
spoelen, styven, rekken, mangelen, stryken... weet ik het! Het zoodje
rook naar loog... zóó'n lucht was er ook by Femke's bleekgoed, en
alzoo riep Wouter's neus hem toe: ja, ja, zy is 't wel, zy, de dame
met de uit elkaar gereten bloempjes... de heele kamer ruikt er na!
--Als je beter bent moet je-n-eens naar den dokter gaan, zei de moeder,
en hem bedanken voor je beterschap... naast God. En me dunkt dat je
'm dan met-een wel 'ns kon laten zien wat je al zoo gekleurd hebt.
--Ja zeker, moeder, dàt zal ik doen! Ik zal haar den heelen prins
van Denemarken geven... ik meen... hem, den dokter!
--Ga je gang, jongen. Maar zorg dan, dat je 'r geen vlekken op
maakt. En denk er aan, dat die geest van den ouden ridder heel bleek
moet zien. Stoffel heeft het gezegd... omdat het 'n geest is, weetje.
--Ja, moeder. Ik zal 'm heelemaal wit maken.
--Goed. En als je nu eens die dame daar in 't geel zette?
De moeder wees met 'n breipen op Ophelia.
--Neen, o neen, riep Wouter snel. Ze was in 't blauw!
--Ze was? Wie was?
--Ik meen maar, moeder, dat ik al zoo veel gelen heb. En daarom wou
ik haar... deze... die--Ophelia heet ze, 't staat er onder--nu eens
blauw maken. De dame die 'r handen wascht, kan dan weer geel zyn?
--My wel, zei de moeder. Als je maar zorgt dat er geen vlekken
op komen.
De ontwikkelde lezer weet dat Lady Macbeth tamelyk bevlekt was,
lang voor ze in prent werd gezet. Maar Ophelia's beeld is rein uit
Wouters handen gekomen. Wat daarmee later geschiedde...
Helaas!
Ik zal nog veel moeten toenemen in menschkunde en schryftalent, voor
ik dàt behoorlyk schetsen kan. Maar ik zal m'n best doen. Gelukkig
dat we nog in lang zoo ver niet zyn. Er is ruim tyd tot oefening.
De slimme Stoffel was te weten gekomen wat dat dan toch eigenlyk
voor prenten waren. Hy hing 'n tafereel op van zaken die, hoe bekend
ook in andere kringen, door de Kinderen-Pietersens voor nieuw werden
aangezien. Een van Stoffels kollegaas was verwant aan de tooneelwereld,
en had hem verhaald dat zulke afbeeldingen van kostumes 'n groote rol
spelen onder de behoeften van akteurs. By deze zelfde gelegenheid
vernam men nu een-en-ander over de stukken waaraan Wouters prenten
ontleend waren, en over tooneelspelen in 't algemeen.
't Was voor Wouter 'n geluk, dat het juist Stoffel was, die deze
kennis in 't huis bracht. Van elken anderen kant gekomen, ware ze
misschien afgeweerd als onbehoorlyk, en zeker onwelwillend nageplozen
als iets verdachts. De woorden "tooneel" en "schouwburg" hebben nog
thans in de ooren van velen 'n zeer onzedelyken klank, en dat was
'n heele of halve eeuw geleden nog veel erger dan tegenwoordig. Maar
't genoegen van wysheid te verkoopen, noopte Stoffel tot gunstiger
voorstelling van de zaak, dan-i anders had kunnen overeenbrengen met
de bekrompenheid die by hem de funktien van 't geweten vervulde.
--Zie je, moeder, er is komedie en komedie. Uwe moet onderscheid maken
tusschen 'n treurspel en... de vertooning van allerlei gekheid, waaruit
'n mensch niets leeren kan. Er zyn van die komedies, die... heel
treurig zyn, en de menschen huilen er van... heele deftige menschen.
--Gut, zei jufvrouw Pieterse.
--Ja, moeder! En dan zyn er weer andere stukken waar ze by zingen
en muziek maken, en dat kan ook heel mooi en zedelyk wezen, en dat
noemen ze dan by voorbeeld... 'n _opera_. En heel veel fatsoenlyke
menschen gaan er heen. Uwe ziet, moeder, dat daarin niets onzedelyks
is, en dat men niet zoo bekrompen moet zyn, en alles zoo terstond
afkeuren. By de oude Grieken speelden ze ook komedie, en daarin
studeeren nog tegenwoordig onze eerste professers.
--Is 't mogelyk!
--Ja, moeder. Al die prenten van Wouter zyn genomen uit wezenlyke
stukken, en 't zyn heele geschiedenissen. Ik kan nu zoo op-eenmaal
niet alles vertellen, en wil maar zeggen dat er ook goede komedies zyn.
--Dàt moet ie dan toch eens aan juffrouw Laps vertellen! Zy, zegt
altyd...
--Wat _zy_ zegt! 't Mensch heeft nooit 'n komedie gezien.
Dit was wel waar, maar de heele Pietersens-familie was op dit stuk
geen haar breed verder. Slechts Leentje misschien...
--Daar heb je 't! riep de moeder. Ze zal dien donderdag avend in
de komedie geweest zyn... want het was 'n donderdag... zoo zieje,
hoe dan toch _obboedekon_ alles aan den dag komt! [18]
Een geheimzinnige zaak nu was 't geweest, dat Leentjen eens 'n
achtermiddag verlof had gevraagd wegens "schrikkelyke hoofdpyn"--by
burgerluî is elke pyn terstond _schrikkelyk_--en... er was later
gebleken dat ze den avend van dien dag niet by haar moeder thuis was
gebleven. Den storm die hierdoor werd opgewekt, kan ik overslaan, omdat
de goede Virgilius dien voor my beschreven heeft: _quos ego_... en
_ite, deae pelagi_! Gut, wat de tritons zich weerden... Trui, Mine,
Petró! En Aeolus, de brave Stoffel! Alles blaasde braafheid, en
't Ryk der ondeugd sidderde.
--Als 't schepsel dan in-godsheerennaam maar zeggen wou waar ze
geweest was, kermde de moeder. Ik kan toch geen _sichetten_ over den
vloer houden, die den nacht hebben doorgebracht... god weet waar!
Den nacht? Dit stond juffrouw Pieterse heel leelyk! Die vervloekte
liefdeloosheid der hyperbolen! Den nacht?
Ze wist beter dan gy en ik, lezer--want ze had het van Leentje's
moeder, die er niet om jokken zou--dat de stumpert "heel bedaard
zoo tegen elven was thuis gekomen onder begeleiding van de
kleermakers-juffrouw van hier-naast."
Den nacht? Den nacht?
Wàt toch, om 's hemels wil had de onbehagelyke Leentje met haar nachten
kunnen uitvoeren? 't Viel het onnoozel meiske reeds moeielyk genoeg,
niet groots te worden op de hoogdravende verdenking. Ach, wat had er
veel anders moeten zyn, voor ze 'r aan denken kon iets te gebruiken van
de massa deugd die by haar braak lag! En dat wist juffrouw Pieterse ook
wel. Ze schoof dien problematischen nacht maar tusschen de dithyramben
van haar verontwaardiging, om de delinkwente te dwingen tot bekentenis.
Maar Leentje was taai en verklapte niets. Ze had geheimhouding beloofd
aan de kleermakers-juffrouw, die zich "zoo in-acht moest nemen voor
de menschen, omdat haar man 'n _nieuwlichter_ was."
Deze zaak was verheven tot rang van mysterie. En de belangstelling nam
toe, toen men in Leentje's naaidoosjen 'n afgescheurd stuk vond van
'n "personen-" lystje. Ook had men Leentje betrapt op 't neurien van
'n lied dat voor 't eerst uit haar mond gehoord werd, en duidelyk
heenwees op onbekende relatien. Het was de roerende aria: "'k bèn
vol eer, 'k bèn vol eer, ziet ik ben d'r 'n man vol eer!"
En nu eindelyk was, na Stoffels bekeering tot het tooneel, 't plechtig
oogenblik aangebroken, waarop al die duisternissen zouden worden
opgehelderd. Leentje werd geroepen, en viel door de mand.
Ach ja, ze had "de komedie" bezocht, en wel die van den befaamden
Jan Gras, den toenmaligen Apollo van de _Elandstraat_.
Ik ben daar nooit geweest, maar wel herinner ik me, met welken eerbied
ik sommige schoolmakkertjes aanzag, die over dien tempel der Muzen
wisten meetespreken.
't Spreekt vanzelf dat Leentje begon te schreien. Ze meende iets zeer
verschrikkelyks geopenbaard te hebben en wilde juist beloven dat ze
't nooit weer zou doen, toen ze tot haar verwondering vernam "dat er
volstrekt geen kwaad stak in zoo'n uitspanning, en dat de grootste
professers wel eens daarheen gingen...
--Né, moeder, dàt heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat onze Grieksche
professers...
--Nu, dat's hetzelfde, riep juffrouw Pieterse. Ik bedoel maar dat 'n
mensch zich wel eens veramuseeren mag. En zeg me nu eens _fransiman_
wat je daar zoo al gezien hebt.
Leentjen aan 't vertellen. Wouter legde z'n penseel neer. Petrò's
strykyzer werd er koud van. Ook Stoffel luisterde, en wel met de
eigenaardige uitdrukking van iemand die heel nieuwsgierig is, doch niet
wil laten merken dat-i wat nieuws hoort. By elke zinsnede uit Leentjes
mond, zette hy 'n gezicht alsof-i zelf dat even goed zou hebben
kunnen vertellen, als-i 't maar niet zoo druk gehad had met z'n pyp,
en hy keek z'n moeder aan met blikken die haar sommeerden te erkennen
dat-i dit alles vooruit had geweten. De wereld is vol Stoffels.
Het spreekt vanzelf dat Leentjen en de kleermakers-juffrouw waren
onthaald geworden op "De Onechte Zoon" van Kotzebue. Hoogstens was er
kans geweest dat ze "_Menschenhaat en Berouw_" of "_De dood van Rolla_"
als eersteling plukte op den akker van haar tooneel-ondervinding. Maar
die "_Onechte Zoon_" gaat voor. Er is meestal 'n hysterisch element in
de uitspattingen van burgerlyke styfheid, en de kleermakers-juffrouw
die aan nieuwlichtery getrouwd was, en sedert jaren op den sprong stond
eens van de wereld te snoepen, had geen weerstand kunnen bieden aan
de aanlokkelyke onechtheid van dezen titel. Kotzebue was 'n _faiseur_
die z'n zaak verstond. Geen van z'n stukken maakte dan ook zooveel
opgang als dat fameuse "_Kind der Liebe_." Of deze benaming aanduidt
dat men de behoorlyk geregistreerde kinderen zou moeten beschouwen als
voortbrengsels van haat of onverschilligheid, durf ik niet beslissen.
Ziehier iets van Leentje's verhaal.
--Eerst was er muziek, juffrouw, en ze speelden heel mooi, en toen
't scherm opging was er 'n groot bosch, en 'n vrouw zat te huilen
onder 'n boom, en er was 'n baron die haar zoon gevangen nam omdat-i
'n jager was, en toen moest-i in de gevangenis, en hy heeft toen
heel mooi gesproken, en de moeder ook, maar de baron zei dat-i heer
en meester op z'n land was, en de gauwdieven straffen zou, en hy was
woedend van kwaadheid, en toen zei de moeder... neen, er kwam 'n ander
die zei... neen, zoo was 't ook niet, maar toen viel de gordyn weer,
en de kleermakers-juffrouw kocht wafelen die rondgeprezenteerd werden
in de zaal door arme jongetjes, en we hebben chocolaad gedronken,
omdat de kleermakers-juffrouw zei dat 't alle dagen geen kermis
was. En er zat 'n heer achter ons, die alles uitlei, en die de kopjes
van ons aannam toen ze leeg waren. Ook zeid-i dat de menschen hier
zoo mooi speelden, en dat er maar één komedie van Jan Gras was,
en de kleermakers-juffrouw heeft 'm 'n pepermuntje geprezenteerd,
maar hy zei dat we-n-'ns moesten kyken naar 't scherm, omdat daarop
allerlei geschilderd was, groote beelden in 'n wolk, en bloemen, en
'n man die op 'n instrument speelde, en er vlogen engeltjes om-heen
... snoepig! En de muzikanten speelden weer, maar begryp nu eens wàt,
juffrouw? Ze speelden: _mooie meissies, mooie bloemen_...
--Foei, riepen de drie gratiën. Zoo'n gemeene straatdeun! [19]
Vervolg: _Onechte Zoon_, gekompliceerd met 'n _echt_ zilveren
doosje, _onechte_ eerlykheid, _echte_ naïveteit van _Leentje,
onechte_ bravigheid der juffrouwen _Pieterse_.
--En toen ging de gordyn weer omhoog, juffrouw, heelemaal vanzelf,
maar de heer die achter ons zat, zei dat het gedaan werd door menschen
die men niet zien kon, misschien wel door den onechten zoon, want
zeid-i, zoolang de gordyn neer was, zat-i niet in de gevangenis,
en mocht heen-en-weer loopen net als 'n ander. En toen prezenteerde
de kleermakers-juffrouw hem weer 'n pepermentje, maar hy zei: "kyk
nu liever naar 't stuk, juffrouw, want je bent hier nu eenmaal voor
je geld." We hadden twaalf stuivers betaald ... twaalf stuivers de
man, weet u, buiten de wafels en de chocola. En toen zei de baron
... och, uwe begrypt, ik kan alles nu zoo precies niet vertellen. Ik
wil maar zeggen dat die oude vrouw gedurig huilde, en niet tot
bedaren komen kon, omdat ze zoo ongelukkig was. Want, juffrouw,
begryp eens, die onechte zoon was haar eigen zoon, en hy was ook
'n onechte zoon van dien baron. Uwe begrypt hoe de menschen daarmee
inzaten ... omdat-i 'n onecht kind was, weet u, die nergens te-recht
kon. En papieren had-i ook niet, en de moeder ook niet. En daarom
zoud-i nu sterven ... omdat-i zonder permissie gejaagd had. Gut,
het was zoo mooi, juffrouw! Maar toen viel het scherm weer, en we
namen nog 'n wafel. En toen zei die heer achter ons, dat er altyd
zooveel slecht volk in de zaal was ... zakkenrollers, weet u? En 't
was heel goed, zeid-i, dat men stukken speelde met 'n gevangenis er
in, om de menschen te waarschuwen tegen slechtigheid. Want, zeid-i,
eerlyk duurt het langst. En toen wou juist de kleermakers-juffrouw
hem weer 'n pepermentje prezenteeren, maar ... och, ze schrok zoo,
want haar doosje was weg. En we zochten in onze zakken, en op den
grond, en in onze stoven, en we zochten overal, want ze had het van
haar peetemoei ... en dus, uwe kunt begrypen hoe 't mensch ontdaan
was. En we vroegen aan den heer achter ons, of hy ons ook zeggen
kon wie 't gedaan had? En hy vroeg of 't doosje van zilver was? Ja,
zei de kleermakers-juffrouw, 't was van echt zilver, en ... dat ze
't van 'r peetemoei had. En toen vroeg-i of 't glad of geribd was? En
de juffrouw zei dat het geribd was. En toen zeid-i dadelyk dat het dan
zeker gestolen was door 'n zakkenroller, maar hy kon niet zeggen door
wien, omdat er zoovéél in de zaal waren, zeid-i. Maar anders... 't
was zeker door 'n zakkenroller gedaan.
--Hyzelf kan 't wel gedaan hebben! riepen 'n paar toehoorsters.
Leentje was verontwaardigd, en wees die verdenking met drift terug.
--Neen, juffrouw Sertrude, zeg uwe zoo-iets niet! Dat's zonde! 't Was
'n allerfatsoenlykste man, dat kan _ik_ u zeggen! Den heelen avend
is er geen onvertogen woord over z'n lippen gekomen en hy noemde my
"juffrouw" zoo goed als de kleermakers-juffrouw zelf! En hy is zelf
opgestaan om den dief te zoeken, en hy vroeg waar de juffrouw woonde,
en als-i 't doosje vond, zeid-i, zoud-i 't haar terugbrengen. Hy had
'n wit piqué vest aan, met paarse bloempjes... och, hoe kan uwe zoo
iets zeggen!
--Nou, ga maar voort met je _Onechte Zoon_, eischte het Publiek.
--Gut, juffrouw, de muziek was zoo mooi! En als ze speelden, was er
'n heer, die met 'n stok wees hoe de wys was. Maar er werden veel wyzen
gespeeld, die ik nooit heb hooren zingen, en dus niet navertellen kan.
--Maar vertel dan toch van 't stuk!
--Ja, ziet u, dat 's zoo makkelyk niet! 't Was heel mooi, maar er zyn
zoo van die dingen die men zelf moet gezien hebben om ze te begrypen,
want ik kan niet alles zoo nadoen. De baron merkte dat die jager
in de gevangenis z'n eigen zoon was, omdat-i eens... in vroeger
tyd... kennis had gehad... weet u...
Er heerschte 'n sterke spanning onder Leentjes auditorium. Al de
hoorders hygden naar de door den titel beloofde onechtheid, en Leentje
wist geen raad met 'r vertelling. Ze werd vuurrood.
--Hy had die oude vrouw vroeger gekend, en toen was-i met haar
in... konversatie geweest, zal ik nou maar zoo 'reis zeggen,
en ze zouden getrouwd zyn, maar... er was iets tusschenbeide
gekomen... en... daarom heet het stuk de _Onechte Zoon_...
Wouter luisterde met evenveel inspanning als de anderen, maar z'n
verbeelding was rustiger. De beurt was nu aan de meisjes om de teugels
lostelaten van háár fantazie. Ze keken voor zich. De nuchtere Stoffel
kende 'n paar boekenfrazen van-buiten, die hy hier te-pas bracht.
--Juist! Hy had hare onschuld misbruikt--zoo wordt zulks genoemd--en
daarna haar ten-prooi gelaten aan de schande. Ik kan u niet genoeg
zeggen, moeder, hoe de jeugd zich daarvoor moet in-acht nemen. Ik zeg
't de jongens alle dagen op m'n school...
--Hoorje 't, Wouter? Let daar 'ns goed op, en onthoud wat Stoffel zegt.
Toen Stoffel merkte dat z'n kommentaar in den smaak viel, ging
hy voort:
--Juist, moeder! De deugd moet geëerd worden. Dat is Gods wil, en wat
God doet, is welgedaan. Onder alle zonden is de wellust... 'n zeer
groote zonde, omdat God het verboden heeft, en omdat alle zonde hier
of hier-namaals gestraft wordt...
--Hoorje 't, Wouter?
--Hier of hier-namaals, moeder! Gepaste vreugd màg wel, maar
ongeoorloofd zingenot is... niet geoorloofd. Dat rukt alle banden
van de menschelyke Maatschappy... uwe ziet wel, dat zoo'n komedie
heel mooi wezen kan, als men 't maar goed opvat, en alles behoorlyk
weet uitteleggen. Dàt is het maar!
--En hoe liep het toen af met dien baron?
--Wat zal ik u daarvan zeggen, juffrouw! Hy heeft veel gesproken,
en was erg bedroefd omdat hy eens... die oude vrouw...
--Verleid had, viel Stoffel hulpvaardig in, daar Leentje 't ware woord
niet vinden kon, of niet noemen durfde. Men noemt zulks verleiden.
--Ja juist, zoo zei dat mensch ook. En hy beloofde haar dat-i 'r nooit
weer zoo-iets zou aandoen. En toen zeid-i tot den onechten zoon,
dat men altyd op 't pad van de deugd moet blyven, en dat-i met die
oude vrouw trouwen zou. Ze was er erg mee tevreden.
--Dat geloof ik, riepen de drie meisjes, als uit één mond, en met
'n snelheid die verklapte waar eigenlyk 't zwaartepunt ligt van
sommige zedelykhedens. Dàt geloof ik graag, riepen ze, toen werd ze
'n ryke barones!
--Ja, zei Leentje, ze werd 'n groote dame. En de onechte zoon
viel den baron om den hals, en toen speelden ze 't "_Kamertje van
'n Waschmeisje_" en de zoon was huzaar, en zong: "_'k bèn vol eer,
'k ben vol eer, zie ik ben d'r 'n man vol eer!_ Maar waar de oude
baron gebleven is, weet ik niet. En toen zyn we naar huis gegaan,
maar de kleermakers-juffrouw had geen pleizier meer, omdat ze haar
doosje kwyt was. Of die heer 't haar nog thuis gebracht heeft, zou
ik de juffrouw niet kunnen zeggen.
Hier was de vertelling uit.
De meisjes dachten: barones!
Stoffel: de deugd!
De moeder: twaalf stuivers "de man" buiten wafels en chocolade!
Wouter: die jager! ik zou wel zoo'n jager willen zyn in een bosch... in
'n heel groot bosch... heelemaal alleen...
Hy nam z'n penseel op, en zag Ophelia aan:
...heelemaal alleen in 'n groot bosch, met... Femke!
Zoo had ieder z'n byzondere indrukken, die niet alleen onderling
verschilden, maar ook in dezelfde persoon telkens verwisselden
van kleur. Kotzebue zou vreemd hebben opgezien, als-i Leentje's
verhaal gehoord had. Vreemder nog, wanneer hy had kunnen weten wat
het achterliet in de gemoederen van haar hoorders. Deze verwondering
zou trouwens het deel zyn van èlken kunstenaar, die 'n blik sloeg
in de gemoederen van z'n publiek. Gelukkig ditmaal dat er aan
Kotzebue's fabrikaat niet veel te bederven viel. Of de uitwerking
van z'n effektstuk op de gemoederen van Leentje's auditorium ook zoo
onschuldig was, zou ik niet durven verzekeren. De meisjes berekenden
dat het "verleiden" op zichzelf nu juist zoo heel erg niet wezen zou,
als men maar zeker was dat zoo'n baron... tenlaatste... en niet àl
te laat...
Er zou, meenden zy, 'n niet onaardige _carrière_ te vervaardigen
zyn uit 'n reeks van goed geëxploiteerde jeugdige misstappen. 't
Mutsenmaken was er niets by.
Petrò vroeg met gemaakte onverschilligheid, hoe oud de huilende vrouw
zoo ongeveer kon geweest zyn, en voelde zich versterkt in haar deugd,
toen Leentje heel onnoozel antwoordde:
--Zoo tegen de zestig, juffrouw...
Deze _Odyssee_ der bedelende gewezen onschuld kwam Petrò wat lang
voor. Maar 't "mutsenmaken" stond haar weer erg tegen, toen Leentje
voortging:
--Tegen de zestig, toen ze onder dien boom zat. Later, toen de baron
terugkeerde tot de deugd, en haar trouwen wilde, fleurde ze erg op. Ze
kan toen zoo-wat 'n goeie veertigster geweest zyn...
"Dat vervloekte mutsenmaken!" riep... geen van de diep nadenkende
meisjes, maar ze dachten 't.
In één opzicht was de heele familie 't eens. Ieder wilde gaarne ook
eens zoo'n "komedie" zien. Maar juffrouw Pieterse zei dat de kosten
haar "begrootten." En dit werd nog erger, toen Stoffel 'n booze tyding
thuis bracht over den "troep van Jan Gras in de _Elandstraat_, waar
geen fatsoenlyke familie zich vertoonen kon." Dit was hem verzekerd
door iemand die 't wel weten kon, want hy was 'n bloedneef van den
rol-uitschryver by den grooten Schouwburg op 't Leidsche Plein. Dàt
was de ware komedie!
--Verbeeld u eens, moeder, die is van de stad, en de Burgemeester zelf
zoekt de stukken uit... om de zedelykheid, weet u. En begryp eens,
als er in zoo'n stuk staat: "o God!" dan verandert de Burgemeester
dit in: "o hemel!" omdat het niet te-pas komt, van onzen-lieven-heer
te spreken in 'n zaal waar ook wel gedanst wordt. Want... gedanst
wordt er ook, moeder. Maar als wy er eens heen gaan, kunnen we best
'n stuk afwachten waarin niet gedanst wordt, en dat heelemaal is
nagezien door den Burgemeester... [20]
_Laps_ versus _Pennewip. Wouters_ embryologische studiën.
De groote meerderheid des Volks, de kleine burgerstand, heeft geen
geschiedschryver. Met haar bemoeit zich noch de filoloog, noch de
physioloog, noch de psycholoog, noch de schilder, noch de dichter,
noch de filosoof, noch de staatsman. Ze staat voor politie en justitie
te hoog, voor aesthetische beschouwing te laag: ze is _onpoëtisch_.
Ik zou waarlyk geen kans zien deze meening te verdedigen, naar den
stipten zin dien _ik_ aan al die benamingen hecht. Doch als men met
de dagelyksche opvatting daarvan tevreden is, zal ze waarschynlyk geen
verdediging noodig hebben. Reeds in den aanvang der Wouter-geschiedenis
zag ik de moeielykheid in, den lezer belangstelling inteboezemen voor
'n romanheldje dat, by-gebrek aan roman, naar veler meening eigenlyk
geen behoorlyk heldje wezen kan. Wouter zelf zou dan ook de laatste
geweest zyn, die zich voor zooiets uitgaf. En juist dááronder leed
hy. En hoe hy in z'n gedachten dat ondichterlyke van z'n toestand
noemde, kan ik niet zeggen. Hyzelf had er evenmin 'n benaming
voor. Hoogstens voelde hy iets ontevredens, iets benepens. Ook kwam
't hem niet in den zin, zich aftescheiden van z'n omgeving, veel
minder nog zich daartegenover te stellen.
Behalve door z'n zeer onbestemde begeerte om iets meer van al die
poppen te weten, voelde hy de eigenaardige ontevredenheid die hem
kwelde, 't smartelykst als er diligences of reiskoetsen voorby z'n
venster reden. Dat _vice-versa_ en _sauvegarde_--zóó stond er op
de postwagens in zyn tyd--kwamen hem voor als tooverspreuken die hy
wel niet begreep, doch waarachter gewis iets zeer belangryks schuilen
moest. En die reizigers! Hoe voornaam, zoo van-verre te komen, van héél
ver, misschien wel van Rotterdam! En zou ieder nu precies weten waar-i
wezen moest, en wat-i daar te doen had, zonder broer Stoffel? Zoo'n
koetsier, en de man die naast hem zat met 'n trompet... och, die
menschen waren toch ook eenmaal kinderen geweest! Hoe hadden ze 't toch
aangelegd om 't zoo ver te brengen? En hoe of ze 't wel maakten met de
roovers? Of zouden die alleen in Italië zyn? Dat zou toch jammer wezen!
Hy was nu geheel hersteld, en wachtte slechts op de nieuwe broek en de
verdere nieuwigheden die z'n moeder voor hem liet vervaardigen uit de
afgelegde kleedingstukken van z'n broer, om 't voorgenomen bezoek by
den dokter te maken. Te-gelyk met nieuwe plunje kwam juffrouw Laps. Ze
was zeer verontwaardigd, dat men op 't punt stond: "den medicynmeester
meer eer te geven dan den Heere." Wouter moest eerst z'n kerkgang doen,
zei ze. Dat stond in de Schrift! En als-i 't niet deed, zou de Heer
z'n koninkryk vàn hem nemen. Juffrouw Pieterse kon er vast op rekenen.
--Gut, mensch, ik heb er niet tegen dat-i naar de kerk gaat ook, zei de
moeder, maar... we zyn ver van zondag, en omdat nu de blauw-lakensche
broek van Laurens zoo netjes "ingenomen" is...
--Dat zyn juist de wereldsche dingen die 'n mensch van 't ware pad
leiden, betuigde juffrouw Laps.
--Maar zou dan nu 't kind vyf dagen thuis moeten blyven, alleen
omdat-i nog niet in de kerk geweest is?
--Wat beteekenen die vyf dagen, juffrouw Pieterse! De Heer is wel
veertig dagen in de woestyn gebleven, en veertig nachten... denk
eens! En al dien tyd zonder eten... dat's wat anders! Geloof me,
juffrouw Pieterse! je moet je niet van je weg laten brengen door
Laurens z'n broek. Maar 't is netjes gedaan, dat moet ik zeggen. Wat
vraagt de man er voor?
Gedurende 't nu volgend gesprek over de handigheid van den kleermaker,
zat Wouter te peinzen over die woestyn. Hy had er wel zin in. Het kwam
hem zeer byzonder voor, en daarom belangwekkend. Eensklaps vroeg hy
aan juffrouw Laps, hoelang _zy_ in de woestyn geweest was?
--Heb je van je leven... zoo'n kwajongen! Waar haalt-i de
ondeugendigheid vandaan? Neen, mannetje, ik ben nooit in de woestyn
geweest, en dat hoeft ook niet, omdat ik m'n godsdienst thuis doe,
weetje, en... om de andere tyden, zieje. De Heer leefde in 't Heilige
Land, en... 't is lang geleden. Jy met je malle vragen zoudt 'n mensch
verlegen maken. Ik blyf er by, juffrouw Pieterse, dat je verdriet van
den jongen hebben zult. 't Is je eigen schuld. Je had 'm al lang z'n
wyzigheid moeten verleeren.
--Maar 't kind heeft niets miszeid, jufvrouw!
--Zoo? Vindt uwe dat? Nu, _ik_ vind dan op myn beurt...
We schenken haar met koninklyke mildheid de uitlegging van 'r
verstoordheid. De zaak was, als in veel gevallen van deze soort, dat
grof bedrog zich niet op z'n gemak voelt tegenover naïveteit. Juffrouw
Laps was minder bevreesd voor Stoffels rhetoriek dan voor Wouters
eenvoud.
En zie, daar kwam ook die andere vyand aanrukken, en nog wel met
het beraamd plan haar eens duchtig onderhanden te nemen. Stoffel zou
de komedie-veldtocht openen! De slimmert had zich van 'n bondgenoot
voorzien: hy trad de kamer binnen met... meester Pennewip!
Na de gewone begroetingen werd het gesprek al zeer spoedig op 't
onderwerp gebracht, dat dienen moest om juffrouw Laps ten-onder te
brengen. Ze liet zich niet onbetuigd, en lokte zelfs den aanval uit,
door flinkweg al wat naar 'n schouwburg geleek, tot zaken van de hel
te verklaren.
--Uwe verkeert in de soort van dwaling die ik rangschik onder de zeer
algemeene, zei meester Pennewip, en wel van de allerbekrompenste
klasse. Myn jonge vriend hier--hy wees op Stoffel--heeft my uw
vooroordeel op dit punt kenbaar gemaakt, of... te kennen gegeven. En
het is juist hierom dat ik...
--Dat moet je nu niet zóó opnemen, riep de moeder, alsof de meester
expres daarom hier gekomen was. 't Is maar, zieje dat Stoffel
by-toeval...
--Neen, juffrouw Pieterse, ik kom voorbedachtelyk hier, om over de
zaak te spreken.
Als om deze betuiging kracht bytezetten, haalde hy z'n neusknyper
voor-den-dag, en begon 'n verhandeling over allerlei soorten van
vermaak. Hy verdeelde de genoegens in geoorloofde en verbodene. De
"zinnelykheid" kreeg er duchtig van langs, en Wouter had zoo gaarne
de beteekenis van dit woord willen vragen, maar de ruwe wys waarop
hy zooeven berispt was, had hem schuw gemaakt. Hy zou 't onderzoek
naar die afschuwelyke zonde dan in 's hemelsnaam maar uitstellen
tot-i groot was.
--Maar, meester uwe zal toch niet ontkennen dat zoo'n komedie 'n
wereldsche zaak is, riep juffrouw Laps.
Dit woord "wereldsch" heeft 'n booze klank, en Pennewip moest al z'n
onderscheidingsvermogen te-hulp roepen, om niet z'n thema prys te
geven aan zoo'n aanval.
--Zekerlyk... zekerlyk! De zaak is wereldsch, maar... ook wereldsche
zaken laten zich onderscheiden in behoorlyke en onbehoorlyke, in
dezulke die Gode welbehagelyk zyn, en andere zaken, die... die...
--Dàt's niet waar, meester! Wat wereldsch is, is verdoemd... dat zeg
ik maar! 't Staat in de Schrift!
Het doet me leed voor Pennewip, maar ik moet erkennen dat-i by deze
gelegenheid niet zeer dapper op den vyand insloeg. En ook Stoffel
durfde den ingeprenten afschuw van dat vreeselyk woord niet aan.
Het ontzag voor 'n klank speelt in de geschiedenis der dwalingen, een
zeer groote rol, ja de hoofdrol. Zoodra het aan de verspreiders van
'n wanbegrip gelukt is, hun theses te stempelen met 'n eigenaardige
benaming, zal die naam langer leven dan 't oorspronkelyk geloof aan
de redeneering waaruit ze voortsproot. De afgezaagde tegenstelling
van zoogenaamd-verheven begrippen met woorden als: _wereld_,
_zinnelykheid_, _vleeschelyke begeerten_, enz. heeft die uitdrukkingen
tot spoken gemaakt, waardoor nog altyd menigeen zich laat verschrikken,
al zoud-i dan ook overigens ontwikkeld genoeg zyn tot nagenoeg zuivere
redeneering. De oorzaak hiervan is, dat men na lang gebruik van die
klanken zich 't denken heeft afgewend. Dit is ook van toepassing op
heel andere kringen dan die waarin Woutertje op dit oogenblik met
open mond zat te luisteren.
Pennewip stamelde, en nam 't eene snuifje voor, 't andere na. De
goeie man bedacht niet dat hyzelf zoo druk bezig was met offeren op
't altaar der vervloekte zinnelykheid. En ook z'n vyand dacht er niet
aan. Gelukkig! Want de minste aanmerking zou Pennewip op den weg
geholpen hebben om de zinnelykhedens te gaan verdeelen in klassen,
en haar te wyzen op de vreeselyke zonde die ze beging door 't slorpen
van haar sterk gesuikerde thee.
Wat overigens dat "wereldsche" van den Schouwburg aanging, de man
scheen er niet aan te denken dat ook z'n school toch wèl beschouwd
'n wereldsche zaak was. En z'n pruik! En z'n dyvest! En z'n
neusknypertje. En... de heele juffrouw Laps zelf immers ook? Wat
ànders?
Ach, hy kwam zoo ver niet! De argumenten uit de wapenkamer der
geloovery hadden z'n kracht gebroken. Z'n tegenvoetster begreep
dat ze aan de winnende hand was, en om hem te vervolgen tot in z'n
uiterste schuilhoeken:
--Neen, riep ze, van de komedie moet uwe niet spreken, meester! Al
zulke dingen zyn verlokkingen des duivels... dat zeg ik! Daar heb je
nu by my in de straat, de juffrouw boven den spekslager... die heeft
ook op 'n komedie gespeeld--althans zoo zeggen de menschen--en ze is
getrouwd, laat zien... verleden Maart... zes maanden... reken maar
na meester--uwe ziet dat ik de waarheid zeg!--zes maanden, zeg ik,
en wat gebeurt er? Ze ligt in de kraam, meester, zoo zondig als ik
hier voor je zit... dat komt van dat vervloekte komedie-spelen!
O, o, o, onze Wouter! Wat al ooren had-i open, om zooveel belangryks
optevangen! Zooveel kittelende geheimenissen! Wel wist-i niet of de
ware knoop van de zaak in de spekslagery zat, of in de maand Maart,
of in de komedie, of in dit alles te-gelyk, of in een-en-ander uit dit
alles, maar... prikkelend wàs het! Er was 'n kindje geboren omdat de
moeder komedie-gespeeld had! Ziedaar dan eindelyk één der vraagpunten
beantwoord, die hy zich sedert 'n jaar zoo gedurig voorlegde. Helder
was de zaak nog niet, vooral daar-i de zoo gretig afgeluisterde
inlichting in nauw verband bracht met Leentjes relaas over den
"_Onechte Zoon_." Ook daaruit was hem zekere verwantschap gebleken
tusschen de geboorte van 'n kind en komediespel, en omdat nu deze beide
onderwerpen gelykelyk schenen te deelen in den afschuw dien juffrouw
Laps ten-toon spreidde voor wereldsche zaken, lag het in de rede dat hy
ze vry onbepaald vereenzelvigde. Hoe dan ooit z'n moeder er toe gekomen
was zich aan zoo-iets overtegeven, begreep-i niet. Maar... ook dat
probleem werd bewaard voor de toekomst. Intusschen was hy zeer benieuwd
naar 't stuk dat hèm had voortgebracht. Een treurspel? Of 'n komedie
met zang en muziek... 'n _opera_, zooals Stoffel dat genoemd had. Die
muziek-geboorte kwam Wouter zoo heel verwerpelyk niet voor. Hy voelde
inderdaad iets in zich dat naar 'n synfonie geleek. Maar 't benauwde
hem, omdat-i te ongeoefend was om 't stuk te spelen.
Juffrouw Laps ging voort:
--Ik vraag uwe, meester, wat kan er om Krrrristis-wil terecht komen
van zoo'n kind? In zonde ontvangen en geboren, hè?
Wouter werd angstig. De meester trok verlegen aan z'n pruik,
en mompelde iets van "christelyke liefde en Gods byzondere
goedheid." Maar juffrouw Laps was slecht te spreken op dat
stuk. Liefde... goedheid... nu ja, voor de uitverkorenen. Maar men
mocht niet nederzitten met de goddeloozen. En dat had de juffrouw
boven den spekslager gedaan! En daarom zei zy maar dat zoo'n komedie...
--Maar, mensch, de meester is toch ook geen man van gister of
eergister, viel juffrouw Pieterse in.
--Dàt's mogelyk, maar ik hou me-n-aan de Schrift. En daarin staat
van geen komedie. [21]
Wat Pennewip aangaat, hy durfde haar begrippen omtrent gewone komedies
niet aan, toen zy de zaak op 'n zoo verheven terrein bracht. Toch
was de man niet byzonder dom. Maar: geloof, schoolmeestery en
verzen... welke hersens zyn bestand tegen zoo'n cerberus van biologie?
_Lapsen-triumf. Galgebrokken. Weldadighedens_ in extremis. _De roem
van_ Floris V _gestaafd door de verhevenheid van'n komma. Letterkundige
oefeningen onder de leiding van meester_ Pennewip.
--Maar hebje dan wel ooit 'n komedie gezien? vroeg Pennewip, schoon hy
't antwoord wel raden kon.
Het mensch betuigde haar zondagsche verontwaardiging over 't
veronderstellen van zoo'n mogelykheid, en riep daarby duchtig haren
Heer aan.
--Of gelezen?
--Né, meester! Wat _ik_ lees, lees ik in de Schrift ... dat lees ik!
--Voorzeker behoort de H. Schrift tot de klasse der alleruitstekendste
boeken ... jazelfs, men kan zeggen, Gods Woord _is_ het
alleruitstekendste boek. Dit zal niemand betwisten, juffrouw. Doch
het is den mensch geoorloofd, of ... vergund ...
De meester haalde hier 'n boekjen uit den zak, dat-i voor de
gelegenheid had meegebracht, en betoogde dat men niet juist terstond
ieder als verdoemd behoefde te beschouwen, die ... nu-en-dan ... met
mate ... onder opzien tot hooger ...
--Wel zeker, riep Stoffel, by my op school ook! De jongens lezen in
'n _Chrestomathie_ van 't _Nut_ ...
--In wát voor 'n ding? snauwde juffrouw Laps.
--In 'n _chres ... to ... ma... thie_, juffrouw. _C,h,r,e,s ... kres!_
--Of, volgens sommigen: _gggres_, kommenteerde de meester. _Krisius_
of... _Gggristus_ ...
--Dat zyn allemaal heidensche nieuwigheden! Ik zeg maar: Kristisss
... want zóó heet de Heer, en niet anders! Jelui zult me toch m'n
geloof niet willen afnemen?
--Maar juffrouw ...
--Ik wil er niets van weten! Dat komt van al die wereldsche
geleerdhedens! Wat zegt Paulis ... of neen, wat zeiën ze tegen
Paulis? Ze zeiën dat-i gek was van geleerdheid. En zóó is het! Want
ik zeg: Kristisss is Kristisss, en daar ga ik niet af, al ging jelui
op je hoofd staan met je beîen. En voor Wouter is 't ook niet goed,
juffrouw Pieterse, dat-i zulke praatjes aanhoort, 't Kind is pas
ziek geweest, en als de Heer hem niet gespaard had, zoud-i nu al voor
't Gericht staan ... zoodat ik maar zeggen wil, dat ik vasthoud aan
m'n geloof. Maar als-i uitgaat, moet-i 'ns by me komen, dan zal ik
hem eens onder-handen nemen, want met z'n kathechizatie zit het er
dun op. Dat heb ik al lang gemerkt. En nu, dankje voor je koppie
thee, juffrouw Pieterse ... né, meester, geen woord meer ... 't is
zonde! Verlokken laat ik me niet ... ik blyf by den Heer ... nou,
stuur 'm eens by me--Wouter meen ik--als-i uitgaat.
Onder dit gerammel was 't schepsel opgestaan, en ze vertrok, met
overwinnaarsblikken 't slagveld overziende, waarop ze zooveel roem
meende behaald te hebben.
Juffrouw Pieterse was niet tevreden met den uitslag van den
veldtocht. Ze had van haar beide maarschalken meer verwacht. Pennewip
en Stoffel beweerden dat juffrouw Laps te dom was voor 'n behoorlyk
debat. Wie zal dit ontkennen? Maar 't was de eenige reden niet. Ze vond
in haar steil _entiérisme_ zekere kracht, die haar tegenstanders niet
konden putten uit het al te flauw bewustzyn dat er iets kon bestaan,
wat naar gezond verstand geleek. Ze zou dan ook met behulp van
haar frazeologie de overwinning behaald hebben op veel ontwikkelder
vyanden nog, dan ze zoo-even uit het veld sloeg. De eerste pogingen
tot overgang van volstrekt geloof tot onafhankelyk nadenken, werken
verlammend, en het is niet te verwonderen dat zoo weinigen de kracht
bezitten, zulke pogingen doortezetten tot het uiterste toe. Zeker
is het, dat deze kracht niet kon gezocht worden by den ouwerwetschen
Pennewip en den bekrompen Stoffel. [22]
En wat heeft uwe daar dan voor'n boekje? vroeg juffrouw Pieterse.
--Het is een voortbrengsel, of anders gezegd: een werk van een
onzer eerste vaderlandsche dichters, sprak Pennewip met plechtigheid,
jazelfs... ik zou durven zeggen van den eersten of... den voornaamsten,
ook wel de Vorst der nederlandsche dichteren genoemd. Hy is 'n man,
juffrouw, die in godzaligheid voor niemand behoeft uit den weg te
gaan. In den vollen zin des woords zou ik hem durven rangschikken
onder de Belyders. Dit boek, juffrouw, bevat eene komedie, en wel van
de soort die wy gewoon zyn treurspelen te noemen... omdat er iemand
in sterft.
--Zieje, moeder, precies wat ik uwe altyd gezegd heb, reklaamde
onze Stoffel.
--Ja, juffrouw, daar wordt in gestorven. Ziehier op 't laatste blaadje
zekere Machteld... _"dank, Hemel, ik bezwyk_" zegt ze, en ze stort
neder op 't lyk van Floris... ah ja, die Floris zelf is ook dood. 't
Is inderdaad een treurspel.
Zie slechts hier. Hy overleed vier regels vroeger aan de gevolgen
van een groot verraad... en... en...
Meester bladerde.
... op deze bladzyde, of pagina, sterft er ook een. "_Graaf,
vaarwel! Gedenk my met gebeden! (hy sterft.)_" staat er. Uwe ziet
dus wel dat het een treurspel is.
--Net wat ik zei, moeder!
--Ja, 'n treurspel! En wel van 'n dichter, juffrouw, 'n dichter... hoor
eens:
Woerden (_de hand aan den degen slaande_).
Zoo straff' de Hemel my...!
Velzen (_hem weerhoudende en op Floris toeschietende_).
Laat my hem 't hart doorstoten!
De Edelknaap (_tusschen beiden schietende met uitgetogen' degen,
en Velzen een' stoot op het harnas toebrengende_).
Sta, Moorder, neem de proef...!
Velzen (_dezen den opgeheven' dolk in de borst dryvende,
die er in zitten blyft_).
Lig daar, vermeetle wulp!
--Wat zegt uwe dáár van? vroeg de meester.
Alles was 'n oogenblik stom van verbazing.
--Ja, zei eindelyk Stoffel, en alles zoo krek met staande en liggende
regels. "Wulp" stáát weer, zieje Wouter?
't Kind had den moed niet, te vragen wat 'n _wulp_ was? Gelukkig.
In 't voorbygaan hoop ik dat de lezer aandachtig genoeg is om me 't
kwalyk te nemen dat ik aan Stoffel 't woord: _krek_ in den mond leg,
omdat het alleen by boeren, en dan nog slechts in sommige streken van
ons landje gebruikelyk is. Welnu, dit is niet altyd zoo geweest. In
den tyd van m'n verhaal was de uitdrukking: "_Correct_" wel reeds
gedaald tot de sfeer der Pietersens, maar nog niet voorgoed naar
't land verhuisd.
Pennewip keurde Stoffels opmerking volkomen goed, en zei dat men zóó
de voortbrengselen der letterkunde moest genieten...
--Let daar dan goed op, Wouter, vermaande de moeder.
--En méér nog, juffrouw, ging de meester voort. Om de ware grootheid
van zoo'n dichter goed te beseffen, moet men vooral bedreven zyn
in... de taal. De kunde van zoo'n man is verbazend. Al wat ik aan
myne voedsterlingen, leeraar, of... onderwys, of... inprent--want
leerären is zooveel als onderwyzen, juffrouw. Ik zoude ook vryheid
gehad hebben te zeggen, alle zaken waaromtrent ik mynen leerlingen
onderricht mededeel--nu, juffrouw, dat alles is hem tot in de fynste
byzonderheden bekend. De man kon gerust eene school opzetten... niet
dat ik hem dit aanraad--de verdiensten zyn gering, juffrouw!--doch
ik bedoel slechts dat dezelve de daartoe noodige bekwaamheid wel
bezitten zoude. Zoolang ons Vaderland zulke personen in deszelfs
boezem draagt...
Het heele gezelschap was één poging tot verbaasdheid. Stoffel knikte
tevreden, alsof er nu eens eindelyk wat verkondigd werd, dat de moeite
van 't aanhooren waard was. Al de anderen, op Wouter na, steunden op
elkaar. Zoo gaat het meer. We hebben hier 'n vry juist model van _'t
profanum vulgus_ voor ons.
Toch verstoutten zich de gelaatstrekken van Pennewips publiekjen,
iets vragends uittedrukken. Een beetje opheldering scheen niet
ongewenscht. Het was alsof men stilzwygend beloofde dat de bewondering
er niet onder lyden kon. Men scheen niet te vragen: waarom moeten we
dat zoo mooi vinden? De bedoeling was: mooi-vinden zùllen we... help
ons maar aan 'n reden!
Nu, die reden zou Pennewip leveren:
--Zie eens hier, juffrouw! Ik weet wel, of liever, ik kan gissen
of... veronderstellen--volgens sommigen: vóóronderstellen, omdat het
'n onderstelling is die de zekerheid als 't ware voorafgaat--ik
kan dan als nagenoeg uitgemaakt aannemen, dat uwe zich in den
regel, of... gewoonlyk, of... wat men zou kunnen noemen: dagelyks
en... uitsluitend, niet bemoeit met deklinatien...
--Gut né, meester!
...ook wel genoemd: verbuigingen. Maar uwe zult toch wel begrypen,
of inzien, dat alles om 't zoo eens uittedrukken deszelfs eischen
heeft, niet waar?
Juffrouw Pieterse betuigde met 'n hoofdknikje dat zy de gegrondheid
van deze meening volkomen inzag of... begreep. Pennewip scheen dit
zeer verstandig te vinden, en ging voort:
--Ziet uwe daar die komma wel, of... juister gezegd die... _apostrofe_?
--Jawel, jawel, meester, riep juffrouw Pieterse, o zeker, zeker,
ik zie 'm heel goed. Kyk jy ook eens, Trui!
--En dáár staat er nog een, ging Pennewip voort. Laat de andere
juffrouw ook eens zien.
't Boek ging rond. Juffrouw Pieterse was bly dat de inspanning tot
begrip, die weldra van haar zou geëischt worden, 'n beetje verdeeld
werd over 't heele gezelschap. Om de verantwoordelykheid nog wat
verder afteleiden, betrok ze ook Wouter in de zaak.
--Laat het kind toch ook 'ns zien! Hy is er net in de jaren voor. Kyk
nu goed, Wouter! Een jongen als jy moet altyd probeeren wat te
leeren. Zieje 'm nu wel, die... die... hoe heet het ook, meester?
--Wat de gedaante aangaat, juffrouw, zoude men het eene komma kunnen
noemen, doch ten-gevolge der eenigszins verheven plaats waarop de
zeer kundige schryver dat teeken zette, ontvangt hetzelve de kracht...
Wouter tuurde in 't boek, en was verdrietig over z'n domheid. 't
Mocht hem niet gelukken iets schoons te zien.
... de kracht of de beteekenis of de strekking...
Wouter wreef z'n oogen uit, en kon maar niet aan 't genieten raken. Hy
was te eenvoudig-oprecht om verbazing te toonen die hy niet voelde.
--Het onleent aan z'n verheven plaats de strekking, ging meester voort,
om de hoofdeigenschap diens uitgetogenen degens te verklaren. Die
degen is vierde naamval, juffrouw! En dit is almede de eigenschap
des opgehevenen dolks.
--Precies! riep Stoffel.
--Vierde naamval! De kundige dichter...
--Kyk dan toch in 't boek, Wouter, en luister goed, riep de
moeder. Zieje 't nu?
--'t Is 'n afsnydingsteeken, riep Pennewip. En waarom? Wat doet de
Edelknaap? Hy schiet tusschen-beiden.
--Zie je 't nu eindelyk, Wouter?
't Kind staarde op het boek, en werd bleek van verdriet, en begon
te beven. Och, het was dan wáár, wat men altyd zeide, dat er van hem
nooit iets zou te-recht komen! Hy voelde zich wanhopig.
--De Edelknaap schiet tusschen-beiden... waarmee? Waarmee, juffrouw?
Juist! Waarmee... waarmee... komaan, Wouter, zeg jy nu eens, waarmee
die... hoe heet-i ook?
--De Edelknaap. De vraag is, gelyk ik u reeds zeide, waarmee schiet
hy tusschen-beiden? Waarmee? waarmee?
Alles zweeg.
--Ik zoude myne vraag dan aldus kunnen inkleeden:
waardoor wordt "uitgetogen degen" taalkundiglyk
gesproken... geregeerd? Welnu? Door... mê... mê... mê...
Al blatend monsterde hier onze Pennewip z'n auditorium op eigenaardige
wys. [23]
--Mê... mê... wel nu, juffrouw, weet uwe 't nog niet?
--Is 't iets van... 'n schaap, meester?
--Geenszins, juffrouw. Het woordje _met_ behoort tot de klasse der
voorzetsels...
--Precies, betuigde Stoffel.
...en regeert alzoo--let wel op!--den vierden naamval. Die komma
of die apostrofe is, gelyk ik u reeds zeide, of... deed opmerken,
een afsnydingsteeken. Wat dèn opgehevenèn dolk aangaat... besef
wel, juffrouw, dat ik op dezen oogenblik my niet bezig houde met
het vervaardigen van... poëzie, en dus geene aanleiding vinde iets
aftesnyden. Ge begrypt dit immers wel?
--Ja, ja, meester, o ja! Zie je 't nu eindelyk, Wouter?
Met tranen in de oogen bleef 't kind verklaren dat-i niets van de
zaak gewaar werd. Het gebluf van de anderen op snel begrip, had hem
in den waan gebracht dat er in dat boekjen iets van die uitgetogen of
opgeheven moordtuigen te zien was, iets tragisch, iets heldhaftigs,
of iets van dien edelknaap althans. En nu de meester bovendien van
afsnyden begon te spreken:
--Ik zal nooit iets leeren, jammerde hy.
--Dan moet je maar beter luisteren, als de meester of Stoffel je
wat uitlegt, zei de moeder. Ja, meester, hy is altyd zoo achterlyk
geweest. _Senie_ in leeren heeft-i volstrekt niet, en ik kan 't er
maar niet in krygen.
Dit kon den meester nu minder schelen, als hy maar mocht voortgaan
met onderwyzen. Z'n bewondering over die fameuze afsnydings-teekens
was nog niet uitgeput.
--Het zal u voorzeker bekend zyn, juffrouw, dat de woorden verdeeld
worden in mannelyke, vrouwelyke en onzydige?
--Ja, meester, dat heeft Stoffel ook gezegd.
--Juist! "Degen" is mannelyk, en "dolk" ook, dit begrypt u?
--Wel zeker, dat 's heel duidelyk.
En al de meisjes riepen: zeker, zeker!
De meester had met welgevallen die gulle betuigingen aangehoord,
en z'n stoel gepolyst door wenden en keeren om ieder op z'n beurt
gelukkig te maken met 'n blik van goedkeuring. Z'n tevredenheid scheen
eindelyk domicilie te kiezen by de vrouw des huizes. Met schouder,
oog, duim en wysvinger trachtte hy haar in de ziel te grypen:
--Mannelyk alzoo! Deklineer uwe nu eens "uitgetogen degen" juffrouw,
of--indien u dit misschien gemakkelyker mocht voorkomen--beproef eens
het te verbuigen.
--Ja, ja, juist! Dat moet jeluî nu maar 'ns doen met je allen,
riep ze. En jy Wouter, doe ook mee, dan leer je wat, niet waar,
meester? En ik moet abseluut na de keuken, anders laat ze weer de
gort aanbranden... want we eten gort, meester, en we hebben 'n nieuwe
meid. 't Schepsel weet van toeten noch blazen... 't is 'n gedoe!
Onder dit voorgeven trok zich juffrouw Pieterse magnificentelyk van
't slagveld terug. Met veel gehaspel trachtte nu Pennewip de rest van
z'n auditorium aan 't verstand te brengen hoe inkunstig de auteur van
het treurspel de uitgetogenheid van dien degen had weten te knotten,
zonder 't minste nadeel voor de ware taalkunde. Dáárin zat 'm 't fyne
van de zaak, zeide hy, en al de meisjes waren 't weer volkomen met
hem eens. Maar Wouter had 'n gevoel als iemand die op distelen kauwt,
en dan nog verzekeren moet dat ze hem byzonder goed smaken. 't Ergste
was dat-i by voortduring de oorzaak van dat verschil met de anderen,
bleef zoeken in zyn verregaande stompzinnigheid.
--Ook in konjugatien is de man een eerste meester, in konjugatien
of... vervoegingen! De juffrouwen kennen toch de aanvoegende wys?
De juffrouwen knikten.
--Aanvoegende, byvoegende, ook wel genaamd de byvoegelyke wys?
"Zeker, zeker, heel partikulier!" schenen alle blikken te antwoorden.
--Welnu dan, zie eens hier. Wat staat daar? "_Zoo straff' de Hemel
my!_" Ook daar heeft de schryver met veel oordeel een afsnydingsteeken
geplaatst, en gy ziet wel...
--Daar wordt zoo-waar gescheld, riep Trui, en Leentjen is er niet om
open te doen.
Aldus retireerde zich juffrouw Sertrude.
--Uwe dan, juffrouw. _Dat ik straffe, dat gy straffet... dat hy_,
of _dat de Hemel_...
--Precies, zei Stoffel. Zeg jy 't nu eens, Petrò! _Dat de
Hemel_... welnu, hoe is 't verder?
--De Hemel? Wel... de hemel? Daar gaat de groentevrouw voorby... ze
heeft me gister 'n zesthalf voor 'n schelling in de hand gestopt...
Weg was Petrò. Ze verzaakte den "hemel" voor vier aardsche duiten, want
zooveel bedroeg 't verschil tusschen de twee muntstukken die ze noemde.
En ook Mine wist middel te vinden om haar gebrek aan taalkundig
schoonheidsgevoel te bemantelen onder 'n overhaaste vlucht.
Wouter torschte nu de les alleen. En hy spande zich trouwhartig in om
te begrypen wat Pennewip en Stoffel bedoelden. Dit gelukte redelyk
wel wat hun taalkundery aangaat, maar z'n begrip bleef steken in
't verband daarvan met de treurspelkundige schoonheid die er uit
voortvloeide, naar 't zeggen van z'n meesters.
Hy droomde dien nacht heel angstig, en werd telkens met schrik
wakker. De onmogelykheid eens eindelyk ook iets te begrypen van wat
allen anderen zoo duidelyk voor oogen scheen te liggen, pynigde hem
vreeselyk. Hy bad God om vergiffenis voor z'n domheid, en beloofde z'n
best te doen om even knap te worden als Petrò, als Trui, en zelfs als
Stoffel of Pennewip. Maar, als dit mislukte, of als 't soms te veel
gevergd was... dan verzocht-i God hem toch asjeblieft maar bekwaam
genoeg te maken voor bleekersjongetje. Dàt zou dan toch met eenige
inspanning wel gaan, meende hy. En als God z'n wensch niet al te
onbescheiden vond, zou hy van zyn kant dapper meewerken om 't zoo ver
te brengen... _dat ik straffe ... dat gy straffet... dat hy_... en
dan 't afsnydingsteeken, precies 'n komma, maar wat hooger. God kon
nu zelf zien hoe hy z'n best deed... _straffe... straff'_... komma
in de lucht... 'n bleekersjongetje...
Zoo sliep hy in. Maar kort daarop kwam weer 't een-of-ander teeken
z'n slaap afsnyden. Pennewip had eer van z'n taalkunde!
De schrandere lezer heeft opgemerkt hoe kunstig de kleine deugniet alle
toespeling op Femke in z'n gebedjes oversloeg. God mocht eens denken
dat-i om harentwil zoo bescheiden was. En ook hyzelf moest erkennen
dat-i liever koning was geworden--om Femke prinses te maken!--of
kondukteur van zoo'n diligence--om haar ver, vèr weg te brengen naar
'n vreemd land!--of roover... om z'n dame te omhangen met 'n snoer
van diamanten, en... op haar schoot te zitten in 'n grot.
Nu ja, dat zou 't allermooist wezen, maar omdat dit nu eenmaal niet
kon, door z'n verregaande domheid...
Neen, neen, hy zei van dit alles aan God niets in z'n gebedjes. De
Heer zal zeker gemeesmuild hebben over de arglistige poging van
den kleinen huichelaar, om hem 'n beetje te foppen in de waarde van
't gevraagde. Zoo'n aanstelling tot bleekersjongen zou zeker geen
zware post geweest zyn op 't budget van 't heelal, maar als de zaak
dreigde uitteloopen op den schoot van Femke...
Gelukkig dat de Heer van oudsher aan onoprechte gebeden gewend is,
en wel weten zal waaraan hy zich by zulke gelegenheden te houden
heeft. Hy begrypt, byv. dat het bidden om vergiffenis voor 'n vyand,
niet... _krek_ is, omdat juist de zachtmoedigheid van 't slachtoffer
de schuld der beulen verzwaart, en daar de slachtoffers dit weten...
't Is te hopen dat alle gebeden daarboven worden overgezet in
_waarheid_, en dat er voor Wouter iets beters moge weggelegd zyn,
dan de ruwaardy van 'n bleekveld.
Maar dat-i veel van Femke hield, is waar, al zeid-i er niets van in
z'n gebedjes. God zal 't wel begrepen hebben, denk ik, want menschkunde
is godenplicht.
Pennewip had de fameuze "komedie waarin driemaal gestorven wordt" in
den huize Pieterse achtergelaten. De juffrouwen stelden zich aan of ze
't lazen, maar Wouter deed meer nog dan lezen. Met den ernstigen wil
om te begrypen, bestudeerde hy 't stuk. En dit gelukte hem tendeele,
maar hy slaagde volstrekt niet in de voorgeschreven opgetogenheid. Hy
bleef Glorioso mooier vinden. En 't peruaansch geschiedenisjen ook. En
zelfs dat arme _Roodkapje_.
Om rechtvaardig te zyn jegens den auteur van dat sterfstuk, moeten
wy erkennen dat de manier waarop men hem by 't kind had ingeleid,
niet zeer geschikt was om de schoonheden te doen uitkomen, die
sommigen gewoon zyn de _dichterlyke_ te noemen. De meester had
door z'n taalkundige opmerkingen 't genieten vry moeielyk gemaakt,
en aldus in dezen kleinen kring vry nauwkeurig de rol vervuld die
onze scholen spelen in de klassieke litteratuur. We zouden van de
antieken meer geleerd en genoten hebben, wanneer ze ons niet waren
vergald geworden door skolastiek.
Toch beweer ik niet dat het boekske waarmee men voorgaf Wouters
hongerige ziel te spyzigen, heel veel verloor aan dat vooropstellen
van komma's in de lucht en dergelyke merkwaardigheden. De auteur
verdiende niet beter. Pennewip zou 'n lofwaardig werk hebben gedaan,
indien hy met verontwaardigd sarkasme dezelfde zotternyen had voor
den dag gebracht, die nu slechts uitvloeisels waren van z'n nuchtere
schoolmeestery.
De lezer kan reeds weten dat het werkje waarmee onze Wouter zich
moest bezig-houden, de meer of min bekende "_Floris de Vyfde_" van
Bilderdyk was. [24]
Over middelpuntschuwende en aantrekkende krachten, negatieve
en pozitieve polen of zoo-iets, blykbaar in 'n paar bezoeken
die _Wouter_ byna niet aflegt.
Wouters kerkgang was achter den rug. De dominee had by deze
gelegenheid zoo byzonder mooi gepreekt, zei Stoffel. En: "alles was
zoo toepasselyk!"
--'t Is nu maar te hopen, moeder, dat het vruchten draagt.
--Zeker, Stoffel! En dat-i me niet weer z'n nieuwe broek scheurt. Er
moet zoo zuur voor gewerkt worden.
Dit was wel weer eenigszins hyperbolisch gesproken, want "zuur gewerkt"
werd er in den huize Pieterse niet. Dat Wouters moeder zich met haar
huishouden zooveel onnoodige drukte op den hals haalde, geschiedde
uit pure liefhebbery. 't Mensch meende, dit hoorde er zoo by. Ook
't klagen daarover, of liever 't roemen op die bereddering, lag in
haar mond bestorven. Ze zou vreemd hebben opgezien als men haar gezegd
had dat ze best kon gemist worden in de huishouding van 't Heelal.
Dat Wouter de bezoeken die hy had afteleggen, moest uitstellen tot na
z'n kerkgang, was 'n gevolg der bygeloovige vrees voor de dreigementen
van Juffrouw Laps. Deze had zich beroepen op II Kronieken 16, vers 12,
en tegen zulke argumenten was de ontkiemende liberalistery van juffrouw
Pieterse niet bestand. Wel bleef ze er by dat men nu juist niet _alles_
wat in de Schrift stond, zoo precies op iedereen kon toepassen...
--Ja, ja, ja, dat kan de Mensch wel, als 't ware geloof er maar is,
en ... de Genade! Waarom anders, m'n lieve mensch, zou de Heer die
verdoemelyke zwakheid van Koning Asa hebben laten te-boek stellen
door den H. Geest? Alles heeft z'n beteekenis, weetje!
--Och ik ben zóó niet, of ik wil wel naar raad luisteren ...
--Dat 's 't ware! Dan ben je gered, mensch! En ... stuur 'm eens by me,
na zondag. Of ... al wàs 't zondag, maar na kerktyd dan. Dan kan-i
me met-een wat van de preek vertellen, schoon die dominees... och
wat weet zoo'n kind daarvan!
Juffrouw Laps hield niet van dominees. Als velen zag ze die heeren
voor "geleerd" aan, en ze meende dat geleerdhedens niet te-pas
kwamen. "Gods Woord, zei ze, was zóó ingericht dat ieder 't begrypen
kon zonder grieks of latyns ... als-i de genade maar had. Dáárop kwam
alles neer." Op den broodnyd na, die haar deze meening in 't gemoed
lei, ben ik dit geheel met haar eens. En juist hierom vind ik die
"Genade" zoo'n leelyk ding. Om konsekwent te zyn, moeten de Lapsen
zich weinig bekommeren over "goede werken" en zelfs niet erg opzien
tegen de kwade. Nu, konsekwent wàs onze oefenaarster.
--Ja, ja, zondag na kerktyd! Ik reken er vast op ...
En, om de uitnoodiging dringender te maken, sprak ze van de lekkernyen
die ze gewoon was haar gasten op dat uur voortezetten.
Wanneer wy aannemen--en dit mogen we--dat juffrouw Laps op 'n bezoek
van Wouter byzonder gesteld was, moet men erkennen dat er diepe
kinderkennis lag in het toevoegen van gebakjes aan de voorgespiegelde
napreek. Als waarheidlievend geschiedschryver mag ik niet verhelen dat
m'n held voor verlokkingen van deze soort geenszins ongevoelig was. En
... er was wel zoo-iets noodig om de vurige godsdienst-oefenaarster
in zyn oogen beminnelyk te maken, of althans niet ten-eenen-male
afschuwelyk. Hy was bang voor haar, doch 't spreekt vanzelf dat-i dit
niet durfde zeggen. Ook blyft het de vraag of-i 't wist, want de tyd
was nog ver, dat hy beginnen zou zich rekenschap van z'n aandoeningen
te geven. Een tyd die voor velen nooit aanbreekt!
Instinktmatig voelde hy angst voor 't alleen-zyn met dat schepsel. Ze
was hem de levendige voorstelling van al de akeligheden die Jehovah
noodig had om van tyd tot-tyd wat respekt inteboezemen aan Israël
... donder en bliksem, pestilentie, verzwelgende afgronden, booze
zweeren, vlammende zwaarden en verder goddelyk gereedschap. Indien
hy den moed had gehad rond-uit te spreken, zoud-i haar verzocht
hebben de beloofde versnaperingen hier-of-daar neerteleggen buiten
haar woning. Hy zou die dan wel vinden, meende hy. Maar dezen moed
had-i niet, en hy moest er dus wel in berusten dat z'n moeder over
hem beschikte, en 't bezoek toezei.
--En waarom ben je 'r nu niet heengegaan? vroeg ze, toen Stoffels
opgetogenheid over de preek wat begon te bedaren.
Wouter beriep zich op de bekende buikpyn die alle kinderen
ten-dienste staat, zoodra ze zich aan onaangename plichtjes willen
onttrekken. Deze ziekte zou te genezen zyn door 't aankweeken van
eenige vertrouwelykheid tusschen ouders en kroost. Waarom toch durfde
Wouter niet erkennen dat het bezoek van Juffrouw Laps hem tegen
de borst stuitte? Hy wist immers zeer goed dat in zyn omgeving de
sympathie met z'n speciale vyandin zoo byzonder groot niet was?